rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-innoveren/BWBR0024855/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

1578 lines
89 KiB
Markdown
Raw Blame History

This file contains invisible Unicode characters

This file contains invisible Unicode characters that are indistinguishable to humans but may be processed differently by a computer. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

This file contains Unicode characters that might be confused with other characters. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

---
titel: Subsidieregeling innoveren
bwb_id: BWBR0024855
type: ministeriele-regeling
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2012-11-23'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0024855
citeertitel: Subsidieregeling innoveren
---
# Subsidieregeling innoveren
## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
*experimentele ontwikkeling:* experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);
*industrieel onderzoek:* industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onder f, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);
*minister:* de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
### Artikel 1.2
**1.** Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling.
**2.** Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (20072013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.
### Artikel 1.3
De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.
### Artikel 1.4
**1.** Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 60.
**2.** Het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 60.
### Artikel 1.5
Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L214).
### Artikel 1.6
Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
## Hoofdstuk 2. Eurostarsprojecten
### Artikel 2.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*Eurostars High Level Group:* het door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt;
*Eurostars Programma:* het gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader;
*Eurostarsproject:* een internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan;
*Internationaal Evaluatie Panel:* panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt.
### Artikel 2.2
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:
a. a.
een ondernemer of onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject of
b. b.
indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, aan een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject.
### Artikel 2.3
**1.**
In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie:
a. a.
50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een onderzoeksorganisatie;
b. b.
35 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer;
c. c.
25 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.
**2.** De percentages genoemd in het eerste lid, onderdeel b en c, worden verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer.
### Artikel 2.4
Vervallen
### Artikel 2.5
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
### Artikel 2.6
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is drie jaar.
### Artikel 2.7
**1.**
De minister beschikt afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
het Eurostarsproject een onvoldoende totaalscore heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel;
b. b.
het Eurostarsproject een onvoldoende score voor een criterium heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel;
c. c.
aannemelijk is dat het Eurostarsproject, voor zover het door een in Nederland gevestigde ondernemer of onderzoeksorganisatie wordt uitgevoerd, ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
d. d.
aannemelijk is dat het Eurostarsproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Eurostarsproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende parttijen in een ander deelnemend land.
**2.** De minister beslist tevens afwijzend op een aanvraag voor zover het gevraagde subsidiebedrag hoger is als € 500.000.
**3.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen d tot en met f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 2.8
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking.
### Artikel 2.9
In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt de subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.
### Artikel 2.10
**1.** De subsidie-ontvanger voert het Eurostarsproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
**2.** Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 2.11
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie is opgenomen in bijlage 2.1;
b. b.
een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.2.
## Hoofdstuk 3. Innovatiekredieten
### Artikel 3.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
certificeringstraject: certificering op basis van de resultaten van uitvoerige beproevingen en berekeningen;
klinisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schemas of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten of processen, die nieuw zijn voor Nederland, en
a.
aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risicos en daarmee samenhangende financiële risicos zijn verbonden en
b.
welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
a. a.
aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risicos en daarmee samenhangende financiële risicos zijn verbonden en
b. b.
welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
klinisch risico: risico voor het welslagen van het product of proces dat voortvloeit uit de noodzaak dat het nieuwe product of proces een testfase in de mens doorloopt;
technisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schemas of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en
a.
waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risicos en daarmee samenhangende financiële risicos zijn verbonden en
b.
welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
a. a.
waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risicos en daarmee samenhangende financiële risicos zijn verbonden en
b. b.
welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
ontwikkelingsproject: een technisch ontwikkelingsproject of een klinisch ontwikkelingsproject;
uitstaand saldo: het totaalbedrag dat aan de subsidie-ontvanger is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet, verhoogd met de verschenen rente, bedoeld in artikel 3.8, tweede en derde lid, en verminderd met de betalingen, gedaan overeenkomstig artikel 3.8, vierde lid.
### Artikel 3.2
**1.** De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de financiering van een ontwikkelingsproject subsidie aan een ondernemer, die een ontwikkelingsproject uitvoert. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van krediet.
**2.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan ook subsidie worden verstrekt aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
### Artikel 3.3
In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie in de vorm van krediet aan een kleine onderneming die deel uitmaakt van een samenwerking als bedoeld in paragraaf 5.1.3, onderdeel b, van de *Communautaire kaderregeling (EU) nr. C 323/1 van de Commissie van 30 december 2006 inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2006, C 323)*, 50 procent van de subsidiabele kosten.
### Artikel 3.4
**1.** Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 5.000.000 per subsidie-ontvanger.
**2.** Indien door een ondernemer, dan wel door ondernemers die behoren tot eenzelfde groep, meer dan één ontwikkelingsproject wordt uitgevoerd en daarvoor subsidieaanvragen in het kader van dit hoofdstuk zijn ingediend, wordt in een kalenderjaar aan die ondernemer, dan wel aan die ondernemers die tot eenzelfde groep behoren gezamenlijk, ten hoogste het in het eerste lid genoemde bedrag aan subsidie verleend.
### Artikel 3.5
De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
### Artikel 3.6
**1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is vier jaar.
**2.** De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek met ten hoogste twee jaar verlengen indien sprake is van een technisch ontwikkelingsproject met een certificeringstraject.
### Artikel 3.7
**1.**
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 150.000;
b. b.
onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger het ontwikkelingsproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren;
c. c.
onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken;
d. d.
onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger de subsidie terug kan betalen binnen de in artikel 3.8, vierde lid, genoemde periode;
e. e.
van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
**2.** De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.
### Artikel 3.8
**1.** De subsidie-ontvanger is verplicht de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister.
**2.** De subsidie-ontvanger is verplicht over het uitstaande saldo aan de minister jaarlijks een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9, bepaald rentepercentage te betalen, dat op een ontwikkelingsproject van toepassing blijft tot aan de betalingsverplichtingen geheel is voldaan.
**3.** De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven.
**4.** De subsidie-ontvanger is verplicht het uitstaande saldo binnen 10 jaar na vaststelling van de subsidie aan de minister te betalen.
**5.** De termijn genoemd in het vierde lid kan naar aanleiding van een ontheffingsverzoek als bedoeld in artikel 42, vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden verlengd.
### Artikel 3.9
**1.**
Het rentepercentage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, is opgebouwd uit:
a. a.
het basispercentage en de opslag voor technische ontwikkelingsprojecten onderscheidenlijk voor klinische ontwikkelingsprojecten, of
b. b.
het op grond van onderdeel a vastgestelde percentage vermeerderd met de opslag voor het risico dat de ontvanger niet in staat is om de subsidie terug te betalen bij uitblijven van commercieel succes van het ontwikkelingsproject.
**2.** De percentages, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld.
### Artikel 3.10
De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien:
a. a.
de aandelen van de subsidie-ontvanger worden vervreemd;
b. b.
de resultaten van het project geheel of gedeeltelijk worden vervreemd.
### Artikel 3.11
**1.** Indien ontheffing is verleend op basis van artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, kan de minister op aanvraag van de subsidie-ontvanger het bedrag van een eerder voor een ontwikkelingsproject verleende subsidie verhogen tot maximaal het bedrag dat voor dat ontwikkelingsproject kan worden verkregen.
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste aanvraag om subsidie voor een ontwikkelingsproject.
### Artikel 3.12
**1.** De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
### Artikel 3.13
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie is opgenomen in bijlage 3.1;
b. b.
een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.2.
## Hoofdstuk 4. Innovatieprestatiecontracten
### Paragraaf 1. Algemeen
### Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*collectieve activiteiten:* de activiteiten die op basis van innovatieplannen door twee of meer IPC-deelnemers gezamenlijk zullen worden gefinancierd en uitgevoerd en waarvan de resultaten evenredig over deze deelnemers worden verdeeld;
*collectief onderzoek:* industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling waarvan de resultaten naar hun aard voor een bredere groep toepasbaar zijn;
*innovatieplan:* een planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning en kosten daarvan, die een IPC-deelnemer zal verrichten met het oog op innovatie van zijn producten, diensten of productieproces, met inbegrip van zijn collectieve activiteiten en van zijn activiteiten in het kader van het overkoepelende plan;
*IPC-deelnemer:* een MKB-ondernemer die deelneemt aan een IPC-verband;
*IPC-penvoerder:* een rechtspersoon die:
a.
de mogelijkheden onderzoekt om tot een IPC-verband te komen als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk,
b.
de mogelijkheden onderzoekt om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek en dit onderzoek laat uitvoeren, als bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk of
c.
namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband en het overkoepelende plan uitvoert als bedoeld in paragraaf 4 van dit hoofdstuk;
a. a.
de mogelijkheden onderzoekt om tot een IPC-verband te komen als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk,
b. b.
de mogelijkheden onderzoekt om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek en dit onderzoek laat uitvoeren, als bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk of
c. c.
namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband en het overkoepelende plan uitvoert als bedoeld in paragraaf 4 van dit hoofdstuk;
*IPC-project:* een project bestaande uit activiteiten die de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers binnen een periode van twee jaar verrichten ter uitvoering van het overkoepelende plan en de daarmee samenhangende innovatieplannen;
*overkoepelend plan:* een plan waarin de IPC-penvoerder beschrijft wat de samenhang is tussen de verschillende innovatieplannen, welke collectieve activiteiten worden verricht en door welke deelnemers, hoe en in welke mate het IPC-project voldoet aan de criteria van artikel 4.24, welke activiteiten hij ten behoeve van de IPC-deelnemers en het IPC-project zal verrichten, waaronder ten minste het begeleiden van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van de innovatieplannen, het begeleiden van samenwerkingsverbanden van de IPC-deelnemers en hetbegeleiden en uitvoeren van administratieve activiteiten die samen hangen met een IPC-project, alsmede een globale omschrijving van de planning en de geraamde kosten van deze activiteiten;
*publieke kennisinstelling:*
a.
een onder a, b, c, f of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis van artikel 6.9 of 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn aangewezen;
b.
instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, artikel 12.3.8 en artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c.
een andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
d.
een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:
1°.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,
2°.
instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of
3°.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
e.
een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect:
1°.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,
2°.
volledig aansprakelijk vennoot is of
3°.
overwegende zeggenschap heeft.
a. a.
een onder a, b, c, f of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis van artikel 6.9 of 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn aangewezen;
b. b.
instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, artikel 12.3.8 en artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. c.
een andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
d. d.
een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:
1°.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,
2°.
instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of
3°.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
1°. 1°.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,
2°. 2°.
instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of
3°. 3°.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
e. e.
een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect:
1°.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,
2°.
volledig aansprakelijk vennoot is of
3°.
overwegende zeggenschap heeft.
1°. 1°.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,
2°. 2°.
volledig aansprakelijk vennoot is of
3°. 3°.
overwegende zeggenschap heeft.
### Artikel 4.2
**1.** Op een IPC-penvoerder en een IPC-verband zijn de artikelen 20, 29, 39, tweede lid, en 51, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies van overeenkomstige toepassing.
**2.** Een IPC-penvoerder is een rechtspersoon zonder winstoogmerk met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die volgens haar statuten tot doel heeft de behartiging van belangen van ondernemingen en hier volgens feitelijk handelen ook aantoonbaar minimaal één jaar ervaring mee heeft.
**3.** Een IPC-verband bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste tien en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers.
**4.** Indien er betrokkenheid bestaat tussen IPC-penvoerder en een of meer IPC-deelnemers, neemt het IPC-verband maatregelen om belangenverstrengeling te voorkomen.
### Paragraaf 2. Subsidie ten behoeve van verkenning van samenwerking
### Artikel 4.3
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor het verkennen van de mogelijkheden voor samenwerking van MKB-bedrijven met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen resulterend in een rapportage waarin zijn opgenomen innovatieonderwerpen waarop met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen kan worden samengewerkt, een inventarisatie van mogelijke IPC-deelnemers en een voorstel voor samenwerkingsprojecten.
**2.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
### Artikel 4.4
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 30.000.
### Artikel 4.5
In afwijking van artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden, waaronder begrepen overige organisaties waarmee de verkenning wordt uitgevoerd,vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 87,50.
### Artikel 4.6
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
### Artikel 4.7
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
vervallen;
b. b.
de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is dat de subsidiabele activiteiten zullen leiden tot het tot stand komen van een IPC-verband, waarvan de deelnemers overeenkomstig paragraaf 4 van dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen en de IPC-penvoerder niet het vertrouwen geeft in staat te zijn om de daarbij benodigde inzet te leveren;
c. c.
van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
d. d.
in dezelfde indieningsperiode reeds subsidie is aangevraagd op grond van deze paragraaf voor dezelfde activiteiten door een andere organisatie als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.
### Artikel 4.8
De activiteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, vinden plaats binnen veertien maanden na de subsidieaanvraag.
### Artikel 4.9
**1.** Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie.
**2.** Artikel 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing op subsidies boven de € 25.000.
**3.** Indien de door de minister verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, wordt deze subsidie ambtshalve vastgesteld.
### Paragraaf 3. Subsidie ten behoeve van internationale samenwerking
### Artikel 4.10
**1.**
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor:
a. a.
het onderzoeken van de mogelijkheden om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek dat ten goede komt aan de gehele branche, resulterende in een verslag van dit onderzoek en, indien de conclusie is dat collectief onderzoek mogelijk is, het opstellen van een plan voor een hierop volgend collectief onderzoek;
b. b.
het door één of meer onderzoeksorganisaties laten uitvoeren van het collectief onderzoek, bedoeld in onderdeel a, resulterende in een rapport met onderzoeksresultaten en het kostenloos verspreiden van die resultaten binnen de branche.
**2.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
### Artikel 4.11
De subsidie, bedoeld in artikel 4.10 valt onder een de-minimis verordening.
### Artikel 4.12
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van:
a. a.
 20.000 met betrekking tot de kosten bedoeld in artikel 4.13, onderdeel a, en
b. b.
 150.000 in totaal.
### Artikel 4.13
In afwijking van artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
a. a.
het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden ten behoeve van reis, overleg en rapportage in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, alsmede begeleiding van het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 4.10, onderdeel b, vermenigvuldigd met een vast uurtarief van €  87,50, alsmede de reis- en verblijfkosten in verband met deze activiteiten;
b. b.
de kosten voor collectief onderzoek, verschuldigd aan een onderzoeksorganisatie waarmee de IPC-penvoerder niet in een groep verbonden is, voor zover deze kosten worden gedragen door de IPC-penvoerder, alsmede de kosten voor de verspreiding van de resultaten, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid,onderdeel b.
### Artikel 4.14
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
### Artikel 4.15
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
minder dan drie jaar geleden reeds subsidie krachtens dit hoofdstuk of de Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten is verleend, betrekking hebbend op dezelfde of vergelijkbare activiteiten;
b. b.
van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
c. c.
de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is, dat de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, zullen leiden tot het tot stand komen van activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b;
d. d.
de IPC-penvoerder geen maatregelen heeft genomen om de betrokkenheid van het midden- en kleinbedrijf uit de branche bij het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 4.10, eerstelid, onderdeel b, te borgen;
e. e.
van de totale kosten voor het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b, meer dan 80 procent wordt gedragen door de IPC-penvoerder.
### Artikel 4.16
**1.** De activiteiten, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, vinden plaats binnen twintig maanden na subsidieaanvraag.
**2.** De IPC-penvoerder verspreidt de resultaten, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b, onder de ondernemers, die werkzaam zijn in dat deel van het bedrijfsleven, waarop het collectief onderzoek betrekking heeft, en stelt het voorts voor een ieder op aanvraag verkrijgbaar.
### Artikel 4.17
**1.** Voor subsidies die € 125.000 of meer bedragen geldt, in afwijking van artikel 38, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, niet de verplichting van dat artikellid, maar de verplichting van artikel 38, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.
**2.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, behoeft, indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, het verzoek om subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een accountantsverklaring.
### Paragraaf 4. Subsidie ten behoeve van een IPC-project
### Artikel 4.18
**1.**
De minister verstrekt op aanvraag aan de deelnemers in een IPC-verband subsidie voor het uitvoeren van een IPC-project, waarbij:
a. a.
de IPC-penvoerder subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn activiteiten die zijn beschreven in het overkoepelende plan en
b. b.
een IPC-deelnemer subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn innovatieplan.
**2.**
De subsidiabele kosten voor de activiteiten van een IPC-deelnemer in het kader van een innovatieplan:
a. a.
bedragen € 30.000 of meer,
b. b.
bestaan voor ten minste 20 procent uit collectieve activiteiten en
c. c.
bestaan voor ten minste 60 procent uit overige kosten als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onder b.
**3.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder of een IPC-deelnemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
### Artikel 4.19
De subsidie bedraagt:
a. a.
voor activiteiten bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, aanhef en onderdeel a, € 3000 per IPC-deelnemer;
b. b.
voor activiteiten bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 40 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 25.000.
### Artikel 4.20
**1.**
In afwijking van artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen, voor activiteiten bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, onderdeel b, uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
a. a.
het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-deelnemer of personeel van ondernemingen waarmee de IPC-deelnemer in een groep verbonden is, vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 60;
b. b.
de specifiek ten behoeve van de uitvoering van het innovatieplan gemaakte overige kosten.
**2.** In afwijking van het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de kosten van het maken van een innovatieplan; de kosten van implementatie van de innovatie, waaronder begrepen marketing- en salesactiviteiten, herhalingstesten en het inrichten van de productie; de kosten van het opzetten van kwaliteitssystemen; de kosten van opleidingen; de kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia; de reiskosten en kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten.
### Artikel 4.21
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
### Artikel 4.22
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is twee jaar en wordt gerekend vanaf de aanvang van de activiteiten, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid.
### Artikel 4.23
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. a.
indien het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren;
b. b.
voor zover voor dezelfde werkzaamheden met dezelfde IPC-deelnemers reeds op grond van deze paragraaf subsidie is verleend of in dezelfde periode is aangevraagd;
c. c.
indien aan een IPC-deelnemer eerder subsidie is verstrekt krachtens dit hoofdstuk of de Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten, en
1°.
tussen de datum waarop het IPC-project start en de datum waarop het vorige IPC-project is gestart, een periode verstreken is van minder dan drie jaar, of
2°.
de IPC-deelnemer toestemming heeft verkregen om het IPC-project in een langere periode dan drie jaar af te ronden, maar binnen die toegestane aanvullende periode een nieuw IPC-project start;
1°. 1°.
tussen de datum waarop het IPC-project start en de datum waarop het vorige IPC-project is gestart, een periode verstreken is van minder dan drie jaar, of
2°. 2°.
de IPC-deelnemer toestemming heeft verkregen om het IPC-project in een langere periode dan drie jaar af te ronden, maar binnen die toegestane aanvullende periode een nieuw IPC-project start;
d. d.
indien de datum waarop het IPC-project start, meer dan zes maanden na de datum van de ontvangst van de subsidieaanvraag ligt;
e. e.
uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen.
### Artikel 4.24
**1.**
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. a.
er sprake is van meer innovatie;
b. b.
de kwaliteit van de samenwerking hoger is.
**2.** Voor de rangschikking telt het criterium a voor 60 procent en het criterium b voor 40 procent.
### Artikel 4.25
**1.** Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie.
**2.** Artikel 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing op subsidies boven de € 25.000.
**3.** Indien de door de minister verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, wordt deze subsidie ambtshalve vastgesteld.
### Paragraaf 5. Slotbepaling
### Artikel 4.26
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie, bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.10 is opgenomen in bijlage 4.1;
b. b.
een subsidie, bedoeld in artikel 4.18 is opgenomen in bijlage 4.2;
c. c.
de vaststelling van een subsidie, bedoeld in artikel 4.10 is opgenomen in bijlage 2.2.
## Hoofdstuk 5. Innovatievouchers
### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
### Artikel 5.1
**1.**
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*grote innovatievoucher:* een op grond van artikel 5.2, eerste lid, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject, danwel voor de toepassing van paragraaf 4 van dit hoofdstuk dat de ondernemer kan gebruiken ten behoeve van een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van een octrooi, waarbij van de ondernemer een eigen bijdrage verlangd wordt;
*kennisoverdrachtproject:* een door een kennisinstelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer of ten hoogste 10 ondernemers gezamenlijk, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten en van welke activiteit de gevolgen naar verwachting grotendeels ten goede zullen komen aan de Nederlandse economie. Geen kennisoverdrachtsproject is een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen of het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal;
*kleine innovatievoucher:* een op grond van artikel 5.3, eerste lid, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject, danwel voor de toepassing van paragraaf 4 van dit hoofdstuk dat de ondernemer kan gebruiken ten behoeve van een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van een octrooi, zonder dat een eigen bijdrage van de ondernemer verlangd wordt.
**2.**
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder kennisinstelling:
a. a.
een onder a, b, c, f of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis van artikel 6.9 of 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn aangewezen en zich als kennisinstelling in de zin van dit hoofdstuk of van de Subsidieregeling innovatievouchers bij de minister hebben aangemeld;
b. b.
instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, artikel 12.3.8 en artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. c.
een andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
d. d.
een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:
1°.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,
2°.
instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of
3°.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
1°. 1°.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,
2°. 2°.
instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of
3°. 3°.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
e. e.
een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect:
1°.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,
2°.
volledig aansprakelijk vennoot is of
3°.
overwegende zeggenschap heeft;
1°. 1°.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,
2°. 2°.
volledig aansprakelijk vennoot is of
3°. 3°.
overwegende zeggenschap heeft;
f. f.
een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met e en die zich als kennisinstelling in de zin van dit hoofdstuk of van de Subsidieregeling innovatievouchers bij de minister heeft aangemeld;
g. g.
een onderzoeksafdeling, die onderdeel vormt van een onderneming of groep die niet als hoofddoelstelling onderzoek en ontwikkeling heeft en die in 2008 kosten voor onderzoek en ontwikkeling had van ten minste € 45.000.000.
### Paragraaf 2. Verstrekking innovatievouchers aan ondernemers
### Artikel 5.2
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een grote innovatievoucher aan een MKB-ondernemer die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht.
**2.** Per MKB-ondernemer kan per kalenderjaar één grote innovatievoucher worden verstrekt.
**3.**
Geen grote innovatievoucher wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer:
a. a.
aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds tot een hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken onderneming behoort is vastgesteld in een de-minimis verordening;
b. b.
die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
c. c.
die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een grote of kleine innovatievoucher op grond van dit hoofdstuk of hoofdstuk 5a heeft gedaan waarop de minister nog geen beschikking heeft afgegeven;
d. d.
aan wie in hetzelfde kalenderjaar een grote innovatievoucher op grond van hoofdstuk 5a is verstrekt.
**4.** Indien het voor de betrokken ondernemer geldende de-minimisplafond, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, niet al is bereikt door andere subsidies, wordt het bedrag dat gelet op dat plafond ten hoogste met inzet van de voucher kan worden vergoed, op de voucher vermeld.
**5.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan ook een grote innovatievoucher worden verstrekt aan een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer aldaar verricht.
### Artikel 5.3
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een kleine innovatievoucher aan een MKB-ondernemer als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid. Artikel 5.2, tweede lid, derde lid, onderdeel a en b, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer aan wie op grond van dit hoofdstuk, hoofdstuk 5a of de Subsidieregeling innovatievouchers reeds een kleine of grote innovatievoucher is verstrekt of aan wie op grond van de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004, de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005, de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase, artikel 2:22 van de Regeling LNV-subsidies of de Subsidieregeling zorginnovatie een innovatievoucher is verstrekt.
**3.** Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer in het kader van een kennisoverdrachtproject dat een kennisvraag betreft van een aantal ondernemers gezamenlijk.
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing indien voorafgaand aan de aanvraag een kleine of grote innovatievoucher werd verstrekt ten behoeve van een subsidie krachtens paragraaf 4 van dit hoofdstuk of paragraaf 4 van de Subsidieregeling innoveren, dan wel indien het betreft de aanvraag van een innovatievoucher met het oog op toepassing van paragraaf 4 van dit hoofdstuk; in het laatste geval wordt dat op de voucher vermeld.
**5.** Het tweede lid is niet van toepassing indien een verstrekte innovatievoucher op verzoek van de ondernemer die de voucher heeft ontvangen, door de minister is ingetrokken voordat deze voucher op grond van artikel 5.7 bij de minister is ingeleverd of voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken.
### Artikel 5.4
**1.**
De aanvraag door een ondernemer van een grote of kleine innovatievoucher wordt ingediend:
a. a.
met gebruikmaking van een papieren formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.1, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden of
b. b.
op elektronische wijze, met gebruikmaking van het formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.4.
**2.** Een ondernemer kan ten hoogste één voucher tegelijkertijd aanvragen.
### Artikel 5.5
**1.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn.
**2.** De minister verdeelt de beschikbare grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
**3.** Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal grote innovatievouchers of het beschikbare aantal kleine innovatievouchers zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.
### Artikel 5.6
De minister geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
### Paragraaf 3. Verstrekking van subsidie aan kennisinstellingen
### Artikel 5.7
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een kennisinstelling die een kennisoverdrachtproject heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige grote innovatievouchers of een geldige kleine innovatievoucher overlegt.
### Artikel 5.8
Vervallen
### Artikel 5.9
**1.** De subsidie bedraagt tweederde deel van het bedrag van de door de kennisinstelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 5000, dan wel het krachtens artikel 5.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag per overgelegde grote innovatievoucher en, indien het kennisoverdrachtproject gericht is op het beantwoorden van een kennisvraag van meerdere ondernemers gezamenlijk, niet meer dan € 50.000 in totaal.
**2.** De subsidie bedraagt het bedrag van de door de kennisinstelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens artikel 5.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag voor de overgelegde kleine innovatievoucher.
### Artikel 5.10
**1.**
De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de in artikel 5.9 bedoelde kosten met dien verstande dat:
a. a.
de door de kennisinstelling gemaakte kosten voor maximaal de helft bestaan uit kosten die de kennisinstelling heeft gemaakt doordat de kennisinstelling het onderzoek in het kader van het kennisoverdrachtproject gedeeltelijk heeft uitbesteed aan een derde, niet zijnde een bij dat kennisoverdrachtproject betrokken aanvrager;
b. b.
geen subsidie wordt verstrekt voor zover het onderzoek is uitbesteed aan een persoon, die ook een dienstbetrekking heeft met de kennisinstelling;
c. c.
indien de in onderdeel a bedoelde helft van de kosten wordt overschreden, de door de kennisinstelling gemaakte kosten, in aanmerking te nemen bij de toepassing van artikel 5.9, eerste lid, tweemaal de kosten bedragen van het eigen onderzoek van de kennisinstelling;
d. d.
niet subsidiabel zijn kosten die in het kader van stages van studenten van kennisinstellingen worden gemaakt, noch kosten voor activiteiten waarvoor studenten studiepunten krijgen.
**2.** De artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 5.11
**1.** Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.
**2.** De aanvraag moet binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen.
### Artikel 5.12
**1.**
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
de ondernemer en de kennisinstelling reeds voor de afgiftedatum van de innovatievoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan;
b. b.
indien op de overgelegde voucher is vermeld dat zij zal worden gebruikt voor subsidiëring krachtens paragraaf 4 van dit hoofdstuk;
c. c.
de ondernemer de innovatievoucher aangewend heeft voor een kennisoverdrachtproject waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt.
**2.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 5.13
**1.** De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
### Paragraaf 4. Gebruik van een voucher ten behoeve van een subsidie voor octrooiaanvragen
### Artikel 5.14
De minister verstrekt op aanvraag aan een ondernemer, die een op grond van paragraaf 2 van dit hoofdstuk of paragraaf 2 van de Subsidieregeling innovatievouchers verstrekte innovatievoucher overlegt, een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van één of meer octrooien, indien dat doel bij de aanvraag om de voucher is aangegeven en op de verstrekte voucher is vermeld.
### Artikel 5.15
De subsidie, bedoeld in artikel 5.14 valt onder een de-minimis verordening.
### Artikel 5.16
De subsidie bedraagt:
a. a.
indien bij de aanvraag een grote innovatievoucher wordt overgelegd tweederde deel van het bedrag dat de persoon, die krachtens artikel 23b van de Rijksoctrooiwet of artikel 134, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag, bevoegd is als gemachtigde op te treden of de tot octrooiverlening bevoegde autoriteit, waarvan bij de aanvraag de facturen zijn overgelegd, blijkens die facturen aan de ondernemer in rekening heeft gebracht, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 5000 dan wel het krachtens artikel 5.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag;
b. b.
indien bij de aanvraag een kleine innovatievoucher wordt overgelegd het factuurbedrag, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens artikel 5.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag.
### Artikel 5.17
**1.** De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de in artikel 5.16 bedoelde kosten.
**2.** De artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 5.18
De aanvraag om subsidie wordt, onder overlegging van de voucher, binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, bij de minister ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.
### Artikel 5.19
**1.**
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. a.
indien reeds eerder met gebruikmaking van een voucher subsidie is verstrekt krachtens deze paragraaf of paragraaf 4 van de Subsidieregeling innovatievouchers of indien reeds voor de aanvraag van hetzelfde octrooi subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling prepare2start;
b. b.
voor zover de gefactureerde kosten reeds vóór de afgiftedatum van de innovatievoucher zijn gemaakt.
**2.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Paragraaf 5. Slotbepaling
### Artikel 5.20
**1.**
Indien de aanvraag door middel van een papieren formulier wordt ingediend, is het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie, bedoeld in artikel 5.7 opgenomen in bijlage 5.2;
b. b.
een subsidie, bedoeld in artikel 5.14 opgenomen in bijlage 5.3.
**2.**
Indien de aanvraag elektronisch wordt ingediend, is het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie, bedoeld in artikel 5.7 opgenomen in bijlage 5.5;
b. b.
een subsidie, bedoeld in artikel 5.14 opgenomen in bijlage 5.6.
## Hoofdstuk 5a. Private innovatievouchers
### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
### Artikel 5a.1
**1.**
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*grote innovatievoucher:* een op grond van artikel 5a.2, eerste lid, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in artikel 5.1, ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject.
*kennisoverdrachtproject:* een door een instelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer of ten hoogste tien ondernemers gezamenlijk, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten en van welke activiteit de gevolgen naar verwachting grotendeels ten goede zullen komen aan de Nederlandse economie. Geen kennisoverdrachtsproject is een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen of het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal;
*kleine innovatievoucher:* een op grond van artikel 5a.3, eerste lid, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in artikel 5.1, ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject.
### Paragraaf 2. Verstrekking innovatievouchers aan ondernemers
### Artikel 5a.2
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een grote innovatievoucher aan een MKB-ondernemer die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht.
**2.** Per MKB-ondernemer kan per kalenderjaar één grote innovatievoucher worden verstrekt.
**3.**
Geen grote innovatievoucher wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer:
a. a.
aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds tot een hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken onderneming behoort is vastgesteld in een de-minimis verordening;
b. b.
die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
c. c.
die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een grote of kleine innovatievoucher op grond van dit hoofdstuk of hoofdstuk 5 heeft gedaan waarop de minister nog geen beschikking heeft afgegeven;
d. d.
aan wie in hetzelfde kalenderjaar een grote innovatievoucher op grond van hoofdstuk 5 is verstrekt.
**4.** Indien het voor de betrokken ondernemer geldende de-minimisplafond, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, niet al is bereikt door andere subsidies, wordt het bedrag dat gelet op dat plafond ten hoogste met inzet van de voucher kan worden vergoed, op de voucher vermeld.
### Artikel 5a.3
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een kleine innovatievoucher aan een MKB-ondernemer als bedoeld in artikel 5a.2, eerste lid. Artikel 5a.2, tweede lid, derde lid, onderdeel a, b en c, en vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer aan wie op grond van dit hoofdstuk, hoofdstuk 5 of de Subsidieregeling innovatievouchers reeds een kleine of grote innovatievoucher is verstrekt of aan wie op grond van de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004, de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005, de Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase, artikel 2:22 van de Regeling LNV-subsidies of de Subsidieregeling zorginnovatie een innovatievoucher is verstrekt.
**3.** Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer in het kader van een kennisoverdrachtproject dat een kennisvraag betreft van een aantal ondernemers gezamenlijk.
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing indien voorafgaand aan de aanvraag een kleine of grote innovatievoucher werd verstrekt ten behoeve van een subsidie krachtens paragraaf 4 van hoofdstuk 5 of paragraaf 4 van de Subsidieregeling innoveren.
**5.** Het tweede lid is niet van toepassing indien een verstrekte innovatievoucher op verzoek van de ondernemer die de voucher heeft ontvangen, door de minister is ingetrokken voordat deze voucher op grond van artikel 5a.9 bij de minister is ingeleverd of voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken.
### Artikel 5a.4
**1.** De aanvraag door een ondernemer van een grote of kleine innovatievoucher wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5a.1, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.
**2.** Een ondernemer kan ten hoogste één voucher tegelijkertijd aanvragen.
### Artikel 5a.5
**1.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn.
**2.** De minister verdeelt de beschikbare grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
**3.** Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal grote innovatievouchers of het beschikbare aantal kleine innovatievouchers zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.
### Artikel 5a.6
De minister geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
### Artikel 5a.7
**1.** De ondernemer sluit in overleg met een adviseur van Syntens een overeenkomst met een instelling over de besteding van de voucher.
**2.** Syntens stuurt een advies over de besteding van de voucher aan de ondernemer en de minister.
### Artikel 5a.8
De minister kan een beschikking tot verlening van een voucher intrekken indien:
a. a.
het niet aannemelijk is dat de activiteiten die met de voucher zullen worden bekostigd een kennisoverdrachtproject vormen;
b. b.
de beoogde activiteiten onvoldoende bijdragen aan nieuwe producten, diensten en processen bij de ondernemer;
c. c.
onvoldoende vertrouwen bestaat dat de instelling in staat is om de benodigde inzet of expertise voor het kennisoverdrachtproject te leveren of de expertise heeft om de kennisvraag van de ondernemer te beantwoorden.
### Paragraaf 3. Verstrekking van subsidie aan instellingen
### Artikel 5a.9
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in artikel 5.1, die een kennisoverdrachtproject heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige grote innovatievouchers of een geldige kleine innovatievoucher overlegt.
### Artikel 5a.10
Vervallen
### Artikel 5a.11
**1.** De subsidie bedraagt 50 procent van het bedrag van de door de instelling voor het kennisoverdrachtsproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 3750, dan wel het krachtens artikel 5a.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag per overgelegde grote innovatievoucher en, indien het kennisoverdrachtsproject gericht is op beantwoorden van een kennisvraag van meerdere ondernemers gezamenlijk, niet meer dan € 37.500 in totaal.
**2.** De subsidie bedraagt het bedrag van de door de instelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens artikel 5a.2, vierde lid, op de voucher vermelde bedrag voor de overgelegde kleine innovatievoucher.
### Artikel 5a.12
**1.** De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de in artikel 5a.11 bedoelde kosten met dien verstande dat geen subsidie wordt verstrekt voor zover het onderzoek is uitbesteed aan een derde.
**2.** De artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 5a.13
**1.** Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.
**2.** De aanvraag moet binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen.
### Artikel 5a.14
**1.**
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. a.
de ondernemer en de instelling reeds voor de afgiftedatum van de innovatievoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan;
b. b.
de uitvoering van het kennisoverdrachtproject in belangrijke mate afwijkt van de overeenkomst, bedoeld in artikel 5a.7;
c. c.
de ondernemer en de instelling verbonden zijn in een groep;
d. d.
de ondernemer de innovatievoucher aangewend heeft voor een kennisoverdrachtproject waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt.
**2.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.
### Artikel 5a.15
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie, bedoeld in artikel 5a.9, is opgenomen in bijlage 5a.2.
### Artikel 5a.16
**1.** De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
## Hoofdstuk 5b. Tijdelijke pilot Wajong adviesvouchers
### Paragraaf 1. Begripsbepalingen en algemeen
### Artikel 5b.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- *jonggehandicapte:* de jonggehandicapte, bedoeld in artikel 2:3 of artikel 3:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
- *minister van SZW:* Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- *re-integratiebedrijf:* een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
- *Wajong adviesvoucher:* een op grond van artikel 5b.3, eerste lid, door de minister van SZW aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een door de minister van SZW aangewezen re-integratiebedrijf ten behoeve van een onderzoek naar en advies over de mogelijkheden om binnen het bedrijf van de ondernemer werkzaamheden in dienstbetrekking door jonggehandicapten te laten uitvoeren.
### Artikel 5b.2
**1.** Dit hoofdstuk is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies.
**2.** De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op dit hoofdstuk.
**3.** De hoofdstukken 1 tot en met 3, 4, paragrafen 1 met uitzondering van artikel 10, vierde lid, en 3, 5, 7, 8 met uitzondering van artikel 23 en 24, 9, 10, paragraaf 2, 11, paragrafen 1 en 3, en 13 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.
### Paragraaf 2. Verstrekking Wajong adviesvouchers aan ondernemers
### Artikel 5b.3
**1.** De minister van SZW verstrekt op aanvraag een Wajong adviesvoucher aan een ondernemer die een onderzoek wil laten uitvoeren naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen zijn bedrijf te laten uitvoeren.
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend van 15 februari 2010 tot en met 29 april 2011.
**3.** Per ondernemer kan één Wajong adviesvoucher worden verstrekt. Per franchiseketen kunnen ten hoogste 100 Wajong adviesvouchers worden verstrekt.
**4.**
Geen Wajong adviesvoucher wordt verstrekt aan een ondernemer:
a. a.
die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
b. b.
die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een Wajong adviesvoucher op grond van dit hoofdstuk heeft gedaan waarop de minister van SZW nog geen beschikking heeft afgegeven.
### Artikel 5b.4
De aanvraag van een Wajong adviesvoucher door een ondernemer wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5b.1, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.
### Artikel 5b.5
**1.** Er zijn 1000 Wajong adviesvouchers beschikbaar.
**2.** De minister van SZW verdeelt de beschikbare Wajong adviesvouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
**3.** Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal Wajong adviesvouchers zou worden overschreden en de volgorde van die aanvragen niet kan worden vastgesteld, stelt de minister van SZW de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.
### Artikel 5b.6
De minister van SZW geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag om een Wajong adviesvoucher. Indien een beschikking niet binnen de termijn van zes weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.
### Artikel 5b.7
De ondernemer die een Wajong adviesvoucher heeft ontvangen sluit een overeenkomst met een door de minister van SZW aangewezen re-integratiebedrijf over de besteding van de voucher.
### Paragraaf 3. Verstrekking van subsidie aan instellingen
### Artikel 5b.8
De minister van SZW verstrekt op aanvraag een subsidie aan een door hem aangewezen re-integratiebedrijf, indien dat re-integratiebedrijf een onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen het bedrijf van een ondernemer te laten verrichten heeft uitgevoerd en in verband daarmee een:
a. a.
geldige Wajong adviesvoucher; en
b. b.
een door de ondernemer, die opdracht heeft gegeven tot het onderzoek, getekende verklaring dat het onderzoek is uitgevoerd;
overlegt.
### Artikel 5b.9
**1.**
Een re-integratiebedrijf als bedoeld in artikel 5b.8 kan op aanvraag door de minister van SZW worden aangewezen, indien dat bedrijf in ieder geval:
a. a.
is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel dan wel het nationale beroepshandelsregister, of een daarmee vergelijkbaar buitenlands register;
b. b.
heeft aangegeven dat de onderzoeken naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen het bedrijf van een ondernemer te laten uitvoeren, zullen worden uitgevoerd door een arbeidsdeskundige;
c. c.
aantoont dat het in de periode van 1 december 2006 tot 1 december 2009 tenminste 30 jonggehandicapten die recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten heeft ondersteund bij de inschakeling in het arbeidsproces;
d. d.
aantoont dat de arbeidsdeskundige die de onderzoeken gaat uitvoeren ervaring heeft met het re-integreren van personen in de regio, bedoeld in het tweede en derde lid, waarin het bedrijf wenst te worden aangewezen.
**2.**
Ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk wordt Nederland verdeeld in vijf regios:
a. a.
Regio 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe;
b. b.
Regio 2: de provincies Overijssel, Gelderland en Flevoland;
c. c.
Regio 3: de provincies Utrecht en Noord-Holland;
d. d.
Regio 4: de provincies Zuid-Holland en Zeeland; en
e. e.
Regio 5: de provincies Noord Brabant en Limburg
**3.** Per regio, bedoeld in het tweede lid, wijst de minister van SZW ten hoogste zes re-integratiebedrijven aan.
**4.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de minister van SZW voor 31 januari 2010.
**5.** Indien per regio meer dan zes re-integratiebedrijven een aanvraag om aanwijzing hebben ingediend en alle voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wijst de minister van SZW de zes re-integratiebedrijven aan door middel van een loting onder de re-integratiebedrijven die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 5b.10
De subsidie bedraagt € 2500,00 per overgelegde Wajong adviesvoucher.
### Artikel 5b.11
Geen subsidie wordt verstrekt indien het onderzoek door het re-integratiebedrijf is uitbesteed aan een derde.
### Artikel 5b.12
**1.** Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren, ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.
**2.** De aanvraag om subsidie moet binnen zes maanden nadat de Wajong adviesvoucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister van SZW deze termijn eenmalig verlengen.
**3.** De minister van SZW geeft binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot subsidievaststelling.
### Artikel 5b.13
De minister van SZW beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:
a. a.
de ondernemer en het re-integratiebedrijf reeds voor de afgiftedatum van de Wajong adviesvoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan;
b. b.
de uitvoering van het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren in belangrijke mate afwijkt van de overeenkomst, bedoeld in artikel 5b.7;
c. c.
de ondernemer en het re-integratiebedrijf zijn verbonden in een groep;
d. d.
de ondernemer de Wajong adviesvoucher heeft aangewend voor een project waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt;
e. e.
het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren niet is uitgevoerd door de arbeidsdeskundige, bedoeld in artikel 5b.9, eerste lid, onderdelen b en d.
### Artikel 5b.14
De aanvraag voor een subsidie, bedoeld in artikel 5b.8, wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5b.2, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.
### Artikel 5b.15
**1.** De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
**3.** De subsidie-ontvanger verleent aan de toezichthouders op de toepassing van dit hoofdstuk alle medewerking die dezen redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
## Hoofdstuk 5c. Innovatievouchers elektrische mobiliteit
### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
### Artikel 5c.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit:* een door een kennisinstelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een MKB-ondernemer gericht op het versterken van innovatie op het gebied van elektrische mobiliteit, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de ontwikkeling van producten, productieprocessen, diensten of bijdragen aan een business case, zoals het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoek, literatuurstudie, testwerk en algemeen marktonderzoek, het opstellen van een innovatie- of marktstrategie, en het ontwikkelen of vernieuwen van producten of processen. Geen kennisoverdrachtproject is in ieder geval een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen, het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal, de automatisering van boekhouding en procesautomatisering, het uitvoeren van octrooionderzoek of octrooiaanvraag door de kennisinstellingen alsmede organisatieonderzoek en duurzaamheidsonderzoek, of sociale innovatie;
a)
elektrische voertuigen;
b)
elektrische vaartuigen;
c)
elektrische oplaadpunten;
d)
componenten van elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten, die essentieel zijn om elektrisch te rijden, en
e)
diensten, die gekoppeld zijn aan elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten;
a) a)
elektrische voertuigen;
b) b)
elektrische vaartuigen;
c) c)
elektrische oplaadpunten;
d) d)
componenten van elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten, die essentieel zijn om elektrisch te rijden, en
e) e)
diensten, die gekoppeld zijn aan elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten;
*elektrische voertuigen:* voertuigen voorzien van een elektromotor als hoofdmotor en een accu, eventueel in combinatie met een verbrandingsmotor, waarvan de accu kan worden opgeladen door middel van een oplaadvoorziening buiten het voertuig, niet zijnde een fiets, vorkheftruck, scootmobiel, tram of een metro, en die voldoen aan de volgende eisen:
a)
voor voertuigen met kenteken een CO_2-uitstoot van minder dan 50 gram per kilometer is, of
b)
voor voertuigen zonder kenteken een actieradius van ten minste 50 kilometer op een volle accu is, en
c)
zijn bestemd voor vervoer over de openbare weg of op bedrijfsterreinen in de open lucht;
a) a)
voor voertuigen met kenteken een CO_2-uitstoot van minder dan 50 gram per kilometer is, of
b) b)
voor voertuigen zonder kenteken een actieradius van ten minste 50 kilometer op een volle accu is, en
c) c)
zijn bestemd voor vervoer over de openbare weg of op bedrijfsterreinen in de open lucht;
*elektrische vaartuigen:* vaartuigen bestemd voor personen- of goederenvervoer, die voor de voortstuwing voorzien zijn van uitsluitend een elektromotor of een elektromotor als hoofdmotor, gecombineerd met een verbrandingsmotor (hybride);
*elektrische oplaadpunten:* oplaadpunten voor het laden van accu's van voer- of vaartuigen, die een elektromotor als hoofdmotor hebben;
*kennisinstelling:* een kennisinstelling als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid.
### Paragraaf 2. Verstrekking innovatievouchers elektrische mobiliteit aan ondernemers
### Artikel 5c.2
**1.** De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher elektrische mobiliteit ter waarde van maximaal € 5000, (inclusief BTW) aan een MKB-ondernemer die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten niet zijnde adviezen verkoopt en levert op het gebied van elektrische mobiliteit.
**2.** Een innovatievoucher elektrische mobiliteit kan worden ingeleverd bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit.
**3.** Per MKB-ondernemer kan één innovatievoucher elektrische mobiliteit worden verstrekt.
### Artikel 5c.3
Deze paragraaf valt onder de de-minimisverordening.
### Artikel 5c.4
**1.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes innovatievouchers elektrische mobiliteit kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel innovatievouchers elektrische mobiliteit voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn.
**2.** De minister verdeelt de beschikbare innovatievouchers elektrische mobiliteit in de volgorde van ontvangst van de aanvragen. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal innovatievouchers elektrische mobiliteit zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.
### Paragraaf 3. Verstrekking van subsidie aan kennisinstellingen
### Artikel 5c.5
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een kennisinstelling die een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit heeft uitgevoerd en in verband daarmee een geldige innovatievoucher elektrische mobiliteit overlegt.
### Artikel 5c.6
De subsidie bedraagt het bedrag van de door de kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit gemaakte kosten, maar niet meer dan € 5000,.
### Artikel 5c.7
**1.** Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.
**2.** De aanvraag moet binnen een jaar nadat de innovatievoucher elektrische mobiliteit aan de ondernemer is verstrekt zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen met uiterlijk zes maanden.
### Paragraaf 4. Slotbepaling
### Artikel 5c.8
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een innovatievoucher elektrische mobiliteit is opgenomen in bijlage 5c.1;
b. b.
een subsidie als bedoeld in artikel 5c.5 is opgenomen in bijlage 5c.2.
## Hoofdstuk 6. Innovatie voor maatschappelijke veiligheid
### Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*operationele eindgebruiker:* de ambulancesector, de brandweerorganisatie, defensie, de politieorganisatie en overige publieke operationele veiligheidsorganisaties;
*veiligheidsproject:* een planmatig geheel van activiteiten bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan op het terrein van de maatschappelijke veiligheid dat past binnen de themas
Optreden in ketens en netwerken,
Opleiden en trainen met behulp van geavanceerde simulatie, of
Fysieke bescherming van de Maatschappelijke Innovatieagenda Veiligheid, zoals omschreven in bijlage 6.1 en dat leidt tot technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie.
• •
Optreden in ketens en netwerken,
• •
Opleiden en trainen met behulp van geavanceerde simulatie, of
• •
Fysieke bescherming van de Maatschappelijke Innovatieagenda Veiligheid, zoals omschreven in bijlage 6.1 en dat leidt tot technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie.
### Artikel 6.2
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die of een deelnemer in een samenwerkingsverband dat een veiligheidsproject uitvoert.
### Artikel 6.3
**1.** Het samenwerkingsverband bestaat uit hetzij twee of meer ondernemers, hetzij een of meer ondernemers en een of meer onderzoeksorganisaties.
**2.** De penvoerder is een ondernemer.
### Artikel 6.4
De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
### Artikel 6.5
**1.** Er is een Adviescommissie innovatie voor maatschappelijke veiligheid, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 6.7 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.8.
**2.** De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden.
**3.** De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.
### Artikel 6.6
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is twee jaar.
### Artikel 6.7
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. a.
indien uit de aanvraag om subsidie voor het veiligheidsproject geen betrokkenheid blijkt van het operationele veld;
b. b.
voor zover het gevraagde subsidiebedrag voor het veiligheidsproject hoger is dan € 1.500.000;
c. c.
indien van het veiligheidsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
### Artikel 6.8
**1.**
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate;
a. a.
de bijdrage aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie voor maatschappelijke veiligheid groter is;
b. b.
meer wordt bijgedragen aan het creëren van een veiliger Nederland;
c. c.
de doelmatigheid en doeltreffendheid van het project groter is;
d. d.
de projectresultaten meer economische waarde creëren, beter wordt aangesloten bij de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.
**2.** Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.
### Artikel 6.9
Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:
a. a.
een subsidie is opgenomen in bijlage 6.2;
b. b.
een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 2.2.
## Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
### Artikel 7.1
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
### Artikel 7.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling innoveren.
## Bijlage 1.1. behorende bij
Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.
^1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).
^1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.
^2 Van *buitensporige uitgaven* is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. *Roekeloze uitgaven* betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.
^3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.
^4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.
## Bijlage 2.1
Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.
## Bijlage 2.2. , behorende bij de
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 3.1. , behorende bij
## Bijlage 3.2
Vervallen
## Bijlage 4.1. Aanvraagformulier Subsidie Uitvoering IPC-project 2012
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 4.2. Aanvraag Subsidie Verkenning samenwerking 2012
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 4.3
Vervallen
## Bijlage 4.4
Vervallen
## Bijlage 5.1
## Bijlage 5.2
## Bijlage 5.3
## Bijlage 5.4. behorende bij
## Bijlage 5.5. behorende bij
## Bijlage 5a.1
## Bijlage 5a.2
## Bijlage 5b.1
*[afbeelding]*
## Bijlage 5b.2. Vaststellingsformulier Wajong adviesvoucher
*[afbeelding]*
## Bijlage 5c.1. Aanvraagformulier innovatievoucher elektrische mobiliteit bedoeld in
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 5c.2. Aanvraagformulier subsidie kennisinstellingen bedoeld in
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 5.6. behorende bij
## Bijlage 6.1. behorende bij de
Projecten dienen te passen binnen onderstaande themas die zijn opgenomen zijn in de Maatschappelijke Innovatie Agenda Veiligheid.
## Bijlage 6.2
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 6.3
Vervallen