rijk/ministeriele-regeling/regeling-herverkaveling/BWBR0016895/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

45 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling herverkaveling BWBR0016895 ministeriele-regeling geldend 2014-04-08 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016895 Regeling herverkaveling

Regeling herverkaveling

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. wet: Landinrichtingswet; b. b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; c. c. huiskavel: kavel met een woonhuis; d. d. bedrijfskavel: kavel met een complex van gebouwen, dienende voor de uitoefening van een landbouwbedrijf; e. e. veldkavel: kavel, die geen huis- of bedrijfskavel is; f. f. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet; g. g. openbare weg: weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet; h. h. vlakligging: mate van egaliteit van het maaiveld; i. i. natuurterrein: natuurterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer; j. j. bureau beheer landbouwgronden: bureau als bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer; k. k. particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties: organisaties als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1992, houdende aanwijzing van particuliere terreinbeherende organisaties ter uitvoering van het bepaalde in artikel 70a van de Pachtwet (Stb. 700); l. l. landbouwgrond: landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer; m. m. LAC-signaalwaarde: waarde zoals vastgesteld door de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen in het in december 1991 uitgebrachte rapport LAC-signaalwaarden van de werkgroep verontreinigde gronden van de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen.

Hoofdstuk 2. Het stelsel van classificatie

Artikel 2

1.

De agrarische waarde, bedoeld in artikel 162, tweede lid, onderdeel c, van de wet, wordt bepaald op basis van het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond volgens de volgende criteria:

a. a. aard, dikte en structuur van de bovengrond; b. b. aard en structuur van de ondergrond; c. c. eventuele andere factoren, die het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond bepalen.

2. De agrarische waarde wordt per klasse bepaald in punten of geld.

Artikel 3

Waardeveranderingen als bedoeld in de artikelen 49, 71 en 117 van de wet worden bij de tweede schatting bepaald.

Artikel 4

De toestand van de grond wordt bij de eerste en de tweede schatting in kwaliteitsklassen vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende objectieve factoren:

a. a. de ontsluiting van huiskavels, bedrijfskavels of veldkavels, en b. b. de waterhuishoudkundige toestand van kavels.

Artikel 5

De toestand van de grond wordt bij de tweede schatting vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende subjectieve factoren:

a. a. de kavelconcentratie; b. b. de afstand van de veldkavels tot de bedrijfskavel; c. c. het aantal kavels per bedrijf; d. d. de grootte van de kavels, en e. e. de vorm van de kavels.

Artikel 6

De minister stelt per blok nadere regels vast voor het stelsel van classificatie overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.

Artikel 7

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een stelsel van classificatie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

Hoofdstuk 3. Plan van toedeling

Paragraaf 1. Uitruilbaarheid

Artikel 8

Gronden die ingevolge een vastgesteld bestemmingsplan of een ontwerpbestemmingsplan een bestemming hebben of krijgen die overeenkomt met de functie van landbouw, natuur, bos of landschap zijn uitruilbaar, voor zover artikel 10 van de wet niet anders bepaalt.

Artikel 9

Gronden waarop zich een weg met een openbaar karakter bevindt, die op grond van het landinrichtingsplan het openbare karakter verliest, zijn uitruilbaar.

Artikel 10

Wanneer de openbare functie van een waterloop volgens het landinrichtingsplan vervalt, zijn de gronden waarop deze waterloop zich bevindt uitruilbaar.

Artikel 11

1. Gronden die zijn gelegen in een natuurgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van die regeling zijn uitruilbaar.

2.

De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. a. ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen; b. b. ruil met overige landbouwgronden.

Artikel 12

1. Gronden die zijn gelegen in een beheersgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of een Rbon-gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zijn uitruilbaar.

2.

De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. a. ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar of pachter bereid is een aanvraag in te dienen voor subsidieverlening ingevolge de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer; b. b. ruil met overige landbouwgronden.

Artikel 13

1. Gronden waarvoor een subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zijn uitruilbaar.

2. In afwijking van het eerste lid zijn gronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden niet uitruilbaar met gronden, ten aanzien waarvan niet een dergelijke overeenkomst is afgesloten, tenzij deze meerbedoelde gronden in eigendom zijn van de Staat der Nederlanden, bureau beheer landbouwgronden of particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.

3.

De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. a. ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen; b. b. ruil met landbouwgronden die door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen; c. c. ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden.

Artikel 14

1. Gronden die deel uitmaken van een onderzoeksgeval als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar.

2. Gronden die deel uitmaken van een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar, indien de LAC-signaalwaarden worden overschreden.

3.

Gronden die deel uitmaken van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar tot het bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming heeft vastgesteld dat

a. a. het geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voldoende is gesaneerd en geen LAC-signaalwaarden worden overschreden; of, b. b. er met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming voldoende maatregelen zijn genomen en geen LAC-signaalwaarden worden overschreden.

4. Indien het bevoegd gezag in de zin van de Wet bodembescherming een beslissing heeft genomen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan de landinrichtingscommissie besluiten de gronden niet te ruilen, indien de gronden als gevolg van het geval van verontreiniging, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming, niet voldoen voor een redelijkerwijs vast te stellen gebruiksbestemming.

Artikel 15

Niet uitruilbaar zijn:

a. a. gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand, gronden met een zeer ongelijke vlakligging, natuurterreinen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn, en te diep ontgronde percelen; b. b. gronden waarop zich sport- of recreatieterreinen bevinden; c. c. gronden waarop zich spoorwegen bevinden; d. d. gronden met een houtopstand die groter is dan 10 are of waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming geldt; e. e. boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen.

Paragraaf 2. Wijze van toedeling

Artikel 16

1. De toedeling van kavels vindt zodanig plaats dat een doelmatig gebruik wordt bevorderd.

2.

De toedeling van kavels geschiedt met inachtneming van de volgende rangorde:

a. a. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de bedrijfskavel; b. b. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel; c. c. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels; d. d. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels.

Artikel 17

De samenvoeging van kavels die ten dienste staan van één gebruiker vindt niet plaats, indien dit leidt tot een mate van versnippering van het eigendom van grond, die in redelijkheid niet van de betrokken eigenaar kan worden gevergd.

Artikel 18

De grens van een huis- of bedrijfskavel kan bij toedeling slechts na overeenstemming met de eigenaar en na overleg met de gebruikers worden aangepast, tenzij:

a. a. het gebouw op die kavel niet meer in gebruik is of zich niet in de nabijheid van de kavelgrens bevindt, of b. b. het begrenzingenplan hiertoe noodzaakt.

Artikel 19

1. De landinrichtingscommissie handhaaft beperkte rechten als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek indien het belang van de landinrichting zich daar niet tegen verzet.

2. De landinrichtingscommissie handhaaft of vestigt erfdienstbaarheden indien niet door herverkaveling of uitvoering van werken aan de behoefte waarin deze rechten voorzien is tegemoet gekomen.

Paragraaf 3. Overige bepalingen

Artikel 20

De gemiddelde schattingswaarde per hectare van aan een eigenaar of pachter toe te delen grond wijkt maximaal twee schattingsklassen af van de gemiddelde schattingswaarde per hectare van de door die eigenaar of pachter ingebrachte grond.

Artikel 21

Van de artikelen 8 tot en met 20 kan worden afgeweken indien dit een doelmatige herverkaveling of realisatie van de doeleinden van het landinrichtingsplan bevordert en de minister hiermee instemt.

Hoofdstuk 4. De tweede schatting en de lijst der geldelijke regelingen

Artikel 22

De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de waardering van de objectieve en subjectieve factoren vast ten einde de kosten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, van de wet, te berekenen.

Artikel 23

1. Bij de lijst der geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen hetzij de bij het plan van toedeling betrokken eigenaren onderling hetzij de gezamenlijkheid van eigenaren en de individuele eigenaar, die betrokken is bij het plan van toedeling.

2.

De verrekenposten, bedoeld in het eerste lid, kunnen betreffen:

a. a. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten, kabels en leidingen; b. b. de regeling en opheffing van beperkte rechten, huren, lasten en renten, bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de wet; c. c. de vestiging van beperkte rechten, bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de wet; d. d. andere dan agrarische waarden; e. e. het verhaal van kosten in verband met een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming.

3. De waarde van gebouwen, werken, beplantingen en houtopstanden wordt niet dan bij de tweede schatting bepaald en slechts voor zover voornoemde objecten door het plan van toedeling van eigenaar veranderen en hierover geen regeling is getroffen tussen de oude en de nieuwe eigenaar.

Artikel 24

De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de hoogte van de verrekenposten vast op basis van de waarde in het maatschappelijk verkeer.

Artikel 25

De minister stelt per blok nadere regels vast voor de tweede schatting overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 2 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.

Artikel 26

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een schatting als bedoeld in de artikelen 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland en 107, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 27

De minister kan voor een blok nadere regels vaststellen in afwijking van artikel 25, ingeval de Centrale Landinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 7 van de wet zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet van 22 april 2004 tot wijziging van de Landinrichtingswet en enige andere inrichtingswetten (positie van de Centrale Landinrichtingscommissie; Stb. 223), vóór 11 februari 2003 een stelsel van classificatie heeft vastgesteld dat voor het desbetreffende blok voorziet in een andere waardering van de objectieve en subjectieve factoren dan die overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 27a

Deze regeling berust mede op artikel 97 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en op artikel 95 van de Wet inrichting landelijk gebied.

Artikel 28

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 29

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herverkaveling.

Bijlage 1

Bijlage 1a. behorende bij

Bijlage 1b. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2van de regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1c. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1d. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:

De bodemopbouw in het herinrichtingsgebied bestaat volgens de Bodemkaart van Nederland (1 : 50.000) uit veengronden. De zandondergrond zit in dit gebied dieper dan 120 centimeter.

Het grootste deel van de cultuurgronden bestaat uit Koopveengronden. Dit zijn veengronden met een veraarde bovengrond. Deze gronden zijn in het verleden vergraven en bestaan afwisselend uit veenmos- of zeggeveen.

Oostelijk van de polderdijk ligt een ca. 40 meter brede strook met Weideveengronden. Dit zijn veengronden met een kleidek, waarin zich een minerale eerdlaag bevindt. Onder het kleidek begint op maximaal 40 cm. diepte de veenondergrond, die uit veenmosveen bestaat.

Ten westen van de polderdijk liggen Waardveengronden, die een kleidek zonder minerale eerdlaag bezitten. Ook hier bestaat de ondergrond uit veenmosveen.

Op een tweetal plaatsen wordt op de bodemkaart aangegeven dat er sprake is van aangemaakte petgaten. Dit wordt aangeduid met de bodemcode AAP.

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1e. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1f. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

De gronden die in dit blok voorkomen, zijn ingedeeld in rivierkleigronden en rivierzandgronden. 92% van de oppervlakte bestaat uit rivierkleigronden en 2% van de oppervlakte bestaat uit rivierzandgronden. De overige gronden zijn niet in gebruik als cultuurgrond. De rivierkleigronden zijn verder onderverdeeld in eerdgronden (1%) en vaaggronden (91%). De zwaardere (kom)kleigronden bevinden zich in het algemeen in het midden van het gebied en de lichtere gronden langs de gronden van het gebied, vlakbij de rivieren de Maas en de Waal.

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1g. behorende bij

In het blok worden aangetroffen:

In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de Regeling worden de gronden als volgt geschat:

De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Bijlage 1h. behorende bij

Bijlage 2

Bijlage 2a. behorende bij

Bijlage 2b. behorende bij

Bijlage 2c. behorende bij

Bijlage 2d. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 11.798, tot en met € 22.689, per hectare, met intervallen van € 908,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 11.798, tot en met € 22.689, per hectare, met intervallen van € 908,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2e. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 6.580, tot en met € 12.252, per hectare, met intervallen van € 567,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 6.580, tot en met € 12.252, per hectare, met intervallen van € 567,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2f. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 7.260,48 tot en met € 12.252,07 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 7.260,48 tot en met € 12.252,07 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat.

Bijlage 2g. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in artikel 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten per hectare gewaardeerd:

De bepaling van de waardeveranderingen als gevolg van landinrichting in de objectieve en subjectieve factoren geschiedt per eigendom (of per bedrijf) door vergelijking van de toegedeelde kavels met de ingebrachte kavels. Bij de beoordeling van de ingebrachte kavels wordt de invloed van reeds uitgevoerde landinrichtingswerken geëlimineerd, behoudens die van kavelverbeteringswerken.

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 8 klassen van € 0,, € 5.000,, € 10.000,, € 15.000,, € 20.000,, € 25.000,, € 27.000,, € 29.000,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in 8 klassen van € 0,, € 5.000,, € 10.000,, € 15.000,, € 20.000,, € 25.000,, € 27.000,, € 29.000,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2h. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in twaalf klassen van € 7.714,26 tot en met € 12.705,85 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in twaalf klassen van € 7.714,26 tot en met € 12.705,85 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2i. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 4.538, tot en met € 24.504, per hectare, met intervallen van € 908,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 4.538, tot en met € 24.504, per hectare, met intervallen van € 908,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling worden als volgt geschat:

Over- en onderbedelingen worden verrekend door de waarde van de schatting, bedoeld in artikel 166 van de Landinrichtingswet, te vermenigvuldigen met de factoren 1,37 voor cultuurgrond en 0,8 voor bosgrond. Ook de onder B en C vastgestelde waardeveranderingen zullen worden verrekend na vermenigvuldiging met een factor 1,37 voor cultuurgrond en 0,8 voor bosgrond.

Bijlage 2j. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in artikel 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 16 klassen van € 0,, € 1.361,, € 3.403,, € 5.445,, € 6.807,, € 7.487,, € 8.168,, € 8.849,, € 9.592,, € 10.210,, € 10.891,, € 11.571,, € 12.252,, € 12.933,, € 13.613, en € 14.294,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in 16 klassen van € 0,, € 1.361,, € 3.403,, € 5.445,, € 6.807,, € 7.487,, € 8.168,, € 8.849,, € 9.592,, € 10.210,, € 10.891,, € 11.571,, € 12,252,, € 12.933,, € 13.613, en € 14.294,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2k. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 907, tot en met € 19.058, per hectare, met intervallen van € 907,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 907, tot en met € 19.058, per hectare, met intervallen van € 907,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2l. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 5.445,36 tot en met € 10.890,72 per hectare, met intervallen van € 544,54.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 5.445,36 tot en met € 10.890,72 per hectare, met intervallen van € 544,54.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2m. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 4.901, tot en met € 16.336, per hectare, met intervallen van € 816,80,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 4.901, tot en met € 16.336, per hectare, met intervallen van € 816,80,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2n. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in zes klassen van € 14.067,19 tot en met € 17.470,54 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in zes klassen van € 14.067,19 tot en met € 17.470,54 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2o. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Damwoude

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 6 klassen van € 0,, € 1.788,, € 3.576,, € 5.364,, € 8.940,, € 12.516,, of in 8 klassen van € 14.304, tot en met € 20.562,, met intervallen van € 894,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in 6 klassen van € 0,, € 1.788,, € 3.576,, € 5.364,, € 8.940,, € 12.516, of in 8 klassen van € 14.304, tot en met € 20.562, met intervallen van € 894,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2p. behorende bij

Bijlage 2q. behorende bij

De subjectieve factoren, bedoeld in artikel 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 4.764,69 tot en met € 13.613,41 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 4.764,69 tot en met € 13.613,41 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling worden als volgt geschat:

Bijlage 2r. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 6.807, tot en met € 11.782, per hectare, met intervallen van € 454,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 6.807, tot en met € 11.782, per hectare, met intervallen van € 454,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2s. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 6.807, tot en met € 11.782, per hectare, met intervallen van € 454,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 6.807, tot en met € 11.782, per hectare, met intervallen van € 454,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2t. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 9.529, tot en met € 20.420, per hectare, met intervallen van € 908,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 9.529, tot en met € 20.420, per hectare, met intervallen van € 908,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2u. behorende bij

Bijlage 2v. behorende bij

Bijlage 2w. behorende bij

Bijlage 2x. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Den Ham-Lemele

Bijlage 2y. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de herinrichting Duiven-Westervoort

Bijlage 2z. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Salland-West

Bijlage 2aa. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor het blok A Wedde van het deelgebied Westerwolde in de herinrichting Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën

Bijlage 2bb. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Twijzel-Buitenpost

Bijlage 2cc. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Rijssen, blok Rectum

Bijlage 2dd. behorende bij

Bijlage 2ee. behorende bij

Bijlage 2ff. behorende bij

Bijlage 2gg. behorende bij

Bijlage 2hh. behorende bij

Bijlage 2ii. behorende bij

Bijlage 2jj. behorende bij

Bijlage 2kk. behorende bij

Bijlage 2ll. behorende bij

Bijlage 2mm. behorende bij

Bijlage 2nn. behorende bij

Bijlage 2oo. behorende bij

Bijlage 2pp. behorende bij

Bijlage 2qq. behorende bij

Bijlage 2rr. behorende bij

Bijlage 2ss. behorende bij

Bijlage 2tt. behorende bij

Bijlage 2uu. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de aanpassingsinrichting Borssele

De subjectieve factoren, bedoeld in artikel 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 4.992 tot en met € 29.496 per hectare, met intervallen van € 681.

De waarde van de onroerende zaken, die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 4.992 tot en met € 29.496 per hectare, met intervallen van € 681.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2vv. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de herinrichting Driebruggen

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 907 tot en met € 21.781 per hectare, met intervallen van € 907.

De waarde van de onroerende zaken, die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan, wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 907 tot en met € 21.781 per hectare, met intervallen van € 907.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

  1. Over- en onderbedeling worden verrekend door de waarde van de schatting, bedoeld in artikel 166 van de wet, te vermenigvuldigen met een factor 0,8.

  2. De vastgestelde waardeveranderingen, bedoeld in de onderdelen B en C, worden verrekend na vermenigvuldiging met de factor, bedoeld in het eerste lid.

Bijlage 2ww. behorende bij

Bijlage 2xx. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Sauwerd

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in artikel 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten2De geldwaarde van een punt is de breuk van het totaal van de ten laste van de gezamenlijke eigenaren komende kosten van de landinrichting, bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de wet, gedeeld door het totaal aantal punten. gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 6.806,70 tot en met € 11.344,50 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 6.806,70 tot en met € 11.344,50 per hectare, met intervallen van € 453,78.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2yy. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling Doniawerstal

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in artikel 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten2de geldwaarde van een punt is de breuk van het totaal van de ten laste van de gezamenlijke eigenaren komende kosten van de landinrichting, bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de wet, gedeeld door het totaal aantal punten. gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 4 klassen van € 0,, € 2.722,, € 5.445, en € 8.168, per hectare of in 9 klassen van € 11.789, tot en met € 19.058, per hectare, met intervallen van € 907,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in 4 klassen van € 0,, € 2.722,, € 5.445, en € 8.168, per hectare of in 9 klassen van € 11.789, tot en met € 19.058, per hectare, met intervallen van € 907,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2zz. behorende bij

Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de herinrichting Hoek

De subjectieve factoren, bedoeld in artikel 5 van de regeling, worden als volgt in punten1De geldwaarde van een punt is de breuk van het totaal van de ten laste van de gezamenlijke eigenaren komende kosten van de landinrichting, bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de wet, gedeeld door het totaal aantal punten. gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 11.000, tot en met € 40.000, per hectare, met intervallen van € 1.000,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 11.000, tot en met € 40.000, per hectare, met intervallen van € 1.000,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2aaa. behorende bij

Bijlage 2bbb. behorende bij

Bijlage 2ccc. behorende bij

Bijlage 2ddd. behorende bij

Bijlage 2eee. behorende bij

Bijlage 2fff. behorende bij

Bijlage 2ggg. behorende bij

Bijlage 2hhh. behorende bij

Bijlage 2iii. behorende bij

Bijlage 2jjj. behorende bij

Bijlage 2kkk. behorende bij

Bijlage 2lll. nadere regels bij

Bijlage 2mmm. nadere regels bij

Bijlage 2nnn. nadere regels bij

Bijlage 2ooo. behorende bij

Bijlage 2ppp. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 2 klassen van € 0, en € 4.537,80 per hectare of in 13 klassen van € 16.336,09 tot en met € 24.504,13 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in 2 klassen van € 0, en € 4.537,80 per hectare of in 13 klassen van € 16.336,09 tot en met € 24.504,13 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2qqq. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in 7 klassen van € 18.700, tot en met € 25.300, per hectare, met intervallen van € 1.100,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 18.700, tot en met € 25.300, per hectare, met intervallen van € 1.100,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2rrr. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 0, tot en met € 27.227, per hectare, met intervallen van € 1.361,.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 0, tot en met € 27.227, per hectare, met intervallen van € 1.361,.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2sss. behorende bij

De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling worden als volgt in punten gewaardeerd:

Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 9.756,27 tot en met € 15.882,31 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 9.756,27 tot en met € 15.882,31 per hectare, met intervallen van € 680,67.

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

Bijlage 2ttt. behorende bij

Bijlage 2uuu. behorende bij

Bijlage 2vvv. behorende bij

Bijlage 2www. behorende bij

Bijlage 2xxx. behorende bij

Bijlage 2yyy. behorende bij

Bijlage 2zzz. behorende bij