rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-energie-en-innovatie/BWBR0026952/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

229 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling energie en innovatie BWBR0026952 ministeriele-regeling geldend 2014-06-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026952 Subsidieregeling energie en innovatie

Subsidieregeling energie en innovatie

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *demonstratieproject:* een op bescherming van het milieu gericht samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, waarbij die activiteiten bestaan uit het door de aanvrager treffen van energiebesparende maatregelen of maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:
  
    
      1°.
      voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of
    
    
      2°.
      een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

1°. 1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of 2°. 2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

    *duurzame energiehuishouding:* energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;

    *experimentele ontwikkeling:* experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

    *fundamenteel onderzoek:* fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onder e, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

    *haalbaarheidsstudie:* een samenstel van activiteiten dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de technische en economische mogelijkheden van fundamenteel, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling;

    *industrieel onderzoek:* industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onderdeel f, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

    *kennisinstelling:*
  
  
    
      1°
      een onder a, b, c, f, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs,
    
    
      2°
      een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden,
    
    
      3°
      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder 1°, of
    
    
      4°
      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

1° 1° een onder a, b, c, f, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, 2° 2° een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden, 3° 3° een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder 1°, of 4° 4° een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    *de minister:* de Minister van Economische Zaken;

    *ondernemer in de landbouwsector:* een ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector;

    *referentiekosten:* kosten voor een investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project, terwijl, in geval van een uit te voeren project voor hernieuwbare energie, de capaciteit voor de opwekking van energie van dat project ten minste overeenkomt met die van de eerstbedoelde investering.

Artikel 1.2

1. Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1.

2.

Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in

het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.3

1. De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

2. Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 60.

Artikel 1.4

1.

Onder de kostensoorten, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt verstaan:

a. a. wat betreft bedrijfsterreinen: de koopsom en overdrachtskosten met uitzondering van overdrachtsbelasting of de gekapitaliseerde erfpachtcanon exclusief de kosten van vestiging van de erfpacht, indien de grond van een gemeente of enig ander van overheidswege opgericht lichaam in erfpacht is verkregen; b. b. wat betreft bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen: de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten met uitzondering van de financieringskosten en de overdrachtsbelasting; c. c. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor dezelfde doeleinden worden ingezet als beoogd met het project en blijven bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan; d. d. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor andere doeleinden worden ingezet dan beoogd met het project of niet meer bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur; e. e. wat betreft materialen en hulpmiddelen: het verbruik ervan, gebaseerd op historische aanschafprijzen.

2.

Onder de kostensoorten, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, onderdeel e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt verstaan:

a. a. wat betreft onderhoud en inspectie alsmede beheer en administratie met inbegrip van de rapportages, bedoeld in artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met e; b. b. wat betreft verzekeringen: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met d; c. c. wat betreft onvoorziene reparaties: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel b tot en met d; d. d. wat betreft monitoring: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan voortgangscontrole op een project; e. e. wat betreft ontmanteling: kosten ervan voor zover gehele of gedeeltelijke verwijdering van een project in verband met milieubescherming verplicht is, te berekenen over een periode van ten hoogste 20 jaar; f. f. wat betreft het geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van een project: kosten ervan die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan capaciteitsverlies en gederfde inkomsten.

3. Van de som van de per kostensoort berekende investeringskosten van het project verminderd met de referentiekosten maken de aan derden verschuldigde kosten, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, onderdeel h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies ten hoogste 50 procent deel uit.

Artikel 1.5

Deze regeling valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 1.6

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Onderzoek en ontwikkeling

Paragraaf 2.1. EOS: lange termijn

Artikel 2.1.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *lange termijnproject:* een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van beide, naar een duurzame energiehuishouding, waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of kunnen worden toegepast;

    *nieuw energieonderzoeksproject:* een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit een haalbaarheidsstudie, fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek, met betrekking tot een innovatief, niet-conventioneel idee voor energietechniek, dat een duurzame energiehuishouding stimuleert, dat kan leiden tot een nieuw onderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand onderzoeksgebied en dat een hoge technologische risicograad heeft.

Artikel 2.1.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:

a. a. een ondernemer of een kennisinstelling die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt; b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband zonder Energieonderzoek Centrum Nederland die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt; c. c. een deelnemer in een samenwerkingsverband met Energieonderzoek Centrum Nederland die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt; d. d. degene die een nieuw energieonderzoeksproject uitvoert; e. e. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een nieuw energieonderzoeksproject uitvoert.

2. Onder speerpunten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de speerpunten opgenomen in bijlage 2.1.1.

3.

Tot een lange termijnproject worden niet gerekend:

a. a. activiteiten met betrekking tot sociaaleconomisch onderzoek voor zover de subsidie voor de kosten van deze activiteiten 45 procent of meer van de subsidie is; b. b. activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

4. Tot een nieuw energieonderzoeksproject worden niet gerekend activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

5. De minister verstrekt geen subsidie aan het Energieonderzoek Centrum Nederland voor de uitvoering van een nieuw energieonderzoeksproject.

Artikel 2.1.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een lange termijnproject en een nieuw energieonderzoeksproject:

a. a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek.

2. Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op zowel fundamenteel als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste lid genoemde percentages van de desbetreffende subsidiabele kosten.

3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de eerste volzin.

4.

Onverminderd het derde lid wordt het in het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:

a. a. zich onder deze deelnemers ten minste één kennisinstelling en ten minste één ondernemer bevinden, of b. b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer en deze deelnemer een wezenlijke bijdrage levert aan het project.

5. De subsidie voor een lange termijnproject bedraagt niet meer dan € 1.200.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.200.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.200.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

6. De subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject inzake fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide bedraagt niet meer dan € 100.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 100.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 100.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.1.4

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject:

a. a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan fundamenteel onderzoek; b. b. 65 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan industrieel onderzoek.

2. Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer.

3. De subsidie voor een nieuw onderzoeksproject inzake een haalbaarheidsstudie bedraagt niet meer dan € 45.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 45.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 45.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.1.5

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.1.6

1. De minister verdeelt het subsidieplafond voor lange termijnprojecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2. De minister verdeelt het subsidieplafond voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

3. De minister verdeelt het subsidieplafond voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit haalbaarheidsstudies op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

Artikel 2.1.7

1. Er is een Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdeel e, g en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.1.10, eerste lid, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in de artikelen 2.1.9 en 2.1.10.

2. De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste 35 leden.

3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.1.8

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is:

a. a. voor een lange termijnproject vier jaar; b. b. voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide twee jaar; c. c. voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit een haalbaarheidsstudie een jaar.

Artikel 2.1.9

1. De minister rangschikt aanvragen om een subsidie voor een lange termijnproject waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.

2.

Criteria omtrent een duurzame energiehuishouding als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. de mate waarin wordt bijgedragen aan de doelstellingen van het desbetreffende speerpunt; b. b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan een technologische doorbraak of innovatie ten opzichte van de huidige internationale stand van de techniek; c. c. de mate waarin in het projectplan uitwerking is gegeven aan een strategische visie op het implementatietraject van de te verkrijgen onderzoeksresultaten en aan verwachtingen over toekomstige voortzetting van de ingezette onderzoekslijn; d. d. de slaagkans van het project.

3.

Criteria omtrent de versterking van de kennispositie van Nederland als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. de mate waarin wordt bijgedragen aan de versterking van kennis, kunde of onderzoeksfaciliteiten in Nederland; b. b. de doelmatigheid waarmee de door het project te verkrijgen kennis, kunde of onderzoeksfaciliteiten zal worden verspreid en benut op voet van non-discriminatie en tegen marktvoorwaarden.

4. Voor de rangschikking weegt het gemiddelde van de in het tweede lid genoemde criteria mee voor 2/3 en het gemiddelde van de in het derde lid genoemde criteria voor 1/3.

Artikel 2.1.10

1. De minister rangschikt aanvragen om een subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent een duurzame energiehuishouding.

2.

Criteria omtrent een duurzame energiehuishouding als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. de mate waarin het betreffende onderzoek niet-conventioneel en nieuw is; b. b. de mate waarin het betreffende onderzoek van belang is voor de verduurzaming van de energiehuishouding; c. c. de mate waarin het project uiteindelijk kan leiden tot een nieuw energieonderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand energieonderzoeksgebied; d. d. de kwaliteit van het project.

3.

Voor de rangschikking weegt:

het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 2/5, het in het tweede lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 1/5, het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 1/5, en het in het tweede lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 1/5.

Artikel 2.1.11

1. De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

2. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, gelden gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.1.12

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 2.1.2; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 2.2. EOS: korte termijn

Artikel 2.2.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder een korte termijnproject: een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, hetzij bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of een combinatie van beide, hetzij bestaande uit een haalbaarheidsstudie.

Artikel 2.2.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

a. a. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een korte termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt, of b. b. een ondernemer die een korte termijnproject, niet zijnde een haalbaarheidsstudie, uitvoert dat past in een speerpunt:

        1°.
        in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen die niet in Nederland gevestigd zijn en die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden, of
      
      
        2°.
        waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden.

1°. 1°. in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen die niet in Nederland gevestigd zijn en die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden, of 2°. 2°. waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden.

2. Onder speerpunten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de speerpunten opgenomen in bijlage 2.1.1.

3. Subsidie kan ook worden verstrekt aan een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, indien het een kennisinstelling betreft.

Artikel 2.2.3

1. De penvoerder voor een haalbaarheidsstudie is een MKB-ondernemer.

2. De penvoerder voor een korte termijnproject bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling is een ondernemer.

Artikel 2.2.4

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie:

a. a. 25 procent van de subsidiabele kosten, indien deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling. b. b. 50 procent van de subsidiabele kosten, indien deze betrekking hebben op industrieel onderzoek.

2. Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op zowel experimentele ontwikkeling als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende projectkosten.

3. De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten indien deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie. Indien de haalbaarheidstudie door een ondernemer die geen MKB-ondernemer is en ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling wordt uitgevoerd, bedraagt de subsidie 40 procent van de subsidiabele kosten.

4. De in het eerste en tweede lid genoemde percentages worden verhoogd met 10 procentpunten, indien subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een MKB-ondernemer is.

5.

Onverminderd het vierde lid worden de in het eerste en tweede lid genoemde percentages verhoogd met 10 procentpunten, indien subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:

a. a. ten minste één deelnemer een kennisinstelling is, of b. b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.

6. De subsidie voor een korte termijnproject inzake experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek bedraagt niet meer dan € 1.000.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

7. De subsidie voor een korte termijnproject inzake een haalbaarheidsstudie bedraagt niet meer dan € 50.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 50.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 50.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.2.5

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.2.6

1. De minister verdeelt het subsidieplafond voor korte termijnprojecten bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2. De minister verdeelt het subsidieplafond voor korte termijnprojecten bestaande uit haalbaarheidsstudies op volgorde van ontvangst van de aanvragen,

Artikel 2.2.7

De in artikel 2.1.7 bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek met betrekking tot aanvragen om subsidie voor korte termijnprojecten, bestaande uit industrieel onderzoek of ontwikkeling, te adviseren omtrent de afwijzigingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdeel e, f, en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.2.9 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 2.2.10.

Artikel 2.2.8

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is:

a. a. indien het een haalbaarheidsstudie betreft één jaar, b. b. indien het industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling betreft vier jaar.

Artikel 2.2.9

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Artikel 2.2.10

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent:

a. a. technologische innovatie b. b. duurzaamheid c. c. technologische samenwerking d. d. economisch perspectief

2.

Als criteria voor technologische innovatie, duurzaamheid, technologische samenwerking en economisch perspectief worden respectievelijk vastgesteld:

a. a. de mate waarin wordt bijgedragen aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie; b. b. de mate waarin wordt bijgedragen aan verduurzaming van de energiehuishouding in Nederland; c. c. de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van het samenwerkingsverband en de betrokkenheid van kennisinstellingen, en d. d. de mate waarin de projectresultaten meer economische waarde creëren in Nederland, wordt aangesloten aan de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.

3. Voor de rangschikking wegen alle in het eerste en tweede lid genoemde criteria gelijk.

Artikel 2.2.11

1. De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.2.12

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 2.1.2; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 2.3. EOS: demonstratie

Artikel 2.3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder een EOS-demonstratieproject: een demonstratieproject, geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame energiehuishouding, dat bestaat uit:

a. a. energiebesparende maatregelen, b. b. maatregelen waarbij CO_2-emissies worden afgevangen en permanent in de ondergrond opgeslagen of c. c. maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

Artikel 2.3.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een EOS-demonstratieproject dat past in een of meerdere energiethemas en waarin:

a. a. nieuwe technieken worden toegepast; of b. b. nieuwe combinaties van bestaande technieken worden toegepast.

2.

Energiethemas als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. groene grondstoffen; b. b. nieuw gas; c. c. duurzame elektriciteitsvoorziening; d. d. ketenefficiency; e. e. gebouwde omgeving; f. f. duurzame mobiliteit; g. g. carbon capture and storage; h. h. kas als energiebron.

3. Tot een EOS-demonstratieproject worden niet gerekend activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

Artikel 2.3.3

1. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie 40 procent van de subsidiabele kosten.

2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

3. Indien de subsidieontvanger een ondernemer in de landbouwsector is, is de verhoging, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.

4. Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met toepassing van het eerste en tweede lid, is niet meer dan de maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de Communautaire richtsnoeren inzake staatsteun voor milieubescherming (PbEU 2008, C82).

5. De subsidie voor een EOS demonstratieproject bedraagt niet meer dan € 800.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 800.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 800.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.3.4

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.3.5

1. Artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies is van toepassing.

2. Artikel 10, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 2.3.6

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.3.7

1. Er is een Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 2.3.8 en artikel 23, onderdeel e, f en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingcriteria, bedoeld in artikel 2.3.9.

2. De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste 20 leden.

3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.3.8

1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling; b. b. er onvoldoende van de sociaalwetenschappelijke en economische effecten van het project blijk wordt gegeven.

2. De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel g, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 2.3.9

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO_2 reductie of PJ per jaar op projectniveau; c. c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een structureler onderdeel is van de demonstratie.

2. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, eenmaal, en het gewogen gemiddelde van de criteria, genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, twee maal.

Artikel 2.3.10

1. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het EOS-demonstratieproject.

2. De subsidieontvanger voltooit het project binnen drie jaar na aanvang van het EOS-demonstratieproject.

3. De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

4. De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

5. De artikelen 38, eerste lid, onderdeel b tot en met d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 2.3.11

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 2.1.2, b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 2.4. Topsector energieprojecten

Artikel 2.4.1

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten:

a. a. subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie; b. b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (PbEU 2006, L 412) en Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).

Artikel 2.4.2

1. Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening.

2. Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten.

3. De subsidie-ontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

4. Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met Topsector Energie-subsidie van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 2.4.3

1. Voor het indienen van een aanvraag voor verlening van subsidie op grond van deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van het formulier dat is opgenomen in bijlage 2.4.1 (Formulier aanvraag Topsector energieproject).

2. Voor het indienen van een aanvraag voor vaststelling van een op grond van deze paragraaf verleende subsidie wordt gebruik gemaakt van het formulier dat is opgenomen in bijlage 2.4.2 (Formulier vaststelling subsidie Topsector energieproject).

Artikel 2.4.4

Voor zover de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op een demonstratieproject als bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 2.4.5

1. Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante subparagraaf van deze paragraaf genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

2. Een samenwerkingsverband voert een project uit voor gezamenlijke rekening en risico.

Artikel 2.4.6

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze paragraaf per project kan worden verstrekt.

Paragraaf 2.4.1. Biobased Economy: Innovatieprojecten

Artikel 2.4.1.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *BBE Innovatieproject:* een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.3 (Programmalijnen BBE Innovatieprojecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.1.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een BBE Innovatieproject.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.1.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een BBE Innovatieproject ten hoogste:

a. a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

2. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

3.

Onverminderd het tweede lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

a. a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of b. b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per BBE Innovatieproject.

Artikel 2.4.1.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.1.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.1.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.1.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.1.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32); b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.2. Biobased Economy: Kostprijsreductie elektriciteit- en warmteproductie

Artikel 2.4.2.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *BBE KEW-project:* een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of zijnde een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.4 (BBE KEW projecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.2.2

a. a. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een BBE KEW-project. b. b. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.2.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een BBE-KEW-project ten hoogste:

a. a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. c. voor een demonstratieproject:

        
        40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;
      
      
        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;
      
      
        
        40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden; 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden; 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 21 en 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

4.

Onverminderd het derde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

a. a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of b. b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

5. De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per BBE-KEW-project.

Artikel 2.4.2.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.2.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.2.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.2.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het BBE KEW-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.2.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.3. Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij

Artikel 2.4.3.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *STEM-project:* een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.5 (Programmalijnen STEM) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.3.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een STEM-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit drie deelnemers, waarvan ten minste één kennisinstelling en ten minste één onderneming of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft.

Artikel 2.4.3.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een STEM-project ten hoogste:

a. a. 30% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op ondernemingen of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op economische activiteiten van kennisinstellingen; c. c. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van kennisinstellingen;

2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd indien het STEM-project betrekking heeft op hoofdlijn 1 uit bijlage 2.4.5: Energie gerelateerde sociale innovatie vraagstukken voor meerdere sectoren in Nederland (TSE-TKI doorsnijdende vraagstukken).

3. De subsidie bedraagt maximaal € 400.000 per STEM-project.

Artikel 2.4.3.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.3.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is twee jaar.

Artikel 2.4.3.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.3.7, eerste lid, minder dan 5 punten per criterium zijn toegekend; b. b. niet ten minste 20% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project. d. d. de subsidiabele kosten niet minimaal € 100.000 bedragen.

Artikel 2.4.3.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan de generieke doelstellingen van STEM en aan de doelstellingen van tenminste één van de STEM-programmalijnen, opgenomen in bijlage 2.4.5; b. b. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; c. c. het project meer ruimte biedt voor evaluatie, reflectie en verspreiding van de projectresultaten; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.4. Biobased Economy en Gas

Artikel 2.4.4.1

Vervallen

Artikel 2.4.4.2

Vervallen

Artikel 2.4.4.3

Vervallen

Artikel 2.4.4.4

Vervallen

Artikel 2.4.4.5

Vervallen

Artikel 2.4.4.6

Vervallen

Artikel 2.4.4.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.5. Groen Gas

Artikel 2.4.5.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *GG-project:* een project bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de bijlage 2.4.7 (Programmalijnen Groen Gas) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.5.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een GG-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.5.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een GG-project ten hoogste:

a. a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. c. voor een demonstratieproject:

        
        40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;
      
      
        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;
      
      
        
        40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden; 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden; 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 21 en 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid bedoelde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

4.

Onverminderd het derde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

a. a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of b. b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

Artikel 2.4.5.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.5.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.5.6

1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.5.7, eerste lid, minder dan 15 punten zijn toegekend; b. b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; c. c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het GG-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.5.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; e. e. het project meer bijdraagt aan de kostprijsverlaging van een duurzame energietechnologie die in aanmerking komt of zou kunnen komen voor subsidie in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.6. Upstream Gas

Artikel 2.4.6.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *UGas-project:* een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.8 (Programmalijnen Upstream Gas) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.6.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een UGas-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.6.3

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie maximaal:

a. a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

Artikel 2.4.6.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.6.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.6.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.1.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend; b. b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.6.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.7. Subparagraaf LNG

Artikel 2.4.7.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *LNG-project:* een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.9 (Programmalijnen LNG) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.7.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een LNG-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.7.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een LNG-project ten hoogste:

a. a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. voor een demonstratieproject:

        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;
      
      
        
        40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden; 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend volgens artikel 21 en 23 van de algemene groepsvrijstelingsverordening, met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per LNG-project.

Artikel 2.4.7.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.7.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.7.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.7.7, eerste lid, minder dan 3 punten zijn toegekend; b. b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.7.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.8. Systeemfunctie gas

Artikel 2.4.8.1

Vervallen

Artikel 2.4.8.2

Vervallen

Artikel 2.4.8.3

Vervallen

Artikel 2.4.8.4

Vervallen

Artikel 2.4.8.5

Vervallen

Artikel 2.4.8.6

Vervallen

Artikel 2.4.8.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.9. Systeemgas Duurzaam

Artikel 2.4.9.1

Vervallen

Artikel 2.4.9.2

Vervallen

Artikel 2.4.9.3

Vervallen

Artikel 2.4.9.4

Vervallen

Artikel 2.4.9.5

Vervallen

Artikel 2.4.9.6

Vervallen

Artikel 2.4.9.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.10. Gasvoorziening: acceptatie in de samenleving

Artikel 2.4.10.1

Vervallen

Artikel 2.4.10.2

Vervallen

Artikel 2.4.10.3

Vervallen

Artikel 2.4.10.4

Vervallen

Artikel 2.4.10.5

Vervallen

Artikel 2.4.10.6

Vervallen

Artikel 2.4.10.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.11. Wafer Based Silicon PV Technologie

Artikel 2.4.11.1

Vervallen

Artikel 2.4.11.2

Vervallen

Artikel 2.4.11.3

Vervallen

Artikel 2.4.11.4

Vervallen

Artikel 2.4.11.5

Vervallen

Artikel 2.4.11.6

Vervallen

Artikel 2.4.11.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.12. ZEGO

Artikel 2.4.12.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *ZEGO-project:* een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.13 (Prioriteitsthema's ZEGO) opgenomen prioriteitsthema's.

Artikel 2.4.12.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een ZEGO-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.12.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een ZEGO-project ten hoogste:

a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. voor een demonstratieproject:

        
        40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;
      
      
        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;
      
      
        
        40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden; 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden; 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 21 en 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per ZEGO-project.

Artikel 2.4.12.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.12.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vijf jaar.

Artikel 2.4.12.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.12.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ZEGO-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.12.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is. c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 5 punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 30 en vervolgens opgeteld.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

5. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.13. EnerGO

Artikel 2.4.13.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

    *EnerGO-project:* een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage Bijlage 2.4.14 (Programmalijnen EnerGO) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.13.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EnerGO-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.13.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een EnerGO-project ten hoogste:

a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling. d. d. voor een demonstratieproject:

        
        40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;
      
      
        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;
      
      
        
        40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden; 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden; 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 21 en 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per EnerGO-project.

Artikel 2.4.13.4

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.13.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.13.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.13.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.13.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is. c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 5 punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 30 en vervolgens opgeteld.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

5. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.14. Dunne Film PV (DFP)

Artikel 2.4.14.1

Vervallen

Artikel 2.4.14.2

Vervallen

Artikel 2.4.14.3

Vervallen

Artikel 2.4.14.4

Vervallen

Artikel 2.4.14.5

Vervallen

Artikel 2.4.14.6

Vervallen

Artikel 2.4.14.7

Vervallen

Paragraaf 2.4.15. Energiebesparing industrie: early-adopter projecten

Artikel 2.4.15.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder early adopter-project: project bestaande uit experimentele ontwikkeling, gericht op het in een realistische industriële omgeving valideren van een nieuwe energiebesparende technologie, passend binnen de in bijlage 2.4.16 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: early adopter-projecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.15.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een early adopter-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste drie ondernemingen.

3. Ten minste twee van de deelnemers zijn potentiële eindgebruikers van de technologie.

4. De penvoerder van het samenwerkingsverband is een MKB-deelnemer in het samenwerkingsverband.

Artikel 2.4.15.3

1. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een early adopter-project ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.

2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

3. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

4. Onverminderd het tweede en derde lid, wordt het in het eerste lid bedoelde percentage voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.

5. De subsidie bedraagt maximaal € 75.000 per early adopter-project.

Artikel 2.4.15.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.4.15.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is 18 maanden.

Artikel 2.4.15.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. het project onvoldoende bijdraagt aan de energiebesparing in industriële processen; b. b. er onvoldoende sprake is van een vernieuwende technologie; c. c. het project niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband en de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie; d. d. de kwaliteit van het samenwerkingsverband ontoereikend is om het project uit te voeren; e. e. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding; f. f. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Paragraaf 2.4.16. Energiebesparing industrie: pilotprojecten

Artikel 2.4.16.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder pilotproject energiebesparing industrie: project, bestaande uit experimentele ontwikkeling, indien noodzakelijk met inbegrip van demonstratieactiviteiten, gericht op het uitvoeren van grootschalige industriële pilots van technologieën, dat past binnen de in bijlage 2.4.17 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: pilotprojecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.16.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een pilotproject energiebesparing industrie.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee ondernemingen.

Artikel 2.4.16.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een pilotproject energiebesparing industrie ten hoogste:

a. a. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; b. b. voor demonstratieactiviteiten:

        
        40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;
      
      
        
        20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden.

40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden; 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden.

2. De subsidiabele kosten van demonstratieactiviteiten worden berekend in overeenstemming met artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

4. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

5.

Onverminderd het derde en vierde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien:

a. a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of b. b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 800.000 per pilotproject energiebesparing industrie.

Artikel 2.4.16.4

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.16.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.16.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.16.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; b. b. niet ten minste 50% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. na toepassing van artikel 2.4.16.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.16.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32); b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en het plan voor de kennisverspreiding.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.17. PV-technologie

Artikel 2.4.17.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder PV-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.18 (Prioriteitsthemas PV-projecten) opgenomen prioriteitsthemas.

Artikel 2.4.17.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een PV-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.17.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een PV-project ten hoogste:

a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een demonstratieproject dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen; e. e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 750.000 per PV-project.

Artikel 2.4.17.4

Per prioriteitsthema, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.17.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vijf jaar.

Artikel 2.4.17.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.17.7, eerste lid, minder dan 6 punten per criterium zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. na toepassing van artikel 2.4.17.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.17.7

1.

De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32); b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 15, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 30, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 25 en vervolgens opgeteld.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.18. Demonstratie energie-innovatie (DEI)

Artikel 2.4.18.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder DEI-project: demonstratieproject of combinatie van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en demonstratieproject, dat respectievelijk die past binnen de in de bijlage 2.4.19 (Demonstratie energie-innovatie) opgenomen beschrijving van demonstratie energie-innovatie.

Artikel 2.4.18.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een DEI-project aan:

a. a. een ondernemer die zelfstandig een DEI-project zal uitvoeren; b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband.

2. Een samenwerkingsverband dat een DEI-project uitvoert, bevat ten minste één onderneming.

Artikel 2.4.18.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een DEI-project ten hoogste:

a. a. voor een demonstratieproject:

        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;
      
      
        
        45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
      
      
        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft; 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

4. De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

5. De subsidie bedraagt minimaal € 125.000 en maximaal € 4.000.000 per DEI-project.

Artikel 2.4.18.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.18.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.18.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.18.7, eerste lid, minder dan drie punten per criterium, zijn toegekend; b. b. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; c. c. het project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project; d. d. bij een DEI-project dat bestaat uit een combinatie van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en een demonstratieproject, niet ten minste 70% van de subsidiabele kosten is toe te rekenen aan het demonstratieproject.

Artikel 2.4.18.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; b. b. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van de overgang naar een duurzame energievoorziening; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 50, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 15, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 15 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 20 en vervolgens opgeteld.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.19. Systeemintegratie

Artikel 2.4.19.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder systeemintegratieproject: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.20 (Programmalijnen Systeemintegratie) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.19.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een systeemintegratieproject.

2. Eensamenwerkingsverband dat een systeemintegratieproject uitvoert, bevat ten minste één onderneming.

Artikel 2.4.19.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een systeemintegratieproject ten hoogste:

a. a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. voor een demonstratieproject:

        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;
      
      
        
        45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
      
      
        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft; 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid, onderdelen b, c en d, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.

4. De in het eerste lid, onderdelen b, c en d, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

5.

Onverminderd het derde en vierde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde percentage voor MKB-ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien:

a. a. sprake is van samenwerking tussen twee onderling onafhankelijke ondernemingen en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening moet nemen, of b. b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

6. De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per systeemintegratieproject.

Artikel 2.4.19.4

De minister verdeelt het subsidieplafond per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.20, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.19.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is drie jaar.

Artikel 2.4.19.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.19.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; b. b. niet ten minste 25% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000; e. e. na toepassing van artikel 2.4.19.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project; f. f. meer dan 30% van de subsidiabele kosten toe te rekenen is aan fundamenteel onderzoek.

Artikel 2.4.19.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan de generieke doelstellingen van het programma systeemintegratie en aan de doelstellingen van ten minste één van de programmalijnen, genoemd in bijlage 2.4.20; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 2.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.20. Energiebesparing industrie: joint industry projects

Artikel 2.4.20.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder jip-energiebesparing industrieproject: project, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.21 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: joint industry projects) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.20.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderzoeksorganisatie of een ondernemer met als hoofdactiviteit het ontwikkelen van kennis en technologie voor derden, in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een jip-energiebesparing industrieproject.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste vier ondernemingen en ten minste één onderzoeksorganisatie of ondernemer met als hoofdactiviteit het ontwikkelen van kennis en technologie voor derden.

Artikel 2.4.20.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een jip-energiebesparing industrieproject ten hoogste:

a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.

2. De in het eerste lid, onderdelen b en c, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

3. De in het eerste lid, onderdelen b en c, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

Artikel 2.4.20.4

De minister verdeelt het subsidieplafond per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.21, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.20.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.20.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.20.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding; e. e. na toepassing van artikel 2.4.20.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.20.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van bijlage 2.4.21; b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en het plan voor de kennisverspreiding.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.21. Wind op zee: joint industry projects

Artikel 2.4.21.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder wind op zee jip: project bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 3.7.1 (Programmalijnen Wind op zee) opgenomen innovatiethemas.

Artikel 2.4.21.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een wind op zee jip.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste drie ondernemingen en ten minste één onderzoeksorganisatie.

3. De penvoerder van het samenwerkingsverband is een onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband.

4. De penvoerder geeft in de aanvraag aan binnen welke van de in bijlage 3.7.1 genoemde innovatiethemas de aanvraag valt.

Artikel 2.4.21.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een wind op zee jip ten hoogste:

a. a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

2.

De subsidie bedraagt per wind op zee jip ten hoogste:

a. a. € 1.000.000 indien het valt in innovatiethema 1 (Ondersteuningsconstructies) of innovatiethema 5 (Beheer en onderhoud); b. b. € 500.000 indien het valt in innovatiethema 2 (Optimalisatie van de windcentrale) of innovatiethema 3 (Intern elektrisch netwerk en aansluiting op het hoogspanningsnet); c. c. € 1.500.000 indien het valt in innovatiethema 4 (Transport, Installatie en Logistiek).

Artikel 2.4.21.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.21.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.21.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, minder dan 2,5 punten per criterium zijn toegekend; b. b. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend; c. c. niet ten minste 50% van de financiering van de subsidiabele projectkosten bestaat uit een financiële bijdrage door ondernemingen; d. d. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; e. e. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project; f. f. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het wind op zee jip leidt tot duurzame energieproductie in 2023 en tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.21.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan de kwantitatieve reductie van de kostprijs van windenergie op zee in 2020; b. b. het project meer bijdraagt aan omzet en werkgelegenheid van de Nederlandse windenergie op zee sector in 2020; c. c. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de samenstelling van het samenwerkingsverband, deelname van cruciale partijen uit de waardeketen of het MKB, het publicatieplan en de plannen voor intellectueel eigendom, de technische of wetenschappelijke onderzoeksmethode, het projectplan en de projectorganisatie; d. d. de projectopzet kosteneffectiever is en het aandeel van de financiering door ondernemingen in de totale projectfinanciering groter is.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister kent per project 0,5 extra punten toe indien het valt in de programmalijnen 1 (Ondersteuningsconstructies) of 5 (Beheer en onderhoud) en één extra punt indien het valt in programmalijn 4 (Transport, installatie en logistiek).

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.22. EnerGO: compacte conversie en opslag

Artikel 2.4.22.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder EnerGO CCO-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.22 (Programmalijnen EnerGO: compacte conversie en opslag) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.22.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EnerGO CCO-project.

2. Een samenwerkingsverband voor een EnerGO CCO-project bestaat uit ten minste één onderneming en ten minste één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.22.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een EnerGO CCO-project ten hoogste:

a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties; e. e. voor een demonstratieproject:

        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;
      
      
        
        45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
      
      
        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft; 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2. De in het eerste lid, onderdelen b, c en e, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een MKB-onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-onderneming.

3. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

4. De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

5. De subsidie bedraagt maximaal € 3.100.000 per EnerGO CCO-project.

Artikel 2.4.22.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.22.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.22.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.22.7, eerste lid, op de onderdelen a tot en met d, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend; b. b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen; c. c. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. na toepassing van artikel 2.4.22.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.22.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32); b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; e. e. het project meer kenmerken bevat van de programmatische aanpak zoals beschreven in bijlage 2.4.22.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Paragraaf 2.4.23. Smart grids

Artikel 2.4.23.1

In deze subparagraaf wordt verstaan onder smart-grids-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject, of een combinatie daarvan, dat past binnen de in bijlage 2.4.23 (Programmalijnen Smart Grids) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.23.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een smart-grids-project.

2. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderneming en ten minste één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.23.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een smart-grids-project ten hoogste:

a. a. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; d. d. voor een demonstratieproject:

        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;
      
      
        
        45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
      
      
        
        30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft; 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

2. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, genoemde percentages, worden verhoogd met 10 procentpunten, indien de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per smart-grids-project.

Artikel 2.4.23.4

Per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.23, verdeelt de minister het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.23.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.23.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. na toepassing van artikel 2.4.23.7, eerste lid, op de onderdelen a, b, c of d, minder dan vijf punten per criterium zijn toegekend; b. b. de subsidie minder bedraagt dan € 125.000; c. c. reeds eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. na toepassing van artikel 2.4.23.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.23.7

1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32); b. b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is; c. c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risicos, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen; e. e. de aanvrager verhoudingsgewijs minder subsidie vraagt dan op basis van de regeling is toegestaan.

2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a en b, elk vermenigvuldigd met 2,5, het eerste lid, onderdelen c en d, elk vermenigvuldigd met twee en vervolgens opgeteld.

4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Hoofdstuk 3. Investering

Paragraaf 3.1. Duurzame warmte voor bestaande woningen

Artikel 3.1.1

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

      *bestaande woning:* een ruimte met een woonfunctie, die is opgeleverd en in gebruik genomen voor 1 januari 2008;

      *duurzame warmtemaatregel:* het aanschaffen, installeren en in gebruik nemen van een of meer nieuwe dan wel niet eerder gebruikte in bijlage 3.1.1 bij deze regeling genoemde technische voorzieningen in een bestaande woning;

      *installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling:* een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 4;

      *lucht/waterwarmtepomp:* een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 3;

      *warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp:* een warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 2;

      *zonneboiler:* een zonneboiler als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 1.

2. Met de voorzieningen genoemd in bijlage 3.1.1 worden gelijkgesteld de desbetreffende voorzieningen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 3.1.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel aan:

a. a. een eigenaar-bewoner van een bestaande woning, of b. b. een eigenaar-verhuurder van een bestaande woning,

die een duurzame warmtemaatregel uitvoert.

Artikel 3.1.3

1. De hoogte van de subsidie voor zonneboilers en warmtepompen, niet zijnde lucht/waterwarmtepompen wordt berekend door het aantal GJ of kW_th te bepalen volgens de methode, opgenomen in bijlage 3.1.2, en dit getal te vermenigvuldigen met het bedrag, opgenomen in bijlage 3.1.3.

2. De hoogte van de subsidie voor zonneboilers die naast een bijdrage aan warm tapwater ook een bijdrage leveren aan de ruimteverwarming, wordt gebaseerd op de bijdrage aan warm tapwater.

3.

De subsidie bedraagt voor:

a. a. een lucht/waterwarmtepomp € 2000 per stuk; b. b. een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling € 4000 per stuk.

4. Bij subsidie aan een ondernemer waar een Europees steunkader op van toepassing is, bedraagt de subsidie niet meer dan is toegestaan op basis van dat steunkader.

Artikel 3.1.4

1. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten in aanmerking voor subsidie.

Artikel 3.1.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.1.6

1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. hij het onaannemelijk acht dat de aanvrager binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht zal geven tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel; b. b. de aanvrager vóór 1 september 2008 ter zake van de duurzame warmtemaatregel waarop de aanvraag betrekking heeft, verplichtingen is aangegaan; c. c. het project gericht is op de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen, d. d. het project gericht is op de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen, of e. e. het project gericht is op de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

2. De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is niet van toepassing.

Artikel 3.1.7

1. De subsidie-ontvanger geeft binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel.

2. Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-bewoner is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

3. Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-verhuurder is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

4. De verplichtingen, genoemd in de artikelen 36 tot en met 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Artikel 3.1.8

In afwijking van artikel 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt geen voorschot verstrekt bij een aanvraag om subsidie met een totaalbedrag van minder dan € 50.000.

Artikel 3.1.9

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie en om een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.1.4.

Paragraaf 3.2. Duurzame biomassa-import

Artikel 3.2.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *keten voor biomassa:* de productie, de verwerking en de import van in het buitenland geproduceerde biomassa die leidt tot de toepassing van biomassa voor energie-, transport- of chemiedoeleinden in Nederland;

    *primaire landbouwproducent:* onderneming van de landbouwproductiesector in de zin van artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector;

    *Toetsingskader voor duurzame biomassa:* het toetsingskader opgesteld door de projectgroep Duurzame productie van biomassa.

Artikel 3.2.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor activiteiten die op innovatieve wijze bijdragen aan het verduurzamen van ketens voor biomassa.

2.

Onder het verduurzamen van ketens voor biomassa bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. a. het verduurzamen van de biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa; b. b. de certificering van duurzame biomassaketens; of c. c. het tegengaan van ongewenste indirecte effecten van biomassaproductie.

3. Subsidie kan ook worden verstrekt aan een niet in Nederland gevestigde deelnemer in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

Artikel 3.2.3

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie:

a. a. 50 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger een ondernemer is; b. b. 75 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger geen ondernemer is.

2.

De subsidie bedraagt maximaal:

a. a. € 500.000 per ondernemer, niet zijnde een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent; b. b. € 7.500 per binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent.

3. In aanvulling op het tweede lid wordt, indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van het samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000 het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 3.2.4

1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die noodzakelijk zijn voor de verduurzaming van ketens voor biomassa.

2.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kiest een buiten Nederland gevestigde aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit:

a. a. de integrale kostensystematiek, opgenomen in artikel 12 van het Kaderbesluit EZ-subsidies of b. b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, opgenomen in artikel 13 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.2.5

1. De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde subsidie-ontvanger, niet zijnde een primaire landbouwproducent, valt onder de Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis van 17 december 2008. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze kaderregeling.

2. De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent valt onder verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 3.2.6

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.2.7

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die betrekking hebben op vloeibare biomassa of biobrandstoffen beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de vloeibare biomassa of biobrandstoffen voldoen, of na uitvoering van de activiteiten zullen voldoen, aan de duurzaamheidscriteria genoemd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG.

2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het project gericht is op:

a. a. de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen, b. b. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen of c. c. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

Artikel 3.2.8

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 3.2.2. Bij de rangschikking worden de volgende criteria gehanteerd:

a. a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 3.2.2, in relatie tot de totale subsidiabele kosten van het project; b. b. de mate waarin het project bijdraagt aan verduurzaming van ketens voor biomassa in de zin van artikel 3.2.2, tweede lid, in relatie tot de resultaten van de beoordeling van de betreffende biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa; c. c. de mate waarin het project in de praktijk navolging kan vinden en kan worden opgeschaald, waarbij ook de navolging en opschaling leiden tot toepassing van duurzame biomassa in Nederland.

2. Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid genoemde criteria even zwaar.

Artikel 3.2.9

1. De subsidie-ontvanger voltooit de activiteiten uiterlijk op 30 juni 2013.

2. Op verzoek van de minister verstrekt de subsidie-ontvanger de verkregen gegevens over de duurzaamheid van biomassaproductie, certificering en indirecte effecten.

Artikel 3.2.10

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.2.1.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 3.3. Investeringen voor verlaging elektriciteitsaansluiting van warmtepomphouders

Artikel 3.3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp:* een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning en die niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij warmte wordt onttrokken aan de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater;

    *elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp:* een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning is en niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij de warmtepomp warmte onttrekt aan de buitenlucht of aan de ventilatielucht van de woning en warmte afgeeft met behulp van een warmte-afgiftesysteem met water als distributiemedium;

    *warmtepomp:*
  
  
    
      1°.
      een elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp of
    
    
      2°.
      een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp.

1°. 1°. een elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp of 2°. 2°. een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp.

Artikel 3.3.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het treffen van technische maatregelen aan een eigenaar van een woning die:

a. a. voor 1 september 2009 een warmtepomp bezit, b. b. technische maatregelen met betrekking tot de warmtepomp of de elektriciteitsinstallatie van de woning heeft getroffen die een verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting mogelijk maakt en die noodzakelijk zijn in verband met het gebruik van de warmtepomp, en c. c. een verzoek om verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting heeft ingediend bij de regionale netbeheerder.

Artikel 3.3.3

Voor subsidie komen in aanmerking de rechtstreeks aan de technische maatregelen, bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, toe te rekenen gemaakte en betaalde kosten.

Artikel 3.3.4

De subsidie voor het treffen van technische maatregelen als bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, bedraagt:

a. a. € 100 indien de subsidiabele kosten € 100 of minder bedragen dan wel indien de aanvrager hiervoor heeft gekozen; b. b. € 200 indien de subsidiabele kosten € 101 tot en met € 300 bedragen; c. c. € 400 indien de subsidiabele kosten meer dan € 300 bedragen.

Artikel 3.3.5

1. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

2. De artikelen 10, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 11 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 3.3.6

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.3.7

De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, b, c, d, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 3.3.8

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.3.9

De verplichtingen, genoemd in de artikelen 36 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Artikel 3.3.10

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 3.3.1.

Paragraaf 3.4. Risicos dekken voor aardwarmte

Artikel 3.4.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *aardwarmte:* aardwarmte in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Mijnbouwwet;

    *aardwarmteproject:* het mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 3500 meter, door het boren van een doublet of een half doublet zonder putstimulatie en het plaatsen van een pompinstallatie;

    *alternatiefwerkzaamheden:* activiteiten om het alternatief gebruik van een put met een lager dan verwacht gerealiseerd vermogen in MW mogelijk te maken;

    *alternatief gebruik:* het gebruiken van een aardwarmteput voor andere doeleinden dan het overeenkomstig de aanvraag winnen en toepassen van aardwarmte;

    *diep aardwarmteproject:* het mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte vanaf ten minste 3500 meter diepte van de top van de aquifer door het boren van een doublet of een half doublet zonder putstimulatie en het plaatsen van een pompinstallatie;

    *doublet:* een productieput en een injectieput;

    *geologisch onderzoek:* geologisch onderzoek, inclusief het rapport opgesteld overeenkomstig het model in bijlage D bij bijlage 3.4.1;

    *geologisch risico:* het risico op een te laag gerealiseerd vermogen voor zover dit te wijten is aan specifieke aquifer parameters bestaande uit:
  
    
      a.
      de bruto aquiferdikte,
    
    
      b.
      de netto-bruto verhouding van de aquifer,
    
    
      c.
      de aquifer permeabiliteit,
    
    
      d.
      de diepte van de top van de aquifer,
    
    
      e.
      de saliniteit van het formatiewater, of
    
    
      f.
      de geothermische gradient;

a. a. de bruto aquiferdikte, b. b. de netto-bruto verhouding van de aquifer, c. c. de aquifer permeabiliteit, d. d. de diepte van de top van de aquifer, e. e. de saliniteit van het formatiewater, of f. f. de geothermische gradient;

    *gerealiseerde subsidiabele kosten:* de rechtstreeks aan het aardwarmteproject toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten;

    *gerealiseerd vermogen:* het uit de puttest gebleken werkelijke vermogen in MW, met een correctie op skin = 0;

    *half-doublet:* de eerste put van een doublet;

    *maximale subsidiebedrag:* het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, bestaande uit 85  procent van de verwachte subsidiabele kosten met een maximum van € 7.225.000 voor een aardwarmteproject en € 12.750.000 voor een diep aardwarmteproject;

    *niet-geologische parameters:* de niet-geologische parameters, genoemd in de tabel in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van het geologisch onderzoek;

    *puttest:* test van het vermogen van de put of putten, uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig bijlage B bij bijlage 3.4.2;

    *putstimulatie:* het uitvoeren van technieken die leiden tot een verlaagde weerstand voor het toestromen van vloeistof van het reservoir naar de put of vice versa, zodat de productiviteit of injectiviteit van de put wordt verhoogd;

    *restwaarde:* de opbrengst van het project bij de economisch meest rendabele alternatieve toepassing gedurende 15 jaar;

    *verbeterwerkzaamheden:* werkzaamheden aan de productieput, injectieput of pompinstallatie om het gerealiseerde vermogen van het doublet in MW te verhogen;

    *verwachte subsidiabele kosten:* de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiabele kosten;

    *verwacht vermogen:* het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde verwacht vermogen in MW.

Artikel 3.4.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland uitvoert:

a. a. een aardwarmteproject; b. b. een diep aardwarmteproject.

2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

3. De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat door het geologische risico op het beoogde stratigrafische niveau op de beoogde locatie en bij de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde niet-geologische parameters, het gerealiseerd vermogen lager is dan het verwacht vermogen.

Artikel 3.4.3

1. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is twee jaar.

2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. uit het geologisch onderzoek blijkt dat de geschatte kans op het realiseren van het verwachte vermogen kleiner is dan 90 procent; b. b. op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie geen vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Mijnbouwwet is afgegeven voor het betreffende gebied; c. c. in het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject binnen twee jaar na voltooiing van de boringen zal leiden tot de start van toepassing van aardwarmte in Nederland; d. d. het verwacht vermogen lager is dan 2 MW.

3. Bij de beoordeling van de aanvragen wint de minister advies in van TNO.

Artikel 3.4.4

1. De subsidie bedraagt maximaal € 7.225.000 per aardwarmteproject.

2. De subsidie bedraagt maximaal € 12.750.000 per diep aardwarmteproject.

3.

Het subsidiebedrag wordt zodanig verminderd, dat de som van de volgende bedragen niet meer dan 95 procent van de gerealiseerde subsidiabele kosten bedraagt:

het subsidiebedrag, het bedrag aan overige voor het betreffende project aan de subsidie-ontvanger verleende dan wel vastgestelde subsidies, en het bedrag waarop de subsidie-ontvanger voor het desbetreffende project op grond van een verzekering of garantstelling aanspraak kan doen.

Artikel 3.4.5

1. De artikelen 10 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

2.

Bij een doublet komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

a. a. kosten boring productie- en injectieput; b. b. premie die door de subsidie-ontvanger krachtens artikel 3.4.10 wordt betaald; c. c. kosten op- en afbouwen boorinstallatie; d. d. kosten boormanagement en -toezicht; e. e. kosten locatie boorgereed maken; f. f. cuttings/spoeling afvoeren; g. g. kosten puttest en rapportage; h. h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat; i. i. additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar; j. j. additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar; k. k. kosten onvoorzien.

3.

Bij een half-doublet komen de volgende kosten voor de subsidie in aanmerking:

a. a. kosten boring eerste put; b. b. premie die door de subsidie-ontvanger krachtens artikel 3.4.10 wordt betaald; c. c. kosten opbouwen boorinstallatie; d. d. kosten boormanangement en -toezicht tot en met de realisatie van de eerste boring met inbegrip van de puttest van de eerste boring; e. e. kosten locatie bouwgereed maken; f. f. cuttings/spoeling afvoeren voor eerste boring; g. g. kosten puttest eerste boring en rapportage; h. h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat van de eerste put; i. i. de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor de eerste put; j. j. de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor de eerste put; k. k. onvoorziene kosten tot en met de realisatie van de eerste boring met inbegrip van de puttest van de eerste boring.

4. Indien subsidie wordt verstrekt voor een doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 500.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie of het dichten van de put of putten.

5. Indien subsidie wordt verstrekt voor een half-doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 250.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie voor de gegarandeerde put of het dichten van deze put.

6.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies blijven buiten beschouwing:

a. a. de subsidies op grond van:

        1°.
        hoofdstuk 2 van bijlage 2 Marktintroductie energie-innovaties van de Regeling LNV-subsidies,
      
      
        2°.
        de Unieke kansen regeling,
      
      
        3°.
        de Subsidieregeling internationaal innoveren,
      
      
        4°.
        
          hoofdstuk 3 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie,
      
      
        5°.
        het Besluit stimulering duurzame energieproductie; en

1°. 1°. hoofdstuk 2 van bijlage 2 Marktintroductie energie-innovaties van de Regeling LNV-subsidies, 2°. 2°. de Unieke kansen regeling, 3°. 3°. de Subsidieregeling internationaal innoveren, 4°. 4°.

          hoofdstuk 3 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie,

5°. 5°. het Besluit stimulering duurzame energieproductie; en b. b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van:

        1°.
        het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie,
      
      
        2°.
        het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie,
      
      
        3°.
        het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: Intelligente energie- Europa,
      
      
        4°.
        het financieringsinstrument voor het Milieu: Life,
      
      
        5°.
        Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemmissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Pb EG 2003/L275),
      
      
        6°.
        Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening),
      
      
        7°.
        Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling,
      
      
        8°.
        INTERREG, en
      
      
        9°.
        de Europese Structuur- en Cohesiefondsen.

1°. 1°. het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, 2°. 2°. het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, 3°. 3°. het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: Intelligente energie- Europa, 4°. 4°. het financieringsinstrument voor het Milieu: Life, 5°. 5°. Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemmissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Pb EG 2003/L275), 6°. 6°. Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening), 7°. 7°. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, 8°. 8°. INTERREG, en 9°. 9°. de Europese Structuur- en Cohesiefondsen.

7. Bijdragen van gemeenten en provincies worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies buiten beschouwing.

Artikel 3.4.6

1.

Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een doublet geldt dat:

a. a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste boring gelijk aan of meer dan 75% is en de subsidie-ontvanger het project staakt, de subsidie op nihil wordt vastgesteld; b. b. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50% van het verwacht vermogen is en de subsidie-ontvanger het project voltooit, artikel 3.4.9 van toepassing is; c. c. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50%, maar minder dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidie-ontvanger het project na de eerste boring staakt, artikel 3.4.8 van toepassing is; d. d. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring 50% of minder van het verwacht vermogen is, artikel 3.4.8 van toepassing is.

2. De subsidie-ontvanger staakt het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject door eigen aangifte dan wel wordt geacht dit project te staken door niet binnen een jaar na voltooiing van de eerste boring het doublet te voltooien.

Artikel 3.4.7

1.

Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet geldt dat:

a. a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is, de subsidie op nihil wordt vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie; b. b. indien de subsidie-ontvanger na het boren van de eerste put overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie, artikel 3.4.9 van toepassing is op de eerste put; c. c. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put minder dan 75% van het verwacht vermogen is, artikel 3.4.8 van toepassing is wanneer de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie.

2. Artikel 3.4.6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een aardwarmteproject en een diep aardwarmteproject waarbij de subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet.

Artikel 3.4.8

1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

Subsidiebedrag = e/f * (a c + d)

en maximaal:

Subsidiebedrag = e/f * (a b)

In deze formules betekent:

a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten van de eerste boring, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: b: de restwaarde bij alternatief gebruik zonder alternatiefwerkzaamheden, c: c: de restwaarde bij alternatief gebruik na alternatiefwerkzaamheden, d: d: de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar, e: e: het maximale subsidiebedrag, f: f: de verwachte subsidiabele kosten.

2. Indien de put definitief wordt afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld.

3. Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan bedraagt de subsidie ten hoogste 60 procent van het maximale subsidiebedrag. Indien subsidie is verstrekt voor een half-doublet dan bedraagt het subsidiebedrag ten hoogste het maximale subsidiebedrag.

4. Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld.

5. Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan wordt de betaalde premie minus 5,95 procent van de tot en met de eerste boring gerealiseerde subsidiabele kosten gerestitueerd.

Artikel 3.4.9

1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

Subsidiebedrag = f/g * a * (1 - d / c) + f/g * e

en maximaal:

Subsidiebedrag = f/g * a * (1 b / c)

In deze formules betekent:

a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: b: het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, c: c: het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, d: d: het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, e: e: de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar, f: f: het maximale subsidiebedrag, g: g: de verwachte subsidiabele kosten.

2. De subsidie wordt op nul gesteld indien het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking.

3. Indien het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, wordt de term f/g * a (1 d / c) in het eerste lid op nul gesteld.

Artikel 3.4.10

1. De subsidie-ontvanger betaalt voorafgaand aan de start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject een premie van 7 procent van het maximale subsidiebedrag.

2. Bij verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 8.500.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 505.750.

3. Bij een diep aardwarmteproject en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 15.000.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 892.500.

Artikel 3.4.11

1. De subsidie-ontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject en meldt de datum van aanvang binnen twee dagen na aanvang aan de minister. De minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger uitstel verlenen.

2. Het boorgereed maken van de locatie wordt aangemerkt als start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject.

Artikel 3.4.12

1. Een subsidie-ontvanger doet na de puttest of puttesten mededeling aan de minister over het al dan niet uitvoeren van verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden.

2. Onverminderd het eerste lid meldt een subsidie-ontvanger verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden tot vijf jaar na de subsidievaststelling bij de minister.

3. De subsidievaststelling wordt ingevolge artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht, ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien tot vijf jaar na de subsidievaststelling sprake is van een toename van het gerealiseerde vermogen als gevolg van verbeterwerkzaamheden of verhoging van de restwaarde door alternatiefwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.4.13

1. De subsidie-ontvanger verstrekt binnen vier weken na de boring van een put en het uitvoeren van de puttest, de resultaten van deze puttest aan de Minister.

2. De subsidie-ontvanger verstrekt binnen vier weken na verbeterwerkzaamheden en het uitvoeren van de puttest, de resultaten van deze puttest aan de Minister.

3. Het geologisch onderzoek en de puttest worden uitgevoerd door een ISO 9001 gecertificeerde instelling.

4. De subsidie-ontvanger maakt de resultaten van het geologische onderzoek binnen acht weken na de start, bedoeld in artikel 3.4.11, eerste lid, openbaar.

5. De subsidie-ontvanger maakt binnen vier weken na datum van de beschikking tot subsidievaststelling de resultaten openbaar van de puttest of puttesten en overige onderzoeksresultaten die door de subsidie-ontvanger als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.4.5 worden aangemerkt.

Artikel 3.4.14

1. De subsidie-ontvanger voltooit de aardwarmteboringen uiterlijk twaalf maanden na de datum van aanvang van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject, bedoeld in artikel 3.4.13, eerste lid.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt met twaalf maanden verlengd indien uit de mededeling, bedoeld in artikel 3.4.12, eerste lid, blijkt dat de subsidie-ontvanger verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden wil uitvoeren.

3. De minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 3.4.15

De artikelen 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 3.4.16

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.4.1.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.4.2.

Paragraaf 3.5. Bioraffinage

Artikel 3.5.1

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

      *biomassa:* landbouwgewassen, organische reststromen zijnde dierlijk en plantaardig, landbouwreststromen, bosbouw reststromen, hout en aquatische biomassa;

      *bioraffinage:* technologie of combinatie van technologieën waarbij biomassa op duurzame wijze wordt omgezet in een cascade van vermarktbare producten: voedsel, veevoer, chemicaliën, brandstof en energie op een economisch gezonde basis met een minimale afvalproductie;

      *demonstratieproject bioraffinage:* een project waarbij installaties voor een bioraffinaderij aangeschaft, voortgebracht, geïnstalleerd, en doorontwikkeld worden tot continue bedrijfsvoering;

      *duurzaam:* economisch bestendige reductie van het gebruik van fossiele grond- en brandstoffen met minimale gevolgen voor het milieu en rekening houdend met socio-economische aspecten;

      *geavanceerde biobrandstoffen:* biobrandstoffen die door de keuze voor nieuwe grondstof-omzettingsproces-combinaties een hoge CO_2eq-ketenprestatie halen met minimale inzet van biomassa en als gevolg minimale concurrentie met de voedingsketen. Aspecten van geavanceerde biobrandstoffen zijn:
    
      
        a.
        beter milieurendement c.q. duurzamer, niet ten koste van andere milieudoelen (zie duurzaamheidscriteria in het Toetsingskader duurzame biomassa);
      
      
        b.
        op termijn van 510 jaar concurrerend op kosten met huidige grondstof-proces-combinaties;
      
      
        c.
        brede toepasbaarheid in huidig en toekomstig wagenpark;

a. a. beter milieurendement c.q. duurzamer, niet ten koste van andere milieudoelen (zie duurzaamheidscriteria in het Toetsingskader duurzame biomassa); b. b. op termijn van 510 jaar concurrerend op kosten met huidige grondstof-proces-combinaties; c. c. brede toepasbaarheid in huidig en toekomstig wagenpark;

      *Minister van LNV:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

      *pilotproject bioraffinage:* verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande of niet bestaande kennis en vaardigheden op het gebied van bioraffinage ten behoeve van het ontwikkelen en bouwen van een prototype en het experimenteren hiermee;

      *referentiekosten:* Kosten voor een investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met het uit te voeren pilotproject bioraffinage of demonstratieproject bioraffinage maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project, bij vergelijkbare productiecapaciteit;

2. Deze paragraaf berust op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

3. Het Kaderbesluit EZ-subsidies is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5.2

1.

De Minister van LNV verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

a. a. een ondernemer voor een demonstratieproject bioraffinage dat past in een of meerdere bioraffinage thema's waarin:

        1°.
        nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of
      
      
        2°.
        nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast;

1°. 1°. nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of 2°. 2°. nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast; b. b. een ondernemer voor een pilotproject bioraffinage dat past in een of meerdere bioraffinage thema's waarin:

        1°.
        nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of
      
      
        2°.
        nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast;

1°. 1°. nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of 2°. 2°. nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast; c. c. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een in sub a of b genoemd project bioraffinage uitvoert.

2.

Bioraffinage thema's als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. bioraffinage van Nederlandse gewassen; b. b. bioraffinage van geïmporteerde biomassa rond Nederlandse havens; c. c. bioraffinage van afval- en reststromen; d. d. bioraffinage van aquatische biomassa.

3.

Geen subsidie wordt verstrekt aan:

a. a. projecten die betrekking hebben op de productie van biomassa en teelt van aquatische biomassa; b. b. projecten die uitsluitend betrekking hebben op de productie van biobrandstoffen of energie; c. c. projecten die betrekking hebben op ontwikkeling en demonstratie van zogenaamde eerste generatie biobrandstoftechnologie.

4.

De productie van biobrandstoffen kan slechts onderdeel uitmaken van een demonstratieproject bioraffinage of een pilotproject bioraffinage, indien:

a. a. het project betrekking heeft op de geïntegreerde co-productie van biobrandstoffen met andere vermarktbare producten, zoals voedsel, veevoer, chemicaliën en energie; b. b. het biobrandstoffendeel betrekking heeft op de productie van geavanceerde biobrandstoffen.

Artikel 3.5.3

1. Een samenwerkingsverband dat een demonstratieproject bioraffinage uitvoert, bestaat alleen uit ondernemers.

2. Een samenwerkingsverband dat een pilotproject bioraffinage uitvoert, bestaat uit ten minste een ondernemer.

3. De penvoerder in een samenwerkingsverband dat een pilotproject bioraffinage uitvoert is een ondernemer.

Artikel 3.5.4

1. De subsidie voor een pilotproject bioraffinage bedraagt niet meer dan € 1.000.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

2. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage 35 procent van de subsidiabele kosten gemaakt door de ondernemer, maar niet meer dan € 4.000.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 4.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 4.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

3. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een middelgrote onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

4. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

5. Voor de berekening van de in het tweede lid genoemde subsidiabele kosten is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing met dien verstande dat in de onderdelen c en d van het eerste lid van artikel 1.4 de woorden duurzame energiehuishouding worden gelezen als: toename van het niveau van milieubescherming.

6. Op een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage is artikel 10, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3.5.5

De Minister van LNV verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.5.6

Op een subsidie voor een pilotproject bioraffinage en een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage is niet van toepassing artikel 23, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.5.7

1. Er is een Adviescommissie bioraffinage, die tot taak heeft de Minister van LNV op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, en artikel 23, onderdelen b tot en met i van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.5.10, tweede lid..

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.

3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van één jaar.

Artikel 3.5.8

1. Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover door de Adviescommissie bioraffinage aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding.

2. De Adviescommissie baseert zich op de afwijzingsgronden en rangschikkingcriteria, bedoeld in artikel 3.5.10.

Artikel 3.5.9

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is drie jaar en zes maanden.

Artikel 3.5.10

1. De Minister van LNV beslist afwijzend op een aanvraag voor zover hij van oordeel is dat anders zou worden gehandeld in strijd met de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

De Minister van LNV rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan de ontwikkeling en demonstratie van bioraffinagefaciliteiten, die leiden tot meerdere vermarktbare producten; b. b. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan een verduurzaming van de grondstofvoorziening voor de industrie (bijv. chemische) en de energiesector; c. c. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer herhalings- en opschalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale en internationale praktijk.

3. Voor de rangschikking weegt het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 35/100, het in het tweede lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 30/100, het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 20/100 en het in het tweede lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 15/100. Er geldt een drempel van 60 van de 100 punten.

Artikel 3.5.11

Op een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage zijn niet van toepassing de artikelen 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.5.12

1. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na datum van de beschikking tot subsidieverlening met de uitvoering van het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage.

2. De subsidieontvanger voltooit het demonstratieproject bioraffinage binnen drie jaar na aanvang van het demonstratieproject bioraffinage.

3. De subsidieontvanger voltooit het pilotproject bioraffinage binnen drie jaar na aanvang van het pilotproject bioraffinage.

Artikel 3.5.13

1. De subsidieontvanger voert het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage hoofdzakelijk in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de Minister van LNV voor (gedeeltelijke) uitvoering buiten Nederland.

2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 3.5.14

In aanvulling op de artikelen 37 en 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies staan aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa in het projectplan en de eindrapportage ook gegevens over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa in het demonstratieproject bioraffinage of in het pilotproject bioraffinage.

Artikel 3.5.15

1. Een vooraanmelding wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.5.1.

2. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.5.2.

3. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 2.1.3.

Artikel 3.5.16

Vooraanmeldingen, ingediend krachtens artikel 9.9 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie, gelden als vooraanmeldingen als bedoeld in artikel 3.5.8 van de Subsidieregeling energie en innovatie.

Paragraaf 3.6. Voorbereidingsstudies en demonstratieprojecten vergassing

Artikel 3.6.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *demonstratieproject vergassing:* een project waarin vergassingstechniek wordt gedemonstreerd en doorontwikkeld tot een continue bedrijfsvoering, waarvan de schaalgrootte minimaal 10 MW en maximaal 50 MW (input thermisch) bedraagt, waarvoor zuivere biomassa, biomassa mengstromen of afvalfracties als brandstof dienen en waarvan het synthesegas wordt gebruikt voor warmtekracht/koppeling, toepassing in de industrie, opwerking tot vervangend aardgas of andere hoogwaardige energiedragers alsmede de verspreiding van de verkregen kennis en de vermarkting van de ontwikkelde technologie;

    *vergassing:* een thermisch proces dat plaatsvindt bij temperaturen boven 800 °C, waarbij de brandstof met een hoog rendement wordt omgezet in een synthesegas dat flexibel inzetbaar is;

    *voorbereidingsstudie:* een studie ter voorbereiding van een aanvraag voor een demonstratieproject vergassing waarbij de aanvrager onderzoekt of en aantoont dat de door hem ontwikkelde technologie voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan een demonstratieproject vergassing.

Artikel 3.6.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een voorbereidingsstudie.

2. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een demonstratieproject vergassing.

3. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn het eerste en tweede lid ook van toepassing op niet in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

4. Geen subsidie wordt verstrekt aan natuurlijke personen.

Artikel 3.6.3

1. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

2. Op een subsidie voor een demonstratieproject vergassing is artikel 10, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3.6.4

1. De subsidie, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 25.000 per project. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 25.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 25.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

2. De subsidie, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 4.000.000 per project. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 4.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 4.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

3. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt, voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

4. Voor de berekening van de subsidiabele kosten van een demonstratieproject vergassing is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing.

Artikel 3.6.5

1. De minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2. De minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, op de volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.6.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, indien de aanvrager geen aantoonbare ervaring heeft in innovatieve vergassingstechnologie.

Artikel 3.6.7

1. Er is een Adviescommissie demonstratieprojecten vergassing, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van artikel 3.6.2, tweede lid.

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.

3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar.

Artikel 3.6.8

1. De Adviescommissie demonstratieprojecten vergassing adviseert de minister over de afwijzingsgronden bedoeld in artikel 23, onderdelen e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikking, bedoeld in het derde lid.

2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, indien hij van oordeel is dat het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling.

3.

De minister rangschikt de aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO_2 reductie of PJ per jaar op projectniveau; c. c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een meer structureel onderdeel is van de demonstratie; e. e. een beter plan voorligt voor de opstartfase van de vergasser teneinde de vergassingstechnologie door te ontwikkelen tot een continue bedrijfsvoering van ten minste 5000 uur/jaar; f. f. een beter marketingplan voorligt om de vergassingstechnologie uit te rollen in Nederland.

4. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het derde lid even zwaar.

Artikel 3.6.9

1. De subsidieontvanger voltooit de voorbereidingsstudie binnen zes maanden na datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidieontvanger start het demonstratieproject vergassing binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening en voltooit het uiterlijk binnen 4 jaar na de start van het project.

3. De subsidieontvanger voert het demonstratieproject vergassing in Nederland uit.

4. De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde demonstratieproject vergassing, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

6. Op een subsidie voor een demonstratieproject vergassing is artikel 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3.6.10

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 3.6.1; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 3.7. Wind op zee-projecten

Artikel 3.7.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder wind op zee-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen bijlage 3.7.1.

Artikel 3.7.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een wind op zee project.

2. Een samenwerkingsverband voert een project uit voor gezamenlijke rekening en risico.

3. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit een onderneming en een kennisinstelling.

4. De subsidieontvanger voert het wind op zee project hoofdzakelijk in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

5. Binnen een wind op zee-project kan ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten besteed worden aan met het project samenhangend fundamenteel onderzoek.

Artikel 3.7.3

1. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een demonstratieproject wind op zee 40 procent van de subsidiabele kosten, voor zover die kosten betrekking hebben op activiteiten, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

2.

De subsidie bedraagt voor een wind op zee project:

a. a. in afwijking van de Regeling steunintensiteit ten hoogste 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

3. Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op een combinatie van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende subsidiabele kosten.

4. De in het eerste en tweede lid genoemde percentages worden, met uitzondering van het percentage genoemd in het tweede lid, onder a, met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

5. De subsidiabele kosten van een demonstratieproject worden berekend in overeenstemming met artikel 23 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en met inachtneming van artikel 14a, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.7.4

Bij toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten de bijdragen van de Europese Commissie op grond van Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (PbEU 2006, L 412) en Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).

Artikel 3.7.5

Voor zover de projectkosten betrekking hebben op activiteiten als bedoeld in artikel 3.7.3, eerste lid, is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing en zijn de artikelen 10, derde lid, 38, eerste lid, onder b t/m d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3.7.6

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.7.7

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 3.7.8

1. Er is een Adviescommissie Wind op Zee die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, aanhef en onder e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 3.7.9, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.7.10.

2. De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste tien leden.

3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd.

Artikel 3.7.9

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. per criterium, bedoeld in artikel 3.7.10 niet minimaal 2,5 van de maximaal 5 punten zijn verkregen; b. b. in totaal voor de gezamenlijke criteria, bedoeld in artikel 3.7.10 niet 12 punten of meer verkregen zijn; c. c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; d. d. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het wind op zee-project leidt tot duurzame energieproductie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 3.7.10

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan de kwantitatieve reductie van de kostprijs van windenergie op zee in 2020; b. b. het project meer bijdraagt aan omzet en werkgelegenheid van de Nederlandse windenergie op zee sector in 2020; c. c. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de samenstelling van het consortium, deelname van cruciale partijen uit de waardeketen of van het MKB, het publicatieplan en de plannen voor het intellectuele eigendom, de technische of wetenschappelijke onderzoeksmethode, het projectplan en de projectorganisatie; d. d. de projectopzet kosteneffectiever is en voor het project minder subsidie wordt aangevraagd in verhouding tot wat maximaal voor het project op grond van deze paragraaf mogelijk is.

2. Voor de rangschikking tellen de criteria even zwaar.

3. Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 3.7.11

1. De subsidie-ontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het wind op zee-project.

2. De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project conform het publicatieplan.

3. Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met Topsector Energie-subsidie van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 3.7.12

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie, bedoeld in artikel 3.7.2, is opgenomen in bijlage 3.7.2; b. b. subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.7.3.

Paragraaf 3.7a. Wind op zee-haalbaarheidstudies

Artikel 3.7a.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder wind op zee-haalbaarheidsstudie: samenstel van activiteiten, dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de technische en economische mogelijkheden van door een MKB-ondernemer voorgenomen industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, dat past binnen bijlage 3.7.1.

Artikel 3.7a.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een MKB-ondernemer voor het uitvoeren van een wind op zee-haalbaarheidsstudie.

Artikel 3.7a.3

1. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een wind op zee-haalbaarheidsstudie ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt maximaal € 50.000 per wind op zee-haalbaarheidsstudie.

Artikel 3.7a.4

Bij toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten de bijdragen van de Europese Commissie op grond van Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (PbEU 2006, L 412) en Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).

Artikel 3.7a.5

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.7a.6

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is 12 maanden.

Artikel 3.7a.7

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. de voorgenomen activiteiten waarop de wind op zee-haalbaarheidsstudie betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de wind op zee-haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen; b. b. het projectplan voor de wind op zee-haalbaarheidsstudie onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de wind op zee-haalbaarheidsstudie betrekking heeft.

Artikel 3.7a.8

1. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van de wind op zee-haalbaarheidsstudie.

2. De subsidieontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project conform het publicatieplan.

3. Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met Topsector Energie-subsidie van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 3.7a.9

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie als bedoeld in artikel 3.7a.2, is opgenomen in bijlage 3.7.2; b. b. subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.7.3.

Paragraaf 3.8. Programma industriële warmtebenutting

Paragraaf 3.8.1. Algemeen

Artikel 3.8.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *datahotel:*
  
  een gebouw waarin één of meerdere computerruimtes zijn gehuisvest, met de primaire functie het ondersteunen van dataverwerking, dataopslag en datatransport;

    *glastuinbouwbedrijf:*
  
  een bedrijf dat als hoofdactiviteit gewassen teelt onder een permanente opstand van glas of kunststof;

    *haalbaarheidsonderzoek warmtereductie:*
  
  een milieustudie waardoor inzicht wordt verschaft in de technische, economische en organisatorische haalbaarheid van het zo nuttig mogelijk gebruiken van warmte van een industriële onderneming op een bestaande productielocatie, welke studie voldoet aan de vereisten van bijlage 3.8.1;

    *haalbaarheidsonderzoek-samenwerkingsverband:*
  
  een samenwerkingsverband waarvan minstens één industriële onderneming, zijnde potentiële leverancier van restwarmte, deel uitmaakt;

    *hernieuwbare warmte:*
  
  warmte of koude geproduceerd uit de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: zonne-energie, geothermische energie, biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 500, 550 tot en met 559, 587, 592, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

    *industriële onderneming:*
  
  een productief-technisch bedrijf waarbij warmte een belangrijke rol speelt in het productieproces, niet zijnde een bedrijf met elektriciteitsopwekking als belangrijkste economische activiteit;

    *investeringsproject industriële warmtebenutting:*
  
  investeringsproject waarbij het nuttig gebruik van restwarmte of het nuttiger gebruik van warmte van een andere industriële onderneming of van een datahotel, wordt gerealiseerd in het productieproces van de subsidieaanvrager of waarbij hernieuwbare warmte afkomstig van de subsdieaanvrager wordt ingevoed in een bestaand warmtenet;

    *milieustudie:*
  
  een studie als bedoeld in artikel 24 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    *NTA 8003:*
  
  2008: de Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;

    *nuttig gebruik van warmte:*
  
  efficiënt en optimaal gebruik van warmte binnen een industriële onderneming, hergebruik van restwarmte of het invoeden van restwarmte in een warmtenet;

    *restwarmte:*
  
  warmte of koude die in de huidige situatie beschikbaar is, maar niet nuttig gebruikt wordt bij het productieproces;

    *warmte/koude:*
  
  een vorm van energieoverdracht waarbij de drijvende kracht wordt gevormd door een temperatuurverschil;

    *warmtenet:*
  
  een geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw van een producent of van een afnemer en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat gebouw.

Paragraaf 3.8.2. Haalbaarheidsonderzoek warmtereductie

Artikel 3.8.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer die een industriële onderneming in stand houdt of een deelnemer in een haalbaarheidsonderzoek-samenwerkingsverband, die een haalbaarheidsonderzoek warmtereductie uitvoert.

Artikel 3.8.3

1. De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt maximaal € 100.000 per haalbaarheidsonderzoek warmtereductie. Indien sprake is van een haalbaarheidsonderzoek-samenwerkingsverband wordt, indien het totale subsidiebedrag meer bedraagt dan € 100.000, het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 3.8.4

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.8.5

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is een jaar.

Artikel 3.8.6

De afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 23, onderdeel d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 3.8.7

1. De subsidie-ontvanger rondt het haalbaarheidsonderzoek af binnen een jaar na subsidieverlening.

2. De subsidie-ontvanger stelt de minister op de hoogte van de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek warmtereductie, waarbij vertrouwelijke bedrijfsgegevens mogen worden weggelaten.

3. De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek warmtereductie, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

4. De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden gedurende vijf jaren na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Paragraaf 3.8.3. Investeringsproject industriële warmtebenutting

Artikel 3.8.8

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die een industriële onderneming in stand houdt voor een investeringsproject industriële warmtebenutting.

Artikel 3.8.9

1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.

2. De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per subsidie-ontvanger.

3. Voor de berekening van de subsidiabele kosten is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing.

Artikel 3.8.10

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.8.11

De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.8.13 en artikel 23, onderdelen d tot en met g van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.8.14.

Artikel 3.8.12

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is drie jaar.

Artikel 3.8.13

1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien niet aannemelijk is gemaakt dat de industriële onderneming die de restwarmte levert, geen rendabele mogelijkheden heeft om diezelfde restwarmte binnen de interne processen te benutten.

2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

a. a. de industriële onderneming die de restwarmte levert aan de subsidieaanvrager een glastuinbouwbedrijf is; b. b. indien op het bestaande warmtenet waarop hernieuwbare warmte wordt ingevoed uitsluitend glastuinbouwbedrijven als afnemers zijn aangesloten.

3. Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvragersubsidie op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie heeft aangevraagd of is verleend voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt geproduceerd door verwerking van biomassa en voor het invoeden van warmte uit diezelfde installatie op een warmtenet subsidie op grond van deze paragraaf wordt aangevraagd of is verleend.

Artikel 3.8.14

1.

De minister rangschikt aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. de slaagkans van het project groter is; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in termen van CO_2-reductie; c. c. de toepassing van de ingezette restwarmte of hernieuwbare warmte exergetisch hoogwaardiger is; d. d. het herhalingspotentieel van het project groter is; e. e. de kosteneffectiviteit, uitgedrukt in euros subsidie per ton vermeden CO_2, groter is.

2. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, tweemaal zo zwaar als de overige criteria.

Artikel 3.8.15

De subsidie-ontvanger rondt het investeringsproject industriële warmtebenutting af binnen drie jaar na subsidieverlening.

Artikel 3.8.16

Op subsidie voor investeringsprojecten industriële warmtebenutting zijn de artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3.8.17

1. De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde investeringsproject industriële warmtebenutting, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaren na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Paragraaf 3.8.4. Formulieren

Artikel 3.8.18

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 3.8.2; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

Paragraaf 3.9. Effectieve en efficiënte vergistingketen

Artikel 3.9.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *demonstratieproject vergistingketen:* een demonstratieproject waarbij een techniek uit de vergistingketen wordt gedemonstreerd en doorontwikkeld tot continue bedrijfsvoering of waarin innovatieve organisatie of samenwerking in de vergistingketen wordt gedemonstreerd en dat leidt tot een substantiële kostenreductie in en verbetering van de rentabiliteit van de vergistingketen, of het wegnemen van technische belemmeringen voor invoeding van hernieuwbaar gas in een gasnet en voor levering aan een vulstation;

    *gas:* gas als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet;

    *hernieuwbaar gas:* gas opgewekt in een productie-installatie door de vergisting van biomassa onder anaerobe omstandigheden, waarvan methaan en kooldioxide de hoofdbestanddelen zijn;

    *output:* de hoofdproducten hernieuwbaar gas en de bijproducten digestaat, kooldioxide en warmte;

    *pilotproject vergistingketen:* het verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande of niet bestaande kennis en vaardigheden binnen de vergistingketen ten behoeve van het ontwikkelen en bouwen van een prototype en het experimenteren hiermee en dat leidt tot een substantiële kostenreductie in en verbetering van de rentabiliteit van de vergistingketen, of het wegnemen van technische belemmeringen voor invoeding van hernieuwbaar gas in een gasnet en voor levering aan een vulstation;

    *sociale innovatie:* innovatief samenwerken of organiseren binnen een pilotproject vergistingketen of een demonstratieproject vergistingketen;

    *vergistingketen:* de keten van inzameling van vergistbare biomassa, voorbehandeling, vergisting, gasreiniging, opwaardering van hernieuwbaar gas en verwaarding van de output inclusief invoeding van hernieuwbaar gas in het aardgasnet of levering aan vulstations.

Artikel 3.9.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband of een ondernemer die een pilotproject vergistingketen of een demonstratieproject vergistingketen uitvoert.

2. Indien deelnemers in een samenwerkingsverband een aanvraag indienen is een ondernemer de penvoerder.

3. Subsidie kan ook worden verstrekt aan een niet in Nederland gevestigde deelnemer in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

Artikel 3.9.3

De subsidie voor een pilotproject vergistingketen bedraagt niet meer dan € 750.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 750.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 750.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 3.9.4

1. In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een demonstratieproject vergistingketen 40 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 1.000.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een middelgrote onderneming in stand houdt en met 20 procentpunten voor iedere aanvrager die een kleine onderneming in stand houdt, voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

3. Voor de berekening van de subsidiabele kosten van een demonstratieproject vergistingketen is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing.

Artikel 3.9.5

1. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

2. In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kiest een buiten Nederland gevestigde aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit de integrale kostensystematiek of de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, opgenomen in de artikelen 12 onderscheidenlijk 13 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.9.6

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.9.7

De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.9.9, eerste lid, en in artikel 23, onderdelen b tot en met i, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.9.10.

Artikel 3.9.8

1. Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover door de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding ontvangen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze paragraaf tot en met 28 april 2010; vooraanmeldingen moeten zijn ontvangen op de genoemde einddatum om 17.00 uur.

2. De Adviescommissie baseert zich op de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.9.9, eerste lid, en in artikel 23, onderdelen b tot en met i, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.9.10.

Artikel 3.9.9

1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. het pilotproject vergistingketen of het demonstratieproject vergistingketen betrekking heeft op het telen of kweken van biomassa; b. b. het pilotproject vergistingketen of het demonstratieproject vergistingketen betrekking heeft op omzettingstechnologie van hernieuwbaar gas naar elektriciteit en warmte.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is:

a. a. voor een pilotproject vergistingketen drie jaar; b. b. voor een demonstratieproject vergistingketen drie jaar.

Artikel 3.9.10

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een pilotproject vergistingketen onderscheidenlijk een demonstratieproject vergistingketen hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de criteria omtrent:

a. a. economisch perspectief; b. b. duurzaamheid; c. c. technologische of sociale innovatie; d. d. samenwerking en kennisoverdracht.

2.

Als criteria voor economisch perspectief, duurzaamheid, technologische of sociale innovatie en samenwerking en kennisoverdracht als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld:

a. a. economisch perspectief: de mate waarin het project bijdraagt aan kostprijsdaling en rentabiliteitsverbetering van de vergistingketen of technische belemmeringen wegneemt voor invoeding van hernieuwbaar gas in een gasnet of levering aan vulstations en economische meerwaarde creëert in Nederland, gebaseerd op het opschalings- en herhaalpotentieel, gelet op kostprijsontwikkeling, vooruitzichten voor opbrengsten en marktverwachting; b. b. duurzaamheid: de mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de broeikasgasbalans in CO_2- equivalenten en de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO_2-reductie of PJ per jaar op projectniveau en in absolute CO_2-reductie of PJ voor Nederland, gebaseerd op het opschalings- en herhaalpotentieel, gelet op kostprijsontwikkeling, vooruitzichten voor opbrengsten en marktverwachting; c. c. technische of sociale innovatie: de mate waarin het pilotproject vergistingketen technisch of sociaal innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale en internationale praktijk of het demonstratieproject vergistingketen technisch of sociaal innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale praktijk; d. d. samenwerking en kennisoverdracht: de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van een eventueel samenwerkingsverband en de expertise van de partijen die het project uitvoeren en de mate waarin kennisoverdracht een meer structureel onderdeel is van het project.

3. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in onderdeel a van het eerste lid, mee voor 35/100, het criterium, genoemd in onderdeel b van het eerste lid, voor 25/100, het criterium, genoemd in onderdeel c van het eerste lid, voor 25/100, en het criterium, genoemd in onderdeel d van het eerste lid, voor 15/100.

4. Geen subsidie wordt verleend indien een pilotproject vergistingketen of een demonstratieproject vergistingketen minder dan 70 van de 100 punten worden toegekend.

Artikel 3.9.11

1. De subsidieontvanger voltooit het pilotproject vergistingketen uiterlijk drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidieontvanger voltooit het demonstratieproject vergistingketen uiterlijk drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

3. De subsidieontvanger voert het pilotproject vergistingketen of het demonstratieproject vergistingketen hoofdzakelijk in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

4. De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde pilotproject vergistingketen of demonstratieproject vergistingketen, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlengd. Deze verplichting geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.9.12

1.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 3.9.1; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.1.3.

2. Het formulier voor het indienen van een vooraanmelding is opgenomen in bijlage 3.9.3.

Paragraaf 3.10

Artikel 3.10.1

Vervallen

Artikel 3.10.2

Vervallen

Artikel 3.10.3

Vervallen

Artikel 3.10.4

Vervallen

Artikel 3.10.5

Vervallen

Artikel 3.10.6

Vervallen

Artikel 3.10.7

Vervallen

Artikel 3.10.8

Vervallen

Artikel 3.10.9

Vervallen

Artikel 3.10.10

Vervallen

Artikel 3.10.11

Vervallen

Paragraaf 3.11

Artikel 3.11.1

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

aansluiting: een aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998; elektriciteitsnet: een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998; productie-installatie: een samenstel van voorzieningen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit; zonnepanelen: een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen.

2. Onder koop wordt in deze paragraaf mede verstaan huurkoop.

Artikel 3.11.2

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een natuurlijk persoon, niet zijnde een ondernemer, voor de koop van zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp die in Nederland op een onroerende zaak of een woonboot worden geïnstalleerd.

Artikel 3.11.3

1. De subsidie voor de koop van zonnepanelen met een vermogen tot en met 3,5 kWp bedraagt 15% van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 650.

2. De subsidie voor de koop van zonnepanelen met een vermogen groter dan 3,5 kWp bedraagt 15% van de subsidiabele kosten gedeeld door het vermogen van de zonnepanelen in kWp vermenigvuldigd met 3,5, maar niet meer dan € 650.

Artikel 3.11.4

In afwijking van de artikelen 10, eerste en tweede lid, en 11 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen:

a. a. de rechtstreeks aan de koop van niet eerder gebruikte zonnepanelen inclusief niet eerder gebruikte toebehoren toe te rekenen betaalde of te betalen kosten van derden in aanmerking voor subsidie; b. b. vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten in aanmerking voor subsidie.

Artikel 3.11.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.11.6

1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

a. a. er door de aanvrager geen overeenkomst voor de koop van fotovoltaïsche zonnepanelen waarop de aanvraag betrekking heeft is gesloten; b. b. de aanvrager op grond van een bepaling in de overeenkomst voor de koop van fotovoltaïsche zonnepanelen waarop de aanvraag betrekking heeft, de overeenkomst kan ontbinden op andere gronden dan dat er geen subsidie wordt verstrekt op grond van deze paragraaf; c. c. de aanvrager vóór 2 juli 2012 ter zake van de koop van de zonnepanelen waarop de aanvraag betrekking heeft, verplichtingen is aangegaan; d. d. er voor het adres waarop de zonnepanelen worden geïnstalleerd reeds subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf; e. e. er voor de koop of het installeren van de zonnepanelen waarop de aanvraag betrekking heeft een subsidie van meer dan € 0,- is verstrekt door een bestuursorgaan; f. f. op het moment van indienen van de aanvraag geen toestemming van de eigenaar van de onroerende zaak waarop de zonnepanelen worden geïnstalleerd is verkregen; g. g. de zonnepanelen worden aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; h. h. in de aanvraag wordt verzocht om uitbetaling van de subsidie op een rekening die niet van de aanvrager is.

2. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Artikel 3.11.7

1. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de zonnepanelen binnen 6 maanden na de beschikking tot subsidieverlening zijn geïnstalleerd.

2. De verplichtingen, genoemd in de artikelen 36, 37 en 40 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Artikel 3.11.8

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld binnen 9 maanden na de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.11.9

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 3.11.1.

Hoofdstuk 3a. Indirecte emissiekosten ETS

Artikel 3a.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    *CO2-emissiefactor:* 0,76 tCO_2/MWh;

    *efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik:* het op Prodcom 8-niveau gedefinieerde productspecifieke elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh/ton output, dat wordt bereikt met de meest elektriciteitsefficiënte productiemethoden voor het beschouwde product. Voor producten in de in aanmerking komende bedrijfstakken en deeltakken, bedoeld in bijlage 3A.1, waarvoor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit werd vastgesteld in Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2011, L 130), worden de efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik binnen dezelfde systeemgrenzen vastgesteld, uitsluitend rekening houdend met het aandeel elektriciteit. De overeenkomstige elektriciteitsverbruikbenchmarks voor producten die vallen onder de in aanmerking komende bedrijfstakken en deeltakken, bedoeld in bijlage 3A.1, zijn opgenomen in bijlage 3A.2;

    *EUA-termijnkoers:* het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse 1-jaarstermijnkoersen van EUA's (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar waarvoor de subsidie wordt verleend, zoals waargenomen op een Europese EUA koolstofbeurs van 1 januari tot en met 31 december in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd;

    *fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik:* 80 procent van het referentie-elektriciteitsverbruik. De fallback-benchmark wordt toegepast voor alle producten en processen die vallen onder in aanmerking komende bedrijfstakken of deeltakken, maar niet door de in bijlage 3A.2 opgenomen efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik worden gedekt;

    *indirecte emissiekosten ETS:* door elektriciteitsbedrijven doorberekende CO_2-kosten in de elektriciteitsprijzen als gevolg van deelname aan het Europese emissiehandelssysteem als bedoeld in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU 2003, L 275);

    *inrichting:* een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, van de Wet milieubeheer;

    *referentie-elektriciteitsverbruik:* het gemiddelde elektriciteitsverbruik, voor de vervaardiging van producten in bedrijfstakken of deeltakken, bedoeld in bijlage 3A.1, in MWh, van de inrichting, voor de vervaardiging van producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is vastgesteld gedurende de referentieperiode 2005-2011 in het geval van inrichtingen die van 2005 tot en met 2011 elk jaar in bedrijf waren. Een bepaald kalenderjaar kan worden uitgesloten uit die 7-jarige referentieperiode. Indien de inrichting van 2005 tot en met 2011 ten minste één jaar niet in bedrijf was, wordt het referentie-elektriciteitsverbruik gelijkgesteld aan het jaarlijkse elektriciteitsverbruik tot er gegevens beschikbaar zijn over vier bedrijfsjaren; vanaf dan is het referentie-elektriciteitsverbruik gelijk aan het gemiddelde over de voorafgaande drie jaren waarvoor bedrijfsgegevens beschikbaar zijn;

    *referentie-output:* de gemiddelde productie, in ton per jaar van het product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is vastgesteld, in de inrichting gedurende de referentieperiode 20052011 in het geval het product in 2005 tot en met 2011 elk jaar geproduceerd is in die inrichting. Een bepaald kalenderjaar kan worden uitgesloten uit die 7-jarige referentieperiode. Indien de inrichting van 2005 tot en met 2011 ten minste één jaar dit product niet produceerde, wordt de referentie-output gelijkgesteld aan de jaarlijkse productie tot er gegevens beschikbaar zijn over vier bedrijfsjaren; vanaf dan is de referentie-output gelijk aan het gemiddelde over de drie voorafgaande jaren van die periode.

Artikel 3a.2

In afwijking van artikel 1.5 valt deze paragraaf niet onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3a.3

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die een inrichting drijft waar producten worden vervaardigd in bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO_2-weglekrisico ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies, bedoeld in bijlage 3A.1.

Artikel 3a.4

1.

In afwijking van de Regeling steunintensiteit wordt de hoogte van de subsidie voor de kosten die in het jaar t zijn gemaakt:

a. a. voor elk product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, afzonderlijk berekend overeenkomstig de volgende formule: Ait * C * Pt-1 * E * BO. In deze formule betekent: Ait: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage; C: de CO_2-emissiefactor; Pt-1: de EUA-termijnkoers in jaar t-1 (Euro/tCO_2); E: de toepasselijk productspecifieke efficiëntiebenchmark als omschreven in bijlage 3A.2; BO: de referentie-output van het toepasselijk product. b. b. voor producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, berekend met gebruikmaking van de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik overeenkomstig de volgende formule: Ait *C *Pt-1 * EF *BEC. In deze formule betekent: Ait: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage; C: de CO_2-emissiefactor; Pt-1: de EUA-termijnkoers in jaar t-1 (Euro/tCO_2); EF: de fallback-benchmark voor elektriciteitsverbruik; BEC: het referentie-elekriciteitsverbruik (MWh).

2.

De hoogte van het subsidiebedrag wordt verminderd met het bedrag in euro dat overeenkomt met de indirecte emissiekosten ETS van 1.000 MWh, berekend overeenkomstig de volgende formule:

Ait *C *Pt-1 * EF *BEC.

In deze formule betekent:

Ait: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage;

*C: *de CO_2-emissiefactor;

Pt-1: de EUA-termijnkoers in jaar t-1 (Euro/tCO_2);

EF: de fallback-benchmark voor elektriciteitsverbruik;

BEC: 1.000 (MWh).

3. De steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 85 procent van de subsidiabele kosten gemaakt in 2013 tot en met 2015, 80 procent van de subsidiabele kosten gemaakt in 2016 tot en met 2018, en 75 procent van de subsidiabele kosten gemaakt in 2019 en 2020.

Artikel 3a.5

In aanvulling op artikel 3A.4 wordt:

a. a. de hoogte van het subsidiebedrag dat overeenstemt met de referentie-output gehalveerd wanneer het productieniveau van het product waarvoor een efficiëntie benchmark voor elektriciteitsverbruik is vastgesteld in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 50 tot 75 procent daalt ten opzichte van de referentie-output; b. b. de hoogte van het subsidiebedrag dat overeenstemt met de referentie-output met 75 procent verminderd wanneer het productieniveau van het product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is vastgesteld in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 75 tot 90 procent daalt ten opzichte van de referentie-output; c. c. de subsidie op nihil vastgesteld wanneer het productieniveau van het product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is vastgesteld in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 90 procent of meer daalt ten opzichte van de referentie-output.

Artikel 3a.6

In aanvulling op artikel 3A.4. wordt:

a. a. de hoogte van het subsidiebedrag dat overeenstemt met het referentie-elektriciteitsgebruik gehalveerd wanneer het elektriciteitsverbruik voor de vervaardiging van producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark is vastgesteld van een inrichting in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 50 tot 75 procent daalt ten opzichte van het referentie-elektriciteitsverbruik; b. b. de hoogte van het subsidiebedrag dat overeenstemt met het referentie-elektriciteitsgebruik met 75 procent verminderd wanneer het elektriciteitsverbruik voor de vervaardiging van producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark is vastgesteld van een inrichting in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 75 tot 90 procent daalt ten opzichte van de het referentie-elektriciteitsverbruik; c. c. de subsidie op nihil vastgesteld wanneer het elektriciteitsverbruik voor de vervaardiging van producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark is vastgesteld van een inrichting in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd 90 procent of meer daalt ten opzichte van de het referentie-elektriciteitsverbruik.

Artikel 3a.7

In afwijking van de artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 11 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie, voor zover deze kosten betrekking hebben op de vervaardiging van producten in bedrijfstakken of deeltakken, bedoeld in bijlage 3A.1.

Artikel 3a.8

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel 3a.9

1. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdeel a, b, c, d, e, f, g, h en j, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de subsidieaanvrager op 1 maart van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd niet is toegetreden tot een convenant waarin de subsidieaanvrager in het kader van met de minister, de Minister van Financiën en de Minister van Infrastructuur en Milieu gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Artikel 3a.10

Op een subsidie voor de indirecte emissiekosten ETS zijn de artikelen 37 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 3a.11

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3A.3.

Artikel 3a.12

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 4.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling energie en innovatie.

Bijlage 1.1. behorende bij

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

^1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

^1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

^2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

^3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

^4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 2.1.1. , behorende bij

Bijlage 2.1.2. , behorende bij de

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2.1.3. , behorende bij de

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2.4.1. behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2.4.2. behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2.4.3. (Programmalijnen BBE Innovatieprojecten)

Bijlage 2.4.4. (BBE KEW Projecten)

Bijlage 2.4.5. (Programmalijnen STEM)

Bijlage 2.4.6. (Programmalijnen BBEG)

Vervallen

Bijlage 2.4.7. (Programmalijnen Groen Gas)

Bijlage 2.4.8. (Programmalijnen Upstream Gas)

Bijlage 2.4.9. (Programmalijnen LNG)

Bijlage 2.4.10. (Programmalijnen Sgas en SDGas)

Vervallen

Bijlage 2.4.11. (Programmalijnen GAS)

Vervallen

Bijlage 2.4.12. (Programmalijnen en prioriteitsthemasWBS)

Vervallen

Bijlage 2.4.13. (Prioriteitsthemas ZEGO)

Bijlage 2.4.14. (Programmalijnen EnerGO)

Bijlage 2.4.15. (prioriteitsthemas programmalijn Dunne Film PV Technologieën)

Vervallen

Bijlage 2.4.16. (Programmalijnen Energiebesparing industrie: early-adopter projecten)

Bijlage 2.4.17. (Programmalijnen Energiebesparing industrie: pilotprojecten)

Bijlage 2.4.18. (Prioriteitsthemas PV-projecten)

Bijlage 2.4.19. (Demonstratie energie-innovatie)

Bijlage 2.4.20. (Programmalijnen Systeemintegratie)

Bijlage 2.4.21. (Programmalijnen Energiebesparing industrie: joint industry projects)

Bijlage 2.4.22. (Programmalijnen EnerGO: compacte conversie en opslag)

Bijlage 2.4.23. (Programmalijnen Smart grids)

Bijlage 3.1.1. behorende bij

De technische voorzieningen, bedoeld in artikel 3.1.1, definitie duurzame warmtemaatregel, zijn:

Bijlage 3.1.2. behorende bij

Bijlage 3.1.3. behorende bij

Bijlage 3.1.4. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.2.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.2.2. behorende bij

Vervallen

Bijlage 3.3.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.4.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.4.2. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.5.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.5.2. , behorende bij

Bijlage 3.6.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.7.1. Programmalijnen Wind op zee

Bijlage 3.7.2. behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.7.3. behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.8.1

Bijlage 3.8.2. , behorende bij artikel

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.8.3. behorende bij

Vervallen

Bijlage 3.9.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.9.2. , behorende bij

Vervallen

Bijlage 3.9.3. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.10.1. (programmalijnen Smart Grids)

Vervallen

Bijlage 3.10.2. (formulier aanvraag Smart Grids)

Bijlage 3.10.3. Aanvraag vaststelling subsidie

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.11.1. behorende bij

AANVRAAGFORMULIER

Naam van de regeling:

Zonnepanelen particulieren 2012

Bijlage 3a.1. , behorende bij

¹ http://ec.europa.eu/eurostat/ramon/nomenclatures/index.cfm?TargetUrl=LST_CLS_DLD&StrNom=NACE_1_1&StrLanguageCode=EN&StrLayoutCode=HIERARCHIC

Bijlage 3a.2. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bij bijlage 1 van Besluit 2011/278/EU is vastgesteld dat bij bepaalde productieprocessen brandstof en elektriciteit uitwisselbaar zijn. Bij deze producten is het niet passend om een benchmark in MWh/ton geproduceerd product vast te stellen. In plaats daarvan moeten de specifieke broeikasgasemissiecurven voor de directe emissies als uitgangspunt worden genomen. Voor deze processen zijn de productbenchmarks vastgesteld op basis van de som van de directe emissies (energie en procesemissies) en de indirecte emissies die door het gebruik van het uitwisselbare aandeel elektriciteit zijn ontstaan.

In deze gevallen moet de factor E in de formule voor de berekening van de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3A.4, eerste lid, onderdeel a, worden vervangen door de volgende term, die een bij Besluit 2011/278/EU vastgestelde productbenchmark omvormt tot een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik op basis van een gemiddelde Europese emissie-intensiteitsfactor van 0,465 tCO_2/MWh:

Bestaande productbenchmark uit bijlage 1 van Besluit 2011/278/EU (in tCO_2/t)

x het aandeel relevante indirecte emissies tijdens de referentieperiode* (%) / 0,465 (tCO_2/MWh).

Overeenkomstig artikel 14 van Besluit 2011/278/EU.

Bijlage 3a.3. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]