rijk/ministeriele-regeling/regeling-uniforme-saneringen/BWBR0019507/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

38 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling uniforme saneringen BWBR0019507 ministeriele-regeling geldend 2007-05-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019507 Regeling uniforme saneringen

Regeling uniforme saneringen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. besluit: het Besluit uniforme saneringen; b. b. streefwaarde: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in grondwater, zoals vermeld in tabel 1 van bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009; c. c. interventiewaarde: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in grond en grondwater, zoals vermeld in tabel 1 van bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009; d. d. tussenwaarde: het rekenkundig gemiddelde van de streefwaarde en de interventiewaarde van een verontreinigende stof in het grondwater; e. e. immobiele verontreinigingssituatie: een situatie waarbij de in de bodem aanwezige verontreinigende stoffen zich tot ten hoogste de tussenwaarde hebben verspreid naar het grondwater; f. f. mobiele verontreinigingssituatie: een situatie waarbij de in de bodem aanwezige verontreinigende stoffen zich tot meer dan de tussenwaarde hebben verspreid naar het grondwater; g. g. achtergrondwaarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit; h. h. maximale waarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit; i. i. lokale maximale waarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, bedoeld in artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit; j. j. bodemfuncties: bodemfuncties als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit en artikel 4.7.1 van de Regeling bodemkwaliteit; k. k. bodemfunctieklassen wonen of industrie: bodemfunctieklassen wonen of industrie als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit; l. l. gebiedsspecifiek toetsingskader: toetsingskader als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Besluit bodemkwaliteit; m. m. projectgebied de Kempen: het gebied bedoeld in bijlage 3; n. n. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm; o. o. NEN 5725: 2017, Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek; p. p. NEN 5740: Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009, met wijzigingsblad van 1 februari 2016; q. q. NEN 5707, Bodem Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017; r. r. NTA: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven technische afspraak; s. s. NTA 5755: Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, juli 2010.

Artikel 1.2

Als categorieën van uniforme saneringen, bedoeld in artikel 39b van de wet, worden aangewezen:

a. a. immobiel; b. b. mobiel; c. c. tijdelijk uitplaatsen; d. d. projectgebied de Kempen.

Artikel 1.3

1.

Degene die het voornemen heeft te saneren overeenkomstig het besluit verstrekt bij de melding, bedoeld in artikel 6 van het besluit, de volgende gegevens aan het bevoegd gezag:

a. a. de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de saneerder en de eigenaar of erfpachter van de saneringslocatie,dan wel, indien de sanering zich over meerdere aaneengesloten kadastrale percelen uitstrekt, van de betrokken eigenaren of erfpachters; b. b. de kadastrale gegevens met betrekking tot de saneringslocatie; c. c. de rapporten van de uitgevoerde bodemonderzoeken, bedoeld in paragraaf 3; d. d. de onderzoeksgegevens, bedoeld in paragraaf 3, zoals aangegeven in de modellen die zijn opgenomen in bijlage 4; e. e. het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal aanvangen, of, voorzover bekend, het tijdstip van de feitelijke aanvang van de sanering; f. f. het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd; g. g. een situatietekening waarop is aangegeven:

        1°.
        de saneringslocatie;
      
      
        2°.
        de geplande saneringswerkzaamheden, inclusief dwarsdoorsnede; en
      
      
        3°.
        de plaats en de soort voorzieningen;

1°. 1°. de saneringslocatie; 2°. 2°. de geplande saneringswerkzaamheden, inclusief dwarsdoorsnede; en 3°. 3°. de plaats en de soort voorzieningen; h. h. voor grondwateronttrekkingen een beschrijving van de wijze waarop dit zal plaatsvinden, de debieten, de te onttrekken hoeveelheden en vrachten aan verontreinigingen en de toe te passen reinigingsmethoden en lozingen; i. i. gegevens over de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde vergunningen, ontheffingen, toestemmingen en meldingen, zoals aangegeven in de modellen die zijn opgenomen in bijlage 4; j. j. gegevens over de voor de uitvoering op de saneringslocatie van belang zijnde infrastructurele voorzieningen, waaronder gebouwen, wegen, verhardingen en eventueel aanwezige kabels, leidingen, puin; k. k. de overige gegevens en documenten, zoals aangegeven in de modellen die zijn opgenomen in bijlage 4.

2. Voor het verstrekken van de gegevens bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt per categorie uniforme saneringen gebruik gemaakt van een formulier waarvan de modellen zijn opgenomen in bijlage 4.

Artikel 1.4

1.

De melding van wijzigingen als bedoeld in artikel 10 van het besluit geschiedt:

a. a. onmiddellijk nadat van de wijzigingen of gewijzigde omstandigheden is gebleken, voorzover het betreft gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, b en c van het besluit; b. b. onmiddellijk nadat van de wijzigingen of gewijzigde omstandigheden is gebleken, voorzover het betreft de volgende gegevens:

        1°.
        de persoons- en adresgegevens; en
      
      
        2°.
        de verwachte dan wel de feitelijke aanvangsdatum van de sanering;

1°. 1°. de persoons- en adresgegevens; en 2°. 2°. de verwachte dan wel de feitelijke aanvangsdatum van de sanering; c. c. binnen twee weken nadat van de wijzigingen of gewijzigde omstandigheden is gebleken, voorzover het betreft gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, en gegevens met betrekking tot de feitelijke situatie, waartoe in ieder geval behoren:

        1°.
        de kadastrale gegevens met betrekking tot de saneringslocatie;
      
      
        2°.
        de gegevens omtrent het huidige en toekomstige gebruik van de saneringslocatie; en
      
      
        3°.
        de verwachte dan wel de feitelijke einddatum van de sanering.

1°. 1°. de kadastrale gegevens met betrekking tot de saneringslocatie; 2°. 2°. de gegevens omtrent het huidige en toekomstige gebruik van de saneringslocatie; en 3°. 3°. de verwachte dan wel de feitelijke einddatum van de sanering.

2. Indien tijdens de sanering sprake is van actuele risicos, als gevolg van de aangetroffen verontreinigingssituatie of calamiteiten bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, wordt dit onmiddellijk nadat van deze risicos is gebleken, gemeld aan het bevoegd gezag door degene die saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert.

Artikel 1.5

1.

De saneerder voert de volgende onderzoeken uit, tenzij in paragraaf 3 anders is bepaald:

a. a. vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725; b. b. verkennend onderzoek overeenkomstig NEN 5740. De onderzoeksstrategie dient te worden gebaseerd op de gegevens van het vooronderzoek bedoeld in sub a; c. c. indien de resultaten van het onderzoek, bedoeld onder a, daartoe aanleiding geven dient een onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd, overeenkomstig NEN 5707; en d. d. nader onderzoek overeenkomstig NTA 5755, waarbij de aard en omvang van de verontreinigingen in de bodem worden vastgesteld.

2. Onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, kan achterwege blijven indien eerder in een ander kader onderzoek is uitgevoerd dat representatief is voor de heersende situatie en waarvan de resultaten nog voldoende actueel zijn.

3. De persoon of instelling die de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid en artikel 3.4.5, tweede lid, uitvoert beschikt daartoe over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit en staat op grond van artikel 9, tweede lid, van dat besluit vermeld op die erkenning.

4. De gegevens voortvloeiend uit de onderzoeken bedoeld in het eerste en tweede lid worden in de vorm van bodemonderzoeksrapporten vastgelegd.

5. Met de in deze regeling genoemde normen en richtlijnen worden gelijkgesteld normen en richtlijnen die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Paragraaf 2. Uitvoeringsbepalingen

Artikel 2.1

Degene die saneert, meldt aan het bevoegd gezag schriftelijk de datum en het tijdstip van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden uiterlijk vijf werkdagen voorafgaande aan de aanvang.

Artikel 2.2

1. De sanering wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die op grond van het Besluit bodemkwaliteit, beschikt over een erkenning voor het uitvoeren van de betrokken werkzaamheden.

2. De verontreinigingen binnen de saneringslocatie zijn goed bereikbaar met de in te zetten technieken.

3. De saneringslocatie en buiten de saneringslocatie liggende depots zijn omgeven door een hekwerk. Na het beëindigen van de dagelijkse werkzaamheden wordt het hekwerk afgesloten. Het hekwerk is aan de buitenzijden voorzien van het duidelijk leesbaar opschrift, luidende: verboden toegang voor onbevoegden, gevaarlijk terrein.

4. De saneerder, dan wel degene die de sanering feitelijk uitvoert, stelt het bevoegd gezag in staat om de uitvoering van de sanering te controleren, zowel gedurende als na afloop van de sanering.

Artikel 2.3

1. De werkzaamheden worden milieukundig begeleid, tenzij in paragraaf 3 anders is bepaald.

2. De persoon of instelling die de milieukundige begeleiding uitvoert beschikt daartoe over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit en staat op grond van artikel 9, tweede lid, van dat besluit vermeld op die erkenning.

3. Gedurende de sanering houdt de milieukundig begeleider een logboek bij.

Artikel 2.4

Het tijdelijk opslaan van bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond en bodemvreemd materiaal dient te voldoen aan de volgende eisen, tenzij in paragraaf 3 anders is bepaald:

a. a. de tijdelijke opslag is toegestaan binnen het geval van verontreiniging; b. b. depots en containers voor tijdelijke opslag dienen op deugdelijke wijze te worden afgedekt met een lekdicht folie; c. c. het is niet toegestaan de opslag te laten voortduren:

      1°.
      na het beëindigen van de grondsanering, of
    
    
      2°.
      langer dan zes maanden na de aanvang van de sanering.

1°. 1°. na het beëindigen van de grondsanering, of 2°. 2°. langer dan zes maanden na de aanvang van de sanering. d. d. partijen verontreinigde grond worden naar aard, samenstelling en verontreiniging in te onderscheiden deelpartijen opgeslagen, zonder dat de grond een bewerking heeft ondergaan. De deelpartijen dienen fysiek te worden gescheiden.

Artikel 2.5

Vrijgekomen asbesthoudende grond of bodemmateriaal wordt uiterlijk binnen vier weken na het vrijkomen ervan afgevoerd.

Paragraaf 3. Categorieën van uniforme saneringen

Paragraaf 3.1. Categorie: immobiel

Artikel 3.1.1

Tot de categorie van uniforme saneringen, bedoeld in artikel 1.2, onder a, behoren saneringen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. a. de saneringslocatie betreft een landbodem; b. b. de sanering heeft betrekking op een immobiele verontreinigingssituatie; c. c. toegepast wordt ten hoogste één van de saneringsaanpakken beschreven in de artikelen 3.1.2 tot en met 3.1.5; d. d. de eventuele verspreiding van verontreinigende stoffen uit de grond van de saneringslocatie heeft niet geleid tot een overschrijding van de tussenwaarde voor die stoffen in het grondwater; en e. e. het betreft een verontreiniging met stoffen als bedoeld in bijlage 6 onder categorie Immobiel waarop het besluit van toepassing is.

Artikel 3.1.2

De saneringsaanpak bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het ontgraven van de aanwezige verontreinigde grond tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde als bedoeld in artikel 3.1.6; en b. b. het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond; c. c. het eventueel aanvullen van de ontgraving met grond van een kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7.

Artikel 3.1.3

De saneringsaanpak bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van het besluit, bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. in geval van het aanbrengen van een leeflaag dat:

      1°.
      deze bestaat uit een laag grond met een op de bodemfunctie afgestemde kwaliteit die ten hoogste gelijk is aan het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7; 
    
    
      2e.
      deze een standaarddikte heeft van mimimaal één meter;
    
    
      3e.
      deze, in afwijking van het bepaalde onder 2e, een dikte heeft van minimaal 50 centimeter in geval van bijzondere situaties waarbij als gevolg van de situering van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen al beperkingen in het gebruik gelden; en
    
    
      4e.
      tussen de grond in de leeflaag en de onderliggende verontreinigde bodem een signaallaag aanwezig is.

1°. 1°. deze bestaat uit een laag grond met een op de bodemfunctie afgestemde kwaliteit die ten hoogste gelijk is aan het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7; 2e. 2e. deze een standaarddikte heeft van mimimaal één meter; 3e. 3e. deze, in afwijking van het bepaalde onder 2e, een dikte heeft van minimaal 50 centimeter in geval van bijzondere situaties waarbij als gevolg van de situering van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen al beperkingen in het gebruik gelden; en 4e. 4e. tussen de grond in de leeflaag en de onderliggende verontreinigde bodem een signaallaag aanwezig is. b. b. in geval van het aanbrengen van een duurzame aaneengesloten afdeklaag, dat deze in zijn geheel bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels; c. c. in afwijking van onderdeel b geldt voor spoorwegterreinen die zich bevinden op kadastrale percelen die in eigendom zijn van NS Vastgoed BV en Railinfratrust BV, dat een aaneengesloten duurzame afdeklaag tevens kan bestaan uit:

      1e.
      een laag ballastmateriaal met een minimum dikte van 25 centimeter met daaronder een aaneengesloten waterdoorlatend geotextiel;
    
    
      2e.
      een splitbed met een minimum dikte van 25 centimeter met daaronder een aaneengesloten waterdoorlatend geotextiel op een fundatielaag bestaande uit zand.

1e. 1e. een laag ballastmateriaal met een minimum dikte van 25 centimeter met daaronder een aaneengesloten waterdoorlatend geotextiel; 2e. 2e. een splitbed met een minimum dikte van 25 centimeter met daaronder een aaneengesloten waterdoorlatend geotextiel op een fundatielaag bestaande uit zand. d. d. dat de verontreinigde grond die moet worden afgegraven om de isolatielaag te kunnen aanbrengen, moet worden afgevoerd, indien herschikken binnen de saneringslocatie niet tot de mogelijkheden behoort.

Artikel 3.1.4

1. Een combinatie van de saneringsaanpakken bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b en c, van het besluit is toegestaan.

2. In afwijking van artikel 3.1.2, onder b, is herschikken van de verontreinigde grond, op dat deel van de saneringslocatie waar een isolatielaag wordt aangebracht, toegestaan.

Artikel 3.1.5

1. In stedelijke gebieden, waarvoor geen gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, is de saneringsaanpak bedoeld in het tweede lid toegestaan voorzover sprake is van een dunne verontreinigde toplaag met een dikte van ten hoogste 50 centimeter, waarvan de onderliggende bodem een kwaliteit heeft van ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarde.

2.

De saneringsaanpak bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit, in combinatie met het aanbrengen van een laag aanvulgrond, bestaat uit:

a. a. het ontgraven van de verontreinigde toplaag tot ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarden; b. b. het aanbrengen van een laag aanvulgrond met ten minste een dikte van 50 centimeter, van een op de bodemfunctieklasse afgestemde kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7, en c. c. het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond.

Artikel 3.1.6

De terugsaneerwaarden voor de saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.1.2, zijn ten hoogste gelijk aan:

a. a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse; b. b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of c. c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

Artikel 3.1.7

De kwaliteit van de grond in de leeflaag en de laag aanvulgrond komt, bij de saneringsaanpakken bedoeld in de artikelen 3.1.2, 3.1.3, onder a, 3.1.4 en 3.1.5, ten minste overeen met:

a. a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse; b. b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of c. c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

Artikel 3.1.8

Artikel 1.5, eerste lid, onder d, is niet van toepassing voor de saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.1.3 en 3.1.5.

Artikel 3.1.9

1. Een saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel a, mag niet leiden tot beperkingen voor de bodemfunctie van de saneringslocatie en het gebruik van de bodem. Het gebruik van de bodem van de saneringslocatie wordt vermeld op het formulier bedoeld in artikel 1.3, tweede lid.

2. In geval artikel 3.1.3, onderdeel a, onder 3e, van toepassing is worden de voor het gebied waarin de saneringslocatie is gelegen reeds bestaande beperkingen in het gebruik eveneens vermeld op het formulier bedoeld in artikel 1.3, tweede lid.

3. Bij een saneringsaanpak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van het besluit wordt de verontreinigingssituatie, zoals deze na de sanering onder de isolatielaag aanwezig is, beschreven in het verslag, bedoeld in artikel 13 van het besluit.

Paragraaf 3.2. Categorie: mobiel

Artikel 3.2.1

1.

Tot de categorie van uniforme saneringen, bedoeld in artikel 1.2, onder b, behoren saneringen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. a. de saneringslocatie betreft een landbodem; b. b. de sanering heeft betrekking op een op zichzelf staande mobiele verontreinigingssituatie; c. c. toegepast wordt een saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.2.2, 3.2.2a, 3.2.2b of 3.2.3 of een combinatie hiervan; d. d. het betreft verontreiniging met stoffen als bedoeld in bijlage 6 onder categorie Mobiel waarop het besluit van toepassing is; e. e. de verontreiniging in het grondwater is te bereiken met de in te zetten technieken; f. f. een kwetsbaar object als bedoeld in de Circulaire bodemsanering is niet gelegen binnen het bodemvolume dat wordt ingesloten door de interventiewaarde contour in het grondwater of een straal van 100 meter er om heen, en g. g. de in te zetten technieken leiden niet tot een verandering in de bodemgesteldheid die van nadelige invloed kan zijn op een binnen het invloedgebied gelegen kwetsbaar object als bedoeld in de Circulaire bodemsaneringen.

2. Verontreinigingen in de vaste bodem die aanwezig zijn op plaatsen die niet bereikbaar zijn met de in te zetten technieken, zoals onder gebouwen, hoofd(transport)leidingen en andere belangrijke (ondergrondse) infrastructuur, worden niet tot de saneringslocatie gerekend, indien een voorziening is aangebracht als bedoeld in artikel 3.2.8.

Artikel 3.2.2

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het ontgraven van de verontreinigde grond en het daarin aanwezige verontreinigde grondwater tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde bedoeld in artikel 3.2.4; b. b. het van de saneringslocatie afvoeren van deze grond; c. c. het aanvullen van de ontgraving met grond van een kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.2.5.

Artikel 3.2.2a

1.

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van het besluit bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het tijdelijk uitplaatsen van de aanwezige verontreinigde grond zoals bedoeld in artikel 3.3.1 en volgens de aanpak als bedoeld in artikel 3.3.2; b. b. het ontgraven van de te saneren verontreinigde grond en het daarin aanwezige verontreinigde grondwater tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde bedoeld in artikel 3.2.4; c. c. het van de saneringslocatie afvoeren van de te saneren grond; d. d. het aanvullen van de ontgraving tot het niveau van de terug te plaatsen grond bedoeld in onderdeel a met grond van een kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.2.5; en e. e. het weer terugplaatsen van de verontreinigde grond, bedoeld in onderdeel a.

2. Bij de saneringsaanpak bedoeld in het eerste lid kan, in afwijking van artikel 3.2.1, onderdeel b, tevens sprake zijn van een immobiele verontreinigingssituatie.

Artikel 3.2.2b

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b en d, van het besluit, bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het ontgraven van de aanwezige verontreinigde grond in de bronzone tot ten minste het niveau van de terugsaneerwaarde bedoeld in artikel 3.2.4; b. b. het van de saneringslocatie afvoeren van deze grond; c. c. het aanvullen van de ontgraving met grond van een kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.2.5; d. d. het onttrekken van het aanwezige verontreinigde grondwater uit de pluim tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde, bedoeld in artikel 3.2.4, en het behandelen van het hierbij vrijkomende water, dan wel de inzet van in de saneringspraktijk gangbare en bewezen intensieve in-situ technieken voor sanering van de pluim, waarmee de in artikel 3.2.4 bedoelde terugsaneerwaarde kan worden gerealiseerd, zoals beschreven in de Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit(www.bodemrichtlijn.nl).

Artikel 3.2.3

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d, van het besluit, bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het onttrekken van verontreinigd grondwater tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde bedoeld in artikel 3.2.4 en het behandelen van het hierbij vrijkomende water; of b. b. de inzet van in de saneringspraktijk gangbare en bewezen intensieve in-situ technieken, waarmee de in artikel 3.2.4 bedoelde terugsaneerwaarde kan worden gerealiseerd, zoals beschreven in de Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit (www.bodemrichtlijn.nl).

Artikel 3.2.4

1.

De verontreinigde grond van de saneringslocatie, bedoeld in artikel 3.2.2, wordt ontgraven tot een niveau waarop de ontgraving geurvrij is en tot minimaal de naar grondsoort gecorrigeerde concentraties:

a. a. 0,1 maal de interventiewaarden van de somparameter voor naftaleen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, chryseen, benzoantraceen, benzopyreen, benzofluorantheen, indenopyreen en benzoperyleen en de natuurlijke achtergrondwaarde voor aromatische stoffen; b. b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen voor metalen, overige anorganische stoffen en minerale olie, of de voor deze stoffen vastgestelde lokale maximale waarden.

2. De grondwaterverontreiniging van de saneringslocatie, bedoeld in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.3, wordt voor alle aanwezige verontreinigende stoffen gesaneerd tot een niveau gelijk aan of lager dan de interventiewaarde.

Artikel 3.2.5

1.

Voor de kwaliteit van de aanvulgrond onder de contactlaag geldt dat:

a. a. deze vrij is van mobiele verontreinigingen; b. b. voor de immobiele verontreinigingen het concentratieniveau voor stoffen ten hoogste gelijk is aan het concentratieniveau voor stoffen van de aansluitende bodem.

2.

De kwaliteit van de grond in de contactlaag komt ten minste overeen met:

a. a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse; b. b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of c. c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

Artikel 3.2.6

De datum waarop de einddiepte van de ontgraving zal worden bereikt wordt door de saneerder dan wel degene die de sanering uitvoert uiterlijk één werkdag voorafgaande aan het bereiken van dat punt aan het bevoegd gezag gemeld.

Artikel 3.2.7

1. Ter bepaling van de afvoerbestemming kan de verontreinigde grond ten hoogste drie werkdagen worden opgeslagen op de saneringslocatie.

2. De opgeslagen grond is van de onderliggende bodem gescheiden door middel van een lekdicht folie.

3. Indien de grond wordt opgeslagen, wordt deze gescheiden naar grondsoort of naar aard en graad van verontreiniging, dan wel een combinatie daarvan.

Artikel 3.2.8

In geval van een sanering van een verontreinigingssituatie, bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, geldt dat de saneerder een isolerende voorziening aanbrengt. Horizontale monitoringsdrains worden aangemerkt als isolerende voorziening.

Paragraaf 3.3. Categorie: tijdelijk uitplaatsen

Artikel 3.3.1

Tot de categorie van uniforme saneringen, bedoeld in artikel 1.2, onder c, behoren saneringen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. a. de saneringslocatie betreft een landbodem; b. b. de sanering betreft een immobiele verontreinigingssituatie; c. c. toegepast wordt een saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.3.2; d. d. het tijdelijk uitplaatsen is noodzakelijk voor de uitvoering van civieltechnische werkzaamheden zoals voor de aanleg, het onderhoud of de verwijdering van ondergrondse infrastructuur, waaronder wordt begrepen kabels, leidingen, rioleringen, duikers, funderingen en vergelijkbare activiteiten binnen een geval van verontreiniging; en e. e. het betreft een verontreiniging met stoffen bedoeld in bijlage 6 onder categorie Tijdelijk uitplaatsen waarop het besluit van toepassing is.

Artikel 3.3.2

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van het besluit bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het na uitplaatsen zoveel mogelijk terug brengen van de tijdelijk uitgeplaatste grond in het hetzelfde ontgravingsprofiel onder dezelfde bodemomstandigheden zonder dat de grond een bewerking heeft ondergaan; en b. b. eventueel het van de locatie afvoeren van de overtollige verontreinigde grond.

Artikel 3.3.3

1. Artikel 1.5, eerste lid, onder a en d, is niet van toepassing op de categorie uniforme saneringen, bedoeld in artikel 3.3.1.

2. Het in artikel 1.5, eerste lid, onder b, genoemde onderzoek kan worden beperkt tot de bodem die valt binnen het profiel van ontgraving van de saneringslocatie.

Artikel 3.3.4

Voor saneringen die binnen de termijn, bedoeld in artikel 7 van het besluit aanvangen, geldt dat de kwaliteit van de terug te plaatsen grond niet verschilt met die van de aansluitende bodem.

Artikel 3.3.5

Milieukundige begeleiding is slechts van toepassing op situaties waarbij:

a. a. een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het profiel van ontgraving, maar zal worden afgevoerd; b. b. op de saneringslocatie reeds een isolatielaag in de vorm van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze isolatielaag; c. c. de ontgraving dieper reikt dan de verontreinigde bodemlaag en daardoor selectief moet worden ontgraven.

Paragraaf 3.4. Categorie: projectgebied de Kempen

Artikel 3.4.1

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. zinkassen: restproduct van de (voormalige) zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen, bedoeld in het Basisdocument: beginseldocument Actief Bodembeheer de Kempen van 5 februari 2001; b. b. moestuin: (een deel van) een perceel dat, binnen de gebruiksfunctie wonen, bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie; c. c. siertuin: (een deel van) een perceel waar, binnen de gebruiksfunctie wonen, geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van kleinvee plaatsvindt; d. d. Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven: het voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol.

2.

Tot de categorie van uniforme saneringen, bedoeld in artikel 1.2, onder d, behoren saneringen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. a. de saneringslocatie betreft een landbodem gelegen binnen het projectgebied de Kempen; b. b. de functieklasse van het huidig dan wel toekomstig gebruik van de saneringslocatie betreft wonen met moestuin, wonen met siertuin of industrie; c. c. de sanering heeft betrekking op een verontreinigingssituatie waarbij zinkassen in de bodem aanwezig zijn of waarbij de bodem verontreinigd is geraakt door de aanwezigheid van zinkassen; d. d. het betreft een saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.4.2; e. e. het betreft een verontreiniging met stoffen als bedoeld in bijlage 6 onder categorie De Kempen waarop het besluit van toepassing is.

Artikel 3.4.2

De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit, bestaat bij deze categorie uniforme saneringen uit:

a. a. het ontgraven van de aanwezige verontreinigde grond en zinkassen tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde bedoeld in artikel 3.4.3; b. b. het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond en zinkassen; en c. c. het aanvullen van de ontgraving met grond met een kwaliteit bedoeld in artikel 3.4.4.

Artikel 3.4.3

De terugsaneerwaarden bedoeld in artikel 3.4.2 zijn ten hoogste gelijk aan de lokale maximale waarden voor de betreffende bodemfunctieklasse, genoemd in bijlage 3.

Artikel 3.4.4

Het concentratieniveau voor stoffen in de laag aanvulgrond, in geval van de saneringsaanpak bedoeld in artikel 3.4.2, is ten hoogste gelijk aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse wonen bij de functieklassen wonen met moestuin en wonen met siertuin en de kwaliteitsklasse industrie bij de functieklasse industrie, genoemd in bijlage 3.

Artikel 3.4.5

1. Artikel 1.5, eerste, tweede en vierde lid, is niet van toepassing.

2. De saneerder voert een bodemonderzoek uit overeenkomstig het Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven.

Artikel 3.4.6

1. Het depot voor tijdelijke opslag van verontreinigde grond dient het te worden voorzien van een afsluitbaar hek.

2. De opgeslagen grond is van de onderliggende bodem gescheiden door middel van een lekdicht folie.

Paragraaf 4. Afronding sanering

Artikel 4.1

Degene die saneert, meldt de datum van afronding van de sanering aan het bevoegd gezag schriftelijk binnen twee weken na de datum van beëindiging van de saneringswerkzaamheden.

Artikel 4.2

1.

Degene die saneert verstrekt bij het verslag, bedoeld in artikel 13 van het besluit, de volgende gegevens aan het bevoegd gezag:

a. a. de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de melder, de eigenaar of erfpachter van de saneringslocatie, of, indien de sanering zich over meerdere aaneengesloten kadastrale percelen uitstrekt, van de betrokken eigenaren of erfpachters, en de saneerder; b. b. de kadastrale gegevens met betrekking tot de saneringslocatie; c. c. de toegepaste categorie van uniforme saneringen; d. d. de toegepaste saneringsaanpak of -aanpakken; e. e. een revisietekening waarop is aangegeven:

        1°.
        de gerealiseerde oppervlakte van de saneringslocatie;
      
      
        2°.
        de gerealiseerde saneringswerkzaamheden, inclusief dwarsdoorsnede; en
      
      
        3°.
        de plaats en de soort voorzieningen;
      
      
        4e.
        de voorzieningen, inclusief hun beschrijving, bedoeld in artikel 3.2.8;

1°. 1°. de gerealiseerde oppervlakte van de saneringslocatie; 2°. 2°. de gerealiseerde saneringswerkzaamheden, inclusief dwarsdoorsnede; en 3°. 3°. de plaats en de soort voorzieningen; 4e. 4e. de voorzieningen, inclusief hun beschrijving, bedoeld in artikel 3.2.8; f. f. een overzicht van het totale grondverzet op de saneringslocatie; g. g. de hoeveelheid, kwaliteit en de feitelijke afvoerbestemming van bij de sanering vrijgekomen verontreinigde grond; h. h. de hoeveelheid en kwaliteit van de aangevoerde grond; i. i. de dikte, aard, constructie en kwaliteit van de aangebrachte isolatielaag; j. j. de gerealiseerde terugsaneerwaarden voor grond en grondwater; k. k. voor grondwateronttrekkingen een beschrijving van de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden, de debieten, de onttrokken hoeveelheden, gehalten aan verontreinigingen, de eventuele (voor)zuivering en lozingswijze; en l. l. in geval van toepassing van de saneringsaanpak bedoeld in artikelen 3.1.3 of 3.1.4 een beschrijving van de eventuele beperkingen van het gebruik van de bodem als gevolg van het aanwezig zijn van de isolatielaag; en m. m. de overige gegevens en documenten, zoals aangegeven in de modellen die zijn opgenomen in bijlage 5.

2.

De gegevens met betrekking tot gerealiseerde aspecten bedoeld in het eerste lid, onder e tot en met k, worden achterwege gelaten in het verslag indien:

a. a. gesaneerd is volgens de saneringsaanpak verplaatsen van verontreinigde grond, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van het besluit; b. b. de uitkomende grond is teruggebracht in de ontgraving; en c. c. de kwaliteit van de terug te plaatsen grond niet verschilt met de kwaliteit van de aansluitende bodem.

3. Voor het verstrekken van de gegevens bij het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt per categorie uniforme saneringen gebruik gemaakt van een formulier waarvan de modellen zijn opgenomen in bijlage 5.

Artikel 4.3

De categorie tijdelijk uitplaatsen, bedoeld in artikel 1.2, onder c, wordt aangewezen als categorie van saneringen die geen instemming behoeft, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Besluit uniforme saneringen.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit uniforme saneringen in werking treedt. Indien de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst later is gelegen dan de tweede dag vóór genoemd tijdstip, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 5.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uniforme saneringen.

Bijlage 1. behorende bij de

Vervallen

Bijlage 2. , behorende bij

Vervallen

Bijlage 3. behorende bij de

Bijlage 4. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 5. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 6. behorende bij de