40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
594 lines
29 KiB
Markdown
594 lines
29 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
|
||
bwb_id: BWBR0043393
|
||
type: ministeriele-regeling
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2026-01-01'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043393
|
||
citeertitel: Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
|
||
---
|
||
|
||
# Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
|
||
|
||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||
|
||
- *ATB:* automatische treinbeïnvloeding;
|
||
- *ATBEG:* automatische treinbeïnvloeding Eerste Generatie;
|
||
- *ATBNG:* automatische treinbeïnvloeding Nieuwe Generatie;
|
||
- *CLC:* Europese norm, opgesteld door het Europees Comité voor Elektrotechnische Standaardisatie CENELEC, in de versie, genoemd in bijlage 1;
|
||
- *EN:* Europese norm, opgesteld door de Europese normalisatie-instelling CEN, in de versie, genoemd in bijlage 1;
|
||
- *ETCS:* European Train Control System;
|
||
- *minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
|
||
- *netbeheerder:* netbeheerder als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||
- *RINF:* de RINF-toepassing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/777 van de Commissie van 16 mei 2019 inzake de gemeenschappelijke specificaties voor het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU (PbEU 2019 L 139/312);
|
||
- *rijmodus:* inzet in treindienst als zelfrijdend spoorvoertuig of als getrokken spoorvoertuig, bedoeld in EN 14033-1:2017 en EN 15746-3:2020;
|
||
- *STM:* specifieke transmissiemodule als bedoeld in TSI CCS;
|
||
- *toezichthouder:* op grond van artikel 69 van de wet door de minister aangewezen personen;
|
||
- *treinsamenstelling:* operationeel samenstel van één of meer spoorvoertuigen;
|
||
- *UIC:* voorschrift van de Internationale Spoorweg Unie;
|
||
- *voertuigen voor weg en spoorweg:* voertuigen die zowel op het spoor als op de weg kunnen rijden;
|
||
- *wagen:* spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting bestemd voor het vervoer van goederen;
|
||
- *wet:*
|
||
Spoorwegwet.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
|
||
|
||
- *besluit 2010/713/EU:* besluit nr. 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moet worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PbEU 2010, L 319);
|
||
- *TSI CCS:*
|
||
verordening (EU) 2023/1695 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2023 L 222);
|
||
- *TSI LOC&PAS:*
|
||
verordening (EU) 1302/2014 van de Commissie als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1694 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2023 L 222);
|
||
- *TSI WAG:*
|
||
verordening (EU) 321/2013 van de Commissie als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1694 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – goederenwagens’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PbEU 2023 L 222);
|
||
- *uitvoeringsverordening (EU) 402/2013:* uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PbEU 2013, L 121/8).
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Paragraaf 2. Nationale technische voorschriften
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
De boorduitrusting voor besturing en seingeving die in een locomotief, treinstel, stuurrijtuig of bijzonder voertuig is aangebracht voldoet:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor zover het ETCS betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 3, hoofdstuk 2;
|
||
b. b.
|
||
voor zover het ATBEG betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2;
|
||
c. c.
|
||
voor zover het de STM waarin de functies van ATBEG zijn gerealiseerd betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2 en aan de eisen die zijn genoemd in bijlage 3, hoofdstuk 1;
|
||
d. d.
|
||
voor zover het ATBNG betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2, hoofdstuk 3;
|
||
e. e.
|
||
voor zover het de STM waarin de functies van ATBNG zijn gerealiseerd betreft, aan de eisen genoemd in bijlage 2, hoofdstuk 3.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
De boorduitrusting, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, voorziet in registratieapparatuur die in ieder geval de volgende gegevens registreert:
|
||
|
||
a. a.
|
||
ATB-cabineseinen, bij bijzondere voertuigen voor zover deze beschikbaar of aanwezig zijn;
|
||
b. b.
|
||
de gegevens, genoemd in bijlage 4.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Met betrekking tot de eisen die voor dit artikel zijn genoemd bij index 1.1 in bijlage 1 wordt bij de dimensionering van de retourstroom- en veiligheidsaardingscircuits van een spoorvoertuig onder 1.500V DC energievoorziening aangetoond dat het circuit ten minste bestand is tegen de railretourstromen die kunnen optreden volgens de onderstaande tabel:
|
||
|
||
| Tijdsduur [s] | 1 | 33 | 67 | 89 | 115 | 201 | 254 | 306 | 331 | 341 | 515 | 796 | 833 | 931 | 973 | 1000 |
|
||
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|
||
| *Railstromen Tijdgewogen I-RMS [A]* | 3093 | 3037 | 2938 | 2574 | 2310 | 1878 | 1677 | 1543 | 1584 | 1576 | 1301 | 1063 | 1105 | 1063 | 1111 | 1113 |
|
||
|
||
**2.** Tussen de waarden van de tabel in het eerste lid is het verloop van de stroom tegen de tijd lineair.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Treinstellen bestemd voor het vervoer van personen zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van:
|
||
|
||
a. a.
|
||
adhesie-onafhankelijke remmen; of
|
||
b. b.
|
||
adhesieverbeterende maatregelen,
|
||
|
||
die remwegverlenging bij slechte adhesie voor alle snelheden tot vrijwel stilstand maximaal beperken.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Aan het eerste lid kan in ieder geval worden voldaan door:
|
||
|
||
a. a.
|
||
bij treinstellen bestaande uit één of twee delen, tenminste twee draaistellen elk te voorzien van één paar magneetremmen; of
|
||
b. b.
|
||
bij treinstellen bestaande uit drie of meer delen, per twee delen tenminste één draaistel te voorzien van één paar magneetremmen.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In geval van een noodremming bij treinstellen met magneetremmen,
|
||
|
||
a. a.
|
||
ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem gedeactiveerd moet worden, zo laag mogelijk en in ieder geval lager dan 10 km/u; en
|
||
b. b.
|
||
ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem vrijgegeven moet worden voor activering zo dicht mogelijk bij de treinsnelheid, bedoeld onder a, en in ieder geval maximaal 3 km/u hoger dan de treinsnelheid, bedoeld onder a.
|
||
|
||
**4.** In geval spoorvoertuigen zijn uitgerust met een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
Spoorvoertuigen die gebruik maken van het traject Roosendaal–Belgische grens en Maastricht–Belgische grens, hebben aan de onderzijde een uitsparing voor het treinbeveiligingssysteem Crocodile/Memor, in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 2.1.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van wielen met een diameter kleiner dan 730 mm, wordt de veilige berijdbaarheid van Engelse wissels en kruisingen met een hoekverhouding van 1:9 en 1:10 aangetoond in overeenstemming met de eisen, beschreven in bijlage 14.
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van wielflenssmeerinstallaties, voldoen de positie van de spuitmond en de locatie waar het smeermiddel op het wiel wordt aangebracht, aan de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 3.1.
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
Spoorvoertuigen voldoen ten aanzien van elektromagnetische compatibiliteit aan de eisen, die voor dit artikel zijn genoemd in bijlage 1, index 4.1.
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz, wordt voldaan aan de volgende eisen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
ten aanzien van de stoorstroomcompatibiliteit: de eisen, genoemd in bijlage 5; en
|
||
b. b.
|
||
ten aanzien van de detectiekwaliteit, gebaseerd op het puntenmodel of de gemeten kortsluitwaarden: de eisen, genoemd in bijlage 6.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van toonfrequente spoorstroomlopen, wordt voldaan aan de volgende eisen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
ten aanzien van de AC-stoorstroomcomponent in de lijnstroom: de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 5.1; en
|
||
b. b.
|
||
ten aanzien van de detectiekwaliteit, gebaseerd op het puntenmodel of de gemeten kortsluitwaarden: de eisen, genoemd in bijlage 6.
|
||
|
||
**3.** Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van assentellers, voldoen magnetische velden veroorzaakt door het spoorvoertuig dan wel door eventuele retourstroom, aan de eisen, genoemd in bijlage 7.
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
De stroomafname van spoorvoertuigen die gebruik maken van 1.500 V DC energievoorziening, wordt automatisch beperkt in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 6.1, waarbij:
|
||
|
||
a. a.
|
||
Imax (treinsamenstelling) = 4.000A; en
|
||
b. b.
|
||
de onderspanningsinrichting is afgesteld op 950V.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
Als een stroomafnemer is geïnstalleerd op het spoorvoertuig dat gebruik maakt van 1.500 V DC energievoorziening, bedraagt de afstand van de kop van het spoorvoertuig tot de achterste stroomafnemer van de treinsamenstelling maximaal 400 m.
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
**1.** Voor spoorvoertuigen die gebruik maken van 25 kV AC energievoorziening, wordt, in afstemming met de beheerder, een compatibiliteitsstudie in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 6.2, uitgevoerd, waarbij stap 1–10 worden doorlopen. Hiermee wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van overspanningen en harmonische emissielimieten van de netbeheerder.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
In afwijking van het eerste lid, is uitvoering van deze compatibiliteitsstudie niet noodzakelijk indien de harmonische stroomemissie op treinniveau niet hoger is dan de waarde I_h in de onderstaande tabel, waarbij:
|
||
|
||
a. a.
|
||
f staat voor de frequentie van de harmonische stroom; en
|
||
b. b.
|
||
I_h staat voor het maximale 10-minuten gemiddelde van de harmonische stroom als percentage van het 10-minuten gemiddelde van de grondharmonische stroom.
|
||
|
||
| f (Hz) | I_h(%) |
|
||
| --- | --- |
|
||
| 100 | 5,63 |
|
||
| 150 | 5,00 |
|
||
| 200 | 1,88 |
|
||
| 250 | 3,00 |
|
||
| 300 | 0,63 |
|
||
| 350 | 2,14 |
|
||
| 400 | 0,19 |
|
||
| 450 | 0,83 |
|
||
| 500 | 0,15 |
|
||
| 550 | 1,43 |
|
||
| 600 | 0,18 |
|
||
| 650 | 1,21 |
|
||
| 700 | 0,15 |
|
||
| 750 | 0,21 |
|
||
| 800 | 0,13 |
|
||
| 850 | 0,62 |
|
||
| 900 | 0,12 |
|
||
| 950 | 0,55 |
|
||
| 1.000 | 0,11 |
|
||
| 1.050 | 0,46 |
|
||
| 1.100 | 0,10 |
|
||
| 1.150 | 0,32 |
|
||
| 1.200 | 0,09 |
|
||
| 1.250 | 0,29 |
|
||
| 1.300 | 0,08 |
|
||
| 1.350 | 0,25 |
|
||
| 1.400 | 0,08 |
|
||
| 1.450 | 0,23 |
|
||
| 1.500 | 0,07 |
|
||
| 1.550 | 0,20 |
|
||
| 1.600 | 0,07 |
|
||
| 1.650 | 0,18 |
|
||
| 1.700 | 0,06 |
|
||
| 1.750 | 0,17 |
|
||
| 1.800 | 0,06 |
|
||
| 1.850 | 0,15 |
|
||
| 1.900 | 0,06 |
|
||
| 1.950 | 0,14 |
|
||
| 2.000 | 0,05 |
|
||
| 2.050 | 0,13 |
|
||
| 2.100 | 0,05 |
|
||
| 2.150 | 0,12 |
|
||
| 2.200 | 0,05 |
|
||
| 2.250 | 0,11 |
|
||
| 2.300 | 0,05 |
|
||
| 2.350 | 0,10 |
|
||
| 2.400 | 0,04 |
|
||
| 2.450 | 0,10 |
|
||
| 2.500 | 0,04 |
|
||
|
||
**3.** De complexe ingangsadmittantie van een spoorvoertuig heeft in alle relevante bedrijfstoestanden een positief reëel deel voor frequenties boven 500 Hz waarbij de fase voor de frequentieafhankelijke ingangsadmittantie tussen de -90° en de +90° ligt.
|
||
|
||
**4.**
|
||
|
||
Bij de toepassing van de in het tweede lid opgenomen tabel geldt:
|
||
|
||
a. a.
|
||
dat 25% van de grondharmonische stroom bij vollast wordt aangehouden, indien het tien minuten gemiddelde van de grondharmonische stroomcomponent minder bedraagt dan 25% van de opgenomen stroom bij vollast van het betreffende type voertuig;
|
||
b. b.
|
||
dat de tractievoedingsbronspanning zuiver sinusvormig is; en
|
||
c. c.
|
||
dat een inductieve bronimpedantie elke waarde tussen 0 en 100 mH kan aannemen.
|
||
|
||
### Artikel 14
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In afwijking van de artikelen 3 tot en met 6 en 8 tot en met 13 beschikt een spoorvoertuig ten aanzien waarvan de Duitse bevoegde instantie een voertuigvergunning heeft afgegeven en waarvan het gebruiksgebied in Nederland is beperkt tot de Venlo-Duitse grens over:
|
||
|
||
a. a.
|
||
elektrische tractie die:
|
||
|
||
|
||
i.
|
||
geschikt is voor energievoorziening met 15 kV AC bovenleidingsspanning;
|
||
|
||
|
||
ii.
|
||
niet geschikt is voor energievoorziening met 1.500 V DC bovenleidingsspanning;
|
||
|
||
|
||
iii.
|
||
indien deze kan functioneren op 3 kV DC bovenleidingsspanning, niet ingeschakeld kan worden onder 1.500 V DC bovenleidingsspanning;
|
||
i. i.
|
||
geschikt is voor energievoorziening met 15 kV AC bovenleidingsspanning;
|
||
ii. ii.
|
||
niet geschikt is voor energievoorziening met 1.500 V DC bovenleidingsspanning;
|
||
iii. iii.
|
||
indien deze kan functioneren op 3 kV DC bovenleidingsspanning, niet ingeschakeld kan worden onder 1.500 V DC bovenleidingsspanning;
|
||
b. b.
|
||
GSM-R-apparatuur die voldoet aan de TSI CCS.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Onverminderd het eerste lid voldoet een voertuig als bedoeld in dat lid, dat is uitgerust met ETCS, tevens aan de volgende eisen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het voertuig kan de STM transitie op de spoorweg vanuit Duitsland naar Venlo en vanuit Venlo naar Duitsland passeren; en
|
||
b. b.
|
||
het voertuig voldoet aan de compatibiliteitseis, genoemd in TSI CCS tabel A 2, Indexnummer 4 SUBSET-026 ‘System Requirements Specification’.
|
||
|
||
### Artikel 15
|
||
|
||
Onverminderd de artikelen 3 tot en met 13, voldoet een in een andere lidstaat toegelaten spoorvoertuig waarvoor uitbreiding van het gebruiksgebied tot Nederland wordt gevraagd en dat niet volledig voldoet aan de TSI LOC&PAS, TSI WAG of TSI CCS:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor wat betreft de verhouding tussen de aslast en de wieldiameter van een wielstel aan paragraaf 4.2.3.2.2 punt 3 van TSI LOC&PAS;
|
||
b. b.
|
||
aan de eisen in paragraaf 4.2.8.2.6 van de TSI LOC&PAS, indien het een spoorvoertuig betreft dat is voorzien van een systeem van energievoorziening die geschikt is voor 25 kV.
|
||
|
||
### Artikel 16
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 17
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Onverminderd de artikelen 3 tot en met 13, voldoen spoormachines en infrastructuurinspectievoertuigen in rijmodus, die niet voldoen aan TSI LOC&PAS en TSI WAG, aan:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de eisen, genoemd in bijlage 12, onderdeel a; en
|
||
b. b.
|
||
de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 7.1.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Onverminderd de artikelen 3 tot en met 13, voldoen voertuigen voor weg en spoorweg in rijmodus, die niet voldoen aan TSI LOC&PAS, aan:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de eisen, genoemd in bijlage 12, onderdeel b; en
|
||
b. b.
|
||
de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 9.1 en 10.1.
|
||
|
||
### Paragraaf 3. Procedureel kader indienststelling
|
||
|
||
### Artikel 18
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 19
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Een conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 26v, tweede lid, van de wet wordt uitgevoerd overeenkomstig een van de volgende modules of combinaties van modules, genoemd in bijlage I van besluit 2010/713/EU:
|
||
|
||
1. 1.
|
||
SB en SD;
|
||
2. 2.
|
||
SB en SF;
|
||
3. 3.
|
||
SH1.
|
||
|
||
**2.** De te beoordelen eigenschappen van een spoorvoertuig in de ontwerp-, ontwikkel- en productiefase en de specifieke conformiteitsbeoordelingsprocedures die daarvoor gelden, zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
De geldigheidsduur van een door de aangewezen instantie verstrekt certificaat van typeonderzoek of ontwerponderzoek wordt bepaald in overeenstemming met:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor materieel behorend tot het subsysteem ‘rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen’: punt 7.1.3.1 van de bijlage bij TSI LOC&PAS;
|
||
b. b.
|
||
voor materieel behorend tot het subsysteem ‘rollend materieel – goederenwagens’: punt 7.2.3.1 van de bijlage bij TSI WAG;
|
||
c. c.
|
||
voor boorduitrusting behorend tot de subsystemen besturing en seingeving: punt 7.2.4.1 van de bijlage bij TSI CCS.
|
||
|
||
**4.** De aangewezen instantie vermeldt op het certificaat van type- of ontwerpkeuring de datum van inwerkingtreding van de eisen in deze regeling op grond waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden.
|
||
|
||
### Artikel 20
|
||
|
||
**1.** De minister verleent slechts een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet, indien veilig gebruik van de spoorvoertuigen en de compatibiliteit van de spoorvoertuigen met de hoofdspoorweginfrastructuur gewaarborgd is.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Bij een aanvraag voor een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet, wordt in ieder geval bijgevoegd:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de motivering van de noodzaak voor de aanvraag;
|
||
b. b.
|
||
de volgende informatie over de in te zetten spoorvoertuigen;
|
||
|
||
|
||
i.
|
||
identificatienummers;
|
||
|
||
|
||
ii.
|
||
indien aanwezig een kopie van de laatst afgegeven voertuigvergunning;
|
||
|
||
|
||
iii.
|
||
indien aanwezig reeds eerder toegekende ontheffingen;
|
||
i. i.
|
||
identificatienummers;
|
||
ii. ii.
|
||
indien aanwezig een kopie van de laatst afgegeven voertuigvergunning;
|
||
iii. iii.
|
||
indien aanwezig reeds eerder toegekende ontheffingen;
|
||
c. c.
|
||
de volgende informatie over het voorziene gebruik van de spoorvoertuigen;
|
||
|
||
|
||
i.
|
||
inzetgebied;
|
||
|
||
|
||
ii.
|
||
de inzettermijn;
|
||
i. i.
|
||
inzetgebied;
|
||
ii. ii.
|
||
de inzettermijn;
|
||
d. d.
|
||
in voorkomend geval, de omvang van afwijkingen van een reeds verleende vergunning of geldende verplichting;
|
||
e. e.
|
||
alle redelijk voorzienbare risico’s; en
|
||
f. f.
|
||
de in te zetten risicobeheersmaatregelen.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
De informatie, bedoeld in het tweede lid, gaat, voor zover deze beschikbaar is, vergezeld van:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een of meerdere certificaten afgegeven door conformiteitsbeoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 26u, eerste lid, en artikel 26v, eerste lid, van de wet;
|
||
b. b.
|
||
een verklaring van de aanvrager als bedoeld in artikel 16 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013, die is opgesteld op basis van een veiligheidsbeoordelingsverslag van beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.
|
||
|
||
### Artikel 21
|
||
|
||
**1.** Artikel 20 is, met uitzondering van het vierde lid, van overeenkomstige toepassing op een ontheffing als bedoeld in de artikelen 26f, eerste en tweede lid, 26k, vijfde lid, of 26q, vierde en zesde lid, van de wet.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Bij een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 26q, vierde lid, van de wet, wordt in ieder geval bijgevoegd:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een beschrijving van het inzetgebied waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd;
|
||
b. b.
|
||
de beschouwing van de soortgelijke netwerkkenmerken van het desbetreffende inzetgebied met de infra in de aangrenzende lidstaat aan de hand van door de ERA gepubliceerde RINF-informatie en de netwerkverklaring en grensbaanvakovereenkomsten op het logistiek portaal van ProRail; en
|
||
c. c.
|
||
een verklaring van de op grond van artikel 26v, eerste lid, van de wet aangewezen instantie dat het spoorvoertuig compatibel is met het betreffende inzetgebied.
|
||
|
||
### Artikel 22
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Paragraaf 4. Controles en tests van spoorvoertuigen
|
||
|
||
### Artikel 23
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 24
|
||
|
||
**1.** Een spoorwegonderneming die van een hoofdspoorweg gebruik wil maken of gebruik wil laten maken voor het uitvoeren van een test als bedoeld in artikel 26r, eerste en tweede lid, van de wet, stemt het uitvoeren van de test voorafgaand af met de beheerder.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Een spoorwegonderneming die voornemens is om een testrit te maken met een spoorvoertuig ten behoeve van ETCS-compatibiliteitstesten, op een inzetgebied dat is uitgerust met ETCS, verstrekt aan de beheerder bij het verzoek als bedoeld in artikel 26r, derde lid, van de wet:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een beschrijving van de mate waarin het gedrag van het spoorvoertuig voldoet aan de gepubliceerde ERTMS-foutcorrecties, bedoeld in artikel 9 van de TSI CCS, die geen onderdeel uitmaken van de in de TSI CCS vastgelegde specificatiereeks op basis waarvan de beoordeling plaatsvindt;
|
||
b. b.
|
||
een overzicht van de punten waarop het spoorvoertuig afwijkt van de specificatiereeks op basis waarvan de beoordeling door de aangemelde instantie plaatsvindt; en
|
||
c. c.
|
||
in voorkomend geval, een beschrijving van de additionele besturings- en seingevingsfunctionaliteiten die in het spoorvoertuig zijn geïmplementeerd, maar die geen deel uitmaken van de specificatiereeks op grond waarvan de beoordeling van de aanvraag van de vergunning, bedoeld in artikel 26k van de wet, plaatsvindt.
|
||
|
||
**3.** De beheerder kan naar aanleiding van het verzoek in het belang van een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg, aanwijzingen geven.
|
||
|
||
**4.** De spoorwegonderneming volgt de aanwijzingen, bedoeld in het derde lid op.
|
||
|
||
### Paragraaf 5. Onderhoud van spoorvoertuigen
|
||
|
||
### Artikel 25
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 26
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 27
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 28
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 29
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Paragraaf 6. Overgangsrecht conformiteitsbeoordeling
|
||
|
||
### Artikel 30
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In afwijking van artikel 19, derde lid, is op een conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 19 die voor 1 mei 2020 is gestart en waarop de voor die datum geldende eisen worden toegepast, artikel 22, zoals dat luidde voor 1 augustus 2024, van toepassing, met dien verstande dat voor de verwijzing naar:
|
||
|
||
a. a.
|
||
‘TSI LOC&PAS’ wordt gelezen: verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2014, L 356), als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/387 (PbEU 2020, L 222);
|
||
b. b.
|
||
‘TSI WAG’ wordt gelezen: verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie van 13 maart 2013 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – goederenwagens’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PbEU 2013, L 104), als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/387 (PbEU 2020, L 222).
|
||
|
||
**2.** Indien een conformiteitsbeoordeling overeenkomstig punt 7.1.1.2 van de bijlage bij de TSI LOC&PAS plaatsvindt aan de hand van de eisen genoemd in Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen van het spoorwegsysteem in de Europese Unie, zoals laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/387 van de Commissie van 9 maart 2020, is de eis genoemd in punt 7.3.2.13 van de bijlage bij TSI LOC&PAS van overeenkomstige toepassing op de conformiteitsbeoordeling.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In afwijking van het tweede lid, kunnen lopende projecten, als bedoeld in punt 7.1.1.2 van de bijlage bij TSI LOC&PAS en punt 7.1.1 van de bijlage bij TSI WAG, worden beoordeeld aan de hand van de eisen genoemd in:
|
||
|
||
a. a.
|
||
deze regeling, zoals deze luidde op 31 juli 2024; of
|
||
b. b.
|
||
deze regeling, zoals deze luidde op 30 juni 2022.
|
||
|
||
### Paragraaf 7. Slotbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 31
|
||
|
||
De Regeling indienststelling spoorvoertuigen wordt ingetrokken.
|
||
|
||
### Artikel 32
|
||
|
||
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2020.
|
||
|
||
### Artikel 33
|
||
|
||
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020.
|
||
|
||
## Bijlage 1. behorende bij artikel 1
|
||
|
||
Versies van de CLC-reports en EN-normen en UIC-leaflets, voor zover daarnaar niet wordt verwezen in de TSI LOC&PAS, de TSI CCS of de TSI WAG.
|
||
|
||
## Bijlage 2. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 3. behorende bij
|
||
|
||
Het in een spoorvoertuig geïnstalleerd systeem van automatische treinbeveiliging dat behoort tot ETCS bevat een specifieke transmissiemodule zoals bedoeld in de TSI CCS artikel 4.2.6.1 optie 1 of een gelijkwaardige implementatie zoals bedoeld in TSI CCS artikel 4.2.6.1 opties 2, 3 en 4. Indien optie 1 is toegepast dan voldoet die aan de onderstaande eisen.
|
||
|
||
Indien optie 2, 3 of 4 is toegepast dan voldoet de combinatie van ETCS plus ATB op spoorvoertuig niveau ten aanzien van de compatibiliteit met de infrastructuur aan de functionaliteit conform optie 1.
|
||
|
||
## Bijlage 4. behorende bij
|
||
|
||
Indien een spoorvoertuig is voorzien van een automatisch treinbeveiligingssysteem (ATB) dat werkt op basis van remcurvebewaking wordt van dat ATB-systeem ten minste geregistreerd:
|
||
|
||
## Bijlage 5. behorende bij
|
||
|
||
Deze bijlage bevat de eisen ten aanzien van de maximaal toegelaten samenstelling van spoorvoertuigen bij inzet daarvan op hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz.
|
||
|
||
## Bijlage 6. behorend bij
|
||
|
||
## Bijlage 7. behorende bij
|
||
|
||
Aantonen van conformiteit van voertuigen die rijden over sporen die uitgerust zijn met assentellers met de TSI CCS dient door middel van de meetmethode conform de eisen die voor dit onderdeel zijn genoemd bij index 23.1 in bijlage 1 plaats te vinden en beoordeeld te worden door middel van de methode gebaseerd op de ‘frequency management’, waarvan de grenswaarden voor magneetvelden zijn vastgelegd in paragraaf 3.2. van het document, genoemd in aanhangsel J-2, index [A], van de TSI LOC&PAS. Hierbij dient een beschrijving van de worst case testomstandigheden die zorgen voor de maximale productie van relevante magneetvelden aangeleverd te worden conform de eisen die voor dit onderdeel zijn genoemd bij index 23.2 in bijlage 1. Er dient ook rekening gehouden te worden met magneetvelden veroorzaakt door retourstroom10In het geval van een samenstelling van locomotief met rijtuigen of goederenwagens met hulpnetomzetter(s) dient de locatie met maximale retourstroom bepaald te worden., met inachtneming van de optelregels zoals genoemd in Bijlage 5.
|
||
|
||
De grenswaarden voor magneetvelden zijn vastgelegd in paragraaf 3.2.1 van het document, genoemd in aanhangsel J-2, index [A], van de TSI LOC&PAS. Hierbij dient het uitgangspunt gehanteerd te worden dat het uitgestraalde magneetveld door componenten onder het spoorvoertuig (‘radiated emission’) en het magneetveld ten gevolge van retourstroom (‘conducted interference’) samen niet mogen leiden tot een overschrijding. Een bijdrage vanuit de retourstroom aan het vastgestelde magneetveld mag niet in mindering gebracht worden.
|
||
|
||
In afwijking van Tabel 11 in paragraaf 3.2.1.3 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 index [A], van de TSI LOC&PAS mag er voor Band 1 enkel de grenswaarde voor 1,0 x Tint worden gehanteerd11De gedefinieerde filters voor Band 1 hebben een grotere vertragingstijd dan Tint, een RMS-waarde berekend over Tint, 0,5 x Tint, 0,25 x Tint geeft dezelfde uitkomst..
|
||
|
||
Ter invulling van de gebruiksregel in paragraaf 3.2.3 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 indexnummer 1, van de TSI LOC&PAS, geldt dat de invloed van de magneetremmen op het signaal van het telpunt van de assenteller als volgt wordt beoordeeld:
|
||
|
||
*[afbeelding]*
|
||
|
||
Indien het percentage van de beïnvloeding van het analoge (gedemoduleerde) signaal van het telpunt van de assenteller ten opzichte van het rustniveau echter groter is dan 50% maar kleiner of gelijk is aan 75%, dienen aanvullende metingen worden uitgevoerd.
|
||
|
||
De aanvullende metingen dienen tenminste te bestaan uit 3 extra statische metingen, 3 metingen met de laagst mogelijke aanvangssnelheid onder 20 km/uur waarbij het eerste paar magneetremmen tijdens de meting nog geactiveerd blijft, 3 metingen bij een aanvangssnelheid van 50 km/uur en nog 3 extra metingen bij een aanvangssnelheid van 100 km/uur.
|
||
|
||
Indien de percentages, die middels de aanvullende metingen zijn vastgesteld, alle kleiner of gelijk aan 75% zijn, wordt ervan uitgegaan dat kans op overschrijding van de 100% waarde en mogelijke mistelling door de assenteller in de dagelijkse praktijk toch voldoende klein is om exploitatie van het spoorvoertuig toe te staan.
|
||
|
||
In de absolute grenswaarde van 75% is reeds rekening gehouden met de (in de praktijk optredende) kalibratieafwijkingen van het telpunt en nauwkeurigheid van de meetmethode.
|
||
|
||
Minimaal drie maanden voorafgaand aan het berijden van het meetgebied bij de meetcontainer dient door de aanvrager contact te worden opgenomen met de beheerder en dienen de volgende gegevens te worden aangeleverd:
|
||
|
||
## Bijlage 8. behorend bij
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
## Bijlage 9. behorend bij
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
## Bijlage 10. behorende bij
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
## Bijlage 11. behorende bij
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
## Bijlage 12. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 13. behorende bij
|
||
|
||
De eigenschappen van het spoorvoertuig die beoordeeld moeten worden in de verschillende ontwerp-, ontwikkel- en productiefasen, zijn in onderstaande tabel met een kruis (x) aangegeven. Een kruis in kolom 4 van de tabel betekent dat de desbetreffende eigenschappen moeten worden gekeurd door elk spoorvoertuig afzonderlijk te testen.
|
||
|
||
## Bijlage 14. behorende bij
|