40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
4.4 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling locatiespecifieke omstandigheden | BWBR0014035 | ministeriele-regeling | geldend | 2002-10-14 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0014035 | Regeling locatiespecifieke omstandigheden |
Regeling locatiespecifieke omstandigheden
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. Mobiele verontreiniging
Artikel 2
Indien maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder a. van het besluit, kunnen die het volgende inhouden:
a. a. het afgraven van verontreinigde bodem b. b. het verwijderen van de verontreiniging uit de bodem of het grondwater c. c. het toepassen van technieken die biologische of chemische omzetting tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben d. d. het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen e. e. het onttrekken van grondwater uit de verontreinigde locatie waardoor verspreiding van verontreiniging vanuit de verontreinigde locatie wordt voorkomen f. f. het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.
Paragraaf 3. Immobiele verontreiniging
Artikel 3
In gevallen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder b. van het besluit, stelt het bevoegd gezag vast van welke vorm van bodemgebruik sprake is bij de instemming met het saneringsplan, als bedoeld in artikel 39, tweede lid van de wet.
Artikel 4
Indien maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder b. van het besluit, kunnen die het volgende inhouden:
a. a. het afgraven van verontreinigde bodem b. b. het verwijderen van de verontreiniging uit de bodem of het grondwater c. c. het toepassen van technieken die biologische afbraak/omzetting of chemische omzetting tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben d. d. het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.
Artikel 5
Wanneer de saneringsmaatregel het aanbrengen van een leeflaag inhoudt, geldt het volgende:
a. a. de leeflaag heeft een standaarddikte van één meter b. b. in tuinen mag de dikte variëren van 1 tot 1.5 meter, afhankelijk van de bewortelingsdiepte c. c. bij overige begroeid terrein mag de dikte variëren van 0.5 - 1.5 meter, afhankelijk van de bewortelingsdiepte d. d. een geringere dikte van de leeflaag is mogelijk onder bijzondere omstandigheden e. e. onder de leeflaag wordt als regel een signaallaag aangebracht, die tot doel heeft te waarschuwen voor verontreiniging die zich onder die laag bevindt.
Artikel 6
1. Indien maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 4 wordt uitgegaan van de in de bijlage opgenomen bodemgebruikswaarde.
2. Bij saneringsmaatregelen voor landbouwgronden en natuurterreinen wordt per geval een bodemgebruikswaarde vastgesteld.
Paragraaf 4. Verontreiniging van de waterbodem
Artikel 7
1.
In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, houden de saneringsmaatregelen het volgende in:
a. a. het afgraven van verontreinigde bodem onder oppervlaktewater als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a en b van het Besluit b. b. het verwijderen van verontreiniging uit de bodem c. c. het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag d. d. het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen e. e. andere maatregelen die tot gevolg hebben dat de blootstelling aan en verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.
2. Bij de keuze voor de te nemen saneringsmaatregelen wordt rekening gehouden met de gevolgen van die maatregelen op het watersysteem en de effecten die de dynamiek van het watersysteem kan hebben op het resultaat van de sanering.
Artikel 8
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling locatiespecifieke omstandigheden.
Bijlage
Bodemgebruikswaarden per bodemgebruiksvorm, in relatie tot streefwaarden en interventiewaarden voor een standaardbodem (25% lutum en 10% organisch stof(1)Voor andere bodems moet een bodemtypecorrectie worden uitgevoerd conform de bestaande formules voor het corrigeren van streef- en interventiewaarden, inclusief de bestaande uitzondering voor PAK (zie Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering, 4 februari 2000, kenmerk DBO 1999226863, bijlage A, pagina 13 en 14)
(mg/kg)