40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
21 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid | BWBR0008003 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-11-27 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0008003 | Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid |
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*wet:* de Wegenverkeerswet 1994;
b. b.
vervallen;
c. c.
*directeur:* de directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
d. d.
*ademalcoholgehalte:* het ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de wet.
e. e.
*bloedalcoholgehalte:* het bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet;
f. f.
*beginnende bestuurder:* bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en indien de afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.
Artikel 2
1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1 onder ‘Drogerende stoffen Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.
Artikel 3
1.
Feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, kunnen blijken uit:
a. a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie; b. b. gegevens afkomstig van de officier van Justitie, of c. c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.
2.
Feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:
a. a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen; b. b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of c. c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.
3. Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.
Artikel 4
1. De mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen.
2. De in artikel 130, derde lid, van de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs geschiedt bij aangetekende brief.
Artikel 5
Een vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt ten aanzien van in de volgende gevallen:
a. a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol; b. b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen; c. c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige; d. d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden); e. e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt; f. f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt; g. g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden; h. h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of het niet intrappen van het juiste pedaal; i. i. betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet; j. j. bij betrokkene wordt, als bestuurder van een motorrijtuig, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 1090 µg/l respectievelijk 2,5 ‰; k. k. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker; l. l. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onderdeel f, genoemde termijn van vijf jaar onherroepelijk veroordeeld dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking uitgevaardigd; m. m. bij betrokkene wordt in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 915 μg/l, respectievelijk 2,1‰.
Artikel 6
1.
Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
a. a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰, b. b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 μg/l respectievelijk 1,3‰, c. c. betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste viermaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, of d. d. betrokkene binnen een periode van vijf jaar ten minste tweemaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8 van de wet, en hierbij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel, da. da. betrokkene op grond van artikel 10a, tweede lid, onderdelen a, b, d, e of f, niet in aanmerking komt voor een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, e. e. betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, dan wel f. f. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is.
2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 10b, tweede lid, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.
3.
Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of naar de geschiktheid:
a. a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen Alcohol, alsmede b. b. indien betrokkene op grond van artikel 10b, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.
4. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 6a
1.
De kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder:
a. a. in de in artikel 6, eerste lid, bedoelde gevallen, en b. b. in de in artikel 6, derde lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover er sprake is van feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage I bij deze regeling, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, andere drogerende stoffen.
2. De kosten van dit onderzoek worden jaarlijks vastgesteld en bedragen voor 2009 € 918,02.
3. Artikel 10, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
In de gevallen bedoeld in artikel 5 schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, derde lid onder a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een Educatieve Maatregel als bedoeld in artikel 131, vierde lid, van de wet wordt opgelegd.
Artikel 8
1.
Het CBR besluit tot oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3 ‰, b. b. betrokkene binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰, c. c. betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, derde lid, van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 μg/l, respectievelijk 0,5‰. d. d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet, dan wel e. e. de uitslag van het ingevolge artikel 6, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs; f. f. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan, dan wel hoger is dan 350 μg/l, respectievelijk 0,8‰. g. g. betrokkene op grond van artikel 10a, tweede lid, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer.
2.
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. a. hij onder invloed van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, b. b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst, c. c. hij de afgelopen 5 jaar reeds eerder aan de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft deelgenomen, d. d. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt, e. e. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving, f. f. hij bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen.
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel indien hij:
a. a. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt; b. b. demonstratief niet aan de cursus deelneemt; c. c. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of d. d. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.
Artikel 10
1.
De ten laste van betrokkene komende kosten van de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer bedragen € 648,60 (exclusief BTW). Dit bedrag wordt telkenjare voor het komende kalenderjaar vastgesteld met toepassing van de volgende rekenformule:
| bedrag voor het huidige kalenderjaar | = | bedrag voor het komende kalenderjaar |
|---|
Voor de toepassing van deze rekenformule wordt verstaan onder:
C_1: het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie
over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
C_v: het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie
over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
R_1: het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.
R_v: het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.
2. De kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene is meegedeeld, op de wijze zoals aangegeven bij die mededeling.
3. Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet, indien hij de kosten, bedoeld in het eerste lid, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.
4. Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd.
Artikel 10a
1. Het CBR besluit tot oplegging van een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220µg/l, respectievelijk 0,5‰.
2.
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. a. hij onder invloed van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, b. b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst, c. c. hij de afgelopen vijf jaar reeds eerder aan de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft deelgenomen, d. d. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt, e. e. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving, f. f. hij bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen.
3. De ten laste van betrokkene komende kosten van de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer bedragen € 350,–.
4. De kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer aan betrokkene is meegedeeld, op de wijze zoals aangegeven bij die mededeling. Deze termijn kan niet worden verlengd.
5. De artikelen 9 en 10, eerste lid, tweede en derde volzin, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10b
1.
Het CBR besluit tot oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer indien:
a. a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag; b. b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom; c. c. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom; d. d. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden; e. e. de uitslag van het ingevolge artikel 6, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
2.
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer indien:
a. a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, b. b. hij bewust op een andere weggebruiker is ingereden, c. c. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst, d. d. hij de afgelopen vijf jaar reeds twee maal aan de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer heeft deelgenomen, e. e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt, f. f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving, g. g. hij bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen.
3. De ten laste van betrokkene komende kosten van de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer bedragen € 750,–.
4. artikelen 9 en 10, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. De kosten van het tweede onderzoek bedragen € 589,35. Dit bedrag wordt telkenjare voor het komende kalenderjaar vastgesteld. Artikel 10, eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2. De kosten van het tweede onderzoek worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven.
3. Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het tweede onderzoek, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien hij de kosten, bedoeld in het eerste lid, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.
Artikel 12
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:
a. a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen, of b. b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop Hoofdstuk VI, paragraaf 9, van de wet in werking treedt.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid.
Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
Bijlage 2. bij de Regeling maatregelenrijvaardigheid en geschiktheid
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Divisie Vorderingen
Postbus 3012
2280 GA RIJSWIJK (ZH)
Regiopolitie/Openbaar Ministerie/CBR:
Afdeling/district:
PL-code:
Contactpersoon:
Adres:
Postcode + Plaatsnaam:
Telefoonnummer:
Ons kenmerk:
Naam:
Voornamen:
Geslacht:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Rijbewijsnummer:
Burger Service Nummer
Afgifte autoriteit:
Afgegeven op:
Geldig tot:
Categorie(ën): / / / /
[afbeelding]
Invordering als bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het volgende plaatsgevonden:
Aantal bijlage(n) meegestuurd:
Plaats:
Datum:
Handtekening:
Naam:
Functie: