rijk/ministeriele-regeling/tweede-tijdelijke-noodmaatregel-overbrugging-voor-behoud-van-werkgelegenheid/BWBR0043709/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

50 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid BWBR0043709 ministeriele-regeling geldend 2021-03-08 https://wetten.overheid.nl/BWBR0043709 Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • andere vertegenwoordiging van werknemers: de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden;
  • eerste tranche subsidieregeling: Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid;
  • extra periode salaris: extra loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald naar aanleiding van afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, en dat niet afhankelijk is van bedrijfsresultaten of kwalitatieve of kwantitatieve prestaties van de werknemer;
  • loon: het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking;
  • loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer;
  • loonheffingennummer: het nummer, genoemd in artikel 1a.1, tweede lid, onderdeel b, onder 1, van de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte;
  • Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • omzetdaling: een daling van de omzet als bedoeld in artikel 6, eerste lid;
  • omzetperiode: de aaneengesloten periode van vier kalendermaanden binnen de periode van 1 juni tot en met 30 november 2020 die de werkgever bij de subsidieaanvraag kiest, of indien artikel 4, tweede lid, van toepassing is, de periode bedoeld in dat lid;
  • referentie-omzet: de omzet, bedoeld in artikel 6, tweede lid, waarmee wordt vergeleken om de omzetdaling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, te berekenen;
  • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
  • werkgever: een werkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel q of r, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
  • werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

2. Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 juni 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. Onder omzet wordt in deze regeling niet verstaan de subsidie die de werkgever ontvangt op grond van de eerste tranche subsidieregeling.

Artikel 2

1. Op subsidies verleend op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

2. Formulieren waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden door de Minister beschikbaar gesteld op www.uwv.nl.

Artikel 3

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van vier maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, voor zover geen winst of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden aangekocht, zodat werkgevers zoveel mogelijk werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 4

1. De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 november 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

2. Als aan een werkgever subsidie op grond van de eerste tranche subsidieregeling is verleend, dan sluit de omzetperiode aan op de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, van de eerste tranche subsidieregeling, tenzij de werkgever voorafgaand aan de subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 10, verzocht heeft de beschikking tot subsidieverlening op grond van de eerste tranche subsidieregeling in te trekken.

Artikel 5

Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover:

a. a. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste 20% zal zijn; b. b. het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens; c. c. geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, over de aangiftetijdvakken, bedoeld in artikel 8, tweede tot en met vierde lid; of d. d. de aanvraag anderszins niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.

Artikel 6

1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.

2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door drie.

3. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met vier.

4. Als de werkgever na 1 januari 2019 een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek, of middels een aandelentransactie zeggenschap heeft verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep als bedoeld in het zevende lid, dan wordt de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, berekend door de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, te delen door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, en te vermenigvuldigen met vier. Dit lid wordt toegepast, indien de werkgever daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt.

5. Als een werkgever in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 een onderdeel of activiteit heeft afgestoten, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met vier. Als in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 meerdere onderdelen of activiteiten zijn afgestoten, wordt gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het laatste onderdeel of de laatste activiteit.

6. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.

7. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het zesde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 juni 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.

8. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7

1.

In afwijking van artikel 6, zevende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten; b. b. de werkgever handelt in overeenstemming met een van dagtekening voorziene overeenkomst over werkbehoud, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan met ten minste één belanghebbende vereniging van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkmaatschappij minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers; c. c. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en d. d. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 6, zevende lid, bedraagt minder dan 20% in de omzetperiode.

2. Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de omzetperiode werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon of vennootschap naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over 2019 afgezet tegen de loonkosten over 2019. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de omzetperiode.

3.

Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet:

a. a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd als in de laatste voor 1 juni 2020 vastgestelde jaarrekening; en b. b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet.

4. Bij toepassing van dit artikel kan een groepsdeel als bedoeld in artikel 405, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bestaande uit een tussenholding en haar groepsmaatschappijen worden behandeld als waren zij één rechtspersoon.

5. Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld naar de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld.

Artikel 8

1.

De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:

A x B x 4 x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:

A voor het percentage van de omzetdaling;

B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:

a. a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021; b. b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021; c. c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid; en d. d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per tijdvak van een maand, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.

2. Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

3. Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

4. Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.

5.

Indien de loonsom bedoeld onder de letter C lager is dan viermaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:

(B x 4 C) x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:

B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met vierde lid;

C voor de loonsom over de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, met dien verstande dat het eerste lid tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing is, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het zesde tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.

6. Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen, wordt de loonsom, bedoeld in het vijfde lid, onder de letter C, verhoogd met 8,33 procent. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

7. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

8. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter C, bedoeld in het vijfde lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 16 november 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld, kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de loonsom, bedoeld in het vijfde lid, onder de letter C.

9.

Indien de werkgever in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 een verzoek om toestemming heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst van één of meer werknemers op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de subsidie verlaagd met:

D x 3 x 1,4 x 0,9

Hierbij staat D voor het loon dat de werknemers, bedoeld in de eerste zin, hebben ontvangen, berekend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid.

10. Het negende lid is niet van toepassing indien de werkgever het verzoek om toestemming heeft ingetrokken binnen vijf werkdagen nadat het verzoek is ingediend.

Artikel 9

1.

Het subsidiebedrag wordt na toepassing van artikel 8 verlaagd met 5%, indien de werkgever:

a. a. in de periode van 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 een melding doet als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet melding collectief ontslag; en b. b. in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 verzoeken om toestemming heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst van twintig of meer werknemers per werkgebied in de zin van de Wet melding collectief ontslag op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Het subsidiebedrag wordt niet verlaagd, indien de werkgever na het doen van een melding als bedoeld het eerste lid, onderdeel a, met de belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, of bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers over iedere melding:

a. a. overeenstemming heeft bereikt over de noodzaak van het aantal te vervallen arbeidsplaatsen; of b. b. indien geen overeenstemming is bereikt als bedoeld in onderdeel a, gezamenlijk de Stichting van de Arbeid verzocht heeft te beoordelen of het voorgestelde aantal te vervallen arbeidsplaatsen noodzakelijk is en de werkgever het verzoek niet heeft ingetrokken.

Artikel 10

1. De werkgever dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier.

2. Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 6 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020.

3. De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen.

4.

In de subsidieaanvraag wordt in ieder geval vermeld:

a. a. de verwachte omzetdaling; b. b. de omzetperiode, tenzij artikel 4, tweede lid, van toepassing is; c. c. het loonheffingennummer; d. d. het door de Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, indien de werkgever daarover beschikt; e. e. het rekeningnummer waarop de werkgever betalingen van de Belastingdienst inzake loonheffingen ontvangt; en f. f. of een verzoek als bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt gedaan.

5.

In de subsidieaanvraag verklaart de werkgever:

a. a. dat voldaan zal worden aan de verplichting, bedoeld in artikel 15, onderdeel c; en b. b. dat voldaan zal worden aan de verplichting, bedoeld in artikel 17 en dat indien artikel 7 wordt toegepast, het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, daarmee instemmen.

6. Indien de werkgever onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, of indien de werkgever meerdere loonheffingennummers heeft, wordt hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, alsook dezelfde omzetperiode, voor alle rechtspersonen en vennootschappen binnen de groep respectievelijk de loonheffingennummers gehanteerd. In afwijking van de eerste zin hoeft voor de werkgever die onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, niet hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a te worden gehanteerd als het percentage dat voor de groep wordt gehanteerd, als de werkgever bij de aanvraag tot vaststelling verzoekt artikel 7 toe te passen.

7. De subsidieaanvraag wordt elektronisch gedaan, tenzij op www.uwv.nl kenbaar wordt gemaakt dat een schriftelijke subsidieaanvraag ook mogelijk is.

8. Indien het rekeningnummer, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, geen rekeningnummer betreft uit een land dat valt onder de EU-Verordening/260/2012, vult de werkgever op verzoek van de Minister de aanvraag aan met een rekeningnummer uit een land dat valt onder die EU-verordening.

9.

Door het indienen van een aanvraag stemt de werkgever ermee in dat de volgende gegevens uit het subsidiedossier openbaar gemaakt kunnen worden:

a. a. de naam en de vestigingsplaats van werkgever; b. b. het verstrekte voorschot; en c. c. de vastgestelde subsidie.

Artikel 11

1. De Minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidieverlening.

2.

De subsidiebeschikking vermeldt in ieder geval:

a. a. de periode waarvoor de subsidie wordt verleend; b. b. de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening en het voorschot; c. c. de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, 16 en 17, waaraan de werkgever moet voldoen; en d. d. de termijn waarbinnen de vaststelling van de subsidie moet worden aangevraagd.

3. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt niet het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 12

De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:

A* x B x 4 x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:

A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;

B voor de loonsom, zoals berekend op grond van artikel 8, eerste tot en met vierde lid.

Artikel 13

1. De Minister verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot.

2. De hoogte van het voorschot bedraagt 80% van het bedrag van de verlening, bedoeld in artikel 12.

3. Het voorschot wordt betaald in ten hoogste twee termijnen.

Artikel 14

Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht, schort de Minister de betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 13 op, indien:

a. a. sprake is van een ernstig vermoeden dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden of de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, onderdelen a, d, e en g tot en met k, artikel 16 en artikel 17, die zijn verbonden aan de subsidie; of b. b. indien een melding van de werkgever daartoe aanleiding geeft.

Artikel 15

Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. a. de werkgever is verplicht de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden; b. b. de werkgever doet in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover de subsidie is verleend; c. c. de werkgever is verplicht om, indien hij in de periode van 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 een melding doet als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet melding collectief ontslag:

      1°.
      over het voorgenomen collectief ontslag op overeenstemming gericht overleg te voeren met de belanghebbende verenigingen van werknemersverenigingen, of bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers; en
    
    
      2°.
      niet eerder dan vier weken na de melding verzoeken om toestemming te doen om arbeidsovereenkomsten in het kader van het collectief ontslag op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

1°. 1°. over het voorgenomen collectief ontslag op overeenstemming gericht overleg te voeren met de belanghebbende verenigingen van werknemersverenigingen, of bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers; en 2°. 2°. niet eerder dan vier weken na de melding verzoeken om toestemming te doen om arbeidsovereenkomsten in het kader van het collectief ontslag op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; d. d. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt, met dien verstande de subsidie in ieder geval wordt aangewend voor de betaling van loonkosten; e. e. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over de subsidieverlening; f. f. de werkgever is verplicht zich in te spannen om werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing; g. g. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent desgevraagd tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie inzage in deze administratie; h. h. de werkgever doet de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 op de voorgeschreven momenten; i. i. de werkgever meldt onverwijld en schriftelijk aan de Minister indien zich omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie; j. j. de werkgever overlegt na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling in de omzetperiode; en k. k. de werkgever werkt tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister.

Artikel 16

1. De werkgever aan wie subsidie wordt verleend is verplicht bij de aanvraag van de vaststelling van de subsidie een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, te overleggen. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen Accountantsprotocol.

2. Van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, minder is dan € 100.000,. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000, of meer, of indien de werkgever heeft verzocht om toepassing van artikel 7.

3. De werkgever die op grond van het tweede lid is vrijgesteld van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen, overlegt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het in de bijlage bij deze regeling opgenomen formulier met een verklaring van een deskundige derde waarmee de omzetdaling wordt bevestigd. De Minister wijst aan welke deskundige derden een verklaring kunnen afgeven.

4. Van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, dat verstrekt is minder dan € 20.000, bedraagt. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 25.000, of meer.

Artikel 17

1. De werkgever of rechtspersoon keert over 2020 geen dividenden uit aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap, waaronder mede begrepen winstdelingen, en kopen geen eigen aandelen in. Met dividend worden andere winstuitkeringen aan derden gelijkgesteld.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, minder is dan € 100.000,. In afwijking van de vorige zin is het eerste lid wel van toepassing, indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000, of meer.

3. Indien artikel 7 wordt toegepast, keert de werkgever of rechtspersoon, de groep, en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, over 2020 geen dividenden uit aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap waarop artikel 7 wordt toegepast, waaronder mede begrepen winstdelingen, en kopen de rechtspersonen binnen de groep geen eigen aandelen in. Met dividend worden andere winstuitkeringen aan derden gelijkgesteld.

4. Indien de werkgever, rechtspersoon, natuurlijke persoon of groep verplicht is op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht om dividend uit te keren dan blijft dit toegestaan voor het gedeelte waarover de plicht, bedoeld in het eerste en derde lid, geldt.

5. Indien artikel 7 wordt toegepast, beschikt de werkgever of de rechtspersoon over een voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie verstrekte schriftelijke verklaring van het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat gehandeld zal worden overeenkomstig het derde lid.

6. Indien de werkgever of rechtspersoon een boekjaar heeft aangewezen dat niet op een kalenderjaar is gebaseerd, dan geldt de verplichting in het eerste lid voor het boekjaar of de boekjaren waarin in de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 valt. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op het derde lid, met dien verstande dat dit geldt voor de groep of moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 18

1. De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie aan na 14 maart 2021 en uiterlijk op 31 maart 2022, door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 10, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij de aanvraag van de vaststelling worden in ieder geval meegezonden:

a. a. de definitieve gegevens over de omzetdaling in de omzetperiode, alsmede informatie waaruit dit blijkt; b. b. een verklaring waaruit blijkt of in de periode, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdelen of activiteiten zijn afgestoten; c. c. de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 16, eerste en derde lid; en d. d. een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 15, onderdelen a, d, e en g tot en met k, en artikel 17 genoemde verplichtingen;

3. De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 7 verklaart dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 en zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt.

4. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, zevende lid, verplicht is een verklaring van een accountant op grond van artikel 16, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde op grond van artikel 16, derde lid, te overleggen vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant, respectievelijk verklaring van een deskundige derde heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met de benodigde verklaring.

5.

Bij de aanvraag van de vaststelling maakt de werkgever kenbaar:

a. a. of voldaan is aan de voorwaarden voor verlaging op grond van artikel 9, eerste lid; en b. b. indien dat het geval is, of aan de voorwaarden voor het niet toepassen van de verlaging op grond van artikel 9, tweede lid, is voldaan, voorzien van de stukken waaruit dat blijkt.

6.

De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 8, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:

a. a. de omzetdaling in de omzetperiode minder dan 20% bedraagt; b. b. de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 16, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 16, tweede en vierde lid, is vrijgesteld; of c. c. de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 7, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 7; of d. d. indien in strijd is gehandeld met een verplichting, als bedoeld in artikel 17.

7. De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 19

Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, 16 of 17, is voldaan.

Artikel 20

Onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Minister de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de werkgever wijzigen, indien de werkgever door zijn handelen of nalaten tijdens of na de periode waarover hij subsidie heeft ontvangen geacht wordt niet te hebben voldaan aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3.

Artikel 21

1.

De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:

a. a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn; b. b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en c. c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.

2. De Raad van Bestuur van het UWV is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het UWV werkzame functionarissen.

3. Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling en tevens op de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend.

4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid worden door de voorzitter van de raad van bestuur van het UWV onder hem ressorterende functionarissen, werkzaam bij het UWV, aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, 16 en 17.

5.

Onverminderd het eerste tot en met derde lid kunnen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, 16 en 17, worden aangewezen:

a. a. de door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende functionarissen, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. b. de door de Directeur Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering aangewezen functionarissen werkzaam bij de Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 22

1. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.

2. Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.

3. In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

4.

De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onder b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV maandelijks een periodiek voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in het derde lid, van:

a. a. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde subsidielasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en b. b. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

5. De Minister kan, na overleg met het UWV, van de in het vierde lid, onder a en b, bedoelde bedragen en data afwijken.

Artikel 23

1. Het UWV brengt aan de Minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 22, vierde lid, uitgesplitst naar subsidielasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling.

3. Op de in het tweede lid bedoelde subsidielasten komen in mindering de subsidies die op grond van artikel 19 zijn teruggevorderd en de bedragen die anderszins zijn terugbetaald.

4. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten op grond van artikel 22, vierde lid, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 24

Wijzigt de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

Artikel 25

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2022.

3. In afwijking van het tweede lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van de subsidieaanvragen op grond van deze regeling.

4. In afwijking van het tweede lid blijven de verplichtingen voor werkgevers aan wie op grond van deze regeling subsidie is verleend, op grond van artikel 15, eerste lid, onderdelen g en k, gelden na 1 december 2022 gedurende de in die onderdelen genoemde periode.

5. In afwijking van het tweede lid blijft artikel 10, negende lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze regeling vervalt, van toepassing op openbaarmakingen van het subsidiedossier na de dag waarop deze regeling vervalt.

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

Bijlage . bij

Accountantsprotocol

behorend bij de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid4Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2020, nr. 2020-0000085008 en 2020-0000127109, tot vaststelling van de tweede tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (vaststelling van de tweede tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)) (NOW 2)

3 maart 2021

Bijlage *. bij

U wilt een aanvraag indienen tot vaststelling van de subsidie tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (hierna: 'NOW 2-subsidie'). Deze subsidie wordt verstrekt op grond van de Tweede Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: 'NOW 2-regeling').

Een aanvrager die een voorschot ontvangt van € 20.000, of meer, dan wel die een subsidie aanvraagt van € 25.000, of meer, maar onder de drempel blijft van €100.000 voorschot respectievelijk € 125.000 aan gerapporteerde subsidie in de aanvraag tot vaststelling, is verplicht een verklaring van een deskundige derde te overleggen. Als derde deskundige kan een boekhouder/administratiekantoor, een belastingdeskundige/ belastingadvieskantoor, een brancheorganisatie of een accountant optreden. Deze categorie aanvragers vertegenwoordigt een substantieel deel van het totale aantal aanvragers in de tweede NOW-regeling. Daarmee is dit voor de subsidieverstrekker een belangrijke categorie en is de inzet van een objectieve deskundige derde die niet werkt binnen de eigen organisatie een effectief middel om naleving van de regelgeving te waarborgen middels concreet uit te voeren werkzaamheden. Indien u als werkgever subsidie aanvraagt met betrekking tot meer dan één loonheffingennummer en/of onderdeel bent van een groep in de zin van artikel 6 lid 7 van deze regeling dienen de ontvangen voorschotten respectievelijk de bij de aanvraag tot vaststelling berekende aangevraagde subsidiebedragen bij elkaar opgeteld te worden. De hoogte van de totale subsidie is bepalend voor het type verklaring dat vervolgens bij elke individuele aanvraag tot vaststelling (per loonheffingennummer) bijgevoegd dient te worden.

De verklaring van een deskundige derde is onderdeel van de monitoring en beheerstructuur die door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna 'het Ministerie van SZW') is opgezet om naleving van de regelgeving te garanderen en misbruik van de NOW-gelden zoveel mogelijk te voorkomen. Bij aanvragers die een derdenverklaring dienen in te dienen zal er ook risicogericht onderzoek door het Ministerie van SZW zelf gedaan worden. Deze aanvragers kunnen dus na indiening van de aanvraag tot vaststelling onderzocht worden. Let op dat bij aanvragers die een voorschot ontvangen van € 100.000 of meer dan wel die een subsidie aanvragen bij de vaststelling van € 125.000 of meer een accountantsverklaring wordt vereist bij indiening van deze aanvraag tot vaststeling. Bij aanvragen tot vaststelling op grond van artikel 7 (werkmaatschappijregeling) dient op grond van artikel 16 lid 2 van de subsidieregeling altijd een accountantsverklaring te worden overlegd, ongeacht de hoogte van het subsidiebedrag.

De werkzaamheden van de deskundige derde hebben met name betrekking op de naleving van de regelgeving rondom de bepaling van de omzetdaling en de loonsom. De voorgeschreven werkzaamheden zijn gebaseerd op de bepalingen uit de NOW2-regeling en de risico-inschatting van het Ministerie van SZW van mogelijke fouten, veroorzaakt door niet-naleving van de voorwaarden uit de regeling. Deze fouten kunnen zowel bewust als onbewust zijn gemaakt. De mogelijke fouten zijn:

Van de deskundige derden wordt in dit kader niet meer verwacht dan het vakkundig en kritisch verrichten van de hierna gedefinieerde werkzaamheden. Tevens voert het UWV, als uitvoerder van de subsidieregeling, en het Ministerie van SZW, als subsidieverstrekker, aanvullend ook zelfstandig onderzoeken uit bij aanvragers om naleving van de regelgeving vast te stellen.

U dient de door de deskundige derde geconstateerde afwijkingen te herstellen alvorens de deskundige derde de verklaring mag tekenen. Indien u de geconstateerde afwijkingen niet herstelt zal de deskundige derde de verklaring niet tekenen.

De deskundige derden dienen de werkzaamheden zodanig te documenteren dat verantwoording kan worden afgelegd over de uitgevoerde werkzaamheden. Van hen wordt verwacht dat zij op verzoek uitleg geven over deze werkzaamheden. Deze dienen in een dossier te worden vastgelegd. Hierin staat welke werkzaamheden zijn gedaan, welke brondocumentatie daarvoor is gehanteerd en bij afwijkingen, welke wijzigingen hebben plaatsgevonden. Dit dossier dient tot vijf jaar na de vaststellingsdatum van de NOW 2-subsidie te worden bewaard.

Bijgevoegd formulier is door de Minister van SZW beschikbaar gesteld ten behoeve van deze verklaring van de deskundige derde. U dient de deskundige derde opdracht te geven de werkzaamheden uit te voeren en hierbij het aanvraagformulier met uw gegevens van uw aanvraag tot vaststelling aan de deskundige derde te overhandigen. De deskundige derde zal dit formulier na eventuele correcties die na de werkzaamheden worden doorgevoerd waarmerken. U dient beide formulieren in een gezamenlijk bestand bij het UWV bij uw aanvraag tot vaststelling in te dienen. U dient de deskundige derde zonder beperkingen inzage te geven in uw volledige administratie 2019 en 2020 en nadere informatie te verstrekken als de deskundige derde daarom vraagt in het kader van deze opdracht.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat onderstaand formulier verplicht is om te volgen en gezamenlijk met het inlegvel moet worden ingediend. Afwijkingen, door bijvoorbeeld werkzaamheden te verwijderen of het inlegvel niet bij te voegen, worden niet geaccepteerd en kunnen leiden tot vertraging in het vaststellingsproces of het lager vaststellen van de subsidie.

Aan: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

Formulier: verklaring van deskundige derde in het kader van de aanvraag tot vaststelling van de NOW 2-subsidie aan het UWV

(Invullen wat van toepassing is).

met verleent als:

Alleen deze deskundige derden zijn door de Minister van SZW aangewezen om een verklaring te kunnen afgeven.

had voordat deze opdracht werd geaccepteerd al een / nog geen formele cliëntrelatie met . <Indien wel een formele cliëntrelatie>: Aantal jaren (afgerond): ......

De derden deskundige heeft noch een dienstverband (gehad) met noch een (eigendoms) belang in .

De deskundige derde heeft de hierna opgenomen werkzaamheden naar eer en geweten uitgevoerd en zich hierbij gedistantieerd van niet integer handelen of nalaten.

Ondergetekende heeft aan de hand van de aanvraag tot vaststelling op de wijze waarop de aanvraag tot vaststelling tot stand is gekomen en de wijze waarop de regels zijn nageleefd met de aanvrager besproken.

De werkzaamheden zijn mede gebaseerd op een risicoanalyse, uitgevoerd door het Ministerie van SZW, gericht op mogelijke niet-naleving van de voorwaarden uit de NOW 2-regeling. Hierbij moet gedacht worden aan een lagere werkelijke omzetdaling dan in de aanvraag is opgegeven en het niet uitbetalen van de nettolonen aan de werknemers. Hieronder zijn de werkzaamheden opgenomen die uitgevoerd dienen te zijn, voor zover van toepassing. Deze werkzaamheden zijn noodzakelijk om deze verklaring te kunnen afgeven.

Ad 1. Gesprek tussen ondergetekende en de leiding van de organisatie ten aanzien van de inhoudelijke aspecten van de aanvraag tot vaststelling inclusief het kennis nemen van de situatie van de aanvrager tijdens Covid-19 waarin de volgende aspecten aan bod zijn gekomen:

Van de ondergetekende wordt verwacht dat zij in een dossier de belangrijkste zaken uit het gesprek vastleggen in een besprekingsverslag, met daarbij een verwijzing naar door de aanvrager overlegde brondocumentatie. In geval van geconstateerde afwijkingen legt de ondergetekende in het dossier vast welk herstel in de aanvraag tot vaststelling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het gesprek.

Ad 2. Werkzaamheden ten aanzien van de omzetdaling, waarbij de aanvrager de ondergetekende inzage heeft gegeven in brondocumentatie en achterliggende documentatie waaruit blijkt en de ondergetekende constateert dat:

  1. Werkzaamheden ten aanzien van de loonsom, waarbij de aanvrager de ondergetekende inzage heeft gegeven in brondocumentatie en achterliggende documentatie waaruit blijkt en de ondergetekende constateert dat:

  2. Verklaring

    21 Indien ondergetekende voor de werkgever administratie voert en genoemde werkzaamheden al zijn verricht in het kader van de normale dienstverlening voor de voorbereiding van de aanvraag tot vaststelling door de werkgever en er geen resterende afwijkingen zijn, mag er op basis daarvan getekend worden voor akkoord door de deskundige derde. De derde deskundige stelt dan wel vast dat die eerdere werkzaamheden nog volstaan in het licht van gewijzigde omstandigheden in de tussenliggende periode.

Op basis van lezing van de aanvraag tot vaststelling, bespreking met de aanvrager van de organisatie en de bovengenoemde inzage in brondocumenten en constateringen, verklaart ondergetekende als volgt:

Deze verklaring is uitsluitend gebaseerd op het gesprek en bovengenoemde werkzaamheden Wij kunnen dan ook verder geen enkele uitspraak doen of zekerheid geven over het al dan niet aanwezig zijn van afwijkingen in de aanvraag tot vaststelling.

Bovenstaande moet gelezen worden in samenhang met het onderstaande:

Deze verklaring van een deskundige derde wordt verstrekt op grond van artikel 16 lid 3 van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

Deze verklaring en de door ons gewaarmerkte versie van de aanvraag tot vaststelling van de NOW 2-subsidie zijn uitsluitend bestemd voor het UWV en het Ministerie van SZW en mogen derhalve niet aan anderen worden verstrekt zonder onze uitdrukkelijke toestemming vooraf.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zijn gaarne bereid de inhoud van deze brief verder toe te lichten.

Plaats, datum

Naam en contactgegevens derde deskundige

Handtekening derde deskundige