rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-innovaties-duurzame-binnenvaart/BWBR0037968/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

14 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart BWBR0037968 ministeriele-regeling geldend 2016-07-04 https://wetten.overheid.nl/BWBR0037968 Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart

Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *Innovatieraad Binnenvaart:* door het bedrijfsleven ingesteld college van deskundigen uit de binnenvaartsector ten behoeve van het stimuleren van de innovatie in de binnenvaart;

    *Kaderbesluit:*
    Kaderbesluit subsidies I en M;

    *project:* experimenteel ontwikkelingsproject, haalbaarheidsproject gericht op experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsproject gericht op industrieel onderzoek, industrieel onderzoeksproject, innovatiecluster- exploitatieproject of innovatiecluster- investeringsproject die aan artikel 2, eerste lid voldoen;

staatssteun: steunmaatregelen als omschreven in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

Het verstrekken van financiële bijdragen aan de binnenvaartsector ten behoeve van projecten die bijdragen aan de duurzaamheid van de sector door reductie van CO_2-, NO_x-, PM- emissies en/of methaanslip.

Artikel 3

1.

De volgende soort projecten zijn subsidiabel indien ze gericht zijn op het gebruik van alternatieve brandstoffen, alternatief motorgebruik, voor- of nabehandelingstechnieken of motormanagement, inrichting en gebruik van het schip ten behoeve van de reductie van CO_2-, NO_x- en PM-emissies en/of methaanslip bij de voortstuwing van binnenschepen:

a. a.

      *experimenteel ontwikkelingsproject:* samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke of andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schemas of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten, voor zover deze activiteiten geen routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, procedés of diensten behelzen, zelfs als die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

b. b.

      *haalbaarheidsproject gericht op experimentele ontwikkeling:* een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden voor experimentele ontwikkeling;

c. c.

      *haalbaarheidsproject gericht op industrieel onderzoek:*een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden voor het uitvoeren van industrieel onderzoek;

d. d.

      *industrieel onderzoeksproject:* samenhangend geheel van onderzoeksactiviteiten gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

e. e.

      *innovatiecluster-exploitatieproject:* samenhangend geheel van activiteiten gericht op het aansturen van een innovatiecluster door de rechtspersoon die het innovatiecluster exploiteert en

f. f.

      *innovatiecluster-investeringsproject:* een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het opzetten of uitbreiden van een innovatiecluster door de rechtspersoon die het innovatiecluster exploiteert.

2.

De Minister kan subsidie verlenen voor projecten op basis van een door de Innovatieraad Binnenvaart schriftelijk opgestelde rangschikking conform de volgende criteria:

a. a. de mate waarin de innovatie generiek toepasbaar is voor binnenvaartschepen van een vergelijkbaar scheepstype of vaarprofiel; b. b. de mate waarin de innovatie de uitstoot van CO_2, NO_x, PM en/of methaanslip reduceert, en; c. c. de mate waarin de innovatie een terugverdieneffect heeft voor degene die haar toepast.

3. Voor elk van de in het eerste lid genoemde criteria is per project een maximum van 10 punten te behalen.

4. Indien twee of meer projecten na de rangschikking op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

Artikel 4

Voor de subsidie is ten hoogste beschikbaar:

a. a. € 537.000, in 2016; b. b. € 486.000, in 2017.

Artikel 5

1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 125.000, per project.

2.

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

a. a. 50% van de studiekosten voor haalbaarheidsprojecten gericht op industrieel onderzoek en haalbaarheidsprojecten gericht op experimentele ontwikkeling. Onder studiekosten vallen de volgende posten:

        1°
        loonkosten van direct bij het onderzoek betrokken personeel;
      
      
        2°
        kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
      
      
        3°
        afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode, uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde;
      
      
        4°
        huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
      
      
        5°
        aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.

1° 1° loonkosten van direct bij het onderzoek betrokken personeel; 2° 2° kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; 3° 3° afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode, uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde; 4° 4° huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode; 5° 5° aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten. b. b. 50% van de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten voor industriële onderzoeksprojecten en experimentele ontwikkelingsprojecten:

        1°.
        loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een part-time dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een full-time dienstverband;
      
      
        2°.
        een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in het in subonderdeel 1°, bedoelde loonkosten;
      
      
        3°.
        kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
      
      
        4°.
        afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
      
      
        5°.
        huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
      
      
        6°.
        aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;

1°. 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een part-time dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een full-time dienstverband; 2°. 2°. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in het in subonderdeel 1°, bedoelde loonkosten; 3°. 3°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; 4°. 4°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving; 5°. 5°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode; 6°. 6°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten; c. c. 15% van de kosten voor investering in grond, gebouwen, machines en uitrusting en die betrekking hebben op opleidingsfaciliteiten en onderzoekcentra en open acces-onderzoeksinfrastructuur voor innovatiecluster-investeringsprojecten, en d. d. 50% van de loon en administratiekosten voor innovatiecluster-exploitatieproject in verband met:

        1°.
        marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen aan te trekken die in het cluster deelnemen;
      
      
        2°.
        beheer van de open acces-faciliteiten van het cluster;
      
      
        3°.
        organisatie van opleidingsprogrammas, workshops en conferenties om kennisdeling en netwerking tussen de clusterleden te bevorderen.

1°. 1°. marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen aan te trekken die in het cluster deelnemen; 2°. 2°. beheer van de open acces-faciliteiten van het cluster; 3°. 3°. organisatie van opleidingsprogrammas, workshops en conferenties om kennisdeling en netwerking tussen de clusterleden te bevorderen.

3. Indien geen loonkosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,. Het bepaalde in subonderdeel 2°, is op dit tarief niet van toepassing.

Artikel 5a

Voor een project waarvoor eerder door een bestuursorgaan of de Europese Commissie aan de aanvrager staatssteun is verstrekt kan alleen subsidie worden verleend met inachtneming van de criteria uit artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 5b

De subsidie wordt afgewezen indien de subsidie wordt aangevraagd door een ondernemer in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 6

Als uitvoeringsinstantie wordt aangewezen het Expertise- en InnovatieCentrum Binnenvaart van de Stichting Projecten Binnenvaart te Rotterdam. De uitvoeringsinstantie heeft tevens een adviserende rol in de ragschikking van de aanvragen.

Artikel 7

1. Een aanvraag wordt gericht aan de Minister.

2. De aanvraag voor 2016 moet uiterlijk 1 juni 2016 worden ingediend bij de uitvoeringsinstantie.

3. De aanvraag voor 2017 moet uiterlijk 1 maart 2017 worden ingediend bij de uitvoeringsinstantie.

4. De aanvraag bevat de in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit genoemde gegevens en wordt ingediend met gebruikmaking van een volledig ingevuld aanvraagformulier als bedoeld in bijlage 1 van deze subsidieregeling.

Artikel 8

1. Het verstrekken van subsidies van € 25.000, tot en met € 125.000, wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag, dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2. De subsidieontvanger is verplicht om aan te tonen aan de hand van een activiteitenverslag dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

3. Het maximaal te verlenen voorschot bedraagt 80 procent van de verleende subsidie.

4. Voor de aanvraag tot een beschikking tot subsidievaststelling wordt gebruik gemaakt van een bij het Expertise- en Innovatiecentrum Binnenvaart verkrijgbaar formulier.

Artikel 9

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 mei 2016.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum verleende subsidies.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart.

Bijlage 1. Aanvraagformulier