rijk/ministeriele-regeling/regeling-tijdelijke-onderwijsvoorzieningen-bij-massale-toestroom-van-ontheemden/BWBR0046912/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

17 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden BWBR0046912 ministeriele-regeling geldend 2024-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0046912 Regeling tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden

Regeling tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • afstandsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 180e van de Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 9.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • inrichtingsplan: inrichtingsplan, bedoeld in artikel 180b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 9.5, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • inspectie: Inspectie van het onderwijs;
  • instellingscode: code bestaande uit twee cijfers en twee hoofdletters waarmee de school uniek is te identificeren in de Registratie Instellingen en Opleidingen;
  • leerling: een leerplichtige jongere die staat ingeschreven op een school;
  • leerplichtige ontheemde jongere: jongere als bedoeld in artikel 180a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118ta van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 9.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • Minister: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
  • nieuwkomersvoorziening: locatie, vestiging of groep binnen een vestiging van een school als bedoeld in artikel 180a van de Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 9.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, waar onderwijs plaatsvindt dat specifiek gericht is op vreemdelingen, als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, die korter dan twee jaar in Nederland wonen;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • school: basisschool als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze regeling en een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze regeling;
  • tijdelijke onderwijsvoorziening: tijdelijke onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 180a van de Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 9.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • Uitfaseringsplan: het plan waarmee het bevoegd gezag van een tijdelijke onderwijsvoorziening inzicht geeft in hoe de onderwijsvoorziening wordt opgeheven;
  • vestigingscode: nummer dat bestaat uit de instellingscode, aangevuld met de twee cijfers die de vestiging aanduiden.

Artikel 1.2

Deze regeling berust op artikel 215a, tweede lid, Wet op het primair onderwijs en artikel 14.4, tweede lid, Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 1.3

1. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het onderwijs dat wordt gegeven op de tijdelijke onderwijsvoorziening en stelt een onderwijsprogramma vast overeenkomstig de artikelen 180c Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, 9.6 Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de nadere regels gesteld in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel.

2.

Het bevoegd gezag besteedt de onderwijstijd:

a. a. voor zover redelijkerwijs mogelijk voor een derde deel aan de Nederlandse taal; b. b. voor ten minste een derde deel aan inhoudelijk vakonderwijs, waaronder in elk geval wordt verstaan:

        1°
        voor het primair onderwijs: actief burgerschap en sociale cohesie, rekenen en wiskunde, en zintuigelijke en lichamelijke oefening;
      
      
        2°
        voor het voortgezet onderwijs: actief burgerschap en sociale cohesie, wiskunde en lichamelijke opvoeding;

1° 1° voor het primair onderwijs: actief burgerschap en sociale cohesie, rekenen en wiskunde, en zintuigelijke en lichamelijke oefening; 2° 2° voor het voortgezet onderwijs: actief burgerschap en sociale cohesie, wiskunde en lichamelijke opvoeding; c. c. voor ten hoogste een derde deel aan andere onderwijsgerichte activiteiten, waaronder wordt verstaan activiteiten die het sociaal en emotioneel welbevinden van de leerlingen bevorderen.

3. Met inachtneming van artikel 9, dertiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 6a van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 2.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan het bevoegd gezag een deel van het onderwijsprogramma in een andere taal aanbieden dan het Nederlands, indien het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands past in het onderwijsprogramma van de tijdelijke onderwijsvoorziening en bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs.

4. Hoofdstuk 1, artikel 2.2 en hoofdstuk 2, paragrafen 3 tot en met 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn niet van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening, met uitzondering van de artikelen 1.4, tweede lid. 2.34 en 2.44 tot en met 2.47.

5. Titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs is niet van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening, met uitzondering van de artikelen 6a, 6b, 6c, 6e, 17, 18, 20, eerste lid, 23b, 24b, 27c en 28b.

Artikel 1.4

1. Het bevoegd gezag kan afstandsonderwijs verzorgen dat gegeven wordt door of onder toezicht van onderwijspersoneel in Nederland.

2. Het bevoegd gezag verzorgt uitsluitend afstandsonderwijs indien geen bevoegde leraren beschikbaar zijn om onderwijs op locatie te verzorgen en indien het afstandsonderwijs past in het onderwijsprogramma van de tijdelijke onderwijsvoorziening.

3. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de planning, verzorging, inhoud en kwaliteit van het afstandsonderwijs.

4. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag ook tijdelijk of gedeeltelijk afstandsonderwijs verzorgen dat vanuit Oekraïne wordt aangeboden.

5. Afstandsonderwijs vindt uitsluitend plaats onder toezicht van bekwaam personeel.

Artikel 1.5

Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek aan de inspectie de documenten die het op grond van artikel 180d van de Wet op het primair onderwijs zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 9.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals de bepaling luidde bij inwerkingtreding van Hoofdstuk 9, paragraaf 2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 bijhoudt van het onderwijspersoneel van een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 1.6

1. In afwijking van de artikelen 12 en 13 van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 24 en 24a van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikelen 2.88, 2.89, 2.90, 2.91 en 2.92 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, komt het inrichtingsplan als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, in de plaats van de in deze wetten gestelde eisen aan de schoolgids en het schoolplan.

2. Het bevoegd gezag stelt het inrichtingsplan beschikbaar aan de ouders van leerlingen van een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 1.7

1. Het bevoegd gezag stelt voor elke leerling in een tijdelijke onderwijsvoorziening zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling een doorstroomperspectief vast.

2. Het doorstroomperspectief bevat in elk geval een plan op welke wijze een leerling zo snel mogelijk, doch binnen twee jaren na inschrijving in een tijdelijke onderwijsvoorziening, zal doorstromen naar een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, niet zijnde een tijdelijke onderwijsvoorziening of nieuwkomersvoorziening.

3. Indien voor een leerling een extra onderwijsondersteuning nodig is, betrekt het bevoegd gezag die behoefte bij het vaststellen van het doorstroomperspectief.

4. Het doorstroomperspectief wordt ten minste één keer per jaar geëvalueerd in overleg met de ouders en de leerling en waar nodig bijgesteld.

Artikel 1.8

1. Indien een leerplichtige ontheemde jongere wordt aangemeld bij een school als bedoeld in deze regeling met daaraan verbonden een tijdelijke onderwijsvoorziening, besluit het bevoegd gezag van deze school over de plaatsing in een tijdelijke onderwijsvoorziening.

2. De plaatsing van leerlingen in een tijdelijke onderwijsvoorziening, wordt niet afhankelijk gesteld van de voldoening van een geldelijke bijdrage.

3. Artikel 40, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 27, lid 2e, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 8.8, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2. Nadere bepalingen voor het primair onderwijs

Artikel 2.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *school:* basisschool, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs of een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, eerste en vierde lid, van de wet; en

b. b.

    *wet:* de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2.2

1. De artikelen van de wet zijn onverkort van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening voor zover daarvan in deze regeling niet is afgeweken.

2. In afwijking van artikel 9, dertiende lid, van de wet hoeft voor een tijdelijke onderwijsvoorziening geen gedragscode te worden vastgesteld.

3. In afwijking van artikel 158 van de wet is voor deelname aan de in artikel 158 genoemde activiteiten geen instemming nodig van de ouders van de leerling.

4. De artikelen 180a, 180b, 180c, 180d, 180e en 180f van de wet zoals die luidden op de datum van inwerkingtreding van Titel IV, Afdeling 12, paragraaf 2 van de wet blijven van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 2.3

Met inachtneming van artikel 3, derde lid, van de wet kan de Minister voor ten hoogste twee schooljaren een erkenning van beroepskwalificaties verlenen om les te geven in het primair onderwijs in een tijdelijke onderwijsvoorziening, indien de aanvrager de Nederlandse taal nog niet machtig is, doch wel beschikt over een buiten Nederland verkregen bewijsstuk om les te mogen geven in het primair onderwijs.

Hoofdstuk 3. Nadere bepalingen voor het voortgezet onderwijs tot 1 augustus 2022

Artikel 3.1

Vervallen

Artikel 3.2

Vervallen

Artikel 3.3

Vervallen

Artikel 3.4

Vervallen

Artikel 3.5

Vervallen

Hoofdstuk 4. Nadere bepalingen voor het voortgezet onderwijs vanaf 1 augustus 2022

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *school:* school voor voortgezet onderwijs of een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, niet zijnde een school voor praktijkonderwijs of een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid van de wet; en

b. b.

    *wet:* de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 4.2

1. Hoofdstuk 2, paragraaf 9, hoofdstuk 3, paragraaf 10, hoofdstuk 4, hoofdstuk 5, paragraaf 4, hoofdstuk 6 en hoofdstuk 8, paragraaf 1, van de wet zijn niet van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening, met uitzondering van de artikelen 2.97, 2.110, 3.35, 3.36, 3.39, 3.40, 3.41, 8.4 tot en met 8.10, 8.13, 8.15 en 8.16.

2. De artikelen 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8, 9.9 en 9.10 van de wet zoals die luidden op de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 9, paragraaf 3, van de wet blijven van toepassing op een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 4.3

1. Artikel 2.39 van de wet is van overeenkomstige toepassing op tijdelijke onderwijsvoorzieningen.

2. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de invulling en spreiding van de uren in een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 4.4

De artikelen 2.30, derde lid, onderdelen a en b, en vijfde lid, en 2.43, derde lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op leerlingen in een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 4.5

Artikel 19 van de Regeling voorzieningenplanning vo 2020 is van overeenkomstige toepassing op een tijdelijke nevenvestiging voor een tijdelijke onderwijsvoorziening, met uitzondering van de termijn van artikel 19, eerste lid, eerste volzin.

Hoofdstuk 5. Uitfasering tijdelijke onderwijsvoorzieningen

Artikel 5.1

1. Het bevoegd gezag dat een tijdelijke onderwijsvoorziening in het basisonderwijs heeft ingericht dient de tijdelijke onderwijsvoorziening uiterlijk op 13 juli 2024 op te heffen.

2. Het bevoegd gezag dat een tijdelijke onderwijsvoorziening heeft ingericht in het voortgezet onderwijs dient de tijdelijke onderwijsvoorziening op uiterlijk 1 augustus 2024 op te heffen.

3. Voorafgaand aan de datum genoemd in het eerste en tweede lid stelt het bevoegd gezag een uitfaseringsplan op.

Artikel 5.2

1. Het bevoegd gezag stelt een uitfaseringsplan op voor de tijdelijke onderwijsvoorziening en zendt het plan uiterlijk 1 maart 2024 aan de Minister.

2.

Het uitfaseringsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

a. a. de naam en het bestuursnummer van het bevoegd gezag; b. b. de naam en de instellingscode van de school en de vestigingscode waarvan de tijdelijke onderwijsvoorziening een uitbreiding is; c. c. het adres waar de tijdelijke onderwijsvoorziening gevestigd is; d. d. de einddatum van de tijdelijke onderwijsvoorziening; e. e. het aantal leerlingen in de tijdelijke onderwijsvoorziening, indien van toepassing, het aantal leerlingen dat naar verwachting op de locatie zal blijven en het aantal leerlingen dat naar verwachting de tijdelijke onderwijsvoorziening zal verlaten; f. f. een verklaring van een dat met het bevoegd gezag van andere scholen in de gemeente of regio is overlegd over het voortbestaan dan wel beëindigen van de locatie van de tijdelijke onderwijsvoorziening; g. g. de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van de tijdelijke onderwijsvoorziening; h. h. indien van toepassing de afspraken die zijn gemaakt met het betrokken samenwerkingsverband; i. i. of het bevoegd gezag de onderwijslocatie wil gaan gebruiken voor regulier onderwijs; j. j. de wijze waarop de tijdelijke onderwijsvoorziening wordt uitgefaseerd; k. k. de wijze waarop de tijdelijke onderwijsvoorziening garandeert dat de doorstroom van leerlingen naar een school voor basisonderwijs, school voor speciaal basisonderwijs, school voor onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, niet zijnde het onderwijs gegeven aan een tijdelijke onderwijsvoorziening; en l. l. het personeelsbeleid van de tijdelijke onderwijsvoorziening.

3. Bij de uitfasering van het onderwijs op de tijdelijke onderwijsvoorziening wijkt het bevoegd gezag niet af van het uitfaseringsplan.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

De Minister kan bij of krachtens deze regeling vastgestelde voorschriften buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover onverkorte toepassing zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 6.2

Met inachtneming van de artikelen 5, tweede lid, en 15, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers verstrekt het bevoegd gezag op verzoek informatie aan de Minister over het aantal en de doorstroom van ingeschreven leerlingen in een tijdelijke onderwijsvoorziening.

Artikel 6.3

1. Deze regeling treedt, met uitzondering van hoofdstuk 4, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Hoofdstuk 4 van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2022.

3. Hoofdstuk 3 van deze regeling vervalt met ingang van 1 augustus 2022.

4. Deze regeling vervalt met ingang van twee kalenderjaren na de dag van inwerkingtreding van de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden.

Artikel 6.4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.