40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
32 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling diervoeders 2012 | BWBR0028123 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-04-12 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0028123 | Regeling diervoeders 2012 |
Regeling diervoeders 2012
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
- – basismonster: basismonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;
- – besluit: Besluit diervoeders 2012;
- – derde land: land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte;
- – eindmonster: eindmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;
- – grootouderdier: vermeerderingsdier dat wordt gehouden voor de productie van andere vermeerderingsdieren;
- – kalkoen: dier van de soort Meleagris gallopavo;
- – kip: dier van de soort Gallus gallus;
- – leghen: dier bestemd voor de productie van consumptie-eieren;
- – lidstaat: land dat lid is van de Europese Economische Ruimte;
- – minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- – pluimvee: hoenderachtigen, eenden of ganzen;
- – vermeerderingsdier: vogel bestemd voor de productie van broedeieren;
- – verzamelmonster: verzamelmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;
- – vleeskalkoen: kalkoen van 72 uur en ouder die worden opgefokt of worden gehouden voor de productie van vlees;
- – vleeskuiken: kip van 72 uur en ouder die worden opgefokt of worden gehouden voor de productie van vlees;
- – werkdag: dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag.
2. Deze regeling berust op de artikelen 6.2, eerste lid, 6.4, 7.1 en 9.1 van de Wet dieren en de artikelen 2.1, 2.3 en 2.4 van het Besluit diervoeders 2012.
Artikel 2
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
* verordening (EG) nr. 1069/2009:* verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300);
b. b.
*verordening (EG) nr. 396/2005:* verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU 2005, L 70);
c. c.
*verordening (EU) nr. 37/2010:* verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorpsrong (PbEU L 15);
d. d.
*verordening (EU) nr. 2017/625:* verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012. (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU L 95);
e. e.
*uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793:* uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793 van de Commissie van 22 oktober 2019 betreffende de tijdelijke verhoging van de officiële controles en noodmaatregelen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van bepaalde goederen uit bepaalde derde landen tot uitvoering van de Verordeningen (EU) 2017/625 en (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 669/2009), (EU) nr. 884/2014, (EU) 2015/175, (EU) 2017/186 en (EU) 2018/1660 van de Commissie (PbEU L 11);
f. f.
*verordening (EG) nr. 152/2009:*
verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (PbEU 2009, L 54);
g. g.
*verordening (EU) nr. 2018/848:*
verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150).
Hoofdstuk 2. Ongewenste stoffen in diervoeders, verboden voedermiddelen en onder beperkingen toegestane middelen en stoffen in biologische diervoeders
Artikel 3
1.
Het is eenieder verboden met diervoeders als bedoeld in artikel 3, onder 4, van verordening (EG) nr. 178/2002 een handeling als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet, waaronder handelingen als bedoeld in artikel 2.17 van de wet, te verrichten, indien dat diervoeder:
a. a. een stof bevat met een gehalte dat een maximumgehalte overschrijdt dat voor eet- of drinkwaren is opgenomen in bijlage II bij de Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen, met betrekking tot eet- of drinkwaren die tevens diervoeder zijn, met uitzondering van een stof waarvoor op grond van artikel 3.2 van het besluit een maximumgehalte geldt; b. b. van zoogdieren afkomstige eiwitten als bedoeld in artikel 7 en bijlage IV van verordening (EG) nr. 999/2001 bevat, tenzij deze eiwitten overeenkomstig die verordening in het diervoeder zijn verwerkt; c. c. niet voldoet aan de artikelen 18, eerste lid, 19 en 20 van verordening (EG) nr. 396/2005; d. d. niet voldoet aan een gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in artikel 11, van verordening (EG) 1069/2009; e. e. een stof bevat met een gehalte dat een maximumwaarde opgenomen in de bijlage, tabel 1, bij verordening (EU) nr. 37/2010 overschrijdt; f. f. een stof bevat die is opgenomen in de bijlage, tabel 2, bij verordening (EU) nr. 37/2010; g. g. een gehalte aan toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 8 van verordening (EG) nr. 767/2009 bevat; h. h. een middel bevat als bedoeld in bijlage III, hoofdstuk 1, van verordening (EG) nr. 767/2009; i. i. een middel bevat dat is verwerkt of wordt toegepast in strijd met een beperking als bedoeld in bijlage III, hoofdstuk 2, van verordening (EG) nr. 767/2009; j. j. een gehalte bevat dat afwijkt van de toegestane tolerantie, bedoeld in bijlage IV van verordening (EG) nr. 767/2009.
2. Op een gehalte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bijlage I bij de Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen van overeenkomstige toepassing.
3. Water dat wordt gebruikt voor het bereiden, bewerken of verwerken van een diervoeder is van voldoende kwaliteit.
4. Indien een handeling met een diervoeder als bedoeld in het eerste lid, aanhef, is toegestaan krachtens een EU-verordening als bedoeld in artikel 1.1 van het besluit of artikel 2 door een besluit van een bevoegde instantie en aan dat besluit voorschriften zijn verbonden, worden deze voorschriften nageleefd door degene op wie dat besluit betrekking heeft.
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en indien naar zijn oordeel aan de orde, geeft de minister de bevestiging, bedoeld in bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2018/848 dat biologische eiwithoudende diervoeders voor varkens en pluimvee niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn.
Artikel 6
Vervallen
Hoofdstuk 3. Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen
Paragraaf 1a. Algemene regels ter uitvoering van communautaire verordeningen
Artikel 6a
1. Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in artikel 2.1 van het besluit dat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.
Paragraaf 1b. Regels ter uitvoering van
Artikel 7
1.
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
a. a. artikel 7, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 999/2001; b. b. de hoofdstukken I, II, III, IV en V, onderdelen B, C, D en E van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 999/2001; c. c. bijlage VII, hoofdstuk B, onderdeel 2.2.2, onder a, van verordening (EG) nr. 999/2001.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, zijn niet van toepassing ten aanzien van activiteiten, genoemd in bijlage IV bij verordening (EG) nr. 999/2001, mits is voldaan aan de in die bijlage gestelde voorwaarden.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Paragraaf 2. Regels ter uitvoering van
Artikel 13
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 4, 5, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 6, eerste en derde lid, 7, eerste lid, 9, eerste en tweede lid, 10, 11, 23, eerste lid, en 24 van de verordening (EG) nr. 183/2005.
Artikel 13a
Als een levering van kleine hoeveelheden aan lokale veehouderijen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 183/2005 wordt aangemerkt een levering in Nederland binnen een jaarlijks totaal van vijf ton geleverde diervoeder.
Artikel 14
Het is eenieder verboden met diervoeders die vallen binnen de werkingssfeer, bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 183/2005, een diervoederbedrijf te exploiteren zonder erkenning of registratie als bedoeld in artikel 9, respectievelijk 10, van verordening (EG) nr. 183/2005.
Artikel 15
Indien een inrichting een activiteit als bedoeld in artikel 10, onder 1, van verordening (EG) nr. 183/2005 verricht, is een erkenning als bedoeld in artikel 14 vereist.
Artikel 16
Indien aan een bedrijf een erkenning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 15 is verleend, dan is voor diezelfde activiteit geen registratie, bedoeld in artikel 14, meer nodig.
Artikel 17
Een besluit omtrent erkenning, dan wel wijziging daarvan, wordt genomen binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
Vervallen
Paragraaf 3. Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen
Artikel 20
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002.
Artikel 21
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 16, eerste, tweede en zesde lid, 20, eerste lid, 21, eerste en derde lid, en 25 van verordening (EG) nr. 1829/2003.
Artikel 22
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikel 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 1830/2003.
Artikel 23
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 3, eerste tot en met vierde lid, en 16 van verordening (EG) nr. 1831/2003.
Artikel 24
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikel 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste lid, 8, 9, 11, 13, 14, eerste en tweede lid, 15, 16, 17, eerste en tweede lid, 18, 19, 20, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 24, vijfde lid, tweede volzin, en zesde lid, en 25, vierde lid, van verordening (EG) nr. 767/2009.
Artikel 25
Vervallen
Paragraaf 4. De aanvraag tot erkenning, registratie of goedkeuring, vereist op grond van Europese verordeningen
Artikel 26
1.
De volgende aanvragen worden bij de minister ingediend:
a. a. een aanvraag tot erkenning of registratie als bedoeld in artikel 14, dan wel tot wijziging daarvan; b. b. een aanvraag tot erkenning als bedoeld in artikel 15, dan wel tot wijziging daarvan.
2. Een aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de op grond van de Regeling NVWA-tarieven verschuldigde retributie is betaald.
Artikel 27
De houder van een erkenning, registratie of goedkeuring stelt de minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand schriftelijk in kennis van wijziging van de volgende gegevens:
a. a. naam, adres of zetel van de houder; b. b. naam, adres of zetel van een bedrijf waarop de erkenning, registratie of goedkeuring betrekking heeft; c. c. stopzetting van de activiteit waarop de erkenning, registratie of goedkeuring betrekking heeft; d. d. opheffing van zijn onderneming.
Artikel 28
In een openbaar register, dat ter inzage ligt bij de minister, worden de volgende gegevens vastgelegd:
a. a. naam, adres en zetel van de houder van een erkenning of registratie; b. b. naam, adres en zetel van een bedrijf waarop een erkenning of registratie betrekking heeft; c. c. de bij de erkenning of registratie behorende erkennings-, onderscheidenlijk registratienummers.
Hoofdstuk 3a. Monitoring zoönotische salmonella
Artikel 28a
1.
De producent van mengvoeders voor pluimvee bemonstert voedermiddelen bij de aanvoer per productielocatie, indien de jaarproductie van die locatie:
a. a. ten hoogste 4.000 ton bedraagt: ten minste eenmaal per kwartaal; b. b. ten hoogste 8.000 ton bedraagt: ten minste tweemaal per kwartaal; c. c. ten hoogste 10.000 ton bedraagt: ten minste driemaal per kwartaal; d. d. ten hoogste 20.000 ton bedraagt: ten minste vijfmaal per kwartaal; e. e. ten hoogste 30.000 ton bedraagt: ten minste achtmaal per kwartaal; f. f. ten hoogste 40.000 ton bedraagt: ten minste tienmaal per kwartaal; g. g. meer dan 40.000 ton bedraagt: ten minste 13 maal per kwartaal.
2. Een monster als bedoeld in het eerste lid weegt ten minste 60 gram.
Artikel 28b
1.
De producent van mengvoeders voor pluimvee bemonstert van de af te leveren partijen mengvoer van 24 ton die bestemd zijn voor:
a. a. vermeerderingsdieren die worden gehouden als grootouderdier of overgrootouderdier: ten minste 50%; b. b. kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot andere vermeerderingsdieren dan bedoeld in onderdeel a: ten minste 20%; c. c. kippen of kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier: ten minste 10%; d. d. vleeskuikens, leghennen en dieren die worden opgefokt tot leghen: ten minste 5%; e. e. vleeskalkoenen: ten minste 1 op de 30.
2. De leverancier van voedermiddelen die aan pluimveehouderijen worden geleverd, bemonstert van de af te leveren partijen voedermiddelen van 24 ton ten minste 1 op de 30 partijen.
3. De monsters, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden genomen uit de productstroom.
4. In aanvulling op het eerste en tweede lid bemonstert de producent van mengvoeders en de leverancier van voedermiddelen voor pluimvee ten minste elke zes maanden op kritische punten in het productieproces of het logistieke proces, bedoeld in artikel 6 van verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PbEU 2005, L 35).
5. Een monster als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid weegt ten minste 60 gram.
Artikel 28c
1.
De producent van mengvoeders die bestemd zijn voor herkauwende dieren, eenhoevigen of varkens neemt uit de productstroom per productielocatie waarvan de jaarproductie:
a. a. ten hoogste 4.000 ton bedraagt: ten minste twee monsters per kwartaal; b. b. ten hoogste 6.000 ton bedraagt: ten minste drie monsters per kwartaal; c. c. ten hoogste 8.000 ton bedraagt: ten minste vier monsters per kwartaal; d. d. ten hoogste 10.000 ton bedraagt: ten minste vijf monsters per kwartaal; e. e. ten hoogste 20.000 ton bedraagt: ten minste tien monsters per kwartaal; f. f. ten hoogste 30.000 ton bedraagt: ten minste 15 monsters per kwartaal; g. g. ten hoogste 40.000 ton bedraagt: ten minste 20 monsters per kwartaal; h. h. meer dan 40.000 ton bedraagt: ten minste 25 monsters per kwartaal.
2. Ten minste 50% van de monsters, bedoeld in het eerste lid, worden genomen van mengvoeders.
3. Een monster, bedoeld in het eerste lid, weegt ten minste 60 gram.
Artikel 28d
1. De producent en de leverancier van voedermiddelen die bestemd zijn voor herkauwende dieren, eenhoevigen of varkens nemen per product per toeleverancier een monster van ten minste 60 gram per kwartaal.
2. De producent en de leverancier kunnen ten aanzien van een partij voedermiddelen schriftelijk overeenkomen dat de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, door de producent of de leverancier plaatsvindt.
3. Bij seizoensgebonden of incidentele producten start de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, bij de eerste lading.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
a. a. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 4,5 pH bedraagt bij spontane melkzuurfermentatie; b. b. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 4 pH bedraagt, indien organische zuren zijn toegevoegd; c. c. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 3,5 pH bedraagt, indien anorganische zuren zijn toegevoegd; of d. d. de producent of de leverancier aantoont dat de zuurtegraad voldoende is om salmonella in de voedermiddelen te inactiveren.
Artikel 28e
1. De producent en de leverancier, bedoeld in dit hoofdstuk, laten de monsters onderzoeken in een laboratorium.
2.
De producent en de leverancier laten monsters waarin, na onderzoek als bedoeld in het eerste lid, de aanwezigheid van Salmonella is geconstateerd nader onderzoeken op de volgende serotypes:
a. a. Salmonella enteritidis; b. b. Salmonella typhimurium; c. c. Salmonella hadar; d. d. Salmonella infantis; e. e. Salmonella Virchow; en f. f. Salmonella java.
3. De serotypering van de monsters, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats in een laboratorium dat daarvoor op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria is erkend.
Artikel 28f
1. De producent en de leverancier bewaren de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 28e, gedurende een periode van twee jaar.
2. Geconstateerde aanwezigheid van de serotypes, bedoeld in artikel 28e, tweede lid, wordt onverwijld door de producent of de leverancier aan de minister en de betrokken pluimveehouder doorgegeven.
Hoofdstuk 4. Regels over de in- en uitvoer
Artikel 29
Het is verboden toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) nr. 1831/2003, voormengsels als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 1831/2003, en diervoeders als bedoeld in artikel 3, onder 4, van verordening (EG) nr. 178/2002, waaronder de substanties, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen b, c, d, en g, van verordening (EG) nr. 1831/2003, in of buiten Nederland te brengen in strijd met het bepaalde in:
a. a. artikel 7, bijlage IV en bijlage IX, hoofdstuk D, afdeling B, subonderdeel c, van verordening (EG) nr. 999/2001; b. b. de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002; c. c. hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 1829/2003; d. d. de artikelen 4 en 5 van verordening (EG) nr. 1830/2003; e. e. de artikelen 3, 10, 16, bijlage III van verordening (EG) nr. 1831/2003; f. f. artikel 24 van verordening (EG) nr. 183/2005; en g. g. elke andere EU-rechtshandeling, die bepaalt dat de controles op het voldoen aan de daarin neergelegde voorschriften voor substanties als bedoeld in de aanhef plaatsvinden volgens de bepalingen van verordening (EU) nr. 2017/625; h. h. de artikelen 9, 10 en 11 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793.
Artikel 30
1.
Toevoegingsmiddelen, voormengsels en diervoeders die afkomstig zijn uit een derde land, gaan vergezeld van:
a. a. documenten waaruit de aard, oorsprong en geografische bestemming van de producten blijkt; b. b. een document waarin de aard en de uitkomst van uitgevoerde controles zijn aangegeven en in voorkomend geval de resultaten van laboratoriumonderzoek, ingeval de producten voor het eerst in een lidstaat, niet zijnde Nederland, op het douanegebied van de Europese Economische Ruimte zijn binnengebracht.
2. In de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verwezen naar het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ingeval het laatstgenoemde onderdeel van toepassing is.
3. Het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vergezelt de toevoegingsmiddelen, voormengsels of diervoeders waarop het betrekking heeft tot het tijdstip waarop deze producten in het vrije verkeer worden gebracht.
Artikel 31
Vervallen
Artikel 32
Vervallen
Artikel 33
Vervallen
Artikel 34
Vervallen
Hoofdstuk 5. Regels over retributies
Artikel 35
Vervallen
Artikel 36
Vervallen
Artikel 37
Vervallen
Artikel 38
Vervallen
Artikel 38a
Vervallen
Artikel 39
Vervallen
Artikel 40
Vervallen
Artikel 40a
Vervallen
Artikel 41
Vervallen
Artikel 42
Vervallen
Artikel 43
Vervallen
Artikel 44
Vervallen
Artikel 45
Vervallen
Artikel 46
Vervallen
Artikel 47
Vervallen
Artikel 48
Vervallen
Artikel 49
Vervallen
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51
Vervallen
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
Paragraaf 1. Aanwijzing toevoegingsmiddelen en andere producten als bedoeld in
Artikel 52
Vervallen
Paragraaf 2. Aanwijzing toezichthouders en laboratoria
Artikel 53
Vervallen
Artikel 54
Vervallen
Artikel 55
Als instellingen als bedoeld in artikel 10.2 van de wet voor het onderzoek van de door met controle of toezicht belaste ambtenaren genomen monsters worden aangewezen:
a. a. RIKILT, instituut voor voedselveiligheid, onderdeel van Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek; b. b. Laboratorium van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; c. c. het Belastingdienst/Douane West/Douane Laboratorium te Amsterdam; d. d. LabCo B.V. te Europoort; e. e. TNO-Voeding te Zeist.
Artikel 56
Als bemonsterings- en analysemethoden als bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 2017/625 worden aangemerkt de methoden, genoemd in:
a. a.
bijlage 1 bij deze regeling, en
b. b.
bijlage 2 bij deze regeling, met dien verstande dat deze worden toegepast binnen de toepassingsgebieden en in de titels genoemde onderwerpen in genoemde bijlage.
Artikel 56a
De Minister is bevoegd tot aanwijzing van nationale referentielaboratoria als bedoeld in artikel 100, eerste lid, eerste zin, van verordening (EU) 2017/625, ten aanzien van onderwerpen die diervoeders betreffen.
Paragraaf 3. Aanwijzing schadelijke stoffen
Artikel 57
1.
Het is een houder van een dier verboden een diervoeder te vervoederen dat:
a. a. een stof bevat in strijd met een voorschrift als bedoeld in artikel 3; b. b. onveilig is of onveilig wordt geacht als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, onverminderd artikel 20; c. c. in strijd met de algemene verplichting, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening (EG) nr. 183/2005, verontreinigingen bevat, onverminderd artikel 13; d. d. in strijd met de goede praktijken voor het voederen van dieren, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, en bijlage III, van verordening (EG) nr. 183/2005, wordt vervoederd aan voedselproducerende dieren, onverminderd artikel 13; e. e. in strijd met etiketteringsvoorschriften als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1831/2003, onverminderd artikel 23.
2. Indien het vervoederen van een diervoeder als bedoeld in het eerste lid, aanhef, is toegestaan krachtens een EU-verordening als bedoeld in artikel 1.1 van het besluit of artikel 2 door een besluit van een bevoegde instantie en aan dat besluit voorschriften zijn verbonden, worden deze voorschriften nageleefd door degene op wie dat besluit betrekking heeft.
Artikel 57a
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stcrt. 2017/65622.
1. Het verbod van artikel 2.17, eerste lid, van de Wet dieren is van overeenkomstige toepassing op de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, voor het ontvangen van mengvoeder voor runderen dat gemiddeld tussen 15 november 2017 en 1 januari 2018 meer dan 4,3 gram bruto fosfor per kilogram mengvoeder bevat en waarvan de verhouding tussen het fosfor en ruw eiwit hoger dan 2,2 is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien gemiddeld over het jaar 2017 in het totale rantsoen aantoonbaar minder dan 3,5 gram bruto fosfor per kilogram droge stof aan runderen is vervoederd.
3.
Aantonen dat in 2017 minder dan 3,5 gram bruto fosfor per kilogram droge stof aan runderen is vervoederd, is uitsluitend mogelijk indien:
a. a. de houder zich voor 1 december 2017 bij de minister meldt; b. b. de houder de minister machtigt voor inzage en gebruik van gegevens van de houder over het jaar 2017, die zijn opgenomen in de database Kringloopwijzer; c. c. de database Kringloopwijzer kuilanalyses van de houder bevat van het bruto fosforgehalte van het ruwvoer dat in 2017 op het bedrijf aanwezig was, die via geautomatiseerde datakoppelingen door een laboratorium zijn ingelezen; d. d. de gegevens in de database Kringloopwijzer over de hoeveelheden en het bruto fosforgehalte van voeders voor runderen, enkelvoudige voeders, vochtrijke voeders en ruwvoeders, geautomatiseerd worden aangeleverd via datakoppelingen met leveranciers. Indien datakoppelingen niet aanwezig zijn dient een jaaroverzicht van het betreffende geleverde voedermiddel te kunnen worden overlegd om de in de database Kringloopwijzer opgenomen waarden te kunnen onderbouwen.
Paragraaf 4. Nadere regelen over het gebruik van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of een product met een mogelijk ongewenste stof in een proefstadium of voor onderzoeksdoeleinden
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
1. Voor de behandeling van een aanvraag voor toestemming als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003 is de aanvrager aan de minister een retributie verschuldigd van € 151,00 per uur dat aan de behandeling is besteed.
2. Een aanvraag tot toestemming voor een onderzoek voor wetenschappelijke doeleinden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003 wordt in behandeling genomen nadat het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag is voldaan.
Artikel 60
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 59 wordt een dossier gevoegd dat is samengesteld overeenkomstig de richtsnoeren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003.
Artikel 60a
1. De minister kan toestemming verlenen voor een proefneming met een product dat mogelijk een ongewenste stof bevat voor de vaststelling van een verhoogd gehalte, een maximumgehalte of een actiedrempel als bedoeld in artikel 4, tweede lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 2002/32/EG.
2. De minister draagt bij het verlenen van een toestemming als bedoeld in het eerste lid, zorg voor toepassing van artikel 4, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn nr. 2002/32/EG.
3. Het is verboden in strijd te handelen met aan een toestemming verbonden voorschriften.
Paragraaf 5. Verrichtingen op verzoek
Artikel 61
1.
Een aanvraag tot het doen van verrichtingen op verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de minister, onder vermelding van:
a. a. de soorten te verrichten bedrijfsactiviteiten; b. b. de soorten en hoeveelheden van de goederen; c. c. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen aanvangen; d. d. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen eindigen, en e. e. de locatie(s) waarop de bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden,
2. De aanbieder meldt de gewenste verrichtingen, uiterlijk vóór 07:00 uur op de werkdag voorafgaand aan de dag van de voorgenomen uitvoering.
Paragraaf 6. Nadere regelen omtrent het verstrekken van inlichtingen
Artikel 62
De inlichtingen die ingevolge artikel 20, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 worden verstrekt bevatten ten minste:
a. a. gegevens die een nauwkeurige identificatie van de producten waarop de inlichtingen betrekking hebben mogelijk maken; b. b. een zo volledig mogelijke beschrijving van het risico dat de producten opleveren; c. c. gegevens die kunnen worden gebruikt om de producten op te sporen.
Artikel 63
Inlichtingen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 die op een andere wijze worden verstrekt dan door toezending van een schriftelijke en ondergetekende verklaring, of een elektronisch verzonden verklaring waaruit de authenticiteit van het origineel genoegzaam blijkt, worden onverwijld bevestigd door middel van een schriftelijke en ondergetekende verklaring.
Artikel 63a
1. Een exploitant van een diervoederbedrijf geeft bij het verlenen van een opdracht aan een laboratorium tot het verrichten van onderzoek naar een diervoeder of een grondstof voor de bereiding daarvan, de bestemming aan van het te onderzoeken product en verstrekt informatie over de samenstelling en identificatie van het onderzoeksmonster.
2. Bij het verstrekken van de informatie over de identificatie van het onderzoeksmonster, vermeldt de exploitant identificatienummers van het product, indien voorhanden.
Paragraaf 7. Heronderzoek
Artikel 64
Een belanghebbende kan binnen zeven dagen nadat aan hem het resultaat van het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bekend is gemaakt, bij de minister een verzoek om heronderzoek indienen.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
Artikel 65
Hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van tarieven door de Stichting Skal voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.5 van het besluit.
Artikel 65a
De Regeling diervoeders zoals die luidde bij de inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op diervoeder, bestemd voor gezelschapsdieren, voorzover een diervoeder voor 1 september 2011 in de handel is gebracht, in overeenstemming met die regeling is geëtiketteerd en de voorraad van dat diervoeder nog niet is uitgeput.
Artikel 65b
Vervallen
Hoofdstuk 8. Wijziging en intrekking van andere regelingen
Artikel 66
Wijzigt de Regeling zekerheidsstelling en betaling van VWA-keurlonen.
Artikel 67
Wijzigt het Mandaatbesluit LNV Voedsel en Waren Autoriteit.
Artikel 68
Wijzigt de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB.
Artikel 69
Wijzigt de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Artikel 70
De Regeling diervoeders wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 71
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2010.
Artikel 72
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling diervoeders 2012.