rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-algemene-wet-inkomensafhankelijke-regelingen/BWBR0019237/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

38 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen BWBR0019237 ministeriele-regeling geldend 2025-12-24 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019237 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, tweede en derde lid, 17, tweede lid, 21a, 25, tweede lid, 26, derde lid, 31, 47 en 47a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *huurtoeslag:* een tegemoetkoming op grond van de Wet op de huurtoeslag;

b. b.

    *kinderopvangtoeslag:* een tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang;

c. c.

    *kindgebonden budget:* een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget;

d. d.

    *wet:*
    Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

e. e.

    *zorgtoeslag:* een tegemoetkoming op grond van de Wet op de zorgtoeslag.

Artikel 3

1.

Iemand die niet in Nederland woont, wordt geacht op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie buiten Nederland, indien:

a. a. hij vanwege zijn functie of vanwege de functie van een van de tot zijn huishouden behorende personen niet kan of niet hoeft te worden ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie buiten Nederland; b. b. blijkt dat hij niet woont op het adres waarop hij is ingeschreven in de bevolkingsregistratie in zijn woonland; c. c. zijn woonland geen of geen naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie voert.

2.

Iemand die in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien:

a. a. hij een vreemdeling is als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet; b. b. hij of een tot zijn huishouden behorende persoon op grond van artikel 21, eerste lid, van het Besluit basisregistratie personen in verband met zijn bijzondere verblijfsrechtelijke status niet in aanmerking komt voor inschrijving, met dien verstande dat voor degenen die zijn opgenomen in de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevoerde Protocollaire Basisadministratie, het in deze administratie opgenomen woonadres geldt; c. c. blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen voor de periode tot aan de datum van adreswijziging, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de Wet basisregistratie personen; d. d. hij zich binnen 5 dagen na de aanvang van zijn verblijf op zijn woonadres heeft laten inschrijven in de basisregistratie personen.

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en zich in het berekeningsjaar een wijziging van de omstandigheden voordoet waarmee bij het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming doet de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner daarvan binnen vier weken schriftelijk dan wel elektronisch mededeling aan de Dienst Toeslagen.

2.

De wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

a. a. het ontstaan van partnerschap op grond van artikel 5a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b, c en d, van de wet; b. b. het eindigen van partnerschap op grond van artikel 5a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; c. c. een verhoging van een geschat toetsingsinkomen die leidt tot een verlaging van de tegemoetkoming over het berekeningsjaar met meer dan € 500; d. d. een verhoging van een geschat vermogen waardoor over het berekeningsjaar geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat; e. e. het eindigen van een vermissing als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, onderdeel a, van de wet; f. f. het eindigen van de tenuitvoerlegging van een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, onderdeel b, van de wet; g. g. het eindigen van de uitvoering van een vrijheidsbenemende straf of maatregel als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, onderdeel b, van de wet, die buiten Nederland heeft plaatsgevonden; h. h. het vervroegd eindigen van de uitvoering van een vrijheidsbenemende straf of maatregel als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

3.

Indien er een voorschot huurtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:

a. a. een wijziging in de huurprijs; b. b. het aangaan van of het beëindigen van een huurcontract, waaronder begrepen een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de wet; c. c. een verandering van verhuurder.

4. Indien er een voorschot zorgtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt de beëindiging van de zorgverzekering of een opschorting van die verzekering als bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.

5.

Indien er een voorschot kinderopvangtoeslag is verleend, wordt als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:

a. a. een wijziging in het aantal uren kinderopvang van een kind van de belanghebbende of van zijn partner; b. b. een wijziging in het soort genoten kinderopvang door een kind van de belanghebbende of van zijn partner; c. c. een wijziging van het geregistreerde kindercentrum of geregistreerde gastouderbureau; d. d. een wijziging in de uurprijs.

6. In afwijking in zoverre van het eerste lid kan van een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, alsmede van wijzigingen die leiden tot een beëindiging van het voorschot op de tegemoetkoming ook telefonisch dan wel anderszins mondeling mededeling worden gedaan aan de Dienst Toeslagen.

Artikel 5a

1.

De Dienst Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Dienst Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:

a. a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht; b. b. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het aangaat, anders heeft bepaald; c. c. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën of van de Ministers die het aangaat, die eerst zijn uitgevaardigd nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het aangaat, anders heeft bepaald; d. d. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan op een eerder wettelijk voorgeschreven moment; of e. e. sprake is van enig feit waardoor de tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld en een andere tegemoetkoming, al dan niet van dezelfde belanghebbende, ter zake van datzelfde feit op een te hoog bedrag is vastgesteld en ter zake daarvan niet is of kan worden teruggevorderd, met dien verstande dat in dat geval wel in het voordeel van belanghebbende wordt herzien voor zover het te laag vastgestelde bedrag van de tegemoetkoming het te hoog vastgestelde bedrag van de andere tegemoetkoming dat niet is of kan worden teruggevorderd te boven gaat.

2. De Dienst Toeslagen herziet onder bijzondere omstandigheden, onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdelen a tot en met c, in het voordeel van de belanghebbende een beschikking tot terugvordering die onherroepelijk is geworden voor zover de nadelige gevolgen van die beschikking onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen.

Artikel 6

1.

Als gevallen als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet worden aangewezen uitbetalingen door de Dienst Toeslagen:

a. a. van kinderopvangtoeslag op de bankrekening van een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, die een of meerdere kindercentra of een of meerdere gastouderbureaus exploiteert, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; b. b. van huurtoeslag op de bankrekening van een toegelaten instelling, als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet; c. c. van zorgtoeslag op de bankrekening van een zorgverzekeraar, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet; voor zover de onderneming, instelling of zorgverzekeraar voor dit doel een convenant heeft afgesloten met de Dienst Toeslagen.

2.

Als gevallen als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet worden voorts aangewezen uitbetalingen door de Dienst Toeslagen op de bankrekening:

a. a. van een lid van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet voor zover de uitbetaling plaatsvindt in het kader van de uitvoering van een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer; b. b. van een gemeente op grond van een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet of overeenkomsten met dezelfde strekking; c. c. van een derde die:

        1°.
        een subsidiebeschikking heeft ontvangen van een gemeente dan wel een overeenkomst heeft met een Wlz-uitvoerder voor het leveren van zorg in natura ingevolge de Wet langdurige zorg; en
      
      
        2°.
        voldoet aan de norm NEN-ISO 9001;
      
    
    voor zover de uitbetaling plaatsvindt in het kader van de uitvoering van een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Budgetbeheer of overeenkomsten met dezelfde strekking;

1°. 1°. een subsidiebeschikking heeft ontvangen van een gemeente dan wel een overeenkomst heeft met een Wlz-uitvoerder voor het leveren van zorg in natura ingevolge de Wet langdurige zorg; en 2°. 2°. voldoet aan de norm NEN-ISO 9001; d. d. van een curator in een faillissement; e. e. van een bewindvoerder in een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; f. f. van een derde, die meerderjarig en handelingsbekwaam is, indien een belanghebbende niet beschikt over een bankrekening die op zijn naam staat, naar het oordeel van de Dienst Toeslagen niet in staat is een bankrekening op zijn naam te openen door zijn lichamelijke of geestelijke toestand, en de belanghebbende hierom verzoekt.

3. Bij gevallen als bedoeld artikel 7a, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 is artikel 25, eerste lid, tweede volzin, van de wet niet van toepassing.

4. Indien op grond van artikel 25, derde lid, van de wet de uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming plaatsvindt op een andere bankrekening dan die van de belanghebbende of diens partner, vindt het gegevensverkeer met betrekking tot de uitbetaling tussen de Dienst Toeslagen en die rekeninghouder plaats met gebruikmaking van het burgerservicenummer van de belanghebbende.

5. Bij toepassing van het tweede lid, onderdelen a tot en met c, wijst het aldaar bedoelde lid, de aldaar bedoelde gemeente of de aldaar bedoelde derde aan op welke bankrekening wordt uitbetaald, ten behoeve van welke belanghebbende en voor welke uitbetaling. Voorts wordt melding gemaakt van de beëindiging van de in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde overeenkomst.

Artikel 7

1. De Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door de Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

2. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende stelt de Dienst Toeslagen de belanghebbende in de gelegenheid een bestuurlijke boete te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door de Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

3. Een betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering of bestuurlijke boete geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering of bestuurlijke boete betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 20 niet toelaat, kan de Dienst Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 20 verlangen.

4. Indien de belanghebbende bij de betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet voldoet aan de nader gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, stelt de Dienst Toeslagen de belanghebbende op diens verzoek in de gelegenheid de terugvordering of bestuurlijke boete alsnog te betalen in maandelijkse termijnen. In dat geval eindigt deze betaling in maandelijkse termijnen uiterlijk na 24 maanden gerekend vanaf de dag van de dagtekening van de beschikking waarin de Dienst Toeslagen de betaling in termijnen toestaat. De kosten van invordering die reeds zijn ontstaan voordat het verzoek om de betaling in maandelijkse termijnen wordt gehonoreerd worden onderdeel van de betreffende betalingsregeling.

5. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen of bestuurlijke boetes overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan de Dienst Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Dienst Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

6. Een betalingsregeling als bedoeld in het vijfde lid wordt niet toegestaan indien de belanghebbende of de in dat lid bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 beschikken voor de voldoening van de terugvorderingen en de bestuurlijke boetes waarop het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, betrekking heeft, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.

7. Indien de Dienst Toeslagen een betalingsregeling als bedoeld in het vijfde lid toestaat die zowel betrekking heeft op een of meer terugvorderingen als op een of meer bestuurlijke boetes, strekken de betalingen van de belanghebbende eerst ter voldoening van de terugvorderingen alvorens deze strekken ter voldoening van de bestuurlijke boetes.

8. Een betalingsregeling als bedoeld in het vierde of vijfde lid wordt niet toegestaan indien het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.

Artikel 8

1. Indien de belanghebbende tijdig een gemotiveerd bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet heeft ingediend tegen de terugvordering dan wel beroep of hoger beroep heeft ingediend tegen de uitspraak op een bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet, kan de Dienst Toeslagen uitstel van betaling van de terugvordering verlenen tot het moment waarop op het bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet, het beroep of hoger beroep is beslist.

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing indien bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, dan wel een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend ter zake van een inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat bepalend is voor de draagkracht waarmee bij de terugvordering rekening is gehouden. Onder een verzoek om ambtshalve vermindering wordt mede verstaan een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 9

1.

Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet, artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met:

a. a. bezittingen die zijn opgekomen:

        1°.
        van de zijde van een pleegkind;
      
      
        2°.
        van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;

1°. 1°. van de zijde van een pleegkind; 2°. 2°. van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken; b. b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn ontvangen, waaronder mede begrepen de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht:

        1°.
        immateriële schadevergoedingen die zijn toegekend voor 1 januari 2024;
      
      
        2°.
        schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet;
      
      
        3°.
        vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers zoals deze luidde op 31 maart 2014 of de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014;
      
      
        4°.
        uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;
      
      
        5°.
        uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op 19 november 2001, gevestigd te s-Gravenhage;
      
      
        6°.
        uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg;
      
      
        7°.
        uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds, opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te s-Gravenhage;
      
      
        8°.
        uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;
      
      
        9°.
        uitkeringen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te s-Gravenhage;
      
      
        10°.
        uitkeringen van de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te s-Gravenhage;
      
      
        11°.
        uitkeringen van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te s-Gravenhage;
      
      
        12°.
        uitkeringen uit het DES-Fonds die zijn verstrekt aan slachtoffers van het gebruik van DES-preparaten;
      
      
        13°.
        tegemoetkomingen op grond van de Regeling tegemoetkoming financiële gevolgen in verband met functionele invaliditeit nieuwjaarsbrand Volendam (Stcrt. 2003, 42) en bijdragen op grond van de Regeling tegemoetkoming in kosten nieuwjaarsbrand Volendam II (Stcrt. 2004, 188), uitgekeerd aan de getroffenen zelf;
      
      
        14°.
        vergoedingen op grond van de compensatieregeling van de Rooms-Katholieke Kerk Nederland voor slachtoffers van seksueel misbruik;
      
      
        15°.
        bijzondere uitkeringen van het Ministerie van Defensie op grond van artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen of op grond van artikel 21a van het Besluit bijzondere militaire pensioenen;
      
      
        16°.
        uitkeringen op grond van de Tijdelijke regeling uitkeringen seksueel misbruik minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen of op grond van de civiele regeling die de Staat voor deze groep van slachtoffers heeft opgesteld;
      
      
        17°.
        uitkeringen van een voorschot op een persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ, die betrekking hebben op een in het kalenderjaar 2012 of in het kalenderjaar 2013 gelegen subsidieperiode voor zover deze zijn gedaan vóór 1 januari van het betreffende kalenderjaar;
      
      
        18°.
        uitkeringen op grond van de Uitkeringsregeling Backpay.

1°. 1°. immateriële schadevergoedingen die zijn toegekend voor 1 januari 2024; 2°. 2°. schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet; 3°. 3°. vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers zoals deze luidde op 31 maart 2014 of de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014; 4°. 4°. uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam; 5°. 5°. uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op 19 november 2001, gevestigd te s-Gravenhage; 6°. 6°. uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg; 7°. 7°. uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds, opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te s-Gravenhage; 8°. 8°. uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam; 9°. 9°. uitkeringen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te s-Gravenhage; 10°. 10°. uitkeringen van de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te s-Gravenhage; 11°. 11°. uitkeringen van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te s-Gravenhage; 12°. 12°. uitkeringen uit het DES-Fonds die zijn verstrekt aan slachtoffers van het gebruik van DES-preparaten; 13°. 13°. tegemoetkomingen op grond van de Regeling tegemoetkoming financiële gevolgen in verband met functionele invaliditeit nieuwjaarsbrand Volendam (Stcrt. 2003, 42) en bijdragen op grond van de Regeling tegemoetkoming in kosten nieuwjaarsbrand Volendam II (Stcrt. 2004, 188), uitgekeerd aan de getroffenen zelf; 14°. 14°. vergoedingen op grond van de compensatieregeling van de Rooms-Katholieke Kerk Nederland voor slachtoffers van seksueel misbruik; 15°. 15°. bijzondere uitkeringen van het Ministerie van Defensie op grond van artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen of op grond van artikel 21a van het Besluit bijzondere militaire pensioenen; 16°. 16°. uitkeringen op grond van de Tijdelijke regeling uitkeringen seksueel misbruik minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen of op grond van de civiele regeling die de Staat voor deze groep van slachtoffers heeft opgesteld; 17°. 17°. uitkeringen van een voorschot op een persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ, die betrekking hebben op een in het kalenderjaar 2012 of in het kalenderjaar 2013 gelegen subsidieperiode voor zover deze zijn gedaan vóór 1 januari van het betreffende kalenderjaar; 18°. 18°. uitkeringen op grond van de Uitkeringsregeling Backpay.

2.

Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing indien wel aanspraak op zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende of zijn partner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van een in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkering:

a. a. die een schadevergoeding vormt voor een letselschade; en b. b. waarvan de hoogte is vastgelegd in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak die is gedateerd voor 11 oktober 2010, dan wel, indien de uitkering op andere grond tot stand is gekomen, de hoogte is vastgesteld voor 11 oktober 2010.

3. Het eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 11°, is eveneens van toepassing ingeval de genoemde uitkeringen of tegemoetkomingen zijn verstrekt aan nabestaanden van de gerechtigden.

4. Een verzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar waarop het verzoek betrekking heeft volgende berekeningsjaren waarop het verzoek om toepassing van een vermogenstoetsuitzondering betrekking kan hebben.

Artikel 9bis

1.

Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet, artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de volgende aangewezen toekenningen, waaronder mede begrepen de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht:

a. a. een financiële ondersteuning aan zorgmedewerkers in verband met langdurige post-COVID klachten die is toegekend op grond van de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten; b. b. een tegemoetkoming die is toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten of de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose; c. c. een schadevergoeding die na vaststelling van de schade door de Stichting Vergoeding schade slachtoffers schietincident Alphen aan den Rijn is toegekend aan de overlevenden en nabestaanden van het schietincident in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011; d. d. een eenmalige uitkering van immateriële schadevergoeding die is toegekend vanaf 1 januari 2024; e. e. een eenmalig bedrag dat is toegekend op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst; f. f. een compensatie of aanvullende compensatie die is toegekend op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort.

2. Het verzoek kan uitsluitend betrekking hebben op de aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget over de eerste tien berekeningsjaren volgend op het kalenderjaar waarin de bezitting werd verkregen.

3. Het verzoek wordt geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar waarop het verzoek betrekking heeft volgende berekeningsjaren, voor zover het verzoek ingevolge het tweede lid op deze berekeningsjaren betrekking kan hebben.

Artikel 9ter

1.

Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet, artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de volgende aangewezen toekenningen, waaronder mede begrepen de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht:

a. a. een eenmalige aanvullende financiële bijdrage die is toegekend door de Stichting Zorg na Werk in Coronazorg; b. b. een eenmalige uitkering die is toegekend op grond van de Tijdelijke Regeling eenmalige uitkering Dutchbat-III-veteranen; c. c. een schadevergoeding die is toegekend door de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica, bedoeld in het Instellingsbesluit Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica; d. d. een eenmalige tegemoetkoming die is toegekend op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming Wet wijziging geregistreerd geslacht 1985-2014.

2. Het verzoek kan uitsluitend betrekking hebben op de aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget over de eerste drie berekeningsjaren volgend op het kalenderjaar waarin de bezitting werd verkregen.

3. Het verzoek wordt geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar waarop het verzoek betrekking heeft volgende berekeningsjaren, voor zover het verzoek ingevolge het tweede lid op deze berekeningsjaren betrekking kan hebben.

Artikel 9quater

1.

Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet, artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget blijft buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met de waarde van een bezitting als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die is verkregen als gevolg van en met inbegrip van de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht:

a. a. het verlagen of op nihil vaststellen van een terug te vorderen bedrag kinderopvangtoeslag in bijzondere omstandigheden vanwege de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van een voor 23 oktober 2019 genomen beschikking tot vaststelling of tot terugvordering kinderopvangtoeslag in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen; b. b. een herziening van een op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande beschikking tot terugvordering kinderopvangtoeslag, in bijzondere omstandigheden vanwege de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van deze beschikking in verhouding tot de met de beschikking te dienen doelen, indien die beschikking tot terugvordering betrekking heeft op een berekeningsjaar waarover ten minste € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd; c. c. een herziening van een op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande beschikking tot toekenning kinderopvangtoeslag waarbij het recht op kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld naar rato van het bedrag van de kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald, indien de naar rato vaststelling betrekking heeft op een berekeningsjaar waarover het recht op kinderopvangtoeslag met ten minste € 1.500 is verlaagd; d. d. een toegekende hardheidstegemoetkoming als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet, zoals dat luidde op 25 januari 2021; e. e. een toegekende bijzondere tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.9 van de Wet hersteloperatie toeslagen; f. f. een toegekende compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste of derde lid, of 2.14h, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; g. g. een toegekende O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; h. h. een toegekende aanvullende tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; i. i. een toegekende eenmalige tegemoetkoming als bedoeld in artikel 49g, eerste lid, van de wet, zoals dat luidde op 25 januari 2021; j. j. een toegekende noodvoorziening als bedoeld in de artikelen 2.8, eerste lid, 2.14i of 2.18, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; k. k. een toegekend forfaitair bedrag als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen, voor zover dat bedrag niet is toegekend aan de partner of voormalige partner van de belanghebbende; l. l. een compensatie naar aanleiding van hardheid als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen; m. m. een toegekend bedrag als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; n. n. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet hersteloperatie toeslagen; o. o. een tegemoetkoming op grond van afdeling 2.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen; p. p. een toegekende tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.14c, eerste lid, 2.14d, en 2.14e, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; q. q. een toegekend bedrag op grond van een voorziening als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, of 2.9b, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; r. r. een toegekende aanvullende compensatie of toegekende aanvullende O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.

2.

Op verzoek van de belanghebbende is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een bezitting als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001:

a. a. die is verkregen als gevolg van de feitelijke toebedeling aan de belanghebbende van een aan de voormalige partner van de belanghebbende toegekend bedrag als bedoeld in artikel 2.7, eerste of tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen of compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van die wet en de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht; of b. b. die is opgekomen van de zijde van een kind als gevolg van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet hersteloperatie toeslagen en de daarmee samenhangende rente, bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De vermogenstoetsuitzonderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend over de eerste tien berekeningsjaren volgend op het kalenderjaar waarin de bezitting verkregen werd. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar waarop het verzoek betrekking heeft volgende berekeningsjaren waarover de vermogenstoetsuitzonderingen kunnen gelden.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een bezitting mede verstaan de afname van een schuld als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 9quinquies

Vervallen

Artikel 9sexies

Vervallen

Artikel 9septies

Vervallen

Artikel 9octies

Vervallen

Artikel 9novies

Vervallen

Artikel 9decies

Vervallen

Artikel 9undecies

Vervallen

Artikel 9a

Indien de Dienst Toeslagen overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284) retroactief als bevoegd orgaan is aangemerkt:

a. a. wordt de belanghebbende geacht tijdig een aanvraag te hebben gedaan als bedoeld in artikel 15 van de wet; b. b. worden de in artikel 19 van de wet genoemde beslissingstermijnen voor toekenning van de tegemoetkoming verlengd met de tijd gedurende welke een orgaan in een andere lidstaat aangewezen is geweest als voorlopig bevoegd orgaan; c. c. wordt de in artikel 21, tweede lid, van de wet genoemde termijn en de in artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn verlengd met de tijd gedurende welk een orgaan in een andere lidstaat aangewezen is geweest als voorlopig bevoegd orgaan.

Artikel 9b

Vervallen

Artikel 9c

De Dienst Toeslagen kan ondersteuning verlenen bij het verwezenlijken van rechten of het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling. Deze ondersteuning vindt plaats in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. Onder ondersteuning wordt in ieder geval verstaan:

a. a. het ter beschikking stellen van middelen voor het verwezenlijken van rechten en nakomen van verplichtingen, bedoeld in de eerste zin, en b. b. het ondersteunen, onder meer met de middelen, bedoeld in onderdeel a, van partijen die hulp bieden bij het verwezenlijken van rechten en nakomen van verplichtingen, bedoeld in de eerste zin, voor zover die partijen geen vergoeding vragen voor het bieden van die hulp.

Artikel 9d

Artikel 9a, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2025 blijft van toepassing met betrekking tot beschikkingen die zien op de berekeningsjaren voorafgaand aan het berekeningsjaar 2026.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.