40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
745 lines
42 KiB
Markdown
745 lines
42 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Subsidieregeling instandhouding monumenten
|
||
bwb_id: BWBR0032075
|
||
type: ministeriele-regeling
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2021-12-17'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0032075
|
||
citeertitel: Subsidieregeling instandhouding monumenten
|
||
---
|
||
|
||
# Subsidieregeling instandhouding monumenten
|
||
|
||
## Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||
|
||
a. a.
|
||
|
||
*eigenaar:* natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument,
|
||
b. b.
|
||
|
||
*groen monument:* rijksmonument of zelfstandig onderdeel zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg, met dien verstande dat verdedigingswerken zonder een rijksbeschermde groenaanleg niet worden aangemerkt als groen monument,
|
||
c. c.
|
||
|
||
*herbouwwaarde:* kosten om een rijksmonument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering,
|
||
d. d.
|
||
|
||
*inspectierapport:* rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie,
|
||
e. e.
|
||
|
||
*instandhoudingsplan:* plan als bedoeld in artikel 10,
|
||
f. f.
|
||
|
||
*kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik:* rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat functioneel bij een gebouw hoort dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging, vanwege het rechtstreeks met die gezamenlijke belijdenis in dat gebouw verbonden huidige gebruik,
|
||
g. g.
|
||
|
||
*kerkgebouw:* rijksmonument of zelfstandig onderdeel, dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging,
|
||
h. h.
|
||
|
||
*kernwaarde:* element van een groen monument dat aantoonbaar bepalend is voor de hoofdkarakteristiek van de groenaanleg, bijvoorbeeld omdat het in zijn context uniek of zeldzaam is,
|
||
i. i.
|
||
|
||
*minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
|
||
j. j.
|
||
|
||
*professionele organisatie voor monumentenbehoud:* aangewezen organisatie als bedoeld in artikel 30,
|
||
k. k.
|
||
|
||
*werelderfgoed:* gebied dat door UNESCO is aangewezen als werelderfgoed op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Parijs, 16 november 1972),
|
||
l. l.
|
||
|
||
*woonhuis:* rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuis wordt aangemerkt een kerkgebouw, kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik, kasteel, paleis, hoofdhuis van een buitenplaats, landhuis, gebouw van liefdadigheid, molen, gemaal, agrarisch gebouw, watertoren of gebouw dat deel uitmaakt van een geregistreerd museum,
|
||
m. m.
|
||
|
||
*zelfstandig onderdeel:*
|
||
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid,
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een toren van een kerkgebouw,
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
alle delen gezamenlijk van een rijksmonument, zijnde een aanleg zoals een park- of tuinaanleg, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten, of
|
||
|
||
|
||
4°.
|
||
alle delen gezamenlijk van een archeologisch rijksmonument, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten.
|
||
1°. 1°.
|
||
deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid,
|
||
2°. 2°.
|
||
deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een toren van een kerkgebouw,
|
||
3°. 3°.
|
||
alle delen gezamenlijk van een rijksmonument, zijnde een aanleg zoals een park- of tuinaanleg, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten, of
|
||
4°. 4°.
|
||
alle delen gezamenlijk van een archeologisch rijksmonument, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten.
|
||
|
||
### Artikel 1a
|
||
|
||
Deze regeling berust op artikel 7.7, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
|
||
|
||
## Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking voor onderhoud
|
||
|
||
### Paragraaf 2.1
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
De minister kan jaarlijks aan de eigenaar van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel op aanvraag voor een periode van zes kalenderjaren subsidie verstrekken voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het normale onderhoud van dat monument of archeologisch monument, of
|
||
b. b.
|
||
indien het een archeologisch monument betreft, incidenteel onderhoud of conservering van dat archeologisch monument.
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor subsidieverlening zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
archeologische rijksmonumenten: € 1,5 miljoen,
|
||
b. b.
|
||
groene monumenten: € 15,2 miljoen,
|
||
c. c.
|
||
overige rijksmonumenten: € 81,3 miljoen.
|
||
|
||
**2.** Indien in enig jaar een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, wordt het resterende bedrag aangewend voor de aanvragen ten laste van de andere in het eerste lid bedoelde categorieën. De eerste zin vindt enkel toepassing voor zover het beschikbare bedrag voor één of beide van de andere categorieën niet hoog genoeg is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen honoreren.
|
||
|
||
**3.** Indien een resterend bedrag als bedoeld in het tweede lid ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen ten laste van de andere categorieën te kunnen toewijzen, wordt het resterende bedrag eerst aangewend voor een eventueel tekort bij groene monumenten, vervolgens voor een eventueel tekort bij overige rijksmonumenten, en ten slotte voor een eventueel tekort bij archeologische rijksmonumenten.
|
||
|
||
**4.** Indien, in voorkomend geval na toepassing van het tweede lid, in enig jaar een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, wordt het resterende bedrag voor het volgende jaar toegevoegd aan het subsidieplafond van de in het eerste lid bedoelde categorie waar het bedrag aanvankelijk resteerde.
|
||
|
||
**5.** Voor zover zulks voortvloeit uit hoofdstuk 1.3, paragraaf 92, van de bijlage bij deze regeling, kan een aanvraag voor een groen monument eveneens betrekking hebben op ten hoogste vier kleine rijksbeschermde gebouwde elementen die onderdeel zijn van de aanleg. Een dergelijke aanvraag wordt voor de verdeling van de subsidie op grond van deze regeling, integraal aangemerkt als aanvraag voor een groen monument als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
|
||
|
||
### Artikel 3a
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 3b
|
||
|
||
**1.** Nadat de middelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn verdeeld, wordt aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer, een bedrag van € 5 miljoen toegevoegd voor kerkgebouwen.
|
||
|
||
**2.** Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, in enig jaar niet volledig wordt verleend ten behoeve van kerkgebouwen, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag dat op grond van het eerste lid voor het daaropvolgende jaar beschikbaar is.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij deze regeling is opgenomen.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
**1.** De subsidiabele kosten op grond waarvan het subsidiebedrag wordt bepaald, zijn ten hoogste 3 procent van de herbouwwaarde.
|
||
|
||
**2.** In afwijking van het eerste lid zijn de subsidiabele kosten op grond waarvan het subsidiebedrag wordt bepaald ten hoogste € 95.000 voor een molen.
|
||
|
||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op groene monumenten en archeologische rijksmonumenten.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.2
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend van 1 februari tot en met 31 maart in het jaar voorafgaand aan de periode van zes kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
Ten behoeve van het doen van een subsidieaanvraag is een online-portaal ingericht, dat is te bereiken via www.cultureelerfgoed.nl. Een aanvraag wordt elektronisch ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met gebruikmaking van een aanvraagformulier als bedoeld in artikel 8, eerste lid, dat op het portaal beschikbaar is gesteld.
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
**1.** Bij een aanvraag om subsidie wordt gebruik gemaakt van een hiervoor door de minister vastgesteld aanvraagformulier.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
In een aanvraagformulier kunnen de volgende bescheiden worden gevraagd:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een instandhoudingsplan of een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b,
|
||
b. b.
|
||
een actueel inspectierapport en, indien niet in het inspectierapport opgenomen, een of meer actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel en zijn gebreken,
|
||
c. c.
|
||
met uitzondering van molens, archeologische rijksmonumenten en groene monumenten:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
een verzekeringspolis waaruit de herbouwwaarde blijkt, of
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
voor zover geen verzekering is afgesloten of de herbouwwaarde niet uit de verzekeringspolis blijkt, een taxatie van de herbouwwaarde door een bij het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs of het Verenigd Register van Taxateurs ingeschreven taxateur,
|
||
1°. 1°.
|
||
een verzekeringspolis waaruit de herbouwwaarde blijkt, of
|
||
2°. 2°.
|
||
voor zover geen verzekering is afgesloten of de herbouwwaarde niet uit de verzekeringspolis blijkt, een taxatie van de herbouwwaarde door een bij het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs of het Verenigd Register van Taxateurs ingeschreven taxateur,
|
||
d. d.
|
||
voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid of als een toren van een kerkgebouw, een tekening waarop het zelfstandig onderdeel duidelijk is weergegeven ten opzichte van aangrenzende zelfstandige onderdelen,
|
||
e. e.
|
||
voor zover het een zelfstandig onderdeel van een archeologisch rijksmonument betreft, een overzichtskaart waarop de betrokken kadastrale percelen zijn aangegeven,
|
||
f. f.
|
||
voor zover het een groen monument betreft:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
één overzichtskaart van het groene monument, voorzien van een schaalstok en noordpijl, met de locatie van de werkzaamheden,
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft: een kaart met de betrokken kadastrale percelen, en
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
indien subsidie wordt aangevraagd voor een kernwaarde: een analyse van de kernwaarde, en
|
||
1°. 1°.
|
||
één overzichtskaart van het groene monument, voorzien van een schaalstok en noordpijl, met de locatie van de werkzaamheden,
|
||
2°. 2°.
|
||
voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft: een kaart met de betrokken kadastrale percelen, en
|
||
3°. 3°.
|
||
indien subsidie wordt aangevraagd voor een kernwaarde: een analyse van de kernwaarde, en
|
||
g. g.
|
||
voor zover het instandhoudingsplan ingrijpende werkzaamheden omvat, voldoende gegevens en bescheiden waaruit, aanvullend op het inspectierapport, de technische of fysieke staat van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
De Minister kan voor de beoordeling van een aanvraag nadere gegevens opvragen bij een eigenaar, om na te gaan of:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van toepassing is; of
|
||
b. b.
|
||
de eigenaar de kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 2 voor het desbetreffende rijksmonument of zelfstandig onderdeel in aftrek zou kunnen brengen op hetzij de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, hetzij het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van die wet.
|
||
|
||
**4.** Indien de verzekeringspolis of de taxatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, ouder is dan één jaar, kan de aanvrager in zijn aanvraag voor de herbouwwaarde van het desbetreffende monument of zelfstandig onderdeel rekening houden met een indexering van de herbouwwaarde van ten hoogste 3% voor elk jaar dat is verstreken sinds het moment van opmaken van de verzekeringspolis of de taxatie, met een maximum van 15 jaar.
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
**1.** In afwijking van artikel 8, tweede lid, gaat een aanvraag van een professionele organisatie voor monumentenbehoud slechts vergezeld van een meerjarenbegroting op basis van een door de minister vastgesteld model.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
De meerjarenbegroting bevat per rijksmonument of zelfstandig onderdeel:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het rijksmonumentnummer,
|
||
b. b.
|
||
de totale begrote subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4, waarbij deze kosten, indien het een archeologisch rijksmonument betreft, in voorkomend geval worden gesplitst naar kosten van normaal onderhoud en kosten van incidenteel onderhoud of conservering,
|
||
c. c.
|
||
voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft, een omschrijving van dat onderdeel waarbij het te onderscheiden is van andere zelfstandige onderdelen van het desbetreffende rijksmonument, en
|
||
d. d.
|
||
voor zover het geen molen, archeologisch rijksmonument of groen monument betreft, de herbouwwaarde.
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Het instandhoudingsplan heeft betrekking op zes kalenderjaren en omvat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, in de vorm van een werkomschrijving of bestek, en een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten, en
|
||
b. b.
|
||
een meerjarenbegroting volgens een door de minister vastgesteld model.
|
||
|
||
**2.** In de meerjarenbegroting wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.
|
||
|
||
**3.** Voor zover een kostenpost op grond van het model voor de meerjarenbegroting moet worden onderbouwd met een offerte, gaat de meerjarenbegroting vergezeld van een offerte die in relatie staat tot het overzicht als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
|
||
|
||
**4.** Voor zover in de modelbegroting beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoeveelheid of de frequentie van subsidiabele werkzaamheden of de maximale hoogte van de subsidiabele kosten, worden deze in de meerjarenbegroting in acht genomen.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.3
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
De minister beslist jaarlijks voor 1 september gelijktijdig op de in het desbetreffende jaar ingediende en voor subsidie in aanmerking komende aanvragen.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Onverminderd artikel 7.6 van de Erfgoedwet wordt een aanvraag om subsidie in ieder geval geweigerd:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor zover de aanvraag betrekking heeft op een woonhuis,
|
||
b. b.
|
||
voor zover de subsidie naar het oordeel van de minister niet noodzakelijk is voor het normaal onderhoud van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel of voor het incidenteel onderhoud of conservering van het archeologisch monument of zelfstandig onderdeel,
|
||
c. c.
|
||
voor zover de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd naar het oordeel van de minister niet sober en doelmatig zijn,
|
||
d. d.
|
||
voor zover voor de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd reeds rijkssubsidie wordt verstrekt, of de kosten op andere wijze van rijkswege worden vergoed,
|
||
e. e.
|
||
voor zover bij schade de subsidiabele kosten op grond van een verzekering worden gedekt,
|
||
f. f.
|
||
voor zover de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd op grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in aftrek kunnen worden gebracht of op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds kunnen worden teruggevorderd,
|
||
g. g.
|
||
voor zover aan de aanvrager voor het rijksmonument of zelfstandig onderdeel waarvoor subsidie wordt gevraagd, in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag subsidie is verleend op grond van deze regeling,
|
||
h. h.
|
||
indien de aanvraag wordt ingediend buiten de termijn, bedoeld in artikel 6, of
|
||
i. i.
|
||
indien de subsidiabele kosten van een aanvraag die betrekking heeft op een archeologisch rijksmonument minder dan € 3000 bedragen of minder dan € 6000 bedragen indien de aanvraag betrekking heeft op een ander rijksmonument.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op een aanvraag van een:
|
||
|
||
a. a.
|
||
provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of
|
||
b. b.
|
||
professionele organisatie voor monumentenbehoud met een hoofdactiviteit tot het in stand houden van monumenten voor zover deze blijkt uit het aanwijzingsbesluit.
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
**1.** Het subsidiebedrag dat wordt verleend, bedraagt 80 procent van de subsidiabele kosten voor archeologische rijksmonumenten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en 50 procent van de subsidiabele kosten voor groene monumenten en overige rijksmonumenten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, met toepassing van artikel 5.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
In afwijking van het eerste lid bedraagt het subsidiebedrag 60 procent van de subsidiabele kosten voor archeologische rijksmonumenten en 30 procent van de subsidiabele kosten voor groene monumenten en overige rijksmonumenten, met toepassing van artikel 5, indien de eigenaar op het moment van indiening van de aanvraag:
|
||
|
||
a. a.
|
||
belastingplichtig is als bedoeld in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met dien verstande dat dit onderdeel niet van toepassing is indien de eigenaar uit hoofde van artikel 5, 6, 6a of 6b van die wet van de vennootschapsbelasting is vrijgesteld, hetgeen kan worden vastgesteld aan de hand van gegevens over het laatste boekjaar, voorafgaand aan het moment van aanvraag, waarvan de jaarrekening is vastgesteld en indien van toepassing de belastingaangifte is ingediend; of
|
||
b. b.
|
||
de kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 2 voor het desbetreffende rijksmonument of zelfstandig onderdeel in aftrek zou kunnen brengen op hetzij de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, hetzij het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van die wet.
|
||
|
||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de eigenaar een professionele organisatie voor monumentenbehoud is.
|
||
|
||
### Artikel 14
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Indien in enig jaar een subsidieplafond als bedoeld in artikel 3 niet hoog genoeg is om alle aanvragen ten laste van het desbetreffende beschikbare bedrag te honoreren, wordt op die aanvragen in de volgende volgorde beslist:
|
||
|
||
a. a.
|
||
aanvragen, voor zover die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen omvatten die deel uit maken van een werelderfgoed,
|
||
b. b.
|
||
aanvragen van professionele organisaties voor monumentenbehoud,
|
||
c. c.
|
||
aanvragen, voor zover deze niet voldoen aan onderdeel a of b.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Indien na toepassing van het eerste lid, onder a en b, nog middelen beschikbaar zijn, wordt het resterende budget als volgt verdeeld:
|
||
|
||
a. a.
|
||
60 procent van het budget voor aanvragen, voor zover die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen betreffen met een herbouwwaarde van minder dan € 8,3 miljoen, voor zover die groene monumenten of archeologische rijksmonumenten betreffen met minder dan € 250.000 aan subsidiabele kosten of voor zover die molens betreffen, en
|
||
b. b.
|
||
40 procent van het budget voor aanvragen, voor zover deze rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen betreffen met een hogere herbouwwaarde onderscheidenlijk meer subsidiabele kosten dan in onderdeel a.
|
||
|
||
**3.** Indien bij toepassing van het eerste lid het subsidieplafond wordt overschreden door subsidieverlening aan alle aanvragen in het eerste lid, onderdeel a, b of c, wordt op de aanvragen in het desbetreffende onderdeel beslist in volgorde van totale begrote kosten uit de aanvraag, waarbij een aanvraag met lagere totale begrote kosten voorrang krijgt. Bij aanvragen van professionele organisaties voor monumentenbehoud worden de rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen uit de ingediende meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 9, in volgorde van begrote kosten gezet en voor de toepassing van dit lid elk afzonderlijk als aanvraag beschouwd.
|
||
|
||
**4.** Indien bij toepassing van het tweede lid binnen één van de deelbudgetten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, na toewijzing van alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen, nog middelen resteren, worden deze middelen eerst aangewend voor alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen ten laste van het andere deelbudget, alvorens artikel 3, tweede lid, wordt toegepast.
|
||
|
||
### Artikel 15
|
||
|
||
**1.** Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, verleent de minister de eigenaar een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.
|
||
|
||
**2.** Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, kan de minister de eigenaar een voorschot verlenen tot 100% van het subsidiebedrag.
|
||
|
||
**3.** De verlening van het voorschot geschiedt gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.
|
||
|
||
**4.** De uitkering van het voorschot geschiedt in jaarlijkse of meerjaarlijkse termijnen, op bij de beschikking aan te geven tijdstippen.
|
||
|
||
**5.** Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kan de minister in afwijking van het vierde lid een groter of kleiner deel van de subsidie in door hem te bepalen termijnen als voorschot betalen.
|
||
|
||
### Artikel 16
|
||
|
||
**1.** Een professionele organisatie voor monumentenbehoud kan de subsidie aanwenden voor uitvoering van subsidiabele werkzaamheden aan alle rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen uit de meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 9, waarvoor subsidie is verleend.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Na een aanvraag als bedoeld in artikel 2 en onverminderd artikel 14 kan de Minister er mee instemmen dat een professionele organisatie voor monumentenbehoud een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 9 ten behoeve waarvan subsidie is verleend met ingang van het opvolgende kalenderjaar uitbreidt met andere rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen die geen onderdeel uitmaken van die begroting. In dat geval wijzigt de Minister de beschikking tot subsidieverlening en verhoogt hij de verleende subsidie naar rato van het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting. De verhoging is gelijk aan de subsidiabele kosten voor de toe te voegen rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, vermenigvuldigd met het geldende subsidiepercentage, met dien verstande dat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor molens de subsidiabele kosten maximaal € 15.833,33 bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting; en
|
||
b. b.
|
||
voor overige rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, de subsidiabele kosten maximaal 0,5 procent van de herbouwwaarde bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.4
|
||
|
||
### Artikel 17
|
||
|
||
De subsidieontvanger doet onverwijld een schriftelijke melding aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
|
||
|
||
### Artikel 18
|
||
|
||
Indien de minister ernstige twijfel heeft over de juistheid van de opgegeven herbouwwaarde, kan de minister een nader onderzoek naar de herbouwwaarde instellen. De subsidieontvanger werkt mee aan dit onderzoek.
|
||
|
||
### Artikel 19
|
||
|
||
De minister kan de subsidieontvanger verplichten na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht.
|
||
|
||
### Artikel 20
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 21
|
||
|
||
De minister kan de subsidieontvanger verplichten:
|
||
|
||
a. a.
|
||
mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel,
|
||
b. b.
|
||
de aanbesteding en de gunning van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op een door de minister te bepalen wijze te doen plaatsvinden,
|
||
c. c.
|
||
de minister tussentijds te berichten over de voortgang van werkzaamheden,
|
||
d. d.
|
||
mee te werken aan een onderzoek door een deskundige naar de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden,
|
||
e. e.
|
||
werkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen,
|
||
f. f.
|
||
het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel,
|
||
g. g.
|
||
advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen werkzaamheden wordt gestart voor zover de monumentale waarde van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel of de werkzaamheden daartoe aanleiding vormen, of
|
||
h. h.
|
||
werkzaamheden onder nader door hem te stellen voorwaarden te doen begeleiden indien voor de uitvoering daarvan specifieke kennis is vereist.
|
||
|
||
### Artikel 22
|
||
|
||
De minister kan de subsidieontvanger verplichten:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, een Construction All Risk verzekering af te sluiten, of
|
||
b. b.
|
||
vanaf de aanvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op eigen kosten het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te verzekeren of verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.5
|
||
|
||
### Artikel 23
|
||
|
||
Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
|
||
|
||
### Artikel 24
|
||
|
||
**1.** Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, toont de subsidieontvanger aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
|
||
|
||
**2.** De minister kan voor de prestatieverklaring een model vaststellen.
|
||
|
||
**3.** De prestatieverklaring gaat vergezeld van een inspectierapport per rijksmonument of per zelfstandig onderdeel, dat is opgesteld na afloop van het verrichten van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend.
|
||
|
||
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op professionele organisaties voor monumentenbehoud.
|
||
|
||
**5.** Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.
|
||
|
||
**6.** Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
|
||
|
||
### Artikel 25
|
||
|
||
**1.** Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**2.** De minister kan voor het financieel verslag een model vaststellen.
|
||
|
||
**3.** De minister kan de subsidieontvanger verplichten het financieel verslag vergezeld te doen gaan van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||
|
||
**4.** In de verklaring, bedoeld in het derde lid, verklaart de accountant dat de bedragen in het financieel verslag juist zijn en doet hij tevens een uitspraak over de naleving door de subsidieontvanger van de in het controleprotocol genoemde voorschriften.
|
||
|
||
**5.** De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht volgens een door de minister vast te stellen controleprotocol.
|
||
|
||
**6.** De minister kan de subsidieontvanger verplichten de desbetreffende originele rekeningen en betalingsbewijzen te overleggen.
|
||
|
||
### Artikel 26
|
||
|
||
**1.** Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli van het kalenderjaar dat volgt op de periode waarvoor subsidie is verleend. Indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt deze vastgesteld zonder aanvraag daartoe.
|
||
|
||
**2.** Aanvragen tot subsidievaststelling die worden ingediend vóór de periode van 1 juni tot en met 15 juli, worden geacht te zijn ingediend op de eerste dag van die periode.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven:
|
||
|
||
a. a.
|
||
indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, binnen 22 weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend, en
|
||
b. b.
|
||
indien de verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.
|
||
|
||
### Artikel 27
|
||
|
||
Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval lager dan de verlening worden vastgesteld indien werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde.
|
||
|
||
### Artikel 28
|
||
|
||
**1.** Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een rijksmonument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een derde, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij de minister. De artikelen 23 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**2.** Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan de minister op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom of het zakelijk recht is overgedragen, aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van het instandhoudingsplan. Artikel 14 is niet van toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 29
|
||
|
||
**1.** De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze heeft besloten.
|
||
|
||
**2.** Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan de minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan de minister in dat geval de wettelijke rente vorderen.
|
||
|
||
## Hoofdstuk 2a. Subsidieverstrekking voor verduurzamingsonderzoeken
|
||
|
||
### Artikel 29a
|
||
|
||
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op de subsidies die op grond van dit hoofdstuk worden verstrekt.
|
||
|
||
### Artikel 29b
|
||
|
||
**1.** De Minister kan subsidie verstrekken voor het uitvoeren van een verduurzamingsonderzoek voor een rijksmonument of zelfstandig onderdeel.
|
||
|
||
**2.** De Minister verstrekt een subsidie voor een verduurzamingsonderzoek uitsluitend als aanvulling op een subsidie als bedoeld in artikel 2.
|
||
|
||
### Artikel 29c
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is:
|
||
|
||
a. a.
|
||
in 2022 een bedrag van ten hoogste € 1.200.000 beschikbaar;
|
||
b. b.
|
||
in 2023 een bedrag van ten hoogste € 1.600.000 beschikbaar;
|
||
c. c.
|
||
in 2024 een bedrag van ten hoogste € 1.600.000 beschikbaar;
|
||
d. d.
|
||
in 2025 een bedrag van ten hoogste € 342.500 beschikbaar; en
|
||
e. e.
|
||
in 2026 een bedrag van ten hoogste € 1.600.000 beschikbaar.
|
||
|
||
**2.** Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, of c, niet geheel wordt verstrekt, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het daaropvolgende kalenderjaar.
|
||
|
||
**3.** De verdeling van de subsidie vindt plaats in dezelfde volgorde als die waarin op grond van artikel 14 op de aanvragen wordt beslist.
|
||
|
||
### Artikel 29d
|
||
|
||
**1.** Subsidiabel zijn de kosten van een verduurzamingsonderzoek dat voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 29g. Voor de subsidieverlening wordt een vast bedrag van € 4.000 aan subsidiabele kosten in aanmerking genomen.
|
||
|
||
**2.** Indien de eigenaar die subsidie aanvraagt voor een verduurzamingsonderzoek, niet beschikt over een rapport over de monumentale waarden van het rijksmonument als bedoeld in artikel 29g, eerste lid, dan kan hij in de meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, ook de kosten van het doen opstellen van een dergelijk rapport opnemen. Deze kosten zijn in dat geval subsidiabel in het kader van de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2, ongeacht of de subsidie voor het verduurzamingsonderzoek wordt toegekend.
|
||
|
||
**3.** Ten aanzien van het verduurzamingsonderzoek en het rapport over de monumentale waarden van het rijksmonument is hoofdstuk 1.1, onderdeel f, van de bijlage bij deze regeling niet van toepassing, met dien verstande dat een verduurzamingsonderzoek uitsluitend voor subsidie in aanmerking komt, indien het onderzoek nog niet is afgerond op het moment van de subsidieaanvraag.
|
||
|
||
### Artikel 29e
|
||
|
||
Ten aanzien van het percentage van de subsidiabele kosten, waarvoor subsidie wordt verstrekt, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 29f
|
||
|
||
**1.** Een aanvraag om subsidie voor een verduurzamingsonderzoek kan uitsluitend tezamen worden gedaan met de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.
|
||
|
||
**2.** De aanvraag om subsidie voor een verduurzamingsonderzoek wordt op dezelfde manier gedaan als de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2. Artikel 7 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 29g
|
||
|
||
**1.** Een verduurzamingsonderzoek wordt uitgevoerd volgens de daarvoor in de beroepsgroep geldende normen, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met de monumentale waarden op basis van een door een bouw- of architectuurhistoricus opgesteld rapport over de aanwezige monumentale waarden.
|
||
|
||
**2.** Via de website www.cultureelerfgoed.nl wordt een nadere specificatie beschikbaar gesteld van de inhoud van het op te maken verduurzamingsrapport.
|
||
|
||
### Artikel 29h
|
||
|
||
Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing op een subsidie die op grond van dit hoofdstuk is verstrekt.
|
||
|
||
### Artikel 29i
|
||
|
||
**1.** De Minister beslist op de aanvraag om subsidie voor een verduurzamingsonderzoek, gelijktijdig met de aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 2, voor het desbetreffende rijksmonument of het zelfstandige onderdeel. De subsidie wordt als één totaalbedrag verleend.
|
||
|
||
**2.** Onverminderd artikel 7.6 van de Erfgoedwet wordt een aanvraag om subsidie voor een verduurzamingsonderzoek in ieder geval geweigerd, voor zover aan de eigenaar voor het verduurzamingsonderzoek reeds uit anderen hoofde rijkssubsidie is verstrekt.
|
||
|
||
### Artikel 29j
|
||
|
||
**1.** De eigenaar verantwoordt de subsidie voor het verduurzamingsonderzoek als onderdeel van de verantwoording van de subsidie, bedoeld in artikel 2, voor het desbetreffende rijksmonument of het zelfstandige onderdeel. Voor het toe te passen verantwoordingsregime, genoemd in de artikelen 23 tot en met 25, alsmede voor de toepassing van artikel 26, worden het subsidiebedrag dat uit hoofde van artikel 2 wordt verstrekt en het bedrag van de subsidie voor het verduurzamingsonderzoek als één totaalbedrag in aanmerking genomen.
|
||
|
||
**2.** De artikelen 27 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 29k
|
||
|
||
Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing op een subsidie die op grond van dit hoofdstuk is verstrekt, met dien verstande dat voor de toepassing van dat artikel het subsidiebedrag dat uit hoofde van artikel 2 wordt verstrekt en het bedrag van de subsidie voor het verduurzamingsonderzoek als één totaalbedrag in aanmerking worden genomen.
|
||
|
||
## Hoofdstuk 3. Aanwijzing van professionele organisaties
|
||
|
||
### Artikel 30
|
||
|
||
**1.** De minister kan op aanvraag een privaatrechtelijke rechtspersoon of kerkgenootschap aanwijzen als professionele organisatie voor monumentenbehoud.
|
||
|
||
**2.** De minister wijst een organisatie slechts aan indien zij eigenaar is van ten minste twintig rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen en zij op professionele wijze de monumentale waarden van die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen in stand houdt.
|
||
|
||
**3.** Indien een aanvrager bij de aanvraag heeft aangetoond dat het in stand houden van monumenten een hoofdactiviteit van de organisatie is, vermeldt de minister dit in het aanwijzingsbesluit.
|
||
|
||
### Artikel 31
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Een aanvrager toont in ieder geval aan dat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de organisatie een statutaire doelstelling tot instandhouding van cultureel erfgoed heeft,
|
||
b. b.
|
||
de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden aan rijksmonumenten is geborgd,
|
||
c. c.
|
||
de professionele omgang met rijksmonumenten in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een structureel en consistent karakter heeft,
|
||
d. d.
|
||
de organisatie financieel stabiel is, en
|
||
e. e.
|
||
ten minste de helft van het aantal rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen waarvan de organisatie eigenaar is in goede staat is.
|
||
|
||
**2.** Indien een aanvrager een vermelding als bedoeld in artikel 30, derde lid, wenst, toont deze aan dat het in stand houden van monumenten een hoofdactiviteit van de organisatie is, hetgeen onder meer kan blijken uit de feitelijke activiteiten van de organisatie.
|
||
|
||
### Artikel 32
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Een aanvraag tot aanwijzing als professionele organisatie voor monumentenbehoud wordt ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en omvat in ieder geval:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de statuten van de rechtspersoon,
|
||
b. b.
|
||
een beleid- of visiedocument waarin de kwaliteit van de werkzaamheden bij cultureel erfgoed is geborgd en waarin ten minste wordt ingegaan op de volgende aspecten:
|
||
|
||
|
||
1°
|
||
de toepassing van in de beroepsgroep geldende normen voor werkzaamheden aan rijksmonumenten,
|
||
|
||
|
||
2°
|
||
het planmatige onderhoud van rijksmonumenten,
|
||
|
||
|
||
3°
|
||
het verrichten van cultuurhistorisch onderzoek bij restauratiewerkzaamheden, en
|
||
|
||
|
||
4°
|
||
de beschikking over en organisatie van structurele deskundigheid bij de uitvoering van werkzaamheden aan rijksmonumenten,
|
||
1° 1°
|
||
de toepassing van in de beroepsgroep geldende normen voor werkzaamheden aan rijksmonumenten,
|
||
2° 2°
|
||
het planmatige onderhoud van rijksmonumenten,
|
||
3° 3°
|
||
het verrichten van cultuurhistorisch onderzoek bij restauratiewerkzaamheden, en
|
||
4° 4°
|
||
de beschikking over en organisatie van structurele deskundigheid bij de uitvoering van werkzaamheden aan rijksmonumenten,
|
||
c. c.
|
||
de beschikbare jaarverslagen en jaarrekeningen of financiële verslagen van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag,
|
||
d. d.
|
||
een overzicht waaruit de staat van de rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen waarvan zij eigenaar is blijkt.
|
||
|
||
**2.** De stukken, bedoeld in het eerste lid, gaan niet bij de aanvraag voor zover de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze al in het bezit van de minister zijn.
|
||
|
||
### Artikel 33
|
||
|
||
**1.** Aanvragen kunnen in enig jaar tot en met 31 augustus van dat jaar worden ingediend.
|
||
|
||
**2.** De minister beslist in enig jaar binnen 22 weken na 31 augustus op de aanvragen die in dat jaar zijn ingediend.
|
||
|
||
### Artikel 34
|
||
|
||
**1.** De minister vraagt advies over een aanvraag aan de Raad.
|
||
|
||
**2.** De Raad zendt binnen dertien weken na ontvangst van het adviesverzoek zijn advies aan de minister.
|
||
|
||
### Artikel 35
|
||
|
||
**1.** Indien een professionele organisatie voor monumentenbehoud niet meer voldoet aan de criteria op grond waarvan zij is aangewezen, trekt de minister de aanwijzing in.
|
||
|
||
**2.** Op verzoek van de minister toont een professionele organisatie voor monumentenbehoud aan dat zij voldoet aan de criteria op grond waarvan zij is aangewezen.
|
||
|
||
### Artikel 36
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 37
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 38
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 39
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 40
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
## Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 41
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42
|
||
|
||
**1.** De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verleend op verzoek van de subsidieontvanger met een jaar verlengen, indien de subsidieontvanger door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Een verzoek om verlenging bevat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een motivering waaruit blijkt welke omstandigheden maken dat de activiteiten redelijkerwijs niet binnen de oorspronkelijke subsidieperiode kunnen worden afgerond; en
|
||
b. b.
|
||
een opgave van de werkzaamheden waarvoor de verlenging noodzakelijk is.
|
||
|
||
**3.** De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid in ieder geval in voor het einde van de periode waarvoor de subsidie is verleend.
|
||
|
||
### Artikel 42a
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42b
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42c
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42d
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42e
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42f
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42g
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 42h
|
||
|
||
**1.** In 2024 wordt aan het budget voor groene monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van € 5,2 miljoen toegevoegd.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
In 2024 wordt na toepassing van artikel 14, tweede lid:
|
||
|
||
a. a.
|
||
aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van minder dan € 8,3 miljoen, een bedrag van € 10 miljoen toegevoegd; en
|
||
b. b.
|
||
aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer, een bedrag van € 10 miljoen toegevoegd.
|
||
|
||
**3.** Indien in 2024 na toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdelen a of b, geen middelen meer beschikbaar zijn, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 42i
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In 2025 wordt bij toepassing van artikel 14, tweede lid:
|
||
|
||
a. a.
|
||
aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van minder dan € 8,3 miljoen, een bedrag van € 10 miljoen toegevoegd; en
|
||
b. b.
|
||
aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer, een bedrag van € 17,28 miljoen toegevoegd.
|
||
|
||
**2.** Indien in 2025 na toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdelen a of b, geen middelen meer beschikbaar zijn, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**3.** In 2025 wordt aan het budget voor archeologische rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een bedrag van € 3,5 miljoen toegevoegd.
|
||
|
||
### Artikel 43
|
||
|
||
**1.** Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
|
||
|
||
**2.** Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2027.
|
||
|
||
### Artikel 44
|
||
|
||
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling instandhouding monumenten.
|
||
|
||
## Bijlage . als bedoeld in
|