rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkeringen-lokale-en-regionale-mirt-projecten-en-mirt-proje/BWBR0046418/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

26 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten BWBR0046418 ministeriele-regeling geldend 2022-04-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0046418 Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten

Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten

Artikel 1

  • infrastructuur: onroerende zaken ten behoeve van verkeer of vervoer van personen of goederen met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de verkeersveiligheid, verkeersmanagement en bescherming van het milieu;
  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • MIRT: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport;
  • ontvanger: gemeente, die niet is gelegen in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, provincie, de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • planuitwerkingsfase: fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief voor een project of projectpakket wordt uitgewerkt;
  • project: ondeelbaar geheel van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg of verbetering van infrastructuur, tot de uitvoering waarvan in beginsel alleen als geheel besloten kan worden en waarbij afzonderlijke uitvoering en ingebruikneming na voltooiing van een onderdeel niet zonder aanzienlijke meerkosten mogelijk is;
  • projectpakket: verkeerskundig samenhangende combinatie van ten minste twee projecten of ten minste een project en ten minste een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds, die alle nodig zijn om de bereikbaarheid van een gebied op doelmatige wijze te verbeteren;
  • realisatiefase: fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin het project of projectpakket wordt uitgevoerd;
  • specifieke uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2;
  • Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018: ramingssystematiek die is vastgelegd in CROW-publicatie nr. D3049;
  • verkenningsfase: fase volgend op het opnemen van een project of projectpakket in het MIRT, waarin mogelijke ontwerpen van het project of projectpakket worden afgewogen om te komen tot een voorkeursalternatief.

Artikel 2

De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken voor de overeenkomstig artikel 7 geraamde, op grond van artikel 6 voor een specifieke uitkering in aanmerking komende kosten van een project of projectpakket dat zich bevindt in de verkenningsfase, de planuitwerkingsfase of de realisatiefase, indien:

a. a. een project waarvoor een aanvraag wordt ingediend, uitsluitend betrekking heeft op lokale of regionale infrastructuur; b. b. met het project of projectpakket een nationaal belang wordt gediend; c. c. de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, voor een specifieke uitkering in aanmerking komende kosten van de realisatiefase van het project of projectpakket het in artikel 8, vierde lid, bedoelde drempelbedrag overschrijden; en d. d. het project of projectpakket is opgenomen in het MIRT als zich bevindend in de verkenningsfase, de planuitwerkingsfase of de realisatiefase.

Artikel 3

Een specifieke uitkering kan worden aangevraagd door een gemeente, die niet is gelegen in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, een provincie, de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Artikel 4

1. Het uitkeringsplafond voor specifieke uitkeringen in een begrotingsjaar wordt vastgesteld door middel van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds van dat begrotingsjaar.

2. De verdeling van de beschikbare middelen in een begrotingsjaar vindt plaats overeenkomstig de wet, bedoeld in het eerste lid, en het daarbij behorende MIRT-overzicht.

3. Indien de verlening van een specifieke uitkering is geweigerd op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt in het eerstvolgende begrotingsjaar zonder hernieuwde indiening van de aanvraag opnieuw een besluit over de aanvraag genomen.

Artikel 5

Specifieke uitkeringen die worden verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6

1.

In de verkenningsfase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de rechtstreeks aan deze fase toe te rekenen kosten van:

a. a. het verrichten van onderzoek; en b. b. het opstellen van een mogelijk ontwerp van een project of projectpakket.

2.

In de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de in deze fase rechtstreeks aan het project of projectpakket toe te rekenen kosten van:

a. a. het verrichten van onderzoek; b. b. het opstellen van een mogelijk ontwerp van het project of projectpakket; en c. c. een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos.

3.

In de realisatiefase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de in deze fase rechtstreeks aan het project of projectpakket toe te rekenen kosten:

a. a. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak; b. b. van het verkrijgen van de voor deze fase benodigde vergunningen; c. c. voortvloeiend uit een voor de realisatie van het project of projectpakket gesloten overeenkomst van aanneming van werk; d. d. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project of projectpakket, anders dan bedoeld in onderdeel a of c; e. e. van engineering en realisatiewerkzaamheden, voor zover deze geen deel uitmaken van een overeenkomst als bedoeld in onderdeel c of d; f. f. van een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds, als onderdeel van een projectpakket; g. g. van nadeelcompensatie in verband met het verleggen van kabels of leidingen; h. h. van nadeelcompensatie, anders dan uit hoofde van het bepaalde in onderdeel g, voor zover de ontvanger hiertoe rechtens gehouden is; i. i. van een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; j. j. van 6 procent van de kostenposten, bedoeld in de onderdelen c, d, e, f en i; en k. k. van andere kostenposten dan die, bedoeld in de onderdelen a tot en met j, indien de kosten in redelijkheid zijn aan te merken als realisatiekosten.

4.

Geen specifieke uitkering wordt verstrekt voor:

a. a. kosten van een aanvraag van een specifieke uitkering; b. b. kosten die voortkomen uit achterstallig onderhoud en kosten van vervangende voorzieningen die de vervangingswaarde van de bestaande voorzieningen te boven gaan; c. c. omzetbelasting die op basis van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kan worden gebracht of recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds; d. d. kosten als bedoeld in het tweede lid, waarvoor reeds een specifieke uitkering is verstrekt op basis van het eerste lid en kosten als bedoeld in het derde lid, waarvoor reeds een specifieke uitkering is verstrekt op basis van het eerste of tweede lid; e. e. kosten waarvoor een andere specifieke uitkering of een subsidie is of wordt verstrekt; en f. f. kosten die de ontvanger op andere wijze vergoed kan krijgen.

Artikel 7

1. De raming van de kosten, bedoeld in de artikel 6, eerste lid, vindt plaats conform Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018, op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische of de gemiddelde waarde van een probabilistische raming.

2. De raming van de kosten, bedoeld in artikel 6, tweede lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische of de gemiddelde waarde van een probabilistische raming, indien het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd niet meer dan 25 miljoen euro bedraagt en op basis van de gemiddelde waarde van een probabilistische raming, indien het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd meer dan 25 miljoen euro bedraagt.

3. De raming van de kosten, bedoeld in artikel 6, derde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de gemiddelde waarde van een probabilistische raming.

Artikel 8

1. Een specifieke uitkering voor de verkenningsfase van een project of projectpakket bedraagt vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, eerste lid, geraamde, op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, in aanmerking komende kosten.

2.

Een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van een project of projectpakket is gebaseerd op de meest doelmatige variant van het project of projectpakket en bedraagt:

a. a. voor de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, tweede lid, geraamde, op grond van artikel 6, tweede en vierde lid, in aanmerking komende kosten; b. b. voor de realisatiefase van een project honderd procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan; en c. c. voor de realisatiefase van een projectpakket vijfenzeventig procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan.

3. De kosten van maatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds komen gedurende maximaal vijf jaren in aanmerking voor een specifieke uitkering.

4. Het drempelbedrag voor de overeenkomstig artikel 7 geraamde en op grond van artikel 6 in aanmerking komende kosten van de realisatiefase is 225 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en 112,5 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel wordt gerealiseerd buiten het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

5. In afwijking van het tweede lid, onderdelen b of c, kan de minister voor het bepalen van de hoogte van de uitkering, bedoeld in die onderdelen besluiten een lager drempelbedrag te hanteren indien de aanvrager aantoont dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een onredelijke situatie voor hem tot gevolg hebben.

Artikel 9

1. Een aanvraag van een specifieke uitkering heeft betrekking op een van de fasen van een project of projectpakket, genoemd in het tweede tot en met vierde lid.

2.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

a. a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°
        een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van de opgave en een onderbouwing van het nationale belang van het project of projectpakket;
      
      
        2°
        een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van mogelijke oplossingen en het besluitvormingsproces;
      
      
        3°
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd;
      
      
        4°
        een tijdschema van de verkenning;
      
      
        5°
        een omschrijving van de belanghebbende partijen en hun betrokkenheid en een opgave van de door de betrokken medeoverheden gereserveerde budgetten voor de realisatie;

1° 1° een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van de opgave en een onderbouwing van het nationale belang van het project of projectpakket; 2° 2° een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van mogelijke oplossingen en het besluitvormingsproces; 3° 3° een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd; 4° 4° een tijdschema van de verkenning; 5° 5° een omschrijving van de belanghebbende partijen en hun betrokkenheid en een opgave van de door de betrokken medeoverheden gereserveerde budgetten voor de realisatie;

b. b. een raming van de kosten die in de verkenningsfase in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, overeenkomstig artikel 7, eerste lid; c. c. een raming van de kosten van het meest waarschijnlijke ontwerp van het project of projectpakket die in de planuitwerkingsfase of de realisatiefase in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7, derde lid; en d. d. het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd.

3.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

a. a. een eindverantwoording over de in de verkenningsfase behaalde resultaten en het voorkeursalternatief, waarin ten minste is opgenomen:

        1°
        een beschrijving van de in kaart gebrachte en afgewogen oplossingsrichtingen;
      
      
        2°
        een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief;
      
      
        3°
        een ontwerp van het voorkeursalternatief;
      
      
        4°
        een raming van de kosten van het voorkeursalternatief;
      
      
        5°
        een beschrijving van de verkeers- en vervoerseffecten;
      
      
        6°
        het milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;
      
      
        7°
        een maatschappelijke kosten-batenanalyse conform de Werkwijzer MKBA bij MIRT-verkenningen;

1° 1° een beschrijving van de in kaart gebrachte en afgewogen oplossingsrichtingen; 2° 2° een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief; 3° 3° een ontwerp van het voorkeursalternatief; 4° 4° een raming van de kosten van het voorkeursalternatief; 5° 5° een beschrijving van de verkeers- en vervoerseffecten; 6° 6° het milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden; 7° 7° een maatschappelijke kosten-batenanalyse conform de Werkwijzer MKBA bij MIRT-verkenningen; b. b. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°
        een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt;
      
      
        2°
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd;
      
      
        3°
         een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief;
      
      
        4°
         een raming van de kosten van de meest doelmatige variant van het project of projectpakket, indien het voorkeursalternatief hiervan afwijkt;
      
      
        5°
         een overzicht van de beschikbare budgetten voor de bekostiging van het voorkeursalternatief en een omschrijving van de exploitatiegevolgen, indien het een project of projectpakket betreft ten behoeve van openbaar vervoer;

1° 1° een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt; 2° 2° een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd; 3° 3° een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief; 4° 4° een raming van de kosten van de meest doelmatige variant van het project of projectpakket, indien het voorkeursalternatief hiervan afwijkt; 5° 5° een overzicht van de beschikbare budgetten voor de bekostiging van het voorkeursalternatief en een omschrijving van de exploitatiegevolgen, indien het een project of projectpakket betreft ten behoeve van openbaar vervoer; c. c. een raming van de kosten die in de planuitwerkingsfase onderscheidenlijk de realisatiefase in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7, derde lid; en d. d. het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd.

4.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de realisatiefase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

a. a. een eindverantwoording over de in de planuitwerkingsfase behaalde resultaten, waarin ten minste is opgenomen:

        1°
        een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;
      
      
        2°
        een nadere uitwerking van het ontwerp van het voorkeursalternatief;
      
      
        3°
        een nadere uitwerking van de kostenraming van het voorkeursalternatief, inclusief een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos;
      
      
        4°
        een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos;
      
      
        5°
        het milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;
      
      
        6°
        de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief;
      
      
        7°
        het besluit van het bevoegde bestuursorgaan van de aanvrager tot de realisatie van het project, waaruit blijkt dat de kosten voor realisatie alsmede de kosten voor het beheer en onderhoud zijn gereserveerd in zijn meerjarige begroting;
      
      
        8°
        de berekeningen van de exploitatiegevolgen, indien het een project of projectpakket betreft ten behoeve van openbaar vervoer;

1° 1° een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief; 2° 2° een nadere uitwerking van het ontwerp van het voorkeursalternatief; 3° 3° een nadere uitwerking van de kostenraming van het voorkeursalternatief, inclusief een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; 4° 4° een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos; 5° 5° het milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden; 6° 6° de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief; 7° 7° het besluit van het bevoegde bestuursorgaan van de aanvrager tot de realisatie van het project, waaruit blijkt dat de kosten voor realisatie alsmede de kosten voor het beheer en onderhoud zijn gereserveerd in zijn meerjarige begroting; 8° 8° de berekeningen van de exploitatiegevolgen, indien het een project of projectpakket betreft ten behoeve van openbaar vervoer; b. b. een beschrijving van de te behalen mijlpalen in de realisatiefase en een raming van de voor elke mijlpaal te maken kosten; c. c. een raming van de kosten die in de realisatiefase in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, overeenkomstig artikel 7, derde lid; en d. d. het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en een voorstel voor het kasritme op basis van de beschreven mijlpalen.

Artikel 10

1. De minister beslist binnen zes maanden na ontvangst over de aanvraag van een specifieke uitkering.

2. Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd. De minister doet hiervan terstond mededeling aan de aanvrager.

3.

Een besluit tot verlening bevat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt verstrekt; b. b. een vermelding van het bedrag van de specifieke uitkering en de fase van het project of projectpakket waarop de uitkering betrekking heeft; c. c. een beschrijving van de te bereiken mijlpalen en het bedrag dat na het bereiken van een mijlpaal als voorschot zal worden verleend, indien de aanvraag betrekking heeft op de realisatiefase van een project of projectpakket; en d. d. een beschrijving van de variant van het project of projectpakket die als meest doelmatig wordt aangemerkt, indien de aanvraag betrekking heeft op de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van het project of projectpakket.

4. De minister kan in het besluit tot verlening bepalen dat het bedrag van de specifieke uitkering bij de vaststelling of tussentijds wordt geïndexeerd volgens de Index Bruto Overheidsinvesteringen, zoals geraamd in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau.

Artikel 11

1. De minister verleent op aanvraag van de ontvanger een voorschot, indien een mijlpaal in de voortgang van een project of projectpakket is bereikt en het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, in voorschotverlening na het bereiken van een mijlpaal voorziet.

2. Een voorschot kan maximaal tweemaal per kalenderjaar worden aangevraagd. De indiening van de aanvraag vindt plaats vóór 1 juli of vóór 1 januari.

3. Een aanvraag van een voorschot vermeldt het gevraagde bedrag en gaat vergezeld van een voortgangsrapportage, waaruit blijkt dat de mijlpaal is bereikt.

Artikel 12

1. De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van het besluit te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

2. De ontvanger legt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9, tweede, derde of vierde lid, tijdig voor instemming voor aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit of voortgang van het project of projectpakket.

3. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.

4. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de realisatiefase maakt binnen een jaar nadat de infrastructuur in gebruik is genomen hiervan melding aan de minister. Indien de specifieke uitkering betrekking heeft op een projectpakket waarvan een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds deel uitmaakt, kan deze termijn op verzoek van de ontvanger worden verlengd tot zes maanden na de voltooiing van de maatregel.

5. Bij een melding als bedoeld in het derde of vierde lid, verstrekt de ontvanger een eindverantwoording over de in de fase behaalde resultaten.

6. Op verzoek van de ontvanger kan de minister de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, met ten hoogste zes maanden verlengen.

7. Een ontvanger van een specifieke uitkering of een decentrale overheid die middelen ontvangt die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de specifieke uitkering in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de specifieke uitkering.

Artikel 13

Op de verantwoording over de besteding van een specifieke uitkering:

a. a. zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet van toepassing, indien een gemeente of een provincie de specifieke uitkering of middelen afkomstig uit de specifieke uitkering ontvangt; b. b. is artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing, indien de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de specifieke uitkering of middelen afkomstig uit de specifieke uitkering ontvangt; en c. c. zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet van overeenkomstige toepassing, indien een waterschap middelen ontvangt die afkomstig zijn uit de specifieke uitkering.

Artikel 14

1. De minister stelt een specifieke uitkering vast binnen zes maanden nadat de melding, bedoeld in artikel 12, derde of vierde lid, en de eindverantwoording overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet hebben plaatsgevonden.

2.

Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

a. a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering en de fase waarop de uitkering betrekking heeft; b. b. de betaalde voorschotten; c. c. het te betalen of terug te vorderen bedrag; en d. d. wanneer de betaling uiterlijk plaatsvindt.

Artikel 15

De minister kan bij het vaststellen van de uitkering afwijken van artikel 8, eerste lid, of tweede lid, onderdeel a, b of c, voor zover toepassing gelet op doel of strekking van de bepaling, voor de ontvanger van de uitkering zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2022. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt gepubliceerd wordt uitgegeven na 31 maart 2022, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten.