rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-esf-3/BWBR0012598/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

16 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling ESF-3 BWBR0012598 ministeriele-regeling geldend 2001-06-23 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012598 Subsidieregeling ESF-3

Subsidieregeling ESF-3

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. De minister verstrekt, overeenkomstig de regels van dit besluit, subsidie aan de nader krachtens dit besluit aangewezen rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees Sociaal Fonds Doelstelling 3.

2. De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op de subsidieverlening krachtens dit besluit.

Artikel 3

1.

Voor subsidie komen in aanmerking projecten met betrekking tot:

a. a. activerend arbeidsmarktbeleid voor werkzoekenden en arbeidsgehandicapten; b. b. inzetbaarheid beroepsbevolking onderscheiden naar:

        1e.
        preventie instroom in arbeidsongeschiktheid en verbetering arbeidsomstandigheden, of
      
      
        2e.
        vergemakkelijken van de combinatie arbeid en zorg;

1e. 1e. preventie instroom in arbeidsongeschiktheid en verbetering arbeidsomstandigheden, of 2e. 2e. vergemakkelijken van de combinatie arbeid en zorg; c. c. scholing van werkenden; d. d. onderwerpen, subsidiabel onder toepassing van artikel 4, tweede lid, van de ESF-Verordening 1784/99; e. e. bestrijding voortijdig schoolverlaten; f. f. versterking beroepsbegeleidende leerweg; g. g. praktijk onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.

2.

Krachtens deze regeling wordt geen subsidie verleend voor projecten:

a. a. die zich richten op werkloos werkzoekenden die woonachtig zijn in de provincie Flevoland; b. b. die zich richten op de scholing van werkenden ten behoeve van ondernemingen die zijn gevestigd in de provincie Flevoland; c. c. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2e, of onderdelen e tot en met g, welke worden uitgevoerd in de provincie Flevoland, dan wel zich richten op aldaar woonachtige personen.

Artikel 4

1. De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om projectsubsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2001 t/m 2006. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan vooraf door de minister in de Nederlandse Staatscourant mededeling gedaan. In een gelijktijdig door de minister vastgesteld en bekend gemaakt ESF3-Beleidskader kunnen bedragen worden vastgesteld die ten hoogste voor de verschillende categorieën aanvragers en projecten ter beschikking zullen worden gesteld, en kunnen nadere eisen worden gesteld waaraan nieuwe aanvragers en projecten zullen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

2. De beleidskaders zullen zodanig worden vastgesteld, dat over de periode 2000-2006 20% van het totaal van de budgetten zal worden aangewend ten behoeve van activiteiten die ten gunste komen van deelnemers die woonachtig dan wel werkzaam zijn in doelstelling-2-gebieden, als omschreven in bijlage 3.

Artikel 5

1. Een aanvraag heeft steeds betrekking op één project, waarvan de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de directe projectactiviteiten in ieder geval plaatsvindt in een periode van ten minste zes maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag en de duur in ieder geval eindigt uiterlijk 31 december 2007.

2. De aanvraag wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat daartoe door de minister ter beschikking wordt gesteld, en bevat in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting en financieringsplan.

3. Indien de aanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet, geschiedt dit op basis van een schriftelijke overeenkomst met, dan wel schriftelijke toezegging van die derde. In de overeenkomst of toezegging wordt de bijdrage die door die derde wordt verschaft vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt gesteld. De aanvrager verstrekt op verzoek van de minister een afschrift van de overeenkomst of toezegging.

4. Op de aanvraag wordt uiterlijk 12 weken na ontvangst beschikt.

Artikel 6

Een projectsubsidie-aanvraag wordt afgewezen:

a. a. indien de aanvraag of het voor subsidie aangemelde project niet voldoet aan de bij en krachtens deze regeling gestelde eisen; b. b. indien onvoldoende zekerheid bestaat dat de projectadministratie van de aanvrager aan de in artikel 11 gestelde eisen zal voldoen; c. c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het project te maken kosten; d. d. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten; e. e. indien door subsidieverlening het in het toepasselijke ESF3-Beleidskader aangegeven subsidieplafond zou worden overschreden; f. f. indien het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma's.

Artikel 7

1. De beschikking tot verlening van projectsubsidie betreft de projectactiviteiten, zoals vastgelegd in de bij de subsidie-aanvraag gevoegde projectbeschrijving.

2. In de beschikking wordt het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.

3. Aan de beschikking tot verlening van projectsubsidie kunnen nadere voorwaarden worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn ter waarborging van een juiste uitvoering van het project dan wel het behoud van een goed inzicht in de voortgang van het project.

Artikel 8

1. De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het maximumbedrag dat is vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor projecten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder d, 100% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het maximumbedrag dat is vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening.

3. In geval de begunstigde krachtens een in artikel 5, derde lid, bedoelde overeenkomst of toezegging jegens derden terzake van de uitvoering van het gesubsidieerde project aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 50% van de subsidiabele kosten, dan wel de begunstigde bij zijn aanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 50% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere.

Artikel 9

1. Uitsluitend de kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en die voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het project noodzakelijk moeten worden geacht, komen voor subsidiëring in aanmerking. Hierbij wordt verordening(EG)1685/2000 in acht genomen.

2.

Als projectkosten blijven buiten beschouwing:

a. a. kosten die meer dan zes maanden voor de aanvang van het project zijn gemaakt ten behoeve van de voorbereiding van dat project; b. b. kosten die meer dan zes maanden voor de datum van ontvangst van de aanvraag van projectsubsidie voor het project zijn gemaakt ten behoeve van de uitvoering van dat project; c. c. de kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen; d. d. de loonkosten van werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- of doorstroombanen; e. e. kosten van adviseurs, uitvoerders en onderuitvoerders die zijn bepaald als percentage van de totale kosten van het project, of als percentage van de te ontvangen projectsubsidie; f. f. in het kader van een project als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, de loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft.

3. Indien een project wordt uitgevoerd ten behoeve van wel en niet tot de doelgroepen behorende deelnemers, dan worden de kosten naar verhouding, en op grond van een controleerbare berekening, toegerekend aan de onderscheiden deelnemers.

Artikel 10

1. Aan de begunstigde worden, op diens verzoek, voorschotten op de projectsubsidie uitbetaald.

2.

Voorschotbetalingen zullen als volgt worden gedaan:

a. a. Een eerste voorschot, ten bedrage van 30% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, wordt direct uitbetaald nadat van de begunstigde bericht is ontvangen dat de uitvoering van het project waarvoor de subsidie werd toegekend is aangevangen; b. b. verdere voorschotten, waarbij het eerste voorschot wordt aangevuld tot ten hoogste 80% van het maximaal verleende subsidiebedrag, kunnen op verzoek worden verstrekt, voor zover door middel van tussentijdse rapportages is aangetoond dat verdere bevoorschotting noodzakelijk is.

3. Alvorens een voorschot, als bedoeld in het tweede lid onder b, te verlenen kan de minister van de aanvrager verlangen dat de tussentijdse rapportage wordt voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een dergelijk voorschot wordt niet verleend indien de realisatie van het project achterblijft bij de ramingen, als vervat in de bij de subsidie-aanvraag gevoegde projectbeschrijving, of wanneer er twijfel is aan een correcte uitvoering van het project.

Artikel 11

1. De begunstigde dient een inzichtelijke en controleerbare administratie bij te houden of te doen bijhouden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie zal bestaan uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

2. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

4. De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages.

5. De administratie dient voldoende mogelijkheden te bieden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

6. Bij de vastlegging van de gegevens worden in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 1 bij dit besluit terzake worden gesteld.

7. De begunstigde draagt er zorg voor dat alle administratieve bescheiden, welke betrekking hebben op het gesubsidieerde project, bewaard blijven tot 1 april 2016. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de minister de gevolgen voor deze bewaartermijn in de Staatscourant bekend.

8. De begunstigde zal aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal hij de voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 12

1. De begunstigde dient ieder jaar een uitvoeringsrapportage in, waarin per project wordt aangegeven in welke mate de beschikbare middelen, inclusief de ontvangen voorschotten, zijn besteed, welke resultaten zijn gerealiseerd en wat de prognose is voor de resterende periode van het project.

2. De rapportage dient uiterlijk twee maanden na afloop van het desbetreffende jaar te worden ingediend, onder gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld formulier.

3. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

Artikel 13

1. De begunstigde dient binnen drie maanden na beëindiging van het project, doch uiterlijk 31 maart 2008, een verzoek in om vaststelling van het subsidiebedrag waarop aanspraak bestaat.

2. Het verzoek wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister ter beschikking wordt gesteld, en bevat een eindrapportage en een declaratie van de gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 9.

3. De einddeclaratie is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage 2 bij dit besluit opgenomen model.

4. De hoogte van het vastgestelde subsidiebedrag wordt uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoek door de minister schriftelijk medegedeeld aan de begunstigde.

Artikel 14

1. De begunstigde informeert de door hem ingeschakelde uitvoerders en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project, en verleent medewerking aan door de minister georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers en het grote publiek.

2. De begunstigde zal alle medewerking verlenen aan de opstelling van evaluatierapporten m.b.t. deze subsidieregeling, en zal, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, zorgdragen dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.

Artikel 15

1.

Een beschikking tot verlening van projectsubsidie kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en de op basis daarvan uitbetaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd:

a. a. indien de begunstigde bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, en de subsidie bij juiste of volledige informatie niet, dan wel tot een lager bedrag zou zijn verleend, b. b. in geval het project wordt uitgevoerd in afwijking van de bij de aanvraag gevoegde projectbeschrijving, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd, c. c. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van nalatigheid van de begunstigde niet of slechts ten dele worden gerealiseerd, of d. d. indien de begunstigde een der voorschriften, vervat in de artikelen 11, 12, 13 of 14 niet naleeft.

2. Intrekking en terugvordering krachtens het eerste lid, onder b, vindt niet plaats, indien de afwijking vooraf aan de minister is voorgelegd, en deze daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

Artikel 16

Aanvragen tot bekostiging van projecten met ESF-middelen, ingediend vanuit enig departement of onderdeel daarvan, zullen door de minister worden beoordeeld in het kader van dezelfde procedure, en op basis van dezelfde beoordelingscriteria, als betrof het subsidie-aanvragen. De voorgaande artikelen zijn op die aanvragen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17

1. Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.

2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking.

3. Deze regeling kan worden aangehaald als: Subsidieregeling ESF-3

Bijlage 1. bedoeld in

De door de begunstigde ten behoeve van evaluatie vast te leggen gegevens omvatten in ieder geval met betrekking tot:

Bijlage 2. bij Subsidieregeling ESF3: Controleprotocol (

Bijlage 3. bij Subsidieregeling ESF3: doelstelling-2-gebieden (artikel 4, twee-de lid)