rijk/ministeriele-regeling/regeling-ondersteuning-herstructurering-kunstonderwijs-hbo-2000-2004/BWBR0011052/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

15 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo 2000-2004 BWBR0011052 ministeriele-regeling geldend 2000-01-22 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011052 Regeling ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo 2000-2004

Regeling ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo 2000-2004

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. minister: de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen; b. b. hogeschool: een hogeschool als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; c. c. lerarenopleiding op het gebied van de kunst: een opleiding die is opgenomen in het subonderdeel Lerarenopleidingen op het gebied van de kunst van het onderdeel Onderwijs in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met uitzondering van de opleidingen voor leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen; d. d. instellingsspecifieke activiteiten: de activiteiten, bedoeld in artikel 8 en artikel 9; e. e. instellingsoverstijgende activiteiten: de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Artikel 2

1. De minister kan projectsubsidie verstrekken voor de instellingsspecifieke activiteiten, bedoeld in artikel 8, gericht op herstructurering van opleidingen op hetgebied van de kunst, lerarenopleidingen op het gebied van de kunst, voortgezette kunstopleidingen en opleidingen voortgezette bouwkunst, en voor de instellingsspecifieke activiteiten, bedoeld in artikel 9, gericht op de omslag naar een meer vraaggerichte werkwijze van de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

2.

De minister kan projectsubsidie verstrekken voor instellingsoverstijgende activiteiten waaronder in deze regeling worden verstaan:

a. a. activiteiten die zijn gericht op ondersteuning van de invoering van de examenprogrammas culturele en kunstzinnige vorming 2 in het voortgezet onderwijs door hogescholen die een lerarenopleiding op het gebied van de kunst verzorgen; b. b. activiteiten die zijn gericht op ondersteuning van de invoering van de examenprogrammas culturele en kunstzinnige vorming 1 en 2,3 in het voortgezet onderwijs via inzet van informatie- en communicatietechnologie door hogescholen die een lerarenopleiding op het gebied van de kunst verzorgen; c. c. activiteiten die zijn gericht op vergroting van de culturele diversiteit bij opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

Artikel 3

1. Subsidie voor instellingsspecifieke activiteiten wordt slechts verleend aan hogescholen, genoemd in de bijlage bij deze regeling.

2.

Subsidie voor instellingsoverstijgende activiteiten wordt slechts verleend:

a. a. voor activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a en b, aan de hogescholen die een lerarenopleiding op het gebied van de kunst verzorgen; b. b. voor activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c, aan het Expertise Centrum allochtonen Hoger Onderwijs te Utrecht.

Artikel 4

1. Voor subsidieverlening voor instellingsspecifieke activiteiten op grond van deze regeling is beschikbaarƒ 41,325 miljoen, te weten in 2000 een bedrag van ƒ 9,305 miljoen, in 2001 een bedrag van ƒ 12,020 miljoen, in 2002 een bedrag van € 3,585 miljoen, in 2003 een bedrag van € 3,381 miljoen en in 2004 een bedrag van € 2,110 miljoen.

2. Voor subsidieverlening voor instellingsoverstijgende activiteiten op grond van deze regeling is beschikbaar in 2000 ƒ 0,7 miljoen, in 2001 ƒ 0,75 miljoen en in 2002 € 0,227 miljoen.

Artikel 5

1. Met inachtneming van het jaarlijkse subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt het subsidiebedrag per hogeschool berekend op basis van het aantal onderwijsvragende studenten voor het begrotingsjaar 2000 overeenkomstig deel B.3 van de bijlage bij de Regeling bekostiging Hoger Onderwijs, met dien verstande dat het subsidiebedrag voor de opleidingen expressie door woord en gebaar wordt berekend op basis van het aantal ingeschreven studenten voor deze opleidingen op de teldatum 1 oktober 1998 overeenkomstig het Centraal register inschrijving hoger onderwijs naar de stand van juli 1999, met inachtneming van het bekostigingsniveau dat van toepassing is op de voornoemde opleidingen volgens artikel 3.3, tweede lid en artikel 5.4 van de Regeling bekostiging Hoger Onderwijs.

2. Een hogeschool heeft ten hoogste aanspraak op een subsidiebedrag, zoals voor deze hogeschool voor het desbetreffende jaar is genoemd in de bijlage bij deze regeling.

Paragraaf 2. Subsidieaanvraag instellingsspecifieke activiteiten

Artikel 6

Subsidie wordt op aanvraag eenmalig verleend voor de gehele periode, bedoeld in artikel 17.

Artikel 7

De subsidieaanvraag omvat:

a. a. een meerjarenactiviteitenplan als bedoeld in artikel 8 en indien van toepassing de aanvulling daarop als bedoeld in artikel 9; b. b. een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 10; c. c. de overige gegevens, bedoeld in artikel 11.

Artikel 8

Het meerjarenactiviteitenplan omvat een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten in 2000 en de hoofdlijnen van de instellingsspecifieke activiteiten in de jaren 2001-2004 en de daarmee beoogde resultaten. De activiteiten betreffen in elk geval:

a. a. de ontwikkelingen en voorbereiding van de in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs 2002 -2003 op te nemen en te verzorgen opleidingen enafstudeerrichtingen en de stappen die daartoe vanaf 2000 worden gezet met aandacht voor de onderwijskundige, personele en organisatorische consequenties; b. b. de verbetering van het perspectief dat studenten geboden wordt om bij de eigen én bij andere hogescholen onderwijs te kunnen volgen om een opleiding met goed gevolg te kunnen afsluiten; c. c. de verbetering van de invulling van de selectie- en verwijzende functie van de propedeutische fase; d. d. de vergroting van de culturele diversiteit; e. e. de inhoudelijke en bestuurlijke samenwerking met andere hogescholen; f. f. de inhoudelijke en bestuurlijke samenwerking met scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen van educatie en beroepsonderwijs, en universiteiten in nationaal en in internationaal verband; g. g. de inhoudelijke en bestuurlijke samenwerking met de culturele omgeving waaronder werkplaatsen als bedoeld in de Cultuurnota 1997-2000.

Artikel 9

Het meerjarenactiviteitenplan, bedoeld in artikel 8, wordt voor de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst aangevuld met een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen instellingsspecifieke activiteiten in de jaren 2000 tot en met 2004 die in elk geval betreffen:

a. a. de ontwikkeling van een flexibel stelsel van lerarenopleidingen dat studenten op maat kan bedienen; b. b. de vergroting van de initiële instroom en zij-instroom uit niet-traditionele doelgroepen; c. c. de integratie van informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs.

Artikel 10

De meerjarenbegroting biedt tot 2002 in guldens en voor de periode 2002 - 2004 in euros inzicht in de inkomsten en uitgaven die de hogeschool in verband met het meerjaren-activiteitenplan, bedoeld in artikel 8, en de eventuele aanvulling, bedoeld in artikel 9, voorziet, waarbij de hogeschool uitgaat van:

a. a. het ten hoogste te verlenen subsidiebedrag, genoemd in de bijlage bij deze regeling; b. b. de overige middelen die de hogeschool voor de instellingsspecifieke activiteiten inzet.

Artikel 11

De hogeschool geeft tevens inzicht in:

a. a. het perspectief op bedrijfseconomische stabiliteit voor de hogeschool; b. b. de wijze van invulling van de taakstelling op het kunstvakonderwijs voor 2000 en volgende jaren door de hogeschool; c. c. de doelmatigheid van te verzorgen opleidingen, bedoeld in artikel 8, onder a.

Artikel 12

1. De subsidieaanvraag wordt in zesvoud ingediend vóór 17 maart 2000.

2. De aanvragen worden bij de minister ingediend en gericht aan Cƒi, productgroep FTO, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.

Paragraaf 3. Subsidieaanvraag instellingsoverstijgende activiteiten

Artikel 13

1. Subsidie wordt op aanvraag eenmalig verleend voor de gehele periode, bedoeld in artikel 17.

2. De subsidieaanvraag geeft inzicht in de aard en omvang van de voorgenomen instellingsoverstijgende activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen, en in de begrote inkomsten en uitgaven die de aanvrager in verband met de te subsidiëren activiteiten verwacht.

Artikel 14

1. De subsidieaanvraag wordt in drievoud ingediend, uiterlijk 1 mei 2000.

2. De aanvragen worden bij de minister ingediend en gericht aan Cƒi, productgroep FTO, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer

Paragraaf 4. Subsidieverlening

Artikel 15

De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing over de subsidieverlening voor instellingsspecifieke activiteiten mede op basis van het advies van de tijdelijke commissie, bedoeld in artikel 16, en over de onderdelen gericht op lerarenopleidingen op het gebied van de kunst mede op basis van het advies van de Onderwijsraad.

Artikel 16

1. De minister stelt een tijdelijke commissie Ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo in.

2.

De commissie bestaat uit:

  • een voorzitter op voordracht van de minister;
  • een lid op voordracht van de HBO-raad;
  • een lid op voordracht van de Raad voor Cultuur.

3. De commissie heeft tot taak om vóór 5 mei 2000 de minister te adviseren over de subsidieaanvragen voor instellingsspecifieke activiteiten als bedoeld in artikel 8.

4. De commissie beoordeelt de subsidieaanvraag naar de mate waarin deze recht doet aan de kaders geformuleerd in de nota Zicht op kwaliteit: ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs en aan de conclusies in het overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal over deze nota op 6 september 1999.

5. De leden van de commissie komen tot hun oordeel zonder last of ruggespraak.

6. Op het advies van commissie zijn de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing.

7. De commissie voorziet in haar eigen secretariaat. De commissie bepaalt haar eigen werkzaamheden en regelt de werkzaamheden van het secretariaat.

8. Het beheer van de stukken van de commissie geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde. Na opheffing van de commissie wordt het archief overgedragen aan de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

9. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Op de leden van de commissie zijn het Reisbesluit binnenland en het Vacatiegeldenbesluit 1998 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is overeengekomen met de leden van de commissie.

Artikel 17

Subsidie wordt verleend voor de periode 2000-2004.

Artikel 18

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 4 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 19

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan subsidieverlening geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien het advies van de commissie, bedoeld in artikel 15, of van de Onderwijsraad daartoe aanleiding geeft.

Paragraaf 5. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 20

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen voor de ontwikkeling van het beleid in relatie tot de doelomschrijving, bedoeld in artikel 2.

Paragraaf 6. Subsidievaststelling

Artikel 21

Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

1. Het financieel verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.

3. De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

Artikel 23

De subsidieontvanger bedingt bij de accountant, bedoeld in artikel 22, eerste lid, dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig een door de minister vast te stellen controleprotocol.

Artikel 24

1. De subsidieontvanger legt jaarlijks verantwoording af over de inzet van de subsidie.

2. Het verslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten.

3. De inrichting van het verslag komt overeen met de inrichting van het meerjarenactiviteitenplan.

4. Het verslag bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het meerjarenactiviteitenplan en de feitelijke realisatie.

5. Het eindverslag over de inzet van de subsidie, dient gelijk met het jaarverslag/ jaarrekening vóór 1 juli 2003 verzonden te worden aan de staatssecretaris ter attentie van CFI/BVH, postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.

Paragraaf 7. Betaling

Artikel 25

1. De minister verstrekt jaarlijks een voorschot voor instellingsspecifieke activiteiten ten hoogste gelijk aan het jaarbedrag per hogeschool, genoemd in de bijlage bij deze regeling, met inachtneming van de besluitvorming, bedoeld in artikel 15.

2. De minister verleent degene die een subsidie ontvangt voor instellingsoverstijgende activiteiten voorschotten tot ten hoogste 100% van het subsidiebedrag.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Artikel 26

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 27

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is geplaatst.

Artikel 28

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo 2000-2004.

Bijlage . Bijlage

Maximale subsidiebedragen voor instellingspecifieke activiteiten per hogeschool (bedragen x 1000)