40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
89 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Wfsv | BWBR0019150 | ministeriele-regeling | geldend | 2015-09-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0019150 | Regeling Wfsv |
Regeling Wfsv
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– – AKW: de Algemene Kinderbijslagwet; – – ANW: de Algemene nabestaandenwet; – – AOW: Algemene Ouderdomswet; – – Wlz: De Wet langdurige zorg.
- IOW: de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen; – – TW: de Toeslagenwet; – – Wajong: de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; – – WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; – – Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; – – Wfsv: de Wet financiering sociale verzekeringen; – – WW: de Werkloosheidswet; – – Wet WIA: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; – – ZW: de Ziektewet.
Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
Artikel 2.1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Artikel 2.2
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt verstaan onder partner: degene, die partner is in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij het vierde lid, onderdeel b, van het laatstgenoemde artikel buiten toepassing blijft.
Artikel 2.3
Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot het premie-inkomen:
a. a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid; b. b. ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:
1°.
het gedeelte van het premie-inkomen dat onderworpen is aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
2°.
het gedeelte van het premie-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is,
3°.
het gedeelte van het premie-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid;
1°. 1°. het gedeelte van het premie-inkomen dat onderworpen is aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 2°. 2°. het gedeelte van het premie-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, 3°. 3°. het gedeelte van het premie-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid; c. c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdeel a, 13, tweede lid, onderdeel c, 13, derde lid, onderdeel a, 13, vierde lid, onderdeel c, 14, eerste lid, onderdeel a, 15, eerste lid, onderdelen a, b of c, subonderdeel 1°, of 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.
Artikel 2.4
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
Artikel 2.5
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 8, derde lid, van de Wfsv vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in die wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.
Artikel 2.6
Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin anders dan ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wfsv verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.
Artikel 2.6a
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wfsv, tijdsevenredig verminderd naar rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar.
Artikel 2.7
Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen, het heffingspercentage of de heffingskorting moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld; b. b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld; c. c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen; d. d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.
Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen
Afdeling 1. Vaststelling loon
Paragraaf 1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Artikel 3.1
Voor de toepassing van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Wfsv wordt een loontijdvak dat zich uitstrekt over twee kalenderjaren, geacht te behoren tot het kalenderjaar waarin het loon over dat loontijdvak wordt genoten.
Paragraaf 2. Berekening premieloon bij samenloop
Artikel 3.2
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a. arbeidsloon: loon uit een dienstbetrekking; b. b. uitkering: een uitkering krachtens de ZW, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, de WAO, de Wet WIA of de WW; c. c. aanvulling: arbeidsloon dat naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering en door de werkgever, op grond van een aan zijn werknemer toegekende aanspraak, over dezelfde periode als waarover de uitkering wordt verstrekt aan de werknemer wordt betaald.
Artikel 3.3
1. Indien een werknemer die van één of meerdere werkgevers arbeidsloon ontvangt, vervolgens in plaats van één of elk van die lonen uitkering en aanvulling ontvangt, wordt het totaalbedrag van die uitkering en aanvulling voor de toepassing van artikel 17 van de Wfsv geacht bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv worden geheven de aanvulling buiten aanmerking voorzover de aanvulling en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.4
Indien een werknemer van twee of meer werkgevers arbeidsloon ontvangt en vervolgens in plaats van één van die lonen een uitkering op grond van de ZW of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg ontvangt en in plaats van het overige loon of één of meer van de overige lonen een uitkering ontvangt, worden deze uitkeringen, in afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Wfsv geacht niet bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
Paragraaf 3. Berekening premies werknemersverzekeringen
Artikel 3.4a
Indien voor de werknemer gedurende een loontijdvak verschillende premiepercentages gelden, wordt het op grond van artikel 17, derde lid, van de Wfsv berekende verschil naar evenredigheid van de lonen waarvoor die verschillende premiepercentages gelden, aan die lonen toegerekend.
Afdeling 1a. Berekening herziening AWf-premie in verband met meer dan 30% extra verloonde uren
Artikel 3.4b
1. Bij de berekening van het percentage, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Wfsv wordt het aantal verloonde uren in een kalenderjaar, bedoeld in dat onderdeel, berekend door de verloonde uren in alle aangiftetijdvakken van dat kalenderjaar uit alle dienstbetrekkingen tussen de betreffende werkgever en werknemer bij elkaar op te tellen.
2.
Bij de berekening van het aantal uren dat als omvang van de te verrichten arbeid is overeengekomen ten aanzien van de dienstbetrekking of dienstbetrekkingen tussen de betreffende werkgever en werknemer, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Wfsv wordt deze omvang:
a. a. per dienstbetrekking en per aangiftetijdvak berekend als afgeleide van het in de aangifte opgegeven aantal contracturen per week, waarbij het aantal contracturen per week:
1°.
bij een aangiftetijdvak van vier weken wordt vermenigvuldigd met 4;
2°.
bij een aangiftetijdvak van een maand wordt vermenigvuldigd met 13/3;
3°.
bij een aangiftetijdvak van een half jaar wordt vermenigvuldigd met 26;
4°.
bij een aangiftetijdvak van een jaar wordt vermenigvuldigd met 52;
1°. 1°. bij een aangiftetijdvak van vier weken wordt vermenigvuldigd met 4; 2°. 2°. bij een aangiftetijdvak van een maand wordt vermenigvuldigd met 13/3; 3°. 3°. bij een aangiftetijdvak van een half jaar wordt vermenigvuldigd met 26; 4°. 4°. bij een aangiftetijdvak van een jaar wordt vermenigvuldigd met 52; b. b. zoals ingevolge onderdeel a berekend rekenkundig afgerond op 2 decimalen; en c. c. uit alle aangiftetijdvakken in een kalenderjaar en alle dienstbetrekkingen tussen de betreffende werkgever en werknemer bij elkaar opgeteld om de overeengekomen arbeidsomvang per kalenderjaar te berekenen.
3. In het geval waarin de dienstbetrekking niet het gehele aangiftetijdvak heeft geduurd, wordt in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, het in de loonaangifte opgegeven aantal contracturen per week vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen dat de dienstbetrekking in dat aangiftetijdvak heeft geduurd en vervolgens gedeeld door 7. De overeengekomen omvang van de te verrichten arbeid per aangiftetijdvak wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen.
4. Bij de bepaling van het aantal contracturen per week ingevolge het tweede lid wordt gedurende het gehele aangiftetijdvak uitgegaan van het aantal contracturen per week dat van toepassing is op de laatste dag van het aangiftetijdvak of, indien de dienstbetrekking gedurende het aangiftetijdvak is geëindigd, op de laatste dag van de dienstbetrekking.
5. Het percentage, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Wfsv wordt naar beneden afgerond op een heel percentage.
6. Het gemiddelde aantal uren dat is overeengekomen in arbeidsovereenkomsten die voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van het lage premiepercentage, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit Wfsv, wordt berekend door de totale omvang van de te verrichten arbeid op jaarbasis te delen door de duur van de dienstbetrekking of dienstbetrekkingen waarop het lage premiepercentage van toepassing is, uitgedrukt in weken. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing. Dit getal wordt naar boven afgerond op hele uren.
7. Voor het bepalen van de duur van de dienstbetrekking of dienstbetrekkingen, uitgedrukt in weken als bedoeld in het zesde lid, wordt het aantal kalenderdagen dat er tussen de werkgever en werknemer een of meer dienstbetrekkingen hebben bestaan waarop het lage premiepercentage van toepassing is, gedeeld door 7. Dit getal wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen.
Afdeling 2. Bijzondere bepalingen inzake de premievaststelling voor de Werkhervattingskas
Artikel 3.5
Vervallen
Artikel 3.5a
Vervallen
Artikel 3.6
Vervallen
Artikel 3.7
Vervallen
Artikel 3.8
Vervallen
Artikel 3.9
Voor de sector uitzendbedrijven wordt voor de premiecomponent voor de ZW-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 2.6, vierde of vijfde lid, van het Besluit Wfsv een maximum vastgesteld, dat 1,75 maal het voor die lasten in die sector met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde percentage bedraagt.
Artikel 3.10
Vervallen
Artikel 3.11
Vervallen
Artikel 3.12
Vervallen
Artikel 3.13
Vervallen
Artikel 3.13a
Vervallen
Artikel 3.14
De sectorale premiecomponenten voor de ZW-lasten en de WGA-lasten van de sectorale premiepercentages, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van het Besluit Wfsv, zijn voor de sectoren 57 en 60, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, gelijk aan het gewogen gemiddelde van deze premiecomponenten van de sectorale premiepercentages voor de sectoren 57 en 60.
Artikel 3.14a
Vervallen
Afdeling 3. Eigenrisicodragen
Artikel 3.15
Als overheidswerkgever als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Wfsv worden aangewezen:
a. a. de Koning, ten aanzien van door hem in dienst genomen overheidswerknemers die bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam zijn en uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau vallen; b. b. het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen; c. c. rechtspersonen, anders dan bedoeld in onderdeel b, die:
1°
bij of krachtens de wet zijn ingesteld, en
2°
overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de rechtspersoon bezoldigen of belonen.
1° 1° bij of krachtens de wet zijn ingesteld, en 2° 2° overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de rechtspersoon bezoldigen of belonen.
Artikel 3.15a
Voor de garantie, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wfsv, wordt het model gehanteerd dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
Afdeling 4. Verhaal op werknemer
Artikel 3.16
In deze afdeling wordt verstaan onder eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40 van de Wfsv toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.17
1. Voor de eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, een verzekering heeft gesloten, bedragen de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op de werknemer in aanmerking komen de door hem verschuldigde premie, voor zover die premie betrekking heeft op verzekering van dat risico.
2. Voor de werkgever die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, geen verzekering heeft gesloten worden de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op een werknemer in aanmerking komen, vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemer.
3. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald door de verwachte WGA-totaallasten, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld of de WGA-totaallasten in het voorgaande kalenderjaar te delen door het totaal van het premieplichtig loon dat in dat kalenderjaar ten laste komt of in voorgaande kalenderjaar is gekomen van de eigenrisicodrager. Dit percentage bedraagt ten hoogste 1,5 maal de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 2.6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit Wfsv, waarbij de premiecomponent ZW-lasten niet in aanmerking wordt genomen, die ten hoogste op de werkgever van toepassing zou zijn indien hij geen eigenrisicodrager zou zijn.
4. Indien na afloop van het kalenderjaar blijkt, dat de te verwachten bedragen in een kalenderjaar afwijken van de gerealiseerde bedragen, kan indien dit zou leiden tot een ander bedrag van de kosten voor het verhaal, het bedrag van het verhaal in het kalenderjaar volgend op dat kalenderjaar worden herzien tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.18
De werkgever kan de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde premie Werkhervattingskas die betrekking heeft op de premiecomponent WGA-lasten, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit Wfsv, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.
Afdeling 5. Bonussen in de vorm van premiekortingen
Artikel 3.19
Vervallen
Artikel 3.19a
Vervallen
Artikel 3.20
Vervallen
Artikel 3.21
Vervallen
Artikel 3.22
Vervallen
Artikel 3.23
Vervallen
Artikel 3.24
Vervallen
Artikel 3.24a
Vervallen
Artikel 3.25
Vervallen
Afdeling 6. Premiekorting jongere werknemer
Artikel 3.26
Vervallen
Artikel 3.27
Vervallen
Artikel 3.28
Vervallen
Artikel 3.29
Vervallen
Hoofdstuk 3a. Monitoring arbeidsbeperkten en quotumheffing
Artikel 3.30
De werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking of op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 78d, eerste lid, van de Participatiewet wordt mede beschouwd als een arbeidsbeperkte.
Artikel 3.31
1. Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a van de Wfsv en artikel 122n van de Wfsv worden overheidswerkgevers gerekend tot de sector overheid, en werkgevers, met uitzondering van overheidswerkgevers, tot de sector niet-overheid.
2. In afwijking van het eerste lid wordt een overheidswerkgever die tevens premieplichtig is ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aangemerkt als werkgever die behoort tot de sector niet-overheid indien van het totaal aantal verloonde uren ten minste de helft is onderworpen aan de premieplicht ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
3. De indeling van overheidswerkgevers en werkgevers overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt bepaald op basis van het laatste aangiftetijdvak in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g van de Wfsv, wordt vastgesteld en geldt gedurende dat laatste kalenderjaar.
Artikel 3.32
Voor de toepassing van artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt het gemiddeld aantal verloonde uren van een werkzame arbeidsbeperkte op jaarbasis bepaald op 1.331 uren.
Artikel 3.33
1.
Het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten als bedoeld in de artikelen 38b, eerste lid, van de Wfsv en artikel 3.30, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december 2012, bedraagt voor:
a. a. de overheidssector: 1.176.671 uren; b. b. de niet-overheidssector: 7.162.200 uren.
2.
Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de overheidsector in:
1°. 1°. 2015: 332.760 uren; 2°. 2°. 2016: 720.980 uren; 3°. 3°. 2017: 1.109.200 uren; 4°. 4°. 2018: 1.386.500 uren; 5°. 5°. 2019: 1.663.800 uren; 6°. 6°. 2020: 1.941.100 uren; 7°. 7°. 2021: 2.218.400 uren; 8°. 8°. 2022: 2.495.700 uren; 9°. 9°. 2023 en verder: 2.773.000 uren.
3.
Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
1°. 1°. 2015: 665.520 uren; 2°. 2°. 2016: 1.552.880 uren; 3°. 3°. 2017: 2.551.160 uren; 4°. 4°. 2018: 3.438.520 uren; 5°. 5°. 2019: 4.436.800 uren; 6°. 6°. 2020: 5.546.000 uren; 7°. 7°. 2021: 6.655.200 uren; 8°. 8°. 2022: 7.764.400 uren; 9°. 9°. 2023: 8.873.600 uren; 10°. 10°. 2024: 9.982.800 uren. 11°. 11°. 2025 en verder: 11.092.000 uren.
Artikel 3.34
1. Voor de toepassing van artikel 122n, tweede lid, van de Wfsv wordt als arbeidsbeperkte beschouwd de arbeidsbeperkte werknemer die aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking is gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten.
2. Het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, wordt voor 2013 verminderd met het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, van de ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, door werkgevers in de overheidssector aan werkgevers in de niet-overheidssector onderscheidenlijk door werkgevers in de niet-overheidssector aan werkgevers in de overheidssector. De banen, uitgedrukt in verloonde uren, die in mindering zijn gebracht worden gerekend tot de niet-overheidssector onderscheidenlijk de overheidssector waartoe de werkgever behoort waaraan de arbeidsbeperkte ter beschikking is gesteld.
3. Het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt voor 2015 en voor de jaren daarna, bedoeld in deze leden, verminderd met het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, van de ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, door werkgevers in de overheidssector aan werkgevers in de niet-overheidssector onderscheidenlijk door werkgevers in de niet-overheidssector aan werkgevers in de overheidssector. Het tweede lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. De toepassing van het tweede lid, tweede zin, vindt plaats op grond van een verdeelsleutel die bij de jaarlijkse meting van het aantal banen, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt geactualiseerd.
Artikel 3.35
Voor de berekening van de quotumpercentages, bedoeld in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, wordt voor de toepassing van de variabelen van de formule, bedoeld in dat lid, het volgende in acht genomen:
a. a. voor variabele A:
1°.
onder een baan wordt verstaan het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen overeenkomstig variabele C als bedoeld in onderdeel c;
2°.
het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten werkzaam bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, van de Wfsv een quotumheffing zijn verschuldigd, gemeten over de maand december 2012 bedraagt op grond van artikel 3.33, eerste lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.34, eerste en tweede lid, voor de overheidssector 13.504 banen en voor de niet-overheidssector 35.927 banen.
1°. 1°. onder een baan wordt verstaan het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen overeenkomstig variabele C als bedoeld in onderdeel c; 2°. 2°. het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten werkzaam bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, van de Wfsv een quotumheffing zijn verschuldigd, gemeten over de maand december 2012 bedraagt op grond van artikel 3.33, eerste lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.34, eerste en tweede lid, voor de overheidssector 13.504 banen en voor de niet-overheidssector 35.927 banen. b. b. voor variabele B:
1°.
het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de overheidsector in:
1°.
2017: 8.750;
2°.
2018: 11.250;
3°.
2019: 13.750;
4°.
2020: 16.250;
5°.
2021: 18.750;
6°.
2022: 21.250;
7°.
2023: 23.750.
8°.
2024 en verder: 25.000
2°.
het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
1°.
2017: 19.500;
2°.
2018: 27.000;
3°.
2019: 35.500;
4°.
2020: 45.000;
5°.
2021: 55.000;
6°.
2022: 65.000;
7°.
2023: 75.000;
8°.
2024: 85.000;
9°.
2025: 95.000;
10°.
2026 en verder: 100.000.
1°. 1°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de overheidsector in:
1°.
2017: 8.750;
2°.
2018: 11.250;
3°.
2019: 13.750;
4°.
2020: 16.250;
5°.
2021: 18.750;
6°.
2022: 21.250;
7°.
2023: 23.750.
8°.
2024 en verder: 25.000
1°. 1°. 2017: 8.750; 2°. 2°. 2018: 11.250; 3°. 3°. 2019: 13.750; 4°. 4°. 2020: 16.250; 5°. 5°. 2021: 18.750; 6°. 6°. 2022: 21.250; 7°. 7°. 2023: 23.750. 8°. 8°. 2024 en verder: 25.000 2°. 2°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
1°.
2017: 19.500;
2°.
2018: 27.000;
3°.
2019: 35.500;
4°.
2020: 45.000;
5°.
2021: 55.000;
6°.
2022: 65.000;
7°.
2023: 75.000;
8°.
2024: 85.000;
9°.
2025: 95.000;
10°.
2026 en verder: 100.000.
1°. 1°. 2017: 19.500; 2°. 2°. 2018: 27.000; 3°. 3°. 2019: 35.500; 4°. 4°. 2020: 45.000; 5°. 5°. 2021: 55.000; 6°. 6°. 2022: 65.000; 7°. 7°. 2023: 75.000; 8°. 8°. 2024: 85.000; 9°. 9°. 2025: 95.000; 10°. 10°. 2026 en verder: 100.000. c. c. voor variabele C: het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.331 uren per jaar. d. d. voor variabele D: het totaal aantal banen bij werkgevers in de sector overheid die op grond van artikel 34, derde en vierde lid, van de Wfsv quotumheffing zijn verschuldigd, bedraagt voor het kalenderjaar: 2018: 1.073.426,07; 2019: 1.074.355,16; 2020: 1.087.495,31; 2021: 1.084.046,22; 2022: 1.116.687,84; 2023: 1.173.363,61; 2024: 1.208.742,31; 2025: 1.247.135,49; 2026: 1.291.070,60. e. e. voor variabele E: het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.623 uren per jaar. f. f. voor variabele H: het aantal gerealiseerde extra banen voor arbeidsbeperkten bij werkgevers als bedoeld in artikel 34, vierde en zesde lid, van de Wfsv in de sector overheid bedraagt in:
2020: –284,10;
2021: – 283,25;
2022: –285,41;
2023: –283,60;
2024: – 256,99;
2025: – 266,00;
2026: – 253,07.
- 2020: –284,10;
- 2021: – 283,25;
- 2022: –285,41;
- 2023: –283,60;
- 2024: – 256,99;
- 2025: – 266,00;
- 2026: – 253,07.
Artikel 3.36
De quotumheffing, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a, van de Wfsv, wordt uitgevoerd voor de sector overheid, bedoeld in artikel 38c van de Wfsv, met betrekking tot quotumtekorten als bedoeld in artikel 38g van de Wfsv over de jaren vanaf 2018.
Artikel 3.37
1. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2018: 1,93 procent.
2. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het eerste lid, hebben geleid, zijn als volgt:
3. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2019: 2,14 procent.
4. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het derde lid, hebben geleid, zijn als volgt:
5. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2020: 2,35 procent.
6. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het vijfde lid, hebben geleid, zijn als volgt:
7. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2021: 2,56 procent.
8. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het zevende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
9. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2022: 2,69 procent.
10. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het negende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
11. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2023: 2,76 procent.
12. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het negende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
13. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2024: 2,76 procent.
14.
De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het dertiende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
| Quotumpercentage = | (A + B – H) * C + F * G | * 100% |
|---|---|---|
| D * E |
| 2,76% = | (13.504 + 25.000 – 256,99) * 1.331 + 1.922 * 1.331 | * 100% |
|---|---|---|
| 1.208.742,31 * 1.623 |
15. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2025: 2,68 procent.
16. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het vijftiende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
17. Het quotumpercentage, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv bedraagt voor de sector overheid voor het kalenderjaar 2026: 2,58 procent.
18. De berekeningen overeenkomstig de formule in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, die tot het quotumpercentage, bedoeld in het zeventiende lid, hebben geleid, zijn als volgt:
Hoofdstuk 4. Gemoedsbezwaarden
Artikel 4.1
1. De persoon, die gemoedsbezwaren heeft tegen één van de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, of alle werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, alsmede de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de SVB worden ontheven van verplichtingen hem bij de Wfsv, of bij één van deze volksverzekeringen of werknemersverzekeringen opgelegd.
2. In afwijking van het eerste lid kan geen ontheffing worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 54 van de AWBZ, de artikelen 13 en 49 van de ZW, de artikelen 12 en 80 van de WAO, de artikelen 27 en 33 van de Wet WIA en de artikelen 13 en 25 van de WW.
Artikel 4.2
1. Het verzoek geschiedt door indiening bij de SVB van een door de verzoeker ondertekende verklaring, waarvan het model door de SVB wordt vastgesteld.
2. Deze verklaring houdt tenminste in, dat degene, die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd.
3. Voorzover de volksverzekeringen in het geding zijn, blijkt uit de verklaring tevens, of degene, die haar indient, de in deze wetten geregelde voorzieningen al dan niet als verzekeringen beschouwt.
4. Uit een door een werkgever bij de SVB ingediende verklaring blijkt of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
Artikel 4.3
1. Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend bij de SVB door het op grond van een wettelijk voorschrift of statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
2. Onverminderd artikel 4.2 houdt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan, dat op grond van een wettelijk voorschrift of de statuten bevoegd is te besluiten de ontheffing aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
3.
Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
a. a. een afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende ontheffing, bedoeld in artikel 4.1; b. b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en c. c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de ontheffing is genomen.
Artikel 4.4
De SVB verleent de ontheffing, indien de verklaring naar haar mening overeenkomstig de waarheid is. Aan een werkgever, die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen, kan op die grond een ontheffing van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.
Artikel 4.5
Voorzover volksverzekeringen in het geding zijn, wordt, indien de verzoeker heeft verklaard, dat hij de in één of meer van de genoemde wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering beschouwt, geen ontheffing verleend van de in die wet of wetten opgelegde verplichtingen.
Artikel 4.6
Van de verleende ontheffing wordt door de SVB aan de verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt vastgesteld door de SVB.
Artikel 4.7
Degene, die is ontheven van zijn verplichtingen als werkgever, is verplicht te zorgen, dat het hem uitgereikte bewijs van ontheffing of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, die vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennisgenomen.
Artikel 4.8
1. Indien degene aan wie ontheffing is verleend aan de loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de hem verleende ontheffing mededeling te doen aan degene, die de inhouding verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het uitgereikte bewijs van ontheffing.
2. Voor de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting ten opzichte van diens werkgever.
Artikel 4.9
1.
Een ontheffing wordt door de SVB ingetrokken:
a. a. op verzoek van degene, aan wie de ontheffing is verleend; b. b. indien naar het oordeel van de SVB de gemoedsbezwaren, op grond waarvan de ontheffing is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
2. De ontheffing kan worden ingetrokken, indien verplichtingen, die nog op de degene aan wie ontheffing is verleend rusten ingevolge de in artikel 4.1 genoemde wetten, of die hem bij deze regeling zijn opgelegd, niet door hem worden nageleefd.
3. De SVB kan bij de intrekking tevens bepalen, dat een verzoek om ontheffing gedaan binnen twee jaren na de dagtekening van de intrekking, enkel op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4. Degene, wiens ontheffing is ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na de dagtekening van de desbetreffende kennisgeving, het bewijs van ontheffing terug te geven aan de SVB.
5. Indien degene, wiens ontheffing is ingetrokken, aan de loonbelasting is onderworpen, doet de SVB van de intrekking mededeling aan degene, die de inhouding verricht.
6. Ten aanzien van de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, wordt eenzelfde mededeling als bedoeld in het vorige lid gedaan aan diens werkgever.
7. Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde vervalt de ontheffing, die is verleend aan een rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de datum van ingang van de ontheffing. Met ingang van de datum, waarop een ontheffing is vervallen, kan een nieuwe ontheffing worden verleend.
Artikel 4.10
Vervallen
Hoofdstuk 5. De fondsen
Afdeling 1. Werknemersverzekeringen
Paragraaf 1. Indeling in sectoren
Artikel 5.1
Het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in de volgende genummerde sectoren, bedoeld in artikel 95, van de Wfsv:
-
- Agrarisch bedrijf
-
- Tabakverwerkende industrie
-
- Bouwbedrijf
-
- Baggerbedrijf
-
- Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie
-
- Timmerindustrie
-
- Meubel- en orgelbouwindustrie
-
- Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie
-
- Grafische industrie
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Artikel 5.2
Tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven worden gerekend de werkzaamheden, verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, welke in de bij deze regeling behorende bijlage 1 zijn vermeld. Werkzaamheden die een overheidswerkgever als werkgever doet verrichten, worden gerekend tot een van de sectoren 61 tot en met 66.
Artikel 5.3
Werkzaamheden, verricht in takken van bedrijf en beroep, welke niet in bijlage 1 bij deze regeling zijn vermeld, worden geacht te behoren tot een sector van het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe takken van bedrijf en beroep behoren, waarin werkzaamheden worden verricht, welke naar de aard het meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen.
Artikel 5.4
1. De inspecteur kan op aanvraag van twee of meer werkgevers, wier bedrijven of instellingen in juridisch opzicht zelfstandig zijn, doch tot een economische of organisatorische eenheid behoren bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Deze werkgevers worden aangesloten in de sector waaronder de werkzaamheden ressorteren voor welke door de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan premieplichtig loon wordt betaald of vermoedelijk zal worden betaald, tenzij de inspecteur in verband met de maatschappelijke functie van het geheel van deze bedrijven of instellingen anders beslist.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de inspecteur op verzoek van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de werkgever vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum is aangesloten bij de sector waaronder de werkzaamheden van die werkgever ressorteren.
3. De inspecteur kan op aanvraag van werkgevers, wier bedrijven of instellingen dermate sterk verbonden zijn met een bepaalde tak van bedrijf of beroep dat deze bedrijven of instellingen geacht kunnen worden nevenbedrijven of neveninstellingen te zijn van deze tak van bedrijf of beroep bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze bedrijven of instellingen aangesloten worden bij de sector waaronder de bedoelde tak van bedrijf of beroep ressorteert.
4. De inspecteur kan, ambtshalve of op verzoek van een of meer werkgevers, bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de aansluiting van een of meer werkgevers bij een sector wordt gewijzigd of ingetrokken vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum.
5. Een aanvraag als bedoeld in het eerste of derde lid wordt niet in behandeling genomen indien deze is ingediend op of na 29 juni 2018, 17.00 uur.
Artikel 5.5
1. De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft bedragen onderscheidenlijk 1200, 2000 of 3000.
2. De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft bedragen dan onderscheidenlijk 1200, 800 of 400.
3. In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.
Artikel 5.6
1. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sectoren Metaalindustrie, Elektrotechnische industrie en Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar, respectievelijk ten minste 30, 50, 100 of 150 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken.
2. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Metaalindustrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaalindustrie doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaalindustrie.
3. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Elektrotechnische industrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Elektrotechnische industrie, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Elektrotechnische industrie.
4. In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.
Artikel 5.7
1. Een werkgever als bedoeld in artikel 5.6 of de ondernemingsraad die aan de onderneming van die werkgever is verbonden, kan aan de inspecteur verzoeken te beslissen dat die werkgever is aangesloten bij die sector waarbij hij op grond van artikel 5.5 en zonder het bepaalde in artikel 5.6 zou zijn aangesloten.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt ingewilligd indien tussen de werkgever en de aan zijn onderneming verbonden ondernemingsraad daarover overeenstemming bestaat.
3. Indien geen ondernemingsraad is verbonden aan de onderneming van de in het eerste lid bedoelde werkgever, treden de gezamenlijke werknemers in alle rechten van een ondernemingsraad wat betreft het in het eerste en tweede lid gestelde, met dien verstande dat als oordeel van de gezamenlijke werknemers geldt de met meerderheid van stemmen door hen ter zake uitgesproken mening.
Artikel 5.8
Vervallen
Artikel 5.8a
1. Een werkgever, aangesloten bij sector 17, Detailhandel en ambachten is aangesloten bij sector 19, Grootwinkelbedrijf, indien het loon dat hij betaalt gedurende drie jaren tenminste het bedrag is, dat genoemd wordt in de bijlage bij deze regeling bij de sector Grootwinkelbedrijf.
2. Een werkgever, aangesloten bij sector 19, Grootwinkelbedrijf, is aangesloten bij sector 17, Detailhandel en ambachten, indien het loon dat hij betaalt gedurende drie jaren lager is dan het bedrag, dat genoemd wordt in de bijlage bij deze regeling bij de sector Grootwinkelbedrijf.
Paragraaf 2. Vergoeding remigratiebijdragen
Artikel 5.9
Vervallen
Artikel 5.10
Vervallen
Artikel 5.11
Vervallen
Paragraaf 3. Reserve-vorming
Artikel 5.12
Vervallen
Artikel 5.13
Vervallen
Artikel 5.14
Vervallen
Afdeling 2. Rekening-courant
Artikel 5.15
In deze afdeling en afdeling 3 wordt verstaan onder:
a. a. een rekening-courant: een rekening in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist bij het ministerie van Financiën op naam van een rekening-couranthouder, waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de mutaties in het tegoed; b. b. de rekening-couranthouder: de SVB, het UWV of het Zorginstituut, ieder voorzover het hem aangaat; c. c. het verdeelpercentage: het percentage waarmee de totale opbrengst van de loonheffing (de gecombineerde heffing van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) en de premie voor de werknemersverzekeringen wordt verdeeld in een opbrengst van de loonheffing en in een opbrengst van de diverse premies voor de werknemersverzekeringen; d. d. het toedelingspercentage: het percentage waarmee de opbrengst van de loonheffing respectievelijk de inkomensheffing (de gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen) wordt verdeeld in belastingopbrengst en opbrengst van de premie voor de volksverzekeringen; e. e. de valutadatum: de dag waarop het bedrag van een boeking rentedragend wordt.
Artikel 5.16
In de centrale administratie van 's Rijks schatkist worden de volgende rekeningen-courant geopend:
a. a. één of meer rekeningen-courant op naam van de SVB ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die de SVB beheert; b. b. één of meer rekeningen-courant op naam van het UWV ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die het UWV beheert; c. c. één of meer rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.
Artikel 5.17
1.
Ten gunste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:
a. a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen; b. b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst geïnde premies aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen; c. c. de creditrente, bedoeld in artikel 5.18, eerste lid; d. d. de bijschrijvingen op het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
2.
Ten laste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:
a. a. de afdrachten door de rekening-couranthouders ten gunste van het tegoed van ’s Rijks schatkist of ten gunste van het tegoed dat een derde bij ’s Rijks schatkist in rekening-courant aanhoudt; b. b. de eventuele terugbetalingen aan de rijksbelastingdienst samenhangende met de afdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. c. de debetrente, bedoeld in artikel 5.18, tweede lid; d. d. de afschrijvingen van het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
3. De Minister van Financiën sluit met de SVB en het UWV overeenkomsten ter uitwerking van het gebruik van de rekeningen-courant.
4. In een overeenkomst als bedoeld in het derde lid worden afspraken vastgelegd over de wederzijdse informatievoorziening tussen enerzijds de Minister van Financiën en anderzijds respectievelijk de SVB en het UWV.
5. De boekingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de Minister van Financiën van valutadata voorzien, zodanig dat deze data overeenkomen met de gemiddelde data waarop de premies door de rijksbelastingdienst worden geïnd.
6. De artikelen 4.3 en 4.4 van de Regeling zorgverzekering zijn van overeenkomstige toepassing op de rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.
Artikel 5.18
1. Over de dagelijkse creditsaldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de Minister van Financiën een rente vergoed overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen.
2. Over de dagelijkse debetsaldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de rekening-couranthouders een rente betaald overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, van de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen.
3. De Staat verrekent de verschuldigde creditrente met verschuldigde debetrente. Deze rente die verschuldigd is, wordt verrekend op de rekening-courant per de eerste kalenderdag na afloop van het jaar waarop de credit- respectievelijk debetrente betrekking heeft. Daartoe stelt de Minister van Financiën een rentenota op.
Artikel 5.19
De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste € 2,5 miljoen buiten de rekening-courant te houden.
Artikel 5.20
1. De totale opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting en de premies voor de sociale verzekeringen alsmede de daarop betrekking hebbende naheffingsaanslagen, belasting- en invorderingsrente en boeteontvangsten worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld verdeelpercentage per belasting/premiejaar.
2. Het verdeelpercentage wordt maandelijks per belasting/premiejaar door de Minister van Financiën vastgesteld op basis van de over het belasting/premiejaar ontvangen loonaangiften en opgelegde naheffingen.
3. Alle ontvangen gelden over het belasting/premiejaar worden verdeeld op basis van het verdeelpercentage, bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten opzichte van de vorige periode vormt het af te dragen bedrag.
4. In het tweede jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het verdeelpercentage voor het betreffende belasting/premiejaar definitief vastgesteld. Dit percentage wordt gehanteerd voor de definitieve verdeling van de ontvangen gelden over het betreffende belasting/premiejaar voor alle betalingen die daarna worden geïnd.
5. In geval van bijzondere omstandigheden kan de Minister van Financiën, op verzoek van de rijksbelastingdienst, besluiten om de termijn, bedoeld in het vierde lid, te verlengen.
Artikel 5.21
1. De opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen worden uitgesplitst volgens een voor de loonheffing en voor de inkomensheffing afzonderlijk vastgesteld toedelingspercentage.
2. Voorafgaand aan het belasting/premiejaar worden in overleg tussen de beheerders van de fondsen voor de volksverzekeringen en de Minister van Financiën voorlopige toedelingspercentages vastgesteld. De toedelingspercentages worden gebaseerd op de transactieramingen voor het desbetreffende belasting/premiejaar.
3. In het tweede jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de loonheffing definitief vastgesteld. In het vierde kalenderjaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de inkomensheffing definitief vastgesteld. De definitieve vaststelling vindt plaats op basis van de gerealiseerde belastingheffing en leidt tot een correctie van de reeds afgedragen premie-opbrengsten aan de fondsen met de belastingopbrengsten.
4. De opbrengsten van de loonheffing en de inkomensheffing die door de rijksbelastingdienst worden geïnd nadat het toedelingspercentage definitief is vastgesteld, worden uitgesplitst op basis van het definitief vastgestelde toedelingspercentage.
5. De correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de Minister van Financiën met de beheerder van dat fonds afgerekend.
6. In geval van bijzondere omstandigheden kan de Minister van Financiën, op verzoek van de rijksbelastingdienst, besluiten om de termijn, bedoeld in het derde lid, te verlengen.
Artikel 5.21a
1. De belasting- en invorderingsrente en boeteontvangsten die betrekking hebben op de opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, worden uitgesplitst volgens een voor de loonheffing en voor de inkomensheffing gezamenlijk vastgesteld toedelingspercentage.
2. Het toedelingspercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in overleg tussen de beheerders van de fondsen voor de volksverzekeringen en de Minister van Financiën voorafgaand aan het belasting/premiejaar vastgesteld en wordt gebaseerd op de transactieramingen voor het desbetreffende belasting/premiejaar.
Artikel 5.22
1. De rijksbelastingdienst rapporteert uiterlijk de tiende werkdag na afloop van de maand over de opbrengsten, bedoeld in de artikelen 5.20 en 5.21 aan de Minister van Financiën en de SVB, het UWV en het Zorginstituut.
2. In afwijking van het eerste lid vindt de rapportage over de laatste maand van het kalenderjaar uiterlijk de vijftiende werkdag na afloop van het kalenderjaar plaats.
Afdeling 3. Regels afdracht aan algemeen kinderbijslagfonds, toeslagenfonds, Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten en arbeidsongeschiktheidsfonds
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 5.23
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. a. Algemeen Kinderbijslagfonds: het Algemeen Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a van de AKW; b. b. lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de op grond van de AKW uit te keren kinderbijslagen, alsmede de aan de uitvoering van de AKW verbonden kosten; c. c. overige baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de baten verkregen met toepassing van artikel 17a van de AKW, de baten verkregen met toepassing van artikel 17 van de AKW en de baten en lasten verkregen door interesten en diversen; d. d. Wajong-fonds: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd in artikel 5:1 van de Wajong; e. e. Toeslagenfonds: het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van de Toeslagenwet; f. f. overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten, baten op grond van artikel 4:2 van de Wajong, en de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 2:54 of 3:46 van de Wajong; g. g. valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling; h. h. overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten en de baten verkregen met toepassing van artikel 14a van de TW.
Paragraaf 2. Algemeen Kinderbijslagfonds
Artikel 5.24
1. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2. De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar het aantal kinderbijslaggerechtigden en het aantal kinderen naar leeftijdsklassen en naar rangorde uitgesplitst naar toepassing van artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet.
Artikel 5.24a
Vervallen
Artikel 5.25
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, van:
a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.26
Vervallen
Artikel 5.27
Vervallen
Artikel 5.28
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten.
2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.29
Vervallen
Paragraaf 3. Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
Artikel 5.29a
1. Deze paragraaf heeft betrekking op de middelen voor het Toeslagenfonds en het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, waarin voorzien wordt door rijksbijdragen.
2. De middelen voor Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten dienen ter dekking van lasten die op grond van enige wettelijk voorschrift ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen.
3.
De middelen voor het Toeslagenfonds dienen ter dekking van lasten van het UWV voor:
a. a. toeslagen op grond van de TW; b. b. tegemoetkomingen op grond van de artikelen 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat luidde op 31 december 2013, 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en 3:75 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; c. c. uitkeringen op grond van de IOW.
Artikel 5.29b
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a.
*toeslagen:* toeslagen op grond van de TW, inclusief de op grond van enige wet over de toeslagen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze toeslagen in mindering kunnen worden gebracht en de door het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet;
b. b.
*uitkeringen:* uitkeringen op grond van de IOW en de Wajong, inclusief de op grond van enige wet over de uitkeringen door het UWV verschuldigde premies, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, de door het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en de tegemoetkomingen op grond van de artikelen 2:52 en 3:10 van de Wajong;
c. c.
*tegemoetkomingen:* tegemoetkomingen op grond van de artikelen 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat luidde op 31 december 2013, 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en 3:75 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
d. d.
*overige baten en lasten:* de overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds en de overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds.
Artikel 5.30
1. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten, tegemoetkomingen en toeslagen per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2. De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.
Artikel 5.30a
Vervallen
Artikel 5.31
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, van:
a. a. geraamde uitkeringslasten, toeslagen en tegemoetkomingen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.32
Vervallen
Artikel 5.33
Vervallen
Artikel 5.34
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, met betrekking tot hetToeslagenfonds en het Wajong-fonds opgenomen, waarbij de gegevens met betrekking tot het Toeslagenfonds tevens worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.
2. De overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds kunnen in de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, worden toegerekend aan respectievelijk de Toeslagenwet en de Wajong.
3. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.35
Vervallen
Paragraaf 4. Arbeidsongeschiktheidsfonds
Artikel 5.36
1. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Arbeidsongeschiktheidsfonds, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en artikel 3.30 van de Wet arbeid en zorg, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2. In deze paragraaf wordt onder uitkeringen verstaan de uitkeringslasten inclusief de door het UWV over die uitkeringen verschuldigde premies en vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.
Artikel 5.36a
Vervallen
Artikel 5.37
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, van:
a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.37a
Vervallen
Artikel 5.37b
Vervallen
Artikel 5.38
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.37, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot hetArbeidsongeschiktheidsfonds opgenomen.
2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.39
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks voor 31 oktober het bedrag vast dat over het afgelopen kalenderjaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 114, onderdeel f, van de Wet financiering sociale verzekeringen, ten gunste komt van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Afdeling 4. Regels voor afdracht Rijksbijdragen
Paragraaf 1. Rijksbijdrage uitvoeringskosten UWV
Artikel 5.40
1. De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, wordt verstrekt op de wijze, genoemd in de artikelen 5.40a tot en met 5.41b, en ter dekking van de in die artikelen genoemde uitvoeringskosten.
2. Voor zover in deze paragraaf is bepaald dat bepaalde uitvoeringskosten direct ten laste komen van de rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, komen deze uitvoeringskosten niet als uitgaven ten laste van de fondsen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.
3. Op de administratieve afhandeling van rijksbijdragen op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, verstrekt over kalenderjaren die zijn gelegen voor 1 januari 2020, zijn de artikelen 5.40 tot en met 5.41a van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2019.
Artikel 5.40a
1.
Onder basisdienstverlening wordt in dit artikel verstaan de door het UWV te verrichten taken op grond van:
a. a. de artikelen 30, 30a, 30b, 31 en 33 van de Wet SUWI, voor zover het betreft de instandhouding van de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet SUWI, de leerwerkloketten, de werkgeversservicepunten en de technische voorzieningen ten behoeve van de registratie van werkzoekenden en vacatures; b. b. het bepaalde bij of krachtens artikel 5 van de Wet arbeid vreemdelingen inzake het afgeven en intrekken van tewerkstellingsvergunningen en advisering inzake verlenen, verlengen of intrekken van een gecombineerde vergunning; c. c. het bepaalde bij of krachtens artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek inzake de behandeling van verzoeken om schriftelijke toestemming tot het opzeggen van een arbeidsovereenkomst.
2. Van de kosten voor de werkgeversservicepunten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt 30% toegerekend aan de kosten voor basisdienstverlening.
3. De rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI komt voor zover deze strekt tot vergoeding van de uitvoeringskosten van het UWV voor basisdienstverlening ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De uitvoeringskosten van het UWV voor basisdienstverlening komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
4. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde uitvoeringskosten voor basisdienstverlening. De eerste zin is niet van toepassing op de geraamde uitvoeringskosten voor basisdienstverlening voor het jaar 2020.
5. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv, een voorschot ter hoogte van 1/12e deel van het bedrag, bedoeld in het vierde lid, met als valutadag de vijftiende dag van elke kalendermaand.
6. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan na overleg met het UWV van het bedrag, bedoeld in het vierde lid, afwijken.
7. In afwijking van het vijfde lid wordt het maandelijkse voorschot van de rijksbijdrage basisdienstverlening voor het jaar 2020 gebaseerd op een totaalbedrag van € 78.927.000.
8. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet SUWI, neemt het UWV de gerealiseerde uitvoeringskosten en de ontvangen voorschotten op.
9. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.40b
1. Onder de hosting van CompetentNL wordt in dit artikel verstaan de door het UWV te verrichten taken op grond van artikel 3.15 van de Regeling SUWI.
2. De rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI komt voor zover deze strekt tot vergoeding van de uitvoeringskosten van het UWV voor Hosting CompetentNL ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De uitvoeringskosten van het UWV voor Hosting CompetentNL komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
3. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI, verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde uitvoeringskosten voor de hosting van CompetentNL. De eerste zin is niet van toepassing op de geraamde uitvoeringskosten voor de hosting van CompetentNL voor het jaar 2026.
4. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv, maandelijks een voorschot ter hoogte van 1/12^e deel van het bedrag, bedoeld in het derde lid, met als valutadag de vijftiende dag van elke kalendermaand.
5. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan na overleg met het UWV van het bedrag, bedoeld in het derde lid, afwijken.
6. In afwijking van het vierde lid wordt het maandelijkse voorschot van de rijksbijdrage hosting van CompetentNL voor het jaar 2026 gebaseerd op een totaalbedrag van € 780.000.
7. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet SUWI, neemt het UWV de gerealiseerde uitvoeringskosten en de ontvangen voorschotten op.
8. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.41
1. De kosten van het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel dat in het bijzonder is belast met het beheer van de elektronische voorzieningen, komen als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, direct ten laste van de rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv, een periodiek voorschot ter hoogte van 1/12^de deel van de in het eerste lid bedoelde kosten, met als valutadag de vijftiende dag van elke maand. De Minister kan na overleg met het UWV voor het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel van het in de eerste zin genoemde bedrag afwijken.
Artikel 5.41a
1. De uitvoeringskosten van het UWV voor de beoordelingen van de verdienmogelijkheid van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit SUWI, de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon medisch urenbeperkt is als bedoeld in artikel 6b, vierde lid, van de Participatiewet en de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie, bedoeld in artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet komen als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, komt, voor zover deze strekt tot vergoeding van de uitvoeringskosten van het UWV, bedoeld in de eerste zin, ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
2. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde uitvoeringskosten.
3. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv een voorschot ter hoogte van 1/12^e deel van het in het tweede lid bedoelde bedrag, met als valutadag de vijftiende dag van elke kalendermaand.
4. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan na overleg met het UWV van het in het tweede lid bedoelde bedrag afwijken.
5. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, neemt het UWV de gerealiseerde uitvoeringskosten en de ontvangen voorschotten op.
6. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.41b
1. Onder de uitvoeringskosten Wsw-indicatiestelling wordt verstaan de kosten die gemoeid zijn met de activiteiten van het UWV, bedoeld in artikel 30d van de Wet SUWI.
2. De rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, komt voor zover deze strekt tot vergoeding van de uitvoeringskosten van het UWV voor Wsw-indicatiestelling ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De uitvoeringskosten van het UWV voor Wsw-indicatiestelling komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
3. Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde uitvoeringskosten Wsw-indicatiestelling. De eerste zin is niet van toepassing op de geraamde uitvoeringskosten voor Wsw-indicatiestelling voor het jaar 2020.
4. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv, een voorschot ter hoogte van 1/12e deel van het bedrag, bedoeld in het derde lid, met als valutadag de vijftiende dag van elke kalendermaand.
5. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan na overleg met het UWV van het bedrag, bedoeld in het derde lid, afwijken.
6. In afwijking van het vierde lid wordt het maandelijkse voorschot van de rijksbijdrage Wsw-indicatiestelling voor het jaar 2020 gebaseerd op een totaalbedrag van € 3.543.000.
7. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet SUWI, neemt het UWV de gerealiseerde uitvoeringskosten en de ontvangen voorschotten op.
8. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Paragraaf 2. Rijksbijdrage AIO
Artikel 5.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder AIO: algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de Participatiewet.
Artikel 5.43
Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de toekenning van AIO, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
Artikel 5.43a
Vervallen
Artikel 5.43b
Vervallen
Artikel 5.44
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.43, van:
a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.45
Vervallen
Artikel 5.46
Vervallen
Artikel 5.47
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot de toekenning van AIO opgenomen.
2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.48
Vervallen
Paragraaf 3. Rijksbijdrage WKB
Artikel 5.49
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a.
*WKB:* het totaalbedrag van de kindgebonden budgetten die door tussenkomst van de SVB worden uitbetaald en waarbij sprake is van toepassing van de Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 of van uitbetaling van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn belast met de zorg voor in Marokko woonachtige kinderen;
b. b.
*uitvoeringskosten:* het totaalbedrag van de kosten die de SVB maakt bij de uitvoering, bedoeld in artikel 34, derde lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft de Wet op het kindgebonden budget, de uitvoering van de Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 en de uitvoering van de uitbetaling van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn belast met de zorg voor in Marokko woonachtige kinderen van een aanspraak op het kindgebonden budget.
Artikel 5.50
Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de WKB, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
Artikel 5.51
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.50, van:
a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.52
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.51, eerste lid, met betrekking tot de WKB opgenomen.
2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Paragraaf 4. Rijksbijdrage
Artikel 5.53
In deze paragraaf wordt verstaan onder remigratiekosten: De kosten voor remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet, en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten.
Artikel 5.54
Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot remigratiekosten, uitgesplitst naar kosten voor remigratievoorzieningen per maand en uitvoeringskosten per jaar.
Artikel 5.55
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.54, van:
a. a. geraamde kosten voor remigratievoorzieningen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Artikel 5.56
1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.55, eerste lid, uitgesplitst naar kosten voor remigratievoorzieningen en uitvoeringskosten, met betrekking tot de remigratiekosten opgenomen.
2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Paragraaf 5. Rijksbijdrage budgetten
Artikel 5.57
De budgetten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening komen direct ten laste van de rijksbijdrage aan het UWV.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1
1. De Regeling vergoeding bijdragen Remigratiewet wordt ingetrokken.
2. De Regeling rekening-courantverhouding sociale verzekeringen wordt ingetrokken.
3. De Regeling indeling bedrijfs- en beroepsleven in sectoren wordt ingetrokken.
4. De Regeling reservevorming Algemeen werkloosheidsfonds 2002 wordt ingetrokken.
5. De Regeling reservevorming wachtgeldfondsen 2002 wordt ingetrokken.
6. De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2003 houdende nadere regels met betrekking tot de vrijstelling van de basispremie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor oudere werknemers (Stcrt. 2003, 250) wordt ingetrokken.
7. De Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 wordt ingetrokken.
8. De Regeling verdeling premiekorting WAO wordt ingetrokken.
9. De Financieringsregeling Algemene Kinderbijslagfonds 2005 wordt ingetrokken.
10. De Financieringsregeling Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt ingetrokken.
11. De Financieringsregeling rijksbijdrage Arbeidsongeschiktheidsfonds wordt ingetrokken.
Artikel 6.1a
Vervallen
Artikel 6.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 waarbij onderdeel 19 van bijlage 1 bij deze regeling terug werkt tot en met 1 januari 2005.
Artikel 6.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wfsv.
Bijlage 1. behorend bij
Bijlage 2. behorend bij
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 3
Vervallen
Bijlage 4
Vervallen
Bijlage 5
Vervallen
Bijlage 6
Vervallen
Bijlage 7
Vervallen
Bijlage 8
Vervallen
Bijlage 9
Vervallen