rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-huis-voor-democratie-en-rechtsstaat/BWBR0028205/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

12 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling Huis voor democratie en rechtsstaat BWBR0028205 ministeriele-regeling geldend 2010-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0028205 Subsidieregeling Huis voor democratie en rechtsstaat

Subsidieregeling Huis voor democratie en rechtsstaat

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *de Minister:* de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. b.

    *de stichting:* de Stichting Huis voor democratie en rechtsstaat, statutair gevestigd te s-Gravenhage.

Artikel 2

1.

De Minister verstrekt per boekjaar overeenkomstig deze regeling de stichting een subsidie met het oog op:

het overdragen van kennis over de democratische rechtsstaat, de werking van de instituties daarvan, de Grondwet en het constitutioneel bestel in ruime zin; het vergroten van vaardigheden om deel te nemen aan democratische processen, en het bevorderen van actief democratisch burgerschap, ten behoeve van:

        a.
        het aanbieden van samenhangende programmas en educatieve activiteiten, exposities en excursies in en vanuit een nader door de Minister aangewezen gebouw in s-Gravenhage;
      
      
        b.
        het ontvangen en rondleiden van bezoekers van het Binnenhofcomplex;
      
      
        c.
        het aanbieden van samenhangende programmas en educatieve activiteiten, exposities en excursies vanuit diverse locaties in Nederland;
      
      
        d.
        het ontwikkelen en aanbieden van informatie en ander materiaal voor gebruik in en buiten het onderwijs;
      
      
        e.
        het ontwikkelen en aanbieden van interactieve toepassingen via internet en andere media;
      
      
        f.
        het aangaan van samenwerking met andere organisaties.

a. a. het aanbieden van samenhangende programmas en educatieve activiteiten, exposities en excursies in en vanuit een nader door de Minister aangewezen gebouw in s-Gravenhage; b. b. het ontvangen en rondleiden van bezoekers van het Binnenhofcomplex; c. c. het aanbieden van samenhangende programmas en educatieve activiteiten, exposities en excursies vanuit diverse locaties in Nederland; d. d. het ontwikkelen en aanbieden van informatie en ander materiaal voor gebruik in en buiten het onderwijs; e. e. het ontwikkelen en aanbieden van interactieve toepassingen via internet en andere media; f. f. het aangaan van samenwerking met andere organisaties.

2. Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten voor zover die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

Artikel 3

De subsidie, bedoeld in artikel 2, bedraagt:

a. a. voor het kalenderjaar 2011 ten hoogste € 4.324.061; b. b. voor het kalenderjaar 2012 ten hoogste € 5.061.559; c. c. voor het kalenderjaar 2013 ten hoogste € 5.042.559; d. d. voor het kalenderjaar 2014 en latere jaren ten hoogste € 4.985.589.

Artikel 4

Op de subsidiebedragen, bedoeld in artikel 3, is de indexering voor de ter zake geldende begrotingsartikelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van toepassing. De indexering wordt toegekend voor zover deze ook aan de begrotingsartikelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt toegevoegd.

Paragraaf 2. De subsidieverlening

Artikel 5

1. De stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende jaar uiterlijk op 15 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

2.

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

a. a. een aanduiding van het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. b. een jaarplan met daarin in ieder geval een beschrijving van:

        1°.
        de activiteiten en een raming van de kosten en baten met betrekking tot het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
      
      
        2°.
        een visie op de in de daarop volgende jaren te verrichten activiteiten;
      
      
        3°.
        de taken, inrichting en samenstelling van de organisatie;
      
      
        4°.
        een beschrijving van de indicatoren aan de hand waarvan de activiteiten beoordeeld worden, met name gerelateerd aan de beleidsvoornemens en doelstellingen die door het bestuur van de stichting worden vastgesteld;
      
      
        5°.
        de manier waarop de kwaliteit van de activiteiten wordt bewaakt en zo nodig en mogelijk wordt verbeterd.

1°. 1°. de activiteiten en een raming van de kosten en baten met betrekking tot het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd; 2°. 2°. een visie op de in de daarop volgende jaren te verrichten activiteiten; 3°. 3°. de taken, inrichting en samenstelling van de organisatie; 4°. 4°. een beschrijving van de indicatoren aan de hand waarvan de activiteiten beoordeeld worden, met name gerelateerd aan de beleidsvoornemens en doelstellingen die door het bestuur van de stichting worden vastgesteld; 5°. 5°. de manier waarop de kwaliteit van de activiteiten wordt bewaakt en zo nodig en mogelijk wordt verbeterd.

3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover de activiteiten in het jaarplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, betrekking hebben op het ontvangen en rondleiden van bezoekers van het Binnenhofcomplex, ingediend in overeenstemming met de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal of hun vertegenwoordigers.

Artikel 6

1. De Minister beslist uiterlijk op 1 januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft omtrent de aanvraag tot subsidieverlening, mede aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

2. Naast de gronden, bedoeld in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de Minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren indien de beoordeling van het jaarplan leidt tot de bevinding dat het jaarplan geheel of gedeeltelijk niet in overeenstemming is met de vereisten van deze regeling of met de beleidsdoelstellingen die zijn opgenomen in de memorie van toelichting bij de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het desbetreffende jaar.

Paragraaf 3. Voorschotverlening

Artikel 7

1. De Minister verstrekt voorschotten per kalenderjaar.

2. Het totaal van de voorschotten voor een boekjaar bedraagt 100 procent van de voor dat jaar verleende subsidie.

3.

De voorschotten worden als volgt verstrekt:

a. a. 50 procent van het totaalbedrag uiterlijk op 1 januari van het boekjaar; b. b. 50 procent van het totaalbedrag uiterlijk op 1 juli van het boekjaar.

4. De Minister kan een voorschot een maand later verstrekken, nadat de stichting hiervan in kennis is gesteld.

Paragraaf 4. Subsidievaststelling

Artikel 8

1. De stichting dient de aanvraag tot subsidievaststelling in bij de Minister uiterlijk op 1 mei van het jaar na het kalenderjaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft.

2.

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

a. a. het op het kalenderjaar betrekking hebbende jaarverslag, bedoeld in artikel 391, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met inbegrip van het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten ingevolge het desbetreffende jaarplan; b. b. een beschrijving van de wijze waarop de kwaliteit van de activiteiten en prestaties is bewaakt; c. c. de op het kalenderjaar betrekking hebbende jaarrekening, bedoeld in artikel 361, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; d. d. de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 4:78, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De Minister beslist omtrent de aanvraag tot subsidievaststelling binnen 12 weken na ontvangst daarvan.

Paragraaf 5. De verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 9

1. De stichting voert de activiteiten uit in het jaar waarvoor de subsidie is verleend.

2. Indien de stichting een wijziging aanbrengt in de doelstelling, looptijd of financiering van het jaarplan dan wel afziet van de in het jaarplan vermelde activiteiten, deelt de stichting dit onverwijld schriftelijk mee aan de Minister.

3. Indien de Minister naar aanleiding van de wijziging, bedoeld in het tweede lid, de subsidieverlening wijzigt, stelt hij de stichting hiervan uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid, in kennis.

Artikel 9a

1. De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De jaarlijkse toevoeging bedraagt ten hoogste 5% van de over het boekjaar verleende subsidie. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van de over het boekjaar verleende subsidie.

3. De egalisatiereserve wordt uitsluitend aangewend voor kosten die direct samenhangen met de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 10

1. De stichting hanteert voor de bezoekers van het gebouw, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en voor het ontvangen en rondleiden van bezoekers van het Binnenhofcomplex tarieven die door de Minister zijn goedgekeurd.

2. De stichting hanteert voor het gebouw, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en voor Binnenhofcomplex tijdstippen van openstelling voor bezoek die door de Minister zijn goedgekeurd.

Artikel 11

De stichting verleent haar medewerking aan een periodieke visitatie in opdracht van de Minister die ten doel heeft de wijze waarop zij haar taken verricht, te beoordelen.

Artikel 12

1. De stichting verschaft de Minister op diens verzoek te allen tijde inlichtingen omtrent de voortgang en de resultaten van de activiteiten ingevolge het jaarplan.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is de stichting verplicht onverwijld een melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 13

1. Voor de activiteiten waar de stichting subsidie voor ontvangt en voor de overige activiteiten van de stichting wordt een gescheiden administratie gevoerd.

2. De stichting doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de Minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de subsidie en de rechtmatige en doelmatige besteding daarvan.

Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14

Indien de aanvraag tot subsidieverlening voor het jaar 2011 niet vergezeld gaat van alle gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verleent de Minister de subsidie voor een lager bedrag dan dat, vermeld in artikel 3, onderdeel a. Zodra deze gegevens alsnog voor of binnen het kalenderjaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft, worden verstrekt, wordt de subsidieverlening gewijzigd.

Artikel 15

1. De Subsidieregeling IPP wordt ingetrokken.

2. Een subsidie die is verleend krachtens de Subsidieregeling IPP, wordt beheerst door de Subsidieregeling IPP zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, met dien verstande dat met ingang van de dag waarop de stichting een fusie in de zin van artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aangaat met de Stichting Instituut voor Publiek en Politiek, de subsidie wordt aangemerkt als een subsidie, verleend krachtens deze regeling.

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2010.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Huis voor democratie en rechtsstaat.