40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
6.6 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen | BWBR0009876 | ministeriele-regeling | geldend | 1998-09-04 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009876 | Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen |
Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen
Afdeling I. De verstrekkingen
Artikel 1
Tot de aan de alleenstaande of het gezin feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997, worden gerekend:
a. a. de aan of ten behoeve van de alleenstaande of het gezin verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden; b. b. het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.
Artikel 2
De economische waarde per maand, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997, bedraagt:
a. a. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, onder a: de toelage bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Rva 1997, die aan of ten behoeve van de alleenstaande of het gezin wordt of zou worden verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden, vermenigvuldigd met de factor 4,33; b. b. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, onder b: f 100,- voor een alleenstaande of eerste gezinslid, f 50,-, voor het tweede gezinslid en f 25,- per volgend gezinslid, vermenigvuldigd met de factor 4,33, tot een maximum van € 393,43.
Afdeling II. De tegemoetkoming
Artikel 3
De tegemoetkoming bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997, is per maand gelijk aan de in aanmerking te nemen middelen van de alleenstaande of het gezin tot een maximum van de economische waarde van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2.
Afdeling III. De middelen
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4
1. Tot de middelen bedoeld in artikel 3 worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestandsdelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
2.
Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. a. kinderbijslag; b. b. vergoedingen en tegemoetkomingen voor verwervingskosten, alsmede de vermindering of teruggave van loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen voor verwervingskosten die de in artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting genoemde bedragen te boven gaan; c. c. rente ontvangen over op grond van artikel 9, onder b, c, en d, niet in aanmerking genomen vermogen; d. d. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5 van de Rva 1997, verantwoord is; e. e. inkomsten uit of in verband met arbeid tot € 71,70 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal € 131,60 per maand.
Artikel 5
Bij de vaststelling van de middelen worden giften van instellingen en personen niet in aanmerking genomen voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van de giften, uit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5 van de Rva 1997, verantwoord is.
Artikel 6
De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van:
a. a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting; b. b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een inhouding die met een of meer van deze premies overeenkomt; c. c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen; en d. d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichtingen.
Paragraaf 2. Het inkomen
Artikel 7
1.
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard met deze inkomsten of uitkeringen overeenkomen; b. b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op opvang wordt gedaan.
2. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
Paragraaf 3. Het vermogen
Artikel 8
Onder het vermogen wordt verstaan:
a. a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de opvang beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden; b. b. de op grond van de in paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op opvang wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 7.
Artikel 9
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn; b. b. het bij de aanvang van de opvang aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens als genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997; c. c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op opvang wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de opvang aanwezige vermogen minder bedroeg dan de vermogensgrens, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997; d. d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin opvang wordt geboden; e. e. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5 van de Rva 1997, verantwoord is.
Afdeling IV. Slotbepalingen
Artikel 10
Artikel 1, eerste lid, onderdeel c en d, van de Rva 1997 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen, afgekort als Reba.