rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-meststoffenwet/BWBR0018989/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

3555 lines
272 KiB
Markdown
Raw Blame History

This file contains invisible Unicode characters

This file contains invisible Unicode characters that are indistinguishable to humans but may be processed differently by a computer. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

This file contains Unicode characters that might be confused with other characters. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

---
titel: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
bwb_id: BWBR0018989
type: ministeriele-regeling
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2023-12-14'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0018989
citeertitel: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
---
# Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Hoofdstuk 1. Algemeen
### Artikel 1
**1.**
In deze regeling wordt verstaan onder:
- *automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur:* apparatuur als bedoeld in artikel 48b van het besluit in samenhang met artikel 78 onderscheidenlijk 79;
- * bedrijfslocatie: * elke afzonderlijke locatie van de locaties, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, en artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit;
- *besluit:*
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- *centrale zandgronden:* zandgronden gelegen in de provincies Overijssel, Gelderland of Utrecht;
- *champost:* product van paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
- *combinatienummer:* nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde en zesde lid, verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- *derogatiebeschikking:* beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Bijlage III, punt 2, onder b, van richtlijn 91/676/EEG op grond waarvan onder voorwaarden een grotere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem mag worden gebracht dan bepaald in punt 2, tweede alinea, inleidende zinnen en onder a) van Bijlage III bij richtlijn 91/676/EEG;
- *diereenheid:* één varkenseenheid of 14,8 pluimvee-eenheden;
- * dikke fractie: * vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in bijlage I, of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen;
- * erkend laboratorium: * laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in bijlage H, en is erkend als bedoeld in artikel 80a;
- *eutrofiëring:* een verrijking van het water door stikstof- en fosfaatverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
- *gewasperceel:* perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in bijlage A, wordt geteeld;
- * GR-apparatuur: * apparatuur als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van het besluit;
- * hovenier: * ondernemer, niet zijnde een landbouwer of intermediair die zich beroepsmatig met de aanleg en het onderhoud van tuinen en andere groenobjecten bezighoudt;
- *hypotheekhouder:* degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf;
- *kennisgeving van overgang:* kennisgeving van overgang van een productierecht, of een gedeelte daarvan, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet;
- *mengvoeders:* mengvoeders als bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit diervoeders 2012;
- *mestkorrels:* dierlijke meststoffen die in een overeenkomstig artikel 24, eerste lid, onderdeel f of g, van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300) erkende inrichting of bedrijf zodanig zijn bewerkt dat het drogestofgehalte ervan ten minste 90% bedraagt;
- *mineralenconcentraat:* door middel van ultrafiltratie of gelijkwaardige industriële technieken, gevolgd door omgekeerde osmose uit dierlijke meststoffen als eindproduct vervaardigd concentraat;
- * minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- * monsternemende organisatie: * organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in bijlage Ea, en is erkend als bedoeld in artikel 78c;
- * noordelijke zandgronden:* zandgronden gelegen in de provincies Friesland, Groningen of Drenthe;
- * opmerkingscode: * code overeenkomend met een omstandigheid die zich ter zake van het vervoer van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost voordoet, genoemd in bijlage F en bijlage G, onderdeel B;
- *productielocatie:* gebouw of afgescheiden gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet, dat onderdeel uitmaakt van een bedrijf;
- *Raad:* Raad voor Accreditatie te Utrecht, dan wel een andere nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218);
- *richtlijn 91/676/EEG:* Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU L 324);
- * rVDM: * systeem voor het vervoer van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het besluit;
- * rVDM-nummer: * uniek nummer als bedoeld in artikel 54, elfde lid;
- * startmelding: * melding als bedoeld in artikel 51, derde lid, onderdeel a, van het besluit;
- * tuincentrum: * onderneming, niet zijnde een bedrijf of intermediair, die met de activiteit detailhandel in bloemen en planten, zaden en tuinbenodigdheden met SBI-code 47.76.1 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel;
- *vaste mest:* dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
- * verordening (EG) nr. 1069/2009:* verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300);
- * verordening (EU) nr. 2016/429: *
verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidswetgeving) (PbEU 2016, L84);
- * Verordening (EU) 2019/1009:* Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PbEU 2019, L170);
- * verordening (EU) nr. 2019/2035: *
verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314);
- *vervoersbewijs zuiveringsslib en compost:* vervoersbewijs als bedoeld in artikel 55 van het besluit in samenhang met artikel 69n;
- *vervreemder van een productierecht:* landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
- *verwerver van een productierecht:* landbouwer naar wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan; en
- * vloeibaar zuiveringsslib:* zuiveringsslib dat verpompbaar is;
- * vooraanmelding: * mededeling als bedoeld in artikel 50 van het besluit;
- * weegmelding: * melding die betrekking heeft op de gewichtsbepaling van de dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 59, vierde lid;
- *weegwerktuig:* niet-automatisch weegwerktuig als bedoeld in artikel 1 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers dat voldoet aan de bij of krachtens dat besluit gestelde regels;
- * westelijke zandgronden:* zandgronden gelegen in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland of Zeeland;
- *wet:*
Meststoffenwet;
- * zuidelijke zandgronden:* zandgronden gelegen in de provincies Limburg of Noord-Brabant.
**2.** Voor de toepassing van hoofdstuk 3 wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in artikel 1 van het besluit wordt verstaan.
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt voor de toepassing van artikel 24, vierde lid, en artikel 25a, zesde en zevende lid, onder perceel verstaan: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.
### Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van hoofdstuk 4, worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
### Artikel 3
Als grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet wordt aangemerkt grond met een houtopstand die valt onder artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder i, van het Besluit activiteiten leefomgeving of maatwerkregels of maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 11.117 respectievelijk artikel 11.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
## Hoofdstuk 2. Verhandelen van meststoffen
### Artikel 4
Voor zover zij voldoen aan de artikelen 9 tot en met 15 van het besluit zijn aangewezen:
a. a.
als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder I, opgenomen stoffen;
b. b.
als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in bijlage Aa, onder II, opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
c. c.
als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in bijlage Aa, onder III, opgenomen stoffen; en
d. d.
als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
### Artikel 5
gereserveerd
### Artikel 6
**1.** Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in bijlage Aa, onder I en II, opgenomen stoffen of de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
**2.** In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 92a en 92b en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
**3.** Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels.
**4.** In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
**5.** In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van covergiste mest als bedoeld in bijlage Aa, onder IV, te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen.
### Artikel 6a
Herwonnen fosfaten uit rioolzuiveringsslib worden behandeld langs biologische, chemische of thermische weg, door langdurige opslag of volgens enig ander geschikt procedé, dat tot gevolg heeft dat het grootste deel van de in het zuiveringsslib aanwezige pathogene organismen afsterft.
### Artikel 7
**1.**
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten van de droge stof:
a. a.
magnesiumoxide (MgO): ten minste 15%;
b. b.
calciumoxide (CaO): ten minste 25%;
c. c.
zwaveltrioxide (SO_3): ten minste 25%;
d. d.
natriumoxide (Na_2O): ten minste 50%.
**2.** Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren, bevatten ten minste één van deze micronutriënten, in de in Bijlage 1, Hoofdstuk E, van de meststoffenverordening voorgeschreven minimale gehalten.
### Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
### Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 2, opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
### Artikel 10
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is artikel 14 van het besluit, voor zover het betreft de in bijlage II, onder tabel 1 van het besluit, opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk artikel 8, voor zover het betreft de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
a. a.
de meststoffen overeenkomstig artikel 14 zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
b. b.
zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies.
### Artikel 11
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren zijn voorzien van een gebruiksaanwijzing die past bij de bodemgesteldheid en de teelt waarvoor de meststof wordt gebruikt.
### Artikel 12
**1.** De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P_2O_5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt
**2.** De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de artikelen 9 tot en met 12 van het besluit en de in artikel 7 van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
**3.** De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K_2O; CaO; MgO; Na_2O; onderscheidenlijk SO_3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
**4.** De hoeveelheid van de meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, wordt uitgedrukt in kilogrammen of in tonnen.
### Artikel 13
**1.** Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in bijlage Aa opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze bijlage is vermeld.
**2.** Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
**3.** Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge artikel 4, onderdeel c, aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op bijlage Aa, onder III, is vermeld.
### Artikel 14
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen primaire of secundaire nutriënten, maar ook de micronutriënten koper of zink leveren, zijn de meststoffen voorzien van gegevens inzake de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink.
### Artikel 15
**1.** De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in EG-meststoffen worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfor en kalium in de vorm van het oxide (P_2O_5 onderscheidenlijk K 2O), en desgewenst in de vorm van het element (P onderscheidenlijk K) uitgedrukt.
**2.** De gehalten aan calcium, magnesium, natrium en zwavel in EG-meststoffen worden in de vorm van het oxide (CaO; MgO; Na_2O; onderscheidenlijk SO_3) en desgewenst in de vorm van het element (Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
### Artikel 16
**1.** De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 17, dan wel artikel 92a tot en met 92b voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
**2.**
De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
a. a.
de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 17 zijn vastgesteld;
b. b.
het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 18 is vastgesteld; of
c. c.
de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 19 is vastgesteld.
### Artikel 17
**1.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel I, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 18
**1.** Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel II, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 19
**1.** De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel III, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 20
**1.** Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel IV, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 21
**1.** De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in artikel 9, in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
**3.** De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel V, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 22
**1.** De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
**2.** De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel VI, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Artikel 23
Het tijdstip, bedoeld in artikel 77 van het besluit bedraagt voor alle meststoffen 1 januari 2011.
## Hoofdstuk 3. Gebruiksnormen
### Paragraaf 1. Derogatie
### Artikel 23a
Vervallen
### Artikel 24
**1.**
De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet bedraagt per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van meststoffen beschikbaar is:
a. a.
voor het kalenderjaar 2024: 230 kilogram stikstof;
b. b.
voor het kalenderjaar 2025: 200 kilogram stikstof.
**2.**
In met nutriënten verontreinigde gebieden bedraagt de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, in afwijking van het eerste lid, per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van meststoffen beschikbaar is:
a. a.
voor het kalenderjaar 2024: 210 kilogram stikstof;
b. b.
voor het kalenderjaar 2025: 190 kilogram stikstof.
**3.**
Als met nutriënten verontreinigde gebieden worden aangewezen:
a. a.
de zandgronden en lössgronden, bedoeld in Bijlage I bij het besluit, in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg; en
b. b.
de op de kaarten in bijlage Aca aangeduide gebieden.
**4.** Een perceel landbouwgrond maakt deel uit van een met nutriënten verontreinigd gebied indien dat perceel ten minste voor de helft van de oppervlakte in dat gebied gelegen is.
**5.**
De in het eerste lid en tweede lid bedoelde gebruiksnormen zijn uitsluitend van toepassing:
a. a.
op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren;
b. b.
indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 25c, 27 en 27a;
c. c.
indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in artikel 25a, eerste lid; en
d. d.
indien de landbouwer op tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geen gebruik maakt van een voorziening om runderdrijfmest op een andere wijze aan te wenden dan bepaald in artikel 4.1199 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
### Artikel 25
**1.** In de periode van 3 februari 2025 tot en met 28 februari 2025 van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de Minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste of tweede lid.
**2.** Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle.
**3.** Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1193, 4.1194, 4.1199, 4.1213, 4.1215, 4.1216, 4.1217 en 4.1218 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
**4.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in behandeling genomen, nadat de landbouwer een bedrag van € 50,- heeft voldaan.
**5.** De landbouwer betaalt ten behoeve van s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 10 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in Bijlage Ad. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
**6.** De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van artikel 24, eerste of tweede lid, tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht.
### Artikel 25a
**1.** De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan.
**2.** De vergunning wordt verleend voor één kalenderjaar.
**3.** De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid.
**4.** Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid.
**5.** Geen vergunning wordt verleend aan een landbouwer die voor de tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond gebruik maakt van een voorziening om runderdrijfmest op een andere wijze aan te wenden dan bepaald in artikel 4.1199 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
**6.** Voor zover de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, gelegen is in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet of in een zone van 100 meter rondom een Natura 2000-gebied dat is aangewezen in bijlage Ae, wordt aan een landbouwer geen vergunning verleend. Voor de toepassing van dit lid maakt een perceel landbouwgrond deel uit van dat gebied of van die zone indien het perceel landbouwgrond ten minste voor de helft van de oppervlakte daarin gelegen is.
**7.** Voor zover de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, gelegen is in een op grond van artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij of krachtens omgevingsverordening aangewezen grondwaterbeschermingsgebied, wordt aan een landbouwer geen vergunning verleend. Voor de toepassing van dit lid maakt een perceel landbouwgrond deel uit van het grondwaterbeschermingsgebied indien het perceel landbouwgrond ten minste voor de helft van de oppervlakte daarin gelegen is.
### Artikel 25b
**1.** De minister kan een vergunning intrekken, indien de landbouwer niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf.
**2.** De minister trekt een vergunning voorts in, indien de landbouwer dit verzoekt.
**3.** Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
### Artikel 25c
**1.** De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, en de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels. Op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1193, 4.1194, 4.1199, 4.1213, 4.1215, 4.1216, 4.1217 en 4.1218 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
**2.** In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
**3.** De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest.
**4.** De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 10 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
**5.**
In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden wordt, in afwijking van artikel 4.1215, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de zode van gras uitsluitend vernietigd:
a. a.
in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij het Besluit activiteiten leefomgeving begint;
b. b.
in de periode van 11 mei tot en met 20 juni als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een gewas begint; of
c. c.
in de periode van 21 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint.
**6.** Indien in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus aansluitend op het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw gras wordt geteeld, meldt de landbouwer voorafgaand aan het vernietigen de datum waarop de zode wordt vernietigd aan de minister.
**7.**
In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast is artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond, met dien verstande dat:
a. a.
de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, alleen van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd voor de teelt van maïs;
b. b.
de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ook van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd na 31 augustus.
**8.** In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden zijn artikel 4.1193 van het Besluit activiteiten leefomgeving en een op de artikelen 4.1193, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 19.0 van de Omgevingswet gebaseerd besluit van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van de daarin genoemde tijdstippen de teelt van een daarin genoemd gewas na de teelt van maïs aanvangt.
**9.** De landbouwer gebruikt een mestaanwendsysteem met een bemester waarbij drijfmest in strookjes op de bodem wordt gebracht uitsluitend indien de buitentemperatuur op het perceel waar de drijfmest wordt aangewend lager is dan 20° Celsius.
**10.** De buitentemperatuur, bedoeld in het negende lid, is de op het moment van gebruik laatst beschikbare tien-minutenwaarde van de gemeten temperatuur die het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut voor de weerstationregio waar het perceel in valt, heeft uitgevaardigd in een algemeen weerbericht, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie. Indien een perceel op de grens ligt van weerstationregios, geldt de laagste door de desbetreffende weerstations gemeten waarde.
**11.** Een weerstationregio, bedoeld in het tiende lid, is de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde regio waarvoor de temperatuurwaarden gelden die het in die regio gelegen weerstation van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut meet. Het kaartje met de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde weerstationregios is beschikbaar op de internetpagina van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (www.nvwa.nl).
**12.** Indien blijkt dat het weerstation van de weerstationregio waar het perceel in valt door storing of andere oorzaak geen tien-minutenwaarden beschikbaar stelt, wordt in afwijking van het tiende lid, eerste volzin, uitgegaan van de op het moment van gebruik laagste laatst beschikbare tien-minutenwaarde geldend in een aangrenzende weerstationregio.
### Artikel 25d
Vervallen
### Artikel 26
Vervallen
### Artikel 27
**1.** De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde lid, van de derogatiebeschikking.
**2.** De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
**3.** De landbouwer bewaart het bemestingsplan als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.
**4.** De landbouwer houdt een mestboekhouding bij die voldoet aan artikel 7, vierde lid, van de derogatiebeschikking.
**5.** De landbouwer verstrekt elk kalenderjaar uiterlijk op 31 januari aan de minister gegevens uit de mestboekhouding.
**6.** De landbouwer bewaart de mestboekhouding als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.
### Artikel 27a
**1.** Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
**2.** Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig artikel 103a, eerste tot en met derde lid, met dien verstande dat, indien door de landbouwer een gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast, gebruik wordt gemaakt van een methode waarin per vijf hectare van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond ten minste één stikstof en fosforanalyse wordt uitgevoerd.
**3.** Op basis van de analyse, bedoeld in het eerste lid, past het bedrijf het bemestingsplan, bedoeld in artikel 27, aan en corrigerende maatregelen toe.
**4.** De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.
**5.** Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
**6.** In afwijking van het eerste lid zijn voor 2025 de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem ten hoogste vier jaar en een maand voorafgaand aan 1 maart 2025 vastgesteld en vastgelegd.
### Artikel 27b
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
a. a.
die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig artikel 27 zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
b. b.
bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
### Artikel 27c
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 25c, 27 en 27a, is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet van toepassing.
### Paragraaf 2. Stikstofgebruiksnorm
### Artikel 28
**1.**
Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
a. a.
de hoeveelheid stikstof die bij tijdelijk grasland en bij groenbemesters is vermeld, niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van maïs;
b. b.
de hoeveelheid stikstof die onder de gewasgroep groenbemesters bij Graszaadstoppel ter vernietiging in najaar of vroege voorjaar is vermeld, uitsluitend van toepassing is indien de groenbemester:
1°.
wordt geteeld vóór 16 september en is geploegd na 1 december, voor zover de groenbemester wordt geteeld op zand-, löss- of veengrond;
2°.
wordt geteeld vóór 16 september en aantoonbaar ten minste acht weken wordt geteeld alvorens te worden geploegd, voor zover de groenbemester wordt geteeld op kleigrond; of
3°.
gedurende een periode van ten minste tien weken wordt geteeld in het groeiseizoen en aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld.
1°. 1°.
wordt geteeld vóór 16 september en is geploegd na 1 december, voor zover de groenbemester wordt geteeld op zand-, löss- of veengrond;
2°. 2°.
wordt geteeld vóór 16 september en aantoonbaar ten minste acht weken wordt geteeld alvorens te worden geploegd, voor zover de groenbemester wordt geteeld op kleigrond; of
3°. 3°.
gedurende een periode van ten minste tien weken wordt geteeld in het groeiseizoen en aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld.
c. c.
de hoeveelheid stikstof die onder de gewasgroep groenbemesters bij Niet-vlinderbloemige groenbemesters is vermeld, uitsluitend van toepassing is indien de niet-vlinderbloemige groenbemester voor 1 september aansluitend op de teelt van granen, graszaad of koolzaad wordt geteeld en niet voor 1 februari van het daarop volgende kalenderjaar wordt vernietigd;
d. d.
de hoeveelheid stikstof die bij Consumptieaardappelen Vroeg is vermeld, uitsluitend geldt indien het loof voor 15 juli van het desbetreffende jaar wordt vernietigd;
e. e.
de hoeveelheid stikstof die bij Pootaardappelen Uitgroeiteelt is vermeld, uitsluitend geldt indien het loof na 15 augustus van het desbetreffende jaar wordt vernietigd;
f. f.
de hoeveelheid stikstof die onder lössgrond is vermeld, uitsluitend geldt indien het grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een kleinere fractie dan 50 µm; en
g. g.
de hoeveelheid stikstof per hectare die in de tabel is vermeld, wordt verminderd met 20 procent bij teelt op landbouwgrond in een met nutriënten verontreinigd gebied.
**2.** De hoeveelheid stikstof per hectare, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt rekenkundig afgerond op hele kilogrammen.
**3.** Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit Bijlage A, tabel 1, in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
### Artikel 28a
**1.**
De hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt:
a. a.
voor zover het gewas suikerbieten betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
b. b.
voor zover het de in bijlage A, tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
c. c.
voor zover het gewas wintertarwe betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg;
d. d.
voor zover het gewas zomertarwe betreft, 20 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal zomertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 8 ton per hectare bedroeg;
e. e.
voor zover het gewas wintergerst betreft, 20 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintergerst dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg;
f. f.
voor zover het gewas zomergerst betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal zomergerst dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 7 ton per hectare bedroeg.
**2.**
De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. a.
de landbouwer heeft de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden te verstrekken aan de minister;
b. b.
de landbouwer heeft het desbetreffende bedrijf uiterlijk op 15 mei van het kalenderjaar waarin gebruik gemaakt wordt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm aangemeld bij de minister;
c. c.
de landbouwer heeft bij de melding, bedoeld in onderdeel b, verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf is voldaan aan het eerste lid, onderdelen a tot en met f, in samenhang met het derde lid, en aan het tweede lid, onderdeel a;
d. d.
de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, gegevens bewaart waaruit in voorkomend geval ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt:
1°.
welke gewassen en rassen op zijn bedrijf werden geteeld;
2°.
het aantal hectaren kleigrond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld;
3°.
de hoogte van de gewasopbrengst; en
4°.
de afnemers van de desbetreffende gewassen.
1°. 1°.
welke gewassen en rassen op zijn bedrijf werden geteeld;
2°. 2°.
het aantal hectaren kleigrond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld;
3°. 3°.
de hoogte van de gewasopbrengst; en
4°. 4°.
de afnemers van de desbetreffende gewassen.
**3.** Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een daartoe gespecialiseerd bedrijf dat zich toelegt op het sorteren van de betreffende gewassen, is afgeleverd aan afnemers die de suikerbieten respectievelijk de consumptieaardappelen tot voor menselijke consumptie dan wel de gewassen, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met f, tot voor menselijke of dierlijke consumptie geschikte producten verwerken.
### Artikel 28b
**1.**
In afwijking van artikel 28 bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel:
a. a.
de betrokken landbouwer schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies, veroorzaakt door het optreden van een neerslaghoeveelheid die uitgaat boven 50 millimeter in de 24 uur na 08.00 uur of 60 millimeter in de 48 uur na 08.00 uur;
b. b.
de te verwachten financiële opbrengst van het betreffende gewasperceel zonder bijbemesting tenminste 25 procent lager is;
c. c.
neerslag en opbrengstderving in een rapport door een geregistreerd schade-expert zijn bevestigd, waarin ook melding gemaakt wordt van ligging en areaal van het betreffende gewasperceel;
d. d.
de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in bijlage A, tabel 1, genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen;
e. e.
de landbouwer het voornemen tot bijbemesting vooraf heeft gemeld bij de minister;
f. f.
de landbouwer bij de melding, bedoeld in onderdeel e, heeft verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf wordt voldaan aan de onderdelen a tot en met d;
g. g.
de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, het rapport, bedoeld onder c, bewaart.
**2.** Indien een gewasperceel als bedoeld in het eerste lid gelegen is in een met nutriënten verontreinigd gebied of in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, wordt voor de toepassing van de 125 procent, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de overeenkomstig artikel 28, eerste lid, aanhef en onderdeel g, verminderde hoeveelheid stikstof per hectare.
### Artikel 28c
**1.** De hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt vermeerderd met de in bijlage A, tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren.
**2.**
De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid:
a. a.
heeft, voor zover het de gewassen genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
b. b.
beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
c. c.
beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
d. d.
stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm;
e. e.
bewaart als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, gegevens waaruit ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt:
1°.
welke gewassen en rassen op het bedrijf werden geteeld;
2°.
het aantal hectaren grond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld;
3°.
de hoogte van de gewasopbrengst;
4°.
welke mestsoorten zijn gebruikt op het bedrijf; en
5°.
de afnemers van de desbetreffende gewassen;
1°. 1°.
welke gewassen en rassen op het bedrijf werden geteeld;
2°. 2°.
het aantal hectaren grond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld;
3°. 3°.
de hoogte van de gewasopbrengst;
4°. 4°.
welke mestsoorten zijn gebruikt op het bedrijf; en
5°. 5°.
de afnemers van de desbetreffende gewassen;
f. f.
gebruikt op het bedrijf:
1°.
voor zover het zuidelijke zandgronden en lössgronden betreft, maximaal 75 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaats vindt door het gebruik van kunstmest;
2°.
voor zover het kleigrond, noordelijke, westelijk en centrale zandgronden of veengrond betreft, maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaatsvindt door het gebruik van kunstmest;
1°. 1°.
voor zover het zuidelijke zandgronden en lössgronden betreft, maximaal 75 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaats vindt door het gebruik van kunstmest;
2°. 2°.
voor zover het kleigrond, noordelijke, westelijk en centrale zandgronden of veengrond betreft, maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaatsvindt door het gebruik van kunstmest;
g. g.
bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in bijlage A, bijlage 1a, niet met drijfmest;
h. h.
verleent medewerking aan de monitoring door de minister van de milieueffecten van de toegestane vermeerdering van de hoeveelheid stikstof op grond van het eerste lid.
**3.** Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks is afgeleverd aan afnemers.
### Artikel 28d
**1.** De totale hoeveelheid stikstof die een landbouwer gelet op artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de Meststoffenwet ten hoogste op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond kan gebruiken, wordt met ingang van het kalenderjaar 2024 verminderd met de in het tweede lid bedoelde hoeveelheid stikstof, indien hij op zand- of lössgrond in het voorafgaande kalenderjaar niet uiterlijk op 1 oktober een vanggewas, genoemd in tabel 6 van bijlage A, heeft geteeld.
**2.**
De vermindering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per hectare landbouwgrond die het betreft:
a. a.
5 kilogram stikstof indien in de periode van 2 oktober tot en met 14 oktober van het voorafgaande kalenderjaar met de teelt van het vanggewas is aangevangen;
b. b.
10 kilogram stikstof indien in de periode van 15 oktober tot en met 31 oktober van het voorafgaande kalenderjaar met de teelt van het vanggewas is aangevangen;
c. c.
20 kilogram stikstof indien op of na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar met de teelt van het vanggewas is aangevangen;
d. d.
20 kilogram stikstof indien in het voorafgaande kalenderjaar na de hoofdteelt geen vanggewas wordt geteeld.
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt de totale hoeveelheid stikstof, bedoeld in het eerste lid, verminderd met 20 kilogram stikstof per hectare landbouwgrond, indien op zand- of lössgrond het ingezaaide vanggewas, bedoeld in het eerste lid, voor 1 februari volgend op het kalenderjaar waarin met de teelt is aangevangen, wordt vernietigd.
**4.**
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. a.
een wintergewas als genoemd in tabel 7 van bijlage A wordt geteeld, waarbij voor wintergewassen die ook zijn opgenomen in tabel 6 van bijlage A geldt dat:
1°.
de teelt aansluitend aan de voorafgaande teelt aanvangt; en
2°.
het wintergewas niet voor 16 mei wordt vernietigd;
1°. 1°.
de teelt aansluitend aan de voorafgaande teelt aanvangt; en
2°. 2°.
het wintergewas niet voor 16 mei wordt vernietigd;
b. b.
het telen van een vanggewas onmogelijk is vanwege het toepassen van inundatie; of
c. c.
artikel 4.1193 of 4.1211 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
**5.** De landbouwer meldt het telen van het vanggewas, het telen van het wintergewas en het voor 1 februari vernietigen van het vanggewas uiterlijk de dag na aanvang van de teelt of het vernietigen elektronisch aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
**6.** De landbouwer meldt het toepassen van inundatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, voor 1 oktober elektronisch aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
### Artikel 28e
Een landbouwer die een verhoging van een stikstofgebruiksnorm toepast als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in artikel 28c, eerste lid.
### Artikel 28f
**1.**
Onverminderd artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met g, wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met:
a. a.
65 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte voormalig grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend aan het vernietigen van de graszode op deze grond in het zelfde kalenderjaar de teelt van maïs, consumptieaardappelen of fabrieksaardappelen aanvangt;
b. b.
50 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien na het vernietigen van de graszode in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus op deze grond direct aansluitend de teelt van gras aanvangt;
c. c.
50% indien direct voorafgaand aan de teelt van een groenbemester op bouwland, gelegen op zand- of lössgrond, een gewas, niet zijnde graan, koolzaad, zomerpeen, blauwmaanzaad, karwij of vlas, wordt geteeld.
**2.**
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien:
a. a.
de graszode in het voorafgaande jaar is geteeld als aangewezen gewas conform het bepaalde in artikel 4.1193, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
b. b.
het gras is ingezaaid als een niet-vlinderbloemige groenbemester als bedoeld in bijlage A.
**3.** Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt van het bepaalde in artikel 4.1217 van het Besluit activiteiten leefomgeving vrijstelling verleend.
### Artikel 29
**1.** Bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in bijlage B vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid op bedrijf met beweiding of op bedrijf zonder beweiding vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in bijlage A, tabel 1, bij grasland met beweiden onderscheidenlijk grasland met volledig maaien vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
**2.** Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in bijlage B is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
### Paragraaf 3. Fosfaattoestand van de bodem en fosfaatgebruiksnormen
### Artikel 29a
De indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland is de combinatie van:
a. a.
het P-CaCl_2-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P_2O_5 per kilogram grond; en
b. b.
het P-AL-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P_2O_5 per 100 gram grond.
### Artikel 30
De fosfaattoestand van grasland wordt, overeenkomstig de indeling genoemd in artikel 21a, eerste lid, van het besluit, gekwalificeerd volgens tabel I en de fosfaattoestand van bouwland wordt gekwalificeerd volgens tabel II waarbij het P-AL-getal wordt afgerond in gehele getallen en het P-CaCl_2-getal wordt afgerond in decimalen.
### Artikel 31
**1.** De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand arm bedraagt 120 kilogram fosfaat per hectare grasland of bouwland.
**2.** De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand laag bedraagt 105 kilogram fosfaat per hectare grasland of 80 kilogram per hectare bouwland.
**3.** De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand neutraal bedraagt 95 kilogram fosfaat per hectare grasland of 70 kilogram per hectare bouwland.
**4.** De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand ruim bedraagt 90 kilogram fosfaat per hectare grasland of 60 kilogram per hectare bouwland.
### Artikel 32
**1.** De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing gedurende het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan, en indien wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 103b, derde lid.
**2.** Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de desbetreffende fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister.
**3.** Het tweede en derde lid van artikel III van de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2019 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (Stcrt. 2019, 70977) vervallen met ingang van 1 januari 2021.
### Artikel 33
**1.** Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 zijn de normen ter bepaling van de fosfaattoestand van de bodem en zijn de fosfaatgebruiksnormen van toepassing zoals deze golden op 31 december 2020.
**2.** In afwijking van artikel 103a, derde lid, is een analyserapport met een datum van monstername als bedoeld in dat lid, gelegen tussen 15 mei 2016 en 15 mei 2017 geldig tot vijf jaar na de datum van monstername.
**3.** Op percelen waarvoor voor 1 januari 2021 een melding is gedaan op grond van zowel artikel 33, eerste lid, zoals dit luidde op 31 december 2020, als artikel 103b, tweede lid, is tot het verstrijken van de termijnen van vier jaren, bedoeld in artikel 32, eerste lid, zoals dit luidde op 31 december 2020 of, indien dat eerder is, tot het moment waarop een nieuwe melding is gedaan, gebaseerd op een geldig analyserapport, bedoeld in artikel 103a, tweede lid, met een datum van de monstername na 1 januari 2021, de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van toepassing.
**3.** Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport dat is opgesteld voor 1 januari 2021 en waaruit blijkt dat indicator voor de fosfaattoestand van grasland een PAL-getal van minder dan 16 of de indicator voor de fosfaattoestand van bouwland een Pw-getal van minder dan 25 heeft, terwijl ten aanzien van desbetreffende percelen geen melding als bedoeld in artikel 33, eerste lid, zoals het luidde op 31 december 2020, is gedaan, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van toepassing.
**4.**
In afwijking van het eerste lid zijn op percelen waarvoor een melding als bedoeld artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 de normen in verband met de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 30, en de fosfaatgebruiksnormen, bedoeld in artikel 31, van toepassing indien:
a. a.
in het desbetreffende analyserapport de fosfaattoestand tevens is vastgesteld met gebruikmaking van de indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland, bedoeld in artikel 29a; en
b. b.
de landbouwer daarvan melding heeft gedaan bij de melding, bedoeld in de aanhef.
### Artikel 33a
**1.** Een landbouwer kan in enig jaar een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet of artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, van deze regeling toepassen, indien de hoeveelheid fosfaat waarmee de geldende fosfaatgebruiksnorm is overschreden, in het navolgende jaar volledig wordt gecompenseerd.
**2.** De compensatie geschiedt door de hoeveelheid fosfaat waarmee de fosfaatgebruiksnorm in het voorgaande jaar is overschreden in mindering te brengen op de in het navolgende jaar geldende fosfaatgebruiksnorm.
**3.** De hogere gebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar meer dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge artikel 11, eerste lid, van de wet of artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, van deze regeling.
**4.** De landbouwer, bedoeld in het eerste lid, meldt de toepassing van de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de verhoging wordt toegepast aan de minister.
### Artikel 33b
**1.**
De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand hoog bedraagt 45 kilogram fosfaat per hectare bouwland of op een bedrijf als bedoeld in artikel 72a, tweede lid, onderdeel a, 50 kilogram fosfaat per hectare bouwland, indien de landbouwer op de desbetreffende percelen ten minste 20 kg fosfaat per hectare toepast die aantoonbaar afkomstig is van één of meer van de volgende meststoffen:
a. a.
strorijke vaste mest van rundvee;
b. b.
in geval van een bedrijf als bedoeld in artikel 72a, tweede lid, onderdeel a, strorijke vaste mest van varkens;
c. c.
strorijke vaste mest van schapen;
d. d.
strorijke vaste mest van geiten;
e. e.
strorijke vaste mest van paarden;
f. f.
dikke fractie van meststoffen van rundvee;
g. g.
champost;
h. h.
gft-compost; of
i. i.
groencompost.
**2.** De landbouwer, bedoeld in het eerste lid, meldt het perceel of gewasperceel waarop de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de verhoging wordt toegepast aan de minister.
### Artikel 33c
**1.**
Indien een landbouwer op een perceel meststoffen als bedoeld in artikel 33b, eerste lid, onderdelen a tot en met e en g tot en met i, op of in de bodem brengt, wordt voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet, of artikel 31 de volgende hoeveelheid fosfaat in aanmerking genomen:
a. a.
voor zover het gaat om meststoffen als bedoeld in artikel 33b, eerste lid, onderdelen h en i: 25 procent van de hoeveelheid fosfaat in kilogrammen; en
b. b.
voor zover het gaat om meststoffen als bedoeld in artikel 33b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en g: 75 procent van de hoeveelheid fosfaat in kilogrammen.
**2.**
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing, indien:
a. a.
het fosfaat aantoonbaar afkomstig is van een of meer van de desbetreffende meststoffen, bedoeld in artikel 33b, eerste lid, onderdelen a tot en met e en g tot en met i;
b. b.
op een perceel per hectare ten minste 20 kilogram fosfaat van de in onderdeel a bedoelde meststoffen wordt toegepast; en
c. c.
per hectare ten hoogste het desbetreffende aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet, of artikel 31, van de in onderdeel a bedoelde meststoffen wordt toegepast.
### Artikel 34
Vervallen
### Artikel 35
Vervallen
### Paragraaf 4. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
## Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen
### Artikel 36
**1.** Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit, worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in bijlage D, tabel IA, kolom A.
**2.** Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom A van die tabel.
## Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
### Artikel 37
**1.** De aanmelding, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de minister.
**2.** Indien een landbouwbedrijf wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.
**3.**
De gegevens, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:
a. a.
het adres van de bedrijfsgebouwen waar dierlijke mest wordt geproduceerd; en
b. b.
het correspondentieadres van de landbouwer, indien dit afwijkt van het adres, bedoeld in onderdeel a.
**4.** Wijzigingen in de ingevolge artikel 31 van het besluit verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
### Artikel 37a
De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren.
### Artikel 38
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.
**2.** De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit, worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in bijlage D, tabel IA.
**3.** De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel i, van het besluit, worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.
**4.** Indien op een bedrijf covergiste mest als bedoeld in bijlage Aa, onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 33, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
### Artikel 39
**1.**
Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de landbouwer gegevens over:
a. a.
de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in de periode van 1 januari tot en met 31 januari of van 16 september tot en met 31 december, op zijn bedrijf op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem is gebracht; en
b. b.
de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop zuiveringsslib op of in de bodem is gebracht.
**2.** Ingeval van een overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door een landbouwer aan een intermediair of door een intermediair aan een landbouwer, bevat de administratie tevens het bewijs van overdracht.
**3.**
Ingeval een landbouwer mestkorrels produceert, bevat de administratie tevens gegevens over:
a. a.
een overzicht van welke hoeveelheid mestkorrels uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of intermediaire onderneming is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde mestkorrels uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid mestkorrels uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming zijn geleverd
**4.** Ingeval van gebruik van het in artikel 69r bedoelde middel, bevat de administratie, tevens de op basis van dat middel vereiste gegevens.
**5.** In aanvulling op het eerste lid bevat de administratie van de landbouwer het geplande gebruik van meststoffen van het desbetreffende kalenderjaar.
**6.** De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van het besluit en het vijfde lid, worden jaarlijks voor 15 februari opgenomen in de administratie van de landbouwer.
**7.** In afwijking van het zesde lid worden de gegevens, bedoeld in dat lid, voor het kalenderjaar 2025 voor 15 maart van dat jaar opgenomen in de administratie.
### Artikel 40
**1.** Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
**2.** Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de artikelen 32, tweede lid, en 33 van het besluit en de artikelen 38 en 39 bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
**3.** In afwijking van het tweede lid, worden wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel f, van het besluit uiterlijk de eerstvolgende werkdag na het vervoer in de administratie opgenomen.
### Artikel 41
De landbouwer die in de periode van 16 mei tot en met 31 oktober van een kalenderjaar een perceel landbouwgrond in gebruik neemt dat voor deze periode in gebruik was bij een ander bedrijf of een derde, doet hiervan binnen 30 dagen melding aan de minister.
### Artikel 42
**1.**
De landbouwer verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
a. a.
de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar:
1°.
vaste mest;
2°.
drijfmest;
3°.
zuiveringsslib en compost; en
4°.
meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost;
1°. 1°.
vaste mest;
2°. 2°.
drijfmest;
3°. 3°.
zuiveringsslib en compost; en
4°. 4°.
meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost;
b. b.
de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd;
c. c.
het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in bijlage D, tabel IA; en
d. d.
het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in bijlage D, tabel IA.
**2.** De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig artikel 25, eerste lid, is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
**3.** De landbouwer die op het eigen bedrijf koemelk produceert, verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.
**4.** Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door een landbouwer aan een intermediair of door een intermediair aan een landbouwer, doet de landbouwer hiervan binnen 30 dagen na de overdracht melding.
**5.**
De landbouwer in het kader van wiens bedrijf mestkorrels worden geproduceerd, verstrekt binnen 30 dagen na afloop van elk kwartaal:
a. a.
een overzicht per kwartaal van welke hoeveelheid mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of welke intermediair is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde mestkorrels inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming zijn geleverd.
### Artikel 43
**1.**
De artikelen 26 en 31 tot en met 35 van het besluit en de artikelen 37 tot en met 42 zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. a.
de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof;
b. b.
de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare;
c. c.
het bedrijf beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer in het geval dierlijke meststoffen worden aangevoerd op dan wel afgevoerd van het bedrijf.
**2.** De artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit en de artikelen 40, eerste lid, en 42, eerste lid, onderdelen a, c en d, zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in bijlage D, tabel IA, waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
**3.** De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in bijlage D, tabel IA, kolom B, en tabellen IIA en IIB vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
**4.** Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het derde lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.
### Artikel 44
De artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit en de artikelen 40 en 42, eerste lid, onderdelen a en c, zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. a.
het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
b. b.
inscharing van de schapen vindt slechts gedurende één aaneengesloten periode van ten hoogste vier weken in het kalenderjaar plaats in de periode van 1 januari tot 1 maart of in de periode van 1 oktober tot en met 31 december.
## Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
### Artikel 45
**1.** De aanmelding, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de minister.
**2.** Indien een intermediaire onderneming wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.
**3.**
De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:
a. a.
de GPS-gegevens van de onderscheiden locaties van de opslagruimten voor meststoffen; en
b. b.
het correspondentieadres van de onderneming.
**4.** De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdelen f en g, van het besluit, betreffen mede de serienummers van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur en de GR-apparatuur alsmede een aanduiding van het type waartoe deze apparatuur behoort, het versienummer en de fabrikant van deze apparatuur.
**5.** De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel h, van het besluit, worden, voor zover het opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters.
**6.**
In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van dierlijke mest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn, tevens de volgende gegevens:
a. a.
ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft, waarop overeenkomstig Bijlage E, onderdeel D, onder 4.6, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig Bijlage E, onderdeel D, onder 4.6, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft;
b. b.
ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel en van iedere aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel en het chassisnummer van de aanhangwagen, voor zover het een ander transportmiddel betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest; en
c. c.
de koppeling tussen de geregistreerde GR-apparatuur, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel g, van het besluit, en de in onderdeel b bedoelde kentekens en chassisnummers, onder vermelding van het serienummer van de GR-apparatuur.
**7.** Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt de intermediair behalve de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib.
**8.** Wijzigingen in de ingevolge artikel 38 van het besluit of het zesde of zevende lid geregistreerde gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
**9.** De artikelen 38 en 39 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert, met dien verstande dat het tuincentrum of de hovenier wel beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer.
**10.** Het zesde lid is niet van toepassing, indien het vervoer van drijfmest van een bedrijf naar een intermediaire onderneming of van een intermediaire onderneming naar een andere intermediaire onderneming plaatsvindt met behulp van een pijpleiding.
### Artikel 45a
De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren.
### Artikel 46
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier.
**2.** In plaats van het in het eerste lid bedoelde formulier kunnen andere gegevensdragers worden gebruikt, onder de voorwaarde dat daarbij dezelfde berekeningswijze wordt gehanteerd als bij gebruik van het in het eerste lid bedoelde formulier, het geval zou zijn geweest.
**3.** Voor zover het hoeveelheden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, ingevuld zoals deze voor de desbetreffende hoeveelheid ook zijn opgenomen in rVDM, onderscheidenlijk zoals deze ook zijn vermeld op het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten.
**4.** Voor zover het hoeveelheden mestkorrels, overige organische meststoffen en anorganische meststoffen betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, overgenomen van het etiket op de verpakking, dan wel van het begeleidend document bij de meststoffen.
**5.** Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, bevat de administratie met betrekking tot de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel d, van het besluit, het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van de bij deze overdracht betrokken intermediaire onderneming.
**6.**
Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over:
a. a.
de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib;
b. b.
de hoeveelheid geproduceerd, behandeld zuiveringsslib; en
c. c.
de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in artikel 21.
**7.**
Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over:
a. a.
de hoeveelheid geproduceerde, behandelde compost; en
b. b.
de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen zware metalen.
**8.** Indien op een onderneming covergiste mest als bedoeld in bijlage Aa, onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
**9.** Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in artikel 48a, tweede lid.
**10.**
Indien op een onderneming substraat wordt geproduceerd, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, tevens gegevens over:
a. a.
een overzicht van welke hoeveelheid substraat, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welke champignonteler is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerd substraat, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat.
**11.**
Indien een intermediair mestkorrels produceert, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, tevens gegevens over:
a. a.
een overzicht van welke hoeveelheid mestkorrels uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of intermediaire onderneming is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming zijn geleverd.
**12.**
Indien op een onderneming een mengsel van vaste meststoffen wordt geproduceerd, dat ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, tevens gegevens over:
a. a.
een overzicht van welke hoeveelheid meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of welke intermediaire onderneming is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming zijn geleverd;
d. d.
de mestcode dan wel de mestcodes, bedoeld in bijlage I, van de desbetreffende mestsoort of mestsoorten en de percentages van elke afzonderlijke meststof in het mengsel.
**13.** Ingeval van gebruik van het in artikel 69r bedoelde middel, bevat de administratie, tevens de op basis van dat middel vereiste gegevens.
### Artikel 47
**1.** Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit en artikel 46, vijfde lid, bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
**2.** Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in artikel 81, eerste lid, van het laboratorium zijn ontvangen op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt.
**3.** Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt.
**4.** Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 39, zesde lid, onderdelen a en b, van het besluit bevat, worden uiterlijk de eerstvolgende werkdag na het vervoer in de administratie opgenomen.
### Artikel 48
**1.**
De intermediair verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
a. a.
de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die in het kader van de onderneming zijn aan- en afgevoerd;
b. b.
vervallen; en
c. c.
de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
**2.** De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.
**4.** De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
**5.** De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
**6.**
De intermediair in het kader van wiens onderneming substraat wordt geproduceerd, verstrekt binnen 30 dagen na afloop van elk kwartaal:
a. a.
een overzicht per kwartaal van welke hoeveelheid substraat, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welke champignonteler is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerd substraat inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat.
**7.**
De intermediair in het kader van wiens onderneming mestkorrels worden geproduceerd, verstrekt binnen 30 dagen na afloop van elk kwartaal:
a. a.
een overzicht per kwartaal van welke hoeveelheid mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of welke intermediair is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde mestkorrels inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid mestkorrels, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming zijn geleverd.
**8.**
De intermediair in het kader van wiens onderneming een mengsel van vaste meststoffen wordt geproduceerd, dat ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat, verstrekt binnen 30 dagen na afloop van elk kwartaal:
a. a.
een overzicht van welke hoeveelheid meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, aan welk bedrijf of welke intermediaire onderneming is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geëxporteerde meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat;
c. c.
de hoeveelheid meststoffen uitgedrukt in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat, die aan afnemers niet zijnde een bedrijf of intermediaire onderneming is geleverd;
d. d.
de mestcode dan wel de mestcodes, bedoeld in bijlage I, van de desbetreffende mestsoort of mestsoorten en de percentages van elke afzonderlijke meststof in het mengsel.
### Artikel 48a
**1.** Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, meldt de intermediair deze overdracht binnen 30 dagen na de overdracht.
**2.**
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de ingangsdatum van de overdracht;
b. b.
de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in tonnen, die wordt overgedragen;
c. c.
de hoeveelheid stikstof en fosfaat in kilogrammen die wordt overgedragen;
d. d.
de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
**3.** Indien in afwijking van de bij de melding verstrekte ingangsdatum van overdracht, binnen de periode van 30 dagen, bedoeld in eerste lid, meststoffen zijn aangevoerd naar of afgevoerd van de opslagruimte, geldt de datum van die aanvoer of afvoer als datum van overdracht van de opslagruimte.
### Artikel 49
**1.** Op de opslagruimten voor meststoffen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
**2.** De opslagruimten voor meststoffen worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
## Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
### Artikel 50
**1.** De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de minister.
**2.** De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming.
**3.** De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de minister. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
**4.** Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt de ondernemer behalve de gegevens, bedoeld in artikel 43, derde lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib.
**5.** Wijzigingen in de ingevolge artikel 43 van het besluit of het vierde lid geregistreerde gegevens worden door de desbetreffende ondernemer, uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging onder vermelding van het door de minister ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
**6.** De artikelen 43 en 44 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers, voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert, met dien verstande dat het tuincentrum of de hovenier wel beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer.
### Artikel 50a
De ondernemer, bedoeld in artikel 50, eerste tot en met derde lid, stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren.
### Artikel 51
**1.**
Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, gegevens over:
a. a.
de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in artikel 98, eerste en tweede lid; en
b. b.
de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in artikel 99, eerste lid, vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
**2.**
Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor zover hij compost produceert of anderszins behandelt, gegevens over:
a. a.
de hoeveelheid geproduceerde, behandelde compost; en
b. b.
de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen zware metalen in de compost.
**3.** De gegevens, bedoeld in artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.
**4.** Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
**5.** De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. Artikel 46, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**6.** Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 44 van het besluit of het eerste tot en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
**7.** Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge het vierde lid bevat, worden binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in het vijfde lid bedoelde formulier verwerkt.
### Artikel 51a
**1.** Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in artikel 51, vierde lid, worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
**2.** De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 52
**1.**
De ondernemer, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
a. a.
de naam, het adres en het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
b. b.
de hoeveelheid geleverd mengvoeders bestemd voor staldieren of runderen, onderscheiden naar diersoort; en
c. c.
de hoeveelheid geleverd ruwvoer en enkelvoudig diervoeder.
**2.** De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.
**4.** De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
**5.** De ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
## Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
### Paragraaf 1. Apparatuur ten behoeve van het vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 53
**1.** Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats indien de GR-apparatuur adequaat functioneert en voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D, en voor zover de GR-apparatuur, bedoeld in bijlage E, onderdeel D, onder 4, behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
**2.** In aanvulling op het eerste lid, vindt het vervoer van drijfmest uitsluitend plaats indien de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang met de GR-apparatuur adequaat functioneert.
**3.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien een storing van de apparatuur van een intermediair op een transportmiddel gedurende het vervoer van dierlijke meststoffen is ontstaan en door de vervoerder terstond elektronisch is gemeld aan rVDM.
**4.** Het transportmiddel waarvoor een melding als bedoeld in het derde lid is gedaan, wordt na afloop van het betreffende vervoer van dierlijke meststoffen niet voor het vervoer van een nieuwe vracht dierlijke meststoffen gebruikt zolang de melding, bedoeld in het derde lid, niet met toestemming van de minister door de vervoerder is ingetrokken.
### Paragraaf 2. Vooraanmelding bij het vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 54
**1.**
Ten behoeve van de vooraanmelding worden de volgende gegevens aan rVDM verstrekt:
a. a.
namen, adressen, en de door de minister ter identificatie verstrekte relatienummers of de unieke nummers, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 van de betrokken leverancier, vervoerder en afnemer;
b. b.
indien de leverancier of afnemer een intermediaire onderneming is, het registratienummer van de opslag;
c. c.
van de laad- en losplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, voor zover de leverancier of afnemer geen intermediaire onderneming is, het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, laatste volzin, van verordening (EU) nr. 2016/429, het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035, of de postcode;
d. d.
de mestcode dan wel de mestcodes, bedoeld in bijlage I, van de mestsoort of mestsoorten van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
e. e.
indien de vracht dierlijke meststoffen uit meerdere mestcodes bestaat, het percentage van elke mestsoort in de betreffende vracht;
f. f.
het geschat gewicht uitgedrukt in tonnen van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
g. g.
indien van toepassing: het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, indien daarvan afwijkend tevens het kenteken van het getrokken voertuig, het identificatienummer of combinatienummer van het getrokken voertuig;
h. h.
de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt;
i. i.
de opmerkingscode dan wel de opmerkingscodes zoals opgenomen in bijlage F die van toepassing is of zijn op het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen;
j. j.
indien van toepassing en voor zover reeds bekend: de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen uit zal voeren.
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder verstrekt dan twee weken voorafgaand aan de datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel h.
**3.** In aanvulling op het eerste lid, wordt ingeval van export van dierlijke meststoffen het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21, van verordening (EG) nr. 1069/2009 dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen aan rVDM verstrekt.
**4.** De vervoerder doet ingeval van export van dierlijke meststoffen, waarvoor ingevolge verordening (EG) nr. 1069/2009 een gezondheidscertificaat is voorgeschreven, de vooraanmelding ten minste twee werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen en verstrekt daarbij de gegevens, bedoeld in het eerste lid. De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden uiterlijk direct voorafgaand aan de startmelding verstrekt.
**5.**
Ingeval van import van dierlijke meststoffen worden ten behoeve van de vooraanmelding de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de gegevens die opgenomen staan in het eerste lid; en
b. b.
het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21 van verordening (EG) nr. 1069/2009 dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen.
**6.** In het geval van export respectievelijk import van dierlijke meststoffen behoeft in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geen relatienummer van de afnemer respectievelijk de leverancier te worden verstrekt.
**7.** De gegevens, bedoeld in dit artikel, kunnen bij vervoer van dierlijke meststoffen binnen Nederland tot de startmelding worden gewijzigd.
**8.**
In afwijking van het zevende lid, kunnen:
a. a.
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, voor zover het betreft het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, indien daarvan afwijkend tevens het kenteken van het getrokken voertuig, en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, voor zover het betreft het registratienummer van de opslag van de leverancier, d en e, worden gewijzigd tot het tijdstip van het laden, bedoeld in artikel 56, eerste lid;
b. b.
de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, indien het de opmerkingscodes 31, 39, 46, 48, 50, 61, 71 of 72 betreft, worden toegevoegd of verwijderd tot het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel 60.
**9.**
Bij export of import van dierlijke meststoffen kunnen de volgende gegevens worden gewijzigd:
a. a.
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, h, i, en j, alsmede de gegevens, bedoeld in het derde lid, tot de startmelding worden gewijzigd
b. b.
het gegeven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, tot het tijdstip van laden.
**10.** In afwijking van het zevende lid, kunnen bij vervoer van dierlijke meststoffen binnen Nederland de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a voor zover het betreft de gegevens van de afnemer, onderdeel b, voor zover het betreft de gegevens van de geregistreerde opslag van de afnemer, en onderdeel c, voor zover het betreft de locatie van de losplaats, worden gewijzigd tot het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel 60.
**11.** Na ontvangst en controle van de vooraanmelding, bedoeld in het eerste lid, kent de minister via rVDM na bevestiging van de verstrekte gegevens een uniek nummer toe aan dat vervoer van dierlijke meststoffen.
### Paragraaf 3. Het vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 55
Niet eerder dan twee werkdagen voorafgaand aan de in de vooraanmelding verstrekte datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt, maar uiterlijk zodra de vervoerder bij de leverancier gereed is om dierlijke meststoffen te laden, worden bij de startmelding de gegevens van de vooraanmelding bevestigd en onder vermelding van het rVDM-nummer en het tijdstip van de melding onverwijld aan rVDM gezonden.
### Artikel 56
**1.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het laden van de dierlijke meststoffen door de GR-apparatuur de gegevens inzake het rVDM-nummer, de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, alsmede het serienummer, bedoeld in bijlage E, onderdeel D, onder 4.7, worden vastgelegd en zo spoedig mogelijk aan rVDM worden gezonden.
**2.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, tevens de gegevens, bedoeld in artikel 58, vierde lid, worden vastgelegd en aan rVDM worden gezonden.
### Paragraaf 4. Bemonsteren bij vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 57
**1.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
**2.** Indien een vracht vaste mest bestemd is om te worden geëxporteerd, geschiedt de bemonstering tijdens het laden van het transportmiddel.
**3.** Indien een vracht vaste mest is geïmporteerd, geschiedt de bemonstering tijdens het lossen van het transportmiddel.
### Artikel 58
**1.** De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder.
**2.** De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder.
**3.** In afwijking van het tweede lid, geschiedt de bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door een monsternemende organisatie op verzoek van de leverancier of de vervoerder.
**4.**
De vervoerder draagt er zorg voor dat de volgende gegevens aan rVDM worden gezonden:
a. a.
het rVDM-nummer van de vracht dierlijke meststoffen die is bemonsterd;
b. b.
het nummer van het deksel van de monsterpot en het nummer van de monsterpot of de monsterverpakking; en
c. c.
het combinatienummer.
### Paragraaf 5. Wegen bij vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 59
**1.** Het gewicht van de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen onverwijld na aanvang van het vervoer bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
**2.** De bepaling van het gewicht van dierlijke meststoffen die van een bedrijf of intermediaire onderneming worden afgevoerd en worden geëxporteerd, geschiedt in Nederland.
**3.** De bepaling van het gewicht van dierlijke meststoffen die worden geïmporteerd en op een bedrijf of intermediaire onderneming worden aangevoerd, geschiedt uiterlijk onverwijld nadat het vervoer op Nederlands grondgebied is aangevangen.
**4.**
De vervoerder draagt er zorg voor dat de volgende gegevens onverwijld na de gewichtsbepaling aan rVDM worden gezonden:
a. a.
het rVDM-nummer van de vracht dierlijke meststoffen waarvan het gewicht is bepaald;
b. b.
de datum en het tijdstip van de gewichtsbepaling;
c. c.
het vastgestelde gewicht uitgedrukt in kilogrammen van de vracht dierlijke meststoffen; en
d. d.
de locatie waar de gewichtsbepaling heeft plaatsgevonden, bestaande uit hetzij het adres, hetzij de bij de locatie behorende gps-coördinaten.
### Paragraaf 6. Voltooien van het vervoer van dierlijke meststoffen
### Artikel 60
De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen door de GR-apparatuur op basis van het rVDM-nummer, de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en zo spoedig mogelijk aan rVDM worden gezonden.
### Artikel 61
**1.**
Uiterlijk zeven dagen na het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel 60, bevestigen de leverancier en de ontvanger dat de mest is afgevoerd van, onderscheidenlijk is ontvangen op het bedrijf of de onderneming en bevestigt:
a. a.
de leverancier de door rVDM ontvangen gegevens van het vervoer:
1°.
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor zover deze betrekking hebben op de leverancier en de laadlocatie; en
2°.
bedoeld in artikelen 54, eerste lid, onderdelen d, e, f, h en i en 59, vierde lid, onderdeel c;
1°. 1°.
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor zover deze betrekking hebben op de leverancier en de laadlocatie; en
2°. 2°.
bedoeld in artikelen 54, eerste lid, onderdelen d, e, f, h en i en 59, vierde lid, onderdeel c;
b. b.
de afnemer de door de rVDM ontvangen gegevens van het vervoer:
1°.
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor zover deze betrekking hebben op de afnemer en de loslocatie; en
2°.
bedoeld in artikelen 54, eerste lid onderdelen d, e, f, en i en 59, vierde lid, onderdeel c.
1°. 1°.
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor zover deze betrekking hebben op de afnemer en de loslocatie; en
2°. 2°.
bedoeld in artikelen 54, eerste lid onderdelen d, e, f, en i en 59, vierde lid, onderdeel c.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen binnen Nederland, voor zover de afnemer geen bedrijf of intermediaire onderneming voert, noch een bedrijf als bedoeld in artikel 43, eerste lid, voert.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen binnen Nederland, voor zover de leverancier een bedrijf voert als bedoeld in artikel 43, eerste lid.
**4.** Bij de import of export van dierlijke meststoffen is het eerste lid niet van toepassing op respectievelijk de leverancier en de afnemer.
### Paragraaf 7. Bijzondere situaties Maatwerk
### Artikel 62
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de wet, voor dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm, bedraagt ten minste 75 procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat;
b. b.
de van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen worden rechtstreeks, zonder tussenopslag, vervoerd; en
c. c.
de afstand tussen de productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn en de locatie van het bedrijf waar de dierlijke meststoffen gelost worden bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien kilometer.
**2.** De overeenkomstig het eerste lid te bepalen hoeveelheid bedraagt ten hoogste 25 procent van de totale hoeveelheid in dat kalenderjaar op het desbetreffende bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat.
**3.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**4.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**5.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het vierde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**6.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**7.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 63
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in artikel 43, eerste lid, worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
b. b.
de dierlijke meststoffen worden rechtstreeks, zonder tussenopslag, vervoerd; en
c. c.
de afstand tussen de desbetreffende bedrijven bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien kilometer.
**2.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**4.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het derde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 64
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf of intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250 kilogram fosfaat; en
b. b.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer; en
c. c.
de afstand tussen het bedrijf of de intermediaire onderneming en de afnemer bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien kilometer.
**2.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**4.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het derde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 65
De artikelen 48 tot en met 51 van het besluit en de artikelen 53 tot en met 61 zijn niet van toepassing op dierlijke meststoffen die worden vervoerd van een tuincentrum of een hovenier naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert.
### Artikel 66
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein dat de hoofdfunctie natuur heeft als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Meststoffenwet en de artikelen 25a en 32 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet of overige gronden als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, bij het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid fosfaat die ingevolge de artikelen 4.1195, 4.1196 en 4.1197 van het Besluit activiteiten leefomgeving per hectare van dat natuurterrein mag worden gebruikt; en
b. b.
de afstand tussen de productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn en het desbetreffende natuurterrein bedraagt hemelsbreed ten hoogste twintig kilometer.
**2.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**4.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het derde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 67
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de wet, voor dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. b.
de afstand tussen de productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn en het desbetreffende perceel bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien kilometer;
c. c.
het perceel behoorde de voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn;
d. d.
het perceel is overeenkomstig artikel 41 aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
e. e.
de overeenkomst tot ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
**2.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**4.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het derde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 68
**1.**
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de wet, voor dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. b.
de afstand tussen het in Duitsland of België gelegen perceel en de grens met Nederland bedraagt ten hoogste 20 onderscheidenlijk 25 kilometer;
c. c.
het perceel is in het kader van een normale bedrijfsvoering daadwerkelijk bij het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn, in gebruik;
d. d.
indien het perceel in België is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in België geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf en is dit perceel, voor wat betreft het Vlaamse gedeelte van België, geregistreerd bij de Vlaamse Mestbank ingevolge de aangifte op basis van artikel 23, paragraaf 5, onder 6° en 7°, van het Mestdecreet; en
e. e.
indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.
**2.**
Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren van die percelen en het bij of krachtens artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de wet, voor dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. b.
de afstand tussen het in Nederland gelegen perceel en de grens met België onderscheidenlijk de grens met Duitsland bedraagt ten hoogste 25 kilometer onderscheidenlijk 20 kilometer;
c. c.
het perceel is in het kader van een normale bedrijfsvoering daadwerkelijk bij het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn, in gebruik; en
d. d.
het perceel behoort blijkens registratie bij de minister toe aan het bedrijf in België, dan wel Duitsland.
**3.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**5.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het vierde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**6.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**7.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 69
**1.** Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerste lid bedoelde substraat of in het eerste lid bedoelde grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**3.** Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**4.** Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's tijdens het vervoer worden overgeladen op een ander transportmiddel waarna deze meststoffen worden vervoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat dan wel worden vervoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een hiervoor bedoelde onderneming, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**5.** Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**6.** Indien het in het vijfde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**7.** Indien het in het vijfde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt geëxporteerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**8.** Artikel 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid.
**9.** De artikelen 48 tot en met 51 van het besluit en de artikelen 53 tot en met 61 zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het vijfde lid.
**10.** De artikelen 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het zesde en zevende lid.
**11.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**12.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het elfde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**13.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het vierde lid draagt de vervoerder er zorg voor dat bij de vooraanmelding, bedoeld in artikel 54, eerste lid, tevens het kenteken van motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, en, indien daarvan afwijkend, tevens het kenteken van het getrokken voertuig waarin de vracht mest wordt overgeladen, aan rVDM worden verstrekt. De kentekens van het motorrijtuig en het getrokken voertuig waarin wordt overgeladen kunnen worden gewijzigd tot het tijdstip van overladen.
**14.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste, tweede, derde en vierde lid, draagt de vervoerder er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**15.** De vervoerder meldt in de gevallen, genoemd in het eerste, tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
**16.**
Het vervoer van dierlijke meststoffen, bedoeld in het vijfde lid, gaat vergezeld van een document dat in ieder geval gegevens bevat over:
a. a.
de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier;
b. b.
het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van de afnemer;
c. c.
het gewicht van de hoeveelheid afgeleverd product in tonnen of in kilogrammen; en
d. d.
het soort product.
**17.** Indien naar het oordeel van de minister de juiste naleving van de regels inzake de gewichtsbepaling bij het vervoer van dierlijke meststoffen, bedoeld in het zesde en zevende lid, door een vervoerder onvoldoende verzekerd is, kan de minister bepalen dat in die gevallen in afwijking van het tiende lid, artikel 59, eerste lid, gedurende een door hem nader te bepalen periode van toepassing is.
**18.** Naleving is in ieder geval onvoldoende verzekerd, indien ten minste één keer door middel van een weging op een weegbrug ter controle van het geschatte gewicht door krachtens artikel 47, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren een afwijking van 10% of meer is vastgesteld ten opzichte van het geschatte gewicht.
### Artikel 69a
**1.**
Indien een hoeveelheid vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat, van een onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf of een intermediaire onderneming, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald:
a. a.
uitgaande van de stikstofgehalten onderscheidenlijk de fosfaatgehalten van de afzonderlijke grondstoffen waaruit het mengsel is bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct; of
b. b.
uitgaande van de stikstofgehalten onderscheidenlijk de fosfaatgehalten van de partij vaste meststoffen waaruit de afgevoerde hoeveelheid meststoffen afkomstig is, onder voorwaarde dat deze partij niet groter is dan 5.000 m^3 en bemonstering van deze partij tenminste éénmaal per twee maanden plaatsvindt.
**2.** Indien een hoeveelheid vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat, van een onderneming wordt afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of intermediaire onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b.
**3.** De artikelen 48 tot en met 51 van het besluit en de artikelen 53 tot en met 61 zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
### Artikel 69b
**1.** Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
**2.** De artikelen 48 tot en met 51 van het besluit en de artikelen 53 tot en met 61 zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.**
Het vervoer van een vracht mestkorrels gaat vergezeld van een document dat in ieder geval gegevens bevat over:
a. a.
de naam, het adres en het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer of het unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 van de leverancier;
b. b.
de naam, het adres en, indien van toepassing, het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van de afnemer indien de afnemer een bedrijf of intermediaire onderneming is;
c. c.
het gewicht van de hoeveelheid afgeleverd product in tonnen of in kilogrammen, inclusief de gehalten aan stikstof en fosfaat.
### Artikel 69c
**1.** Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**2.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, eerste lid, en 59, eerste lid, zijn niet van toepassing op vervoer van dierlijke meststoffen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
**4.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het derde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte gewicht, en aan rVDM gezonden.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De vervoerder meldt, indien voor de betreffende mestcodes in de vracht geen forfaitaire gehalten zijn vastgesteld, de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de betreffende vracht, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer aan de minister.
### Artikel 69d
**1.** De artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en artikel 56 zijn niet van toepassing op de afvoer van kalvergier van een bedrijf dat rechtstreeks, zonder tussenopslag, wordt vervoerd naar een kalvergierbewerkingsinstallatie in beheer bij de Stichting Mestverwerking Gelderland op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond.
**2.** Bij vervoer van kalvergier overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van artikel 76, eerste lid, in samenhang met de artikelen 58, eerste lid, 78, onderscheidenlijk 79, door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in artikel 78 onderscheidenlijk artikel 79, eerste lid.
**3.** Het gewicht van de hoeveelheid kalvergier, vervoerd overeenkomstig het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 59, eerste lid, door de vervoerder bepaald met behulp van een op de locatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig.
**4.** Bij het vervoer van kalvergier overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de weegmelding, in afwijking van artikel 59, onverwijld na de melding, bedoeld in artikel 60.
**5.** De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**6.** De afnemer stuurt het overeenkomstig het tweede lid verkregen monster onder vermelding van het rVDM-nummer en het nummer van het deksel van de monsterpot en het nummer van de monsterpot of de monsterverpakking, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a.
**7.** Artikel 80, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 69e
**1.**
Meststoffen kunnen door middel van een pijpleiding worden vervoerd:
a. a.
indien de meststoffen bestaan uit kalvergier, met behulp van een pijpleiding, in beheer bij de Stichting Beheer en Aanleg Kalvergierpersleiding enclave Uddel-Elspeet en Omstreken of bij de Stichting Kalvergierpersleiding Stroe, naar de kalvergierbewerkingsinstallatie Elspeet onderscheidenlijk naar de kalvergierbewerkingsinstallatie Stroe, beide in beheer bij de Stichting Mestverwerking Gelderland;
b. b.
indien dierlijke meststoffen van een bedrijf of een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming en er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°.
de pijpleiding en de in artikel 53 genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de ontvangende intermediaire onderneming;
2°.
de pijpleiding wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf of één intermediaire onderneming, en
3°.
de grootte van een vracht wordt voorafgaand aan het vervoer bepaald en is ten hoogste één lading van 36 ton en wordt binnen 24 uur vervoerd.
1°. 1°.
de pijpleiding en de in artikel 53 genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de ontvangende intermediaire onderneming;
2°. 2°.
de pijpleiding wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf of één intermediaire onderneming, en
3°. 3°.
de grootte van een vracht wordt voorafgaand aan het vervoer bepaald en is ten hoogste één lading van 36 ton en wordt binnen 24 uur vervoerd.
**2.** De artikelen 48 en 49 van het besluit en de artikelen 56 en 60 zijn niet van toepassing op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
**3.** Bij vervoer overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, geschiedt de bemonstering en verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van artikel 76, eerste lid, in samenhang met de artikelen 58, eerste lid, 78, onderscheidenlijk 79, door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
**4.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, vervoerd overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, wordt, in zoverre in afwijking van artikel 59, door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de Metrologiewet gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1.000 kilogram.
**5.** Bij vervoer van dierlijke meststoffen, overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, geschiedt de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 58, eerste lid, 78, onderscheidenlijk 79, door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
**6.** Bij vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 59, eerste lid, door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de Metrologiewet gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid.
**7.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de weegmelding, in afwijking van artikel 59, onverwijld na het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel 60.
**8.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a is de afnemer, tevens optredend als vervoerder, verantwoordelijk voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 54, 55 en 58 en 59.
**9.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, is de afnemer, tevens optredend als vervoerder verantwoordelijk voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 54, 55, 56 en 58 tot en met 60.
**10.** Bij het vervoer van dierlijke meststoffen overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, draagt de afnemer er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen, onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer, de datum en het tijdstip van het lossen van de vracht worden vastgelegd en onverwijld aan rVDM worden gezonden.
**11.** De afnemer, tevens optredend als vervoerder stuurt, het overeenkomstig het derde en vijfde lid verkregen monster onder vermelding van het rVDM-nummer uiterlijk tien werkdagen na bemonstering aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a.
**12.** Artikel 80, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 69f
**1.**
Vaste meststoffen kunnen door middel van een transportband worden vervoerd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. a.
de transportband is zodanig ingericht dat vervuiling van de vervoerde mest uitgesloten is;
b. b.
de transportband heeft een vaste standplaats;
c. c.
de transportband en de in artikel 53 genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
d. d.
de transportband wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf; en
e. e.
de grootte van een vracht wordt vooraf aan het vervoer bepaald en is ten hoogste één lading van 36 ton en wordt binnen 24 uur vervoerd.
**2.** De intermediaire onderneming, bedoeld in eerste lid, onderdeel c, is verantwoordelijk voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 54 tot en met 56 en 58 tot en met 60.
### Artikel 69g
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid van het besluit, gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in artikel 58, vierde lid, onderdeel b, van het eerste vervoer worden ingelezen en gemeld aan de minister onder vermelding van het desbetreffende rVDM-nummer.
### Artikel 69h
De bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zijn niet van toepassing op dierlijke meststoffen die vanuit een andere staat rechtstreeks, zonder tussenopslag in Nederland, in doorvoer buiten Nederland worden gebracht.
### Artikel 69i
Indien de dierlijke meststoffen, bedoeld in de artikelen 62 tot en met 69 en 69c, bestaat uit filtraat na mestscheiding of koek na mestscheiding, zijn, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 62 tot en met 69 en 69c, de artikelen 48, 48b en 49 van het besluit en de artikelen 56, 57, 58 en 59, eerste lid, onverkort van toepassing op het vervoer van die soorten dierlijke meststoffen.
### Artikel 69j
Indien in de situaties zoals beschreven in de artikelen 62 tot en met 64, 66 tot en met 69, 69c en 69d, het vervoer wordt verricht door een geregistreerde intermediair, is in afwijking van het bepaalde in die artikelen niet de leverancier, tevens optredend als vervoerder, maar de geregistreerde intermediair verantwoordelijk voor het doen van de meldingen, bedoeld in de artikelen 54, 55, 56, eerste lid, 59, vierde lid, of 60 en, indien van toepassing voor het doen van de meldingen in de artikelen 62, zesde lid, 63, vijfde lid, 64, vijfde lid, 66, vijfde lid, 67, vijfde lid, 68, zesde lid, 69, veertiende lid, 69c, vijfde lid of 69d, vijfde lid.
### Artikel 69k
Indien in de in deze paragraaf beschreven situaties, met uitzondering van de situatie zoals beschreven in artikel 69, eerste en derde lid, en 69d bij het vervoer van dierlijke meststoffen, in afwijking van het in deze paragraaf bepaalde, toch gebruik wordt gemaakt van een geregistreerde intermediair en de in artikel 53 bedoelde apparatuur die op naam van deze intermediair is geregistreerd, gelden onverkort de bij het gebruik van deze GR-apparatuur behorende verplichtingen overeenkomstig de situaties waarin het gebruik van een geregistreerde intermediair en apparatuur die op diens naam is geregistreerd is voorgeschreven.
### Artikel 69l
**1.**
Een vooraanmelding en startmelding kan betrekking hebben op alle vrachten dierlijke meststoffen, bedoeld in de artikelen 62 tot en met 64, 66 tot en met 68, 69, tweede lid, en 69c, die op dezelfde dag plaatsvinden indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. a.
bij elke vracht dierlijke meststoffen zijn dezelfde leverancier, vervoerder en afnemer betrokken;
b. b.
de vrachten dierlijke meststoffen hebben betrekking op één mestcode als bedoeld in bijlage I, of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
c. c.
de vrachten dierlijke meststoffen worden vervoerd door hetzelfde voertuig;
d. d.
het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035, of de postcode van de laadplaats is bij elke vracht dierlijke meststoffen gelijk;
e. e.
de postcode van de losplaats is bij elke vracht dierlijke meststoffen gelijk;
f. f.
het vervoer vindt niet plaats door een geregistreerde intermediair met behulp van een transportmiddel met op diens naam geregistreerde GR-apparatuur; en
g. g.
de vervoerder die de vracht mest vervoert, kan het betreffende rVDM-nummer tonen.
**2.**
Ten behoeve van een vooraanmelding als bedoeld in het eerste lid verstrekt de vervoerder:
a. a.
de gegevens, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, g, h, en i;
b. b.
het aantal vrachten dat op dezelfde dag wordt verreden naar dezelfde afnemer; en
c. c.
in afwijking van artikel 54, eerste lid, onderdeel f: het geschatte totale gewicht van alle vrachten, bedoeld in onderdeel b.
**3.** In afwijking van artikel 55, wordt de startmelding enkel gegeven op het moment waarop de eerste vracht gereed is om geladen te worden, waarbij artikel 55 van overeenkomstige toepassing.
**4.** Het gewicht van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het totale volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen van alle vrachten tezamen.
**5.** In afwijking, van artikel 59, vierde lid, onderdeel c, wordt bij de weegmelding het gewicht dat overeenkomstig het vierde lid is bepaald, bevestigd, indien dit overeenkomt met het bij de vooraanmelding geschatte totale gewicht van alle vrachten, dan wel aangepast, indien dit afwijkt van het bij de vooraanmelding geschatte totale gewicht, en aan rVDM gezonden.
**6.** In afwijking van artikel 60 worden de gegevens, met uitzondering van de gegevens betreffende de locatie, aan rVDM gezonden, onverwijld na het lossen van enkel de laatste vracht.
**7.** De bevestiging door leverancier en afnemer, bedoeld in artikel 61, vindt plaats nadat de gegevens, bedoeld in het zesde lid, aan rVDM zijn gezonden.
**8.** Het rVDM-nummer dat de minister verstrekt, heeft betrekking op elk vervoer dat op dezelfde dag plaatsvindt, onder de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
### Paragraaf 8. Voorzieningen ingeval van storingen in de bereikbaarheid of beschikbaarheid van rVDM
### Artikel 69m
Indien en voor zover er sprake is van een situatie waarin geen netwerkverbinding aanwezig is dan wel indien rVDM tijdelijk niet beschikbaar is, wordt gebruik gemaakt van een software-applicatie als bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdeel a, van het besluit om gegevens vast te leggen.
### Artikel 69n
**1.** In de situaties, bedoeld in artikel 69m, worden ten behoeve van de vooraanmelding via de software-applicatie de gegevens, bedoeld in artikel 54, eerste lid, vastgelegd.
**2.** Een vooraanmelding, bedoeld in het eerste lid, kan slechts betrekking hebben op het vervoer van dierlijke meststoffen dat op dezelfde dag als de vooraanmelding plaatsvindt dan wel uiterlijk een dag daarna.
**3.** Na controle en bevestiging door de vervoerder van de gegevens van de vooraanmelding, wordt door de software-applicatie een door de minister voor dit doel beschikbaar gesteld uniek nummer verstrekt, dat voor het betreffende vervoer geldt als rVDM-nummer.
**4.** Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij het betreffende vervoer behorende startmelding.
**5.** De vervoerder vermeldt in de applicatie de reden waarom de vooraanmelding en de startmelding op deze wijze zijn gedaan.
### Artikel 69o
**1.** Als software-applicatie waarmee gegevens worden vastgelegd, bedoeld in artikel 69m wordt hetzij een door de minister beschikbaar gestelde software-applicatie gebruikt, hetzij een door een andere partij beschikbaar gestelde software-applicatie.
**2.**
De applicatie:
a. a.
beschikt over rVDM-nummers als bedoeld in artikel 69n, derde lid, dan wel is in staat om deze nummers in te lezen;
b. b.
stelt het rVDM-nummer beschikbaar, opdat de GR-apparatuur dit nummer op elektronische wijze kan inlezen;
c. c.
legt de gegevens, bedoeld in artikel 69n, vast en bewaart deze gegevens;
d. d.
beschikt over een voorziening waarmee de datum en het tijdstip waarop de vooraanmelding en de startmelding zijn verricht onmiddellijk worden vastgelegd;
e. e.
beschikt over een voorziening waarmee de bewaarde gegevens en de datum en het tijdstip, bedoeld in onderdeel d, onmiddellijk worden verzonden aan rVDM, nadat de netwerkverbinding weer is hersteld dan wel nadat rVDM weer beschikbaar is, onder vermelding van het rVDM-nummer en de datum en het tijdstip van de verzending aan rVDM;
f. f.
legt de reden van het gebruik van de software-applicatie, bedoeld in artikel 69n, vijfde lid, vast en verstrekt deze reden tegelijk met de verzending, bedoeld in onderdeel e;
g. g.
bewaart de gegevens, bedoeld in de onderdelen c tot en met f, in ieder geval tot en met het moment waarop de gegevens met succes zijn verzonden aan rVDM, en
h. h.
maakt de gegevens, bedoeld in de onderdelen c tot en met f, gedurende het vervoer raadpleegbaar en op een overzichtelijke wijze toonbaar aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 129.
**3.** De apparatuur waarop de software-applicatie is geïnstalleerd beschikt over een voorziening waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt of de netwerkverbinding of het mobiele dataverkeer handmatig is uitgeschakeld.
### Artikel 69p
**1.** Ingeval gebruik is gemaakt van de software-applicatie die door de minister beschikbaar is gesteld, volgt na afloop van het vervoer een namelding rechtstreeks aan rVDM, waarbij de vervoerder de gegevens bevestigd die via de software-applicatie ten behoeve van de vooraanmelding en de startmelding zijn vastgelegd en elektronisch zijn verstrekt.
**2.**
De namelding, bedoeld in het eerste lid, vindt uiterlijk plaats:
a. a.
ingeval het ontbreken van een netwerkverbinding de reden was van de meldingen via de software-applicatie binnen zeven dagen na afloop van het vervoer; of
b. b.
ingeval het niet beschikbaar zijn van rVDM de reden was van de meldingen via de applicatie binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop rVDM weer beschikbaar is geworden.
**3.** De meldingen, bedoeld in het eerste lid, geschieden onder vermelding van het rVDM-nummer, bedoeld in artikel 69n, derde lid.
### Artikel 69q
**1.** In afwijking van artikel 61, bevestigen de leverancier en de afnemer uiterlijk zeven dagen na de laatst ontvangen melding die betrekking heeft op het betreffende vervoer, de door rVDM ontvangen gegevens van het vervoer.
**2.** Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 69r
**1.** Indien en voor zover sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de software-applicatie, bedoeld in artikel 69m, naar het oordeel van de minister niet toereikend is, worden de gegevens met betrekking tot het vervoer vermeld op een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
**2.**
In de volgende situaties is de software-applicatie, bedoeld in artikel 69m, naar het oordeel van de minister in ieder geval niet toereikend:
a. a.
de door de minister of door een andere partij beschikbaar gestelde software-applicatie, bedoeld in artikel 69o, eerste lid, functioneert niet naar behoren;
b. b.
het besturingssysteem van de door de minister of door een andere partij beschikbaar gestelde software-applicatie, bedoeld in artikel 69o, eerste lid, functioneert niet naar behoren;
c. c.
voor de door de minister of door een andere partij beschikbaar gestelde software-applicatie, bedoeld in artikel 69o, eerste lid, is een update vereist en deze kan door een storing in het externe updatemiddel niet plaatsvinden;
d. d.
er zijn geen rVDM-nummers beschikbaar die benodigd zijn bij het gebruik van de applicatie.
**3.**
Ingeval een door een andere partij beschikbaar gestelde software-applicatie wordt gebruikt en een situatie, bedoeld in het tweede lid, doet zich voor, gelden de volgende beperkingen: voor het gebruik van het middel, bedoeld in het eerste lid:
a. a.
enkel gedurende de dag waarop deze software-applicatie niet naar behoren functioneert en de volgende werkdag mag gebruik worden gemaakt van het middel, bedoeld in het eerste lid;
b. b.
indien na de periode, genoemd in onderdeel a, de betreffende software-applicatie nog steeds niet naar behoren functioneert, wordt ofwel gebruik gemaakt van de door de minister beschikbaar gestelde software-applicatie, ofwel van een door een andere dan de oorspronkelijke partij beschikbaar gestelde applicatie.
**4.** In aanvulling op het tweede lid, kan de minister in concrete gevallen besluiten dat de software-applicatie, bedoeld in artikel 69m, niet toereikend is.
### Artikel 69s
De minister informeert de gebruikers van rVDM op passende wijze wanneer er sprake is van een situatie, bedoeld in artikel 69r, vierde lid, waarin de applicatie, bedoeld in artikel 69m, niet toereikend is en informeert hen voorts op passende wijze vanaf wanneer niet langer sprake is van een dergelijke situatie.
### Artikel 69t
**1.** Op het door de minister beschikbaar gestelde middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, vermeldt de vervoerder tenminste de gegevens, bedoeld in artikel 54, eerste lid.
**2.** Op het door de minister beschikbaar gestelde middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, is een rVDM-nummer vermeld dat voor het betreffende vervoer wordt gebruikt.
**3.** Het middel dat is voorzien van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, is tijdens het betreffende vervoer aanwezig in het voertuig.
### Artikel 69u
**1.** Ingeval gebruik is gemaakt van het middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, doet de vervoerder na afloop van het vervoer een namelding rechtstreeks aan rVDM, bestaande uit een vooraanmelding en een startmelding.
**2.** Bij de namelding, bedoeld in het eerste lid, neemt de vervoerder de gegevens vermeld op het door de minister beschikbaar gestelde middel over en verstrekt deze aan rVDM.
**3.**
De namelding, bedoeld in het eerste lid, vindt uiterlijk plaats:
a. a.
binnen zeven dagen na afloop van het vervoer; of
b. b.
indien de namelding vanwege het niet beschikbaar zijn van rVDM niet plaats kan vinden binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop rVDM weer beschikbaar is geworden.
**4.** De weegmelding geschiedt zodra de vervoerder de mogelijkheid heeft om meldingen te verzenden aan rVDM, maar uiterlijk binnen zeven dagen na afloop van het vervoer. Indien de functionaliteit later dan zeven dagen na afloop van het vervoer weer beschikbaar is, geschiedt de weegmelding uiterlijk binnen zeven dagen nadat de mogelijkheid om meldingen te verzenden aan rVDM weer beschikbaar is geworden.
**5.** De melding, bedoeld in de artikelen 62, zesde lid, 63, vijfde lid, 64, vijfde lid, 66, vijfde lid, 67, vijfde lid, 68, zesde lid, 69, veertiende lid, 69c, vijfde lid of 69d, vijfde lid, 69e, tiende lid, geschiedt zodra de vervoerder de mogelijkheid heeft om meldingen te verzenden aan rVDM, maar uiterlijk binnen zeven dagen na afloop van het vervoer. Indien de mogelijkheid om meldingen te verzenden aan rVDM later dan zeven dagen na afloop van het vervoer weer beschikbaar is, geschiedt de melding uiterlijk binnen zeven dagen nadat de mogelijkheid om meldingen te verzenden aan rVDM weer beschikbaar is geworden.
**6.** De meldingen, bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid, geschieden onder vermelding van het rVDM-nummer, bedoeld in artikel 69t, tweede lid.
**7.** De vervoerder vermeldt bij de namelding, bedoeld in het eerste lid, tevens de reden waarom gebruik is gemaakt van het middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid.
### Artikel 69v
**1.** Ingeval van gebruik van het middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, bevestigen, in afwijking van artikel 61, de leverancier en de afnemer uiterlijk zeven dagen na de laatste melding die betrekking heeft op het betreffende vervoer, de door rVDM ontvangen gegevens van het vervoer.
**2.** Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 69va
Vervallen
### Artikel 69vb
Vervallen
### Artikel 69vc
Vervallen
### Artikel 69vd
Vervallen
### Artikel 69ve
Vervallen
### Paragraaf 9. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
### Artikel 69w
**1.** Als vervoersbewijs als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in bijlage G, onderdeel A.
**2.** Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de minister verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
### Artikel 69x
**1.** Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. In voorkomend geval wordt bij onderdeel 1 het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
**2.** Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in artikel 92b, derde lid, dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het besluit of in artikel 51, vierde lid, het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig artikel 48, vijfde lid, of 52, vijfde lid, verstrekte gegevens door de minister uitgegeven samenstellingsnummer.
**3.** Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
**4.** Uiterlijk bij het lossen van de meststoffen worden de onderdelen 3d en 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend. Ingeval de afnemer een intermediair is, wordt bij onderdeel 5, in voorkomend geval, het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
**5.** Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan artikel 16 onderscheidenlijk artikel 17 van het besluit.
**6.** Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in bijlage G, onderdeel B, vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
**7.** In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
### Artikel 69y
**1.** De vervoerder van een vracht zuiveringsslib of compost verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs.
**2.** De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib of compost op elektronische wijze bij de minister ingediend.
### Artikel 69z
**1.**
In afwijking van artikel 55, zevende lid, van het besluit, kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen onder de volgende voorwaarden:
a. a.
de machtiging geschiedt voordat het vervoer van de vracht waarop de machtiging betrekking heeft plaatsvindt;
b. b.
er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de minister ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
c. c.
een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld in onderdeel b, wordt tijdens het vervoer van de vracht waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 129 verstrekt.
### Artikel 69aa
Artikel 55 van het besluit is niet van toepassing op het vervoer van:
a. a.
compost verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
b. b.
compost naar een particulier in leveringen tot een maximum van 3.000 kilogram per levering.
## Hoofdstuk 8a. Mestverwerking
### Artikel 70
Als eindproduct als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel dd, onder 1°, van de wet, voldoet:
a. a.
as waarin maximaal 10% organische stof aanwezig is;
b. b.
mestkorrels;
c. c.
mengsel van gedroogd digestaat en verwerkt categorie 1-materiaal, bedoeld in artikel 8 van verordening (EG) nr. 1069/2009.
### Artikel 71
**1.**
Het verwerkingspercentage, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, van de wet, bedraagt voor:
a. a.
het in bijlage I bij de wet als gebied II omschreven gebied: 59 procent;
b. b.
het in bijlage I bij de wet als gebied I omschreven gebied: 52 procent;
c. c.
het deel van Nederland dat niet behoort tot de gebieden, bedoeld in de onderdelen a en b: 10 procent.
**2.** Indien een bedrijf bestaat uit verschillende productielocaties die zijn gelegen in verschillende gebieden als bedoeld in het eerste lid, geldt in een kalenderjaar voor het bedrijf het hoogste verwerkingspercentage.
### Artikel 72
De hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, bedraagt 100 kilogram.
### Artikel 72a
**1.**
Als categorieën landbouwers als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 2° en artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet worden aangewezen:
a. a.
landbouwers die een veehouderijbedrijf exploiteren voor dierlijke productie, als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150) en de dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;
b. b.
landbouwers die op hun bedrijf dierlijke meststoffen afkomstig van paarden, ponys of pluimvee produceren, en deze dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij de afvoer, bedoeld in artikel 69, eerste lid, tevens wordt beschouwd als het overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
**2.**
Als categorieën afnemers als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 2° en artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet worden aangewezen:
a. a.
landbouwers die een bedrijf exploiteren voor plantaardige productie, als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);
b. b.
ondernemers die champignonsubstraat bereiden.
**3.** Een afnemer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 2° en artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, een hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ontvangt, gebruikt in het desbetreffende kalenderjaar die hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, voor de bereiding van champignonsubstraat.
**4.** Een landbouwer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die gebruik maakt van de uitzondering van artikel 33a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, of artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel d, onder 2°, van de wet, is voor de hoeveelheid dierlijke meststoffen respectievelijk de hoeveelheid met melkvee geproduceerd fosfaat die hij overdraagt of laat overdragen, vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, aanhef, respectievelijk artikel 21, tweede lid, aanhef, van de wet, dat in het desbetreffende kalenderjaar te doen.
### Artikel 72b
**1.**
De afstand, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3°en artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet, tussen:
a. a.
het in België gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 25 kilometer;
b. b.
het in Duitsland gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 20 kilometer.
**2.** De voorwaarden, artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3° en artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet, zijn de voorwaarden, genoemd in artikel 87, eerste lid, onderdelen a en d tot en met f.
### Artikel 72c
Als voorwaarden, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 4° en artikel 33a, tweede lid, onderdeel e, van de wet gelden dat:
a. a.
het bedrijfsoverschot van de landbouwer in het desbetreffende kalenderjaar maximaal 25% van de totale mestproductie van zijn bedrijf in dat jaar bedraagt, en
b. b.
de overgedragen dierlijke meststoffen direct en zonder tussenopslag op landbouwgrond worden aangewend.
### Artikel 72d
Als soort dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 58 van het besluit, is champost aangewezen.
### Artikel 72e
De periode, bedoeld in artikel 57 van het besluit, bedraagt het kalenderjaar waarvoor de mestverwerkingsovereenkomsten zijn gesloten.
### Artikel 72f
**1.** In een mestverwerkingsovereenkomst, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 2°, van de wet, en in een overeenkomst, als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet, zijn opgenomen de door de minister ter identificatie van de partijen bij de overeenkomst verstrekte relatienummers.
**2.**
De gegevens die in het kader van artikel 33b, vijfde lid, van de wet worden gemeld zijn:
a. a.
het kalenderjaar waarop de overeenkomst ziet;
b. b.
de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, waarvoor de overeenkomst is gesloten;
c. c.
de door de minister ter identificatie van de partijen bij de overeenkomst verstrekte relatienummers, waarbij per relatienummer is aangegeven het soort partij, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, onder 2°, van de wet dan wel de soort landbouwer, bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet.
## Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
### Paragraaf 1. Mestproductie
### Artikel 73
**1.** Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in bijlage D, tabel IA, kolommen B en C.
**2.** De begripsbepalingen van boerderijmelk, ontvanger van boerderijmelk en leverantie van boerderijmelk, bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit dierlijke producten en de begripsbepaling van melkcontrolestation, bedoeld in artikel 2.10 van de Regeling dierlijke producten, zijn van overeenkomstige toepassing in deze paragraaf.
**3.** Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1 of deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 1, kolom C, onderscheidenlijk deel 2 van die tabel.
### Artikel 74
**1.** Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in bijlage D, tabellen IIA en IIB.
**2.** De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
**3.** De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 75a tot en met 75d.
**4.** In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die 50 procent of meer van de op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot of verkopen als eindproduct, 7.500 kilogram onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.
**5.** In afwijking van het derde lid is het gemiddelde ureumgehalte in koemelk van melkkoeien van bedrijven die meer dan 50 procent van de geproduceerde koemelk leveren aan ondernemingen waar maximaal 500.000 kilogram koemelk per jaar wordt verwerkt 26 milligram per 100 gram.
### Artikel 74a
Vervallen
### Artikel 75
De artikelen 44, eerste en tweede lid, en 45, eerste en vijfde lid, van het besluit zijn niet van toepassing op ondernemers in het kader van wier onderneming maximaal 500.000 kilogram afgenomen koemelk wordt verwerkt, voor zover de gegevens betrekking hebben op het ureumgehalte van de afgenomen koemelk.
### Artikel 75a
**1.** Een ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat een melkcontrolestation het ureumgehalte vaststelt van een representatief monster als bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten.
**2.** Een melkcontrolestation stelt het ureumgehalte vast volgens de methode NEN-ISO 14637:2004.
### Artikel 75b
**1.** Op basis van de vaststelling van een melkcontrolestation berekent een ontvanger van boerderijmelk het gewogen gemiddelde ureumgehalte van de leverantie van boerderijmelk van een melkveehouder in een kalenderjaar.
**2.** Een ontvanger van boerderijmelk verstrekt de berekening vóór 1 februari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de berekening betrekking heeft aan de minister.
### Artikel 75c
Het ureumgehalte als bedoeld in de artikelen 75a en 75b, eerste lid, wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
### Artikel 75d
De minister stelt op basis van de berekening, bedoeld in artikel 75b, tweede lid, het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast van een landbouwer in een kalenderjaar.
### Artikel 75e
De minister draagt er zorg voor dat aan de landbouwer die minder dan 50 procent van de geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot of verkoopt als eindproduct, jaarlijks vóór 1 februari gegevens over de totale hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk worden verstrekt
### Paragraaf 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
### Artikel 75f
Vervallen
### Artikel 76
**1.** Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 57, eerste lid, en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81.
**2.**
Indien een vervoerder binnen een periode van ten hoogste zeven dagen van één leverancier meerdere vrachten dierlijke meststoffen afvoert naar één afnemer kan het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van deze vrachten worden vastgesteld door middel van analyse van een mengmonster dat op verzoek van de vervoerder door het betrokken laboratorium uit de uit deze vrachten genomen monsters is samengesteld, onder de volgende voorwaarden:
a. a.
het mengmonster bestaat uit ten hoogste twaalf monsters;
b. b.
het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent; en
c. c.
bij de samenstelling van het mengmonster worden monsters, die genomen zijn door een monsternemende organisatie als bedoeld in artikel 58, derde lid, niet gecombineerd met door de vervoerder genomen monsters.
**3.** In het geval van een mengmonster, bedoeld in het tweede lid, vermeldt de vervoerder dit op het bij het mestmonster behorende begeleidingsformulier.
### Artikel 77
**1.** Het bepalen van het gewicht, bedoeld in artikel 59, eerste lid, geschiedt door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
**2.** Het bepalen van het gewicht geschiedt rechtstreeks of op zodanige wijze dat daarbij het gewicht van het transportmiddel of van de container buiten beschouwing blijft. Indien de gewichtsbepaling plaatsvindt door weging op een weegbrug wordt per vracht dierlijke meststoffen het gewicht van het geladen transportmiddel verminderd met het gewicht van het ledige transportmiddel zoals dat direct voorafgaande aan het vervoer is bepaald. Indien een vracht dierlijke meststoffen wordt afgevoerd of aangevoerd in een container, kan het gewicht van die meststoffen worden bepaald door het gewicht van de gevulde container te verminderen met het gewicht van de lege container dat eenmalig is bepaald en dat duidelijk zichtbaar en niet verwijderbaar op de container is aangebracht.
**3.**
De vervoerder beschikt over een door een of meer weegwerktuigen gegenereerd bewijs van bepaling van het gewicht van de vracht dierlijke meststoffen, dat gedurende het vervoer van de betreffende vracht in het transportmiddel aanwezig is en de volgende gegevens bevat:
a. a.
datum en tijdstip van de gewichtsbepaling; en
b. b.
identificatie van het weegwerktuig.
**4.** In het geval de gewichtsbepaling plaatsvindt door weging op een weegbrug bevat het bewijs van de gewichtsbepaling, naast de in het vorige lid genoemde gegevens, ook het kenteken van het betreffende transportmiddel.
**5.** De vervoerder bewaart de bewijsstukken, bedoeld in het derde en vierde lid, na het vervoer als onderdeel van zijn administratie.
### Artikel 78
De bemonstering van een vracht drijfmest, bedoeld in artikel 58, eerste lid, geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel A, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen of door een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
### Artikel 78a
Vervallen
### Artikel 78b
Vervallen
### Artikel 78c
**1.**
De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een organisatie, indien deze beschikt over:
a. a.
een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP06, dat is opgenomen in bijlage Ea, en
b. b.
een gedragscode, waaraan de organisatie zich committeert.
**2.** Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
**3.** De beschikking waarmee de erkenning wordt verleend vermeldt ten minste de naam van de instelling en de vestigingsplaats van de organisatie.
**4.** Een erkenning is niet overdraagbaar.
### Artikel 78d
Een monsternemende organisatie:
a. a.
neemt op actieve wijze deel aan het harmonisatieoverleg, bedoeld in paragraaf 8.4 van AP06, opgenomen in bijlage Ea;
b. b.
registreert gegevens, afwijkingen en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in bijlage Ea;
c. c.
meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel;
d. d.
zorgt voor een organisatie van de bemonstering op een wijze die de onafhankelijkheid van degene die het monster neemt garandeert overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van AP06, opgenomen in bijlage Ea; en
e. e.
draagt zorg voor bemonstering overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 4 en 5 van AP06, opgenomen in bijlage Ea.
### Artikel 78e
**1.** Voor de aanvraag van een erkenning als bedoeld in artikel 78c wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
**2.**
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de naam, adres en de vestigingsplaats van de aanvragende organisatie; en
b. b.
bewijs dat aan de eisen, bedoeld in artikel 78c, eerste lid, wordt voldaan.
### Artikel 78f
**1.**
De minister kan een erkenning intrekken:
a. a.
op verzoek van de monsternemende organisatie;
b. b.
indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
c. c.
indien de accreditatie, bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel a, is ingetrokken of niet meer geldig is;
d. d.
indien de gedragscode, bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel b, wordt geschonden;
e. e.
indien de verplichtingen, bedoeld in artikel 78d, niet worden nageleefd;
f. f.
indien wijzigingen, bedoeld in artikel 78g, niet of niet tijdig worden gemeld;
g. g.
indien de melding, bedoeld in artikel 78l, niet, niet tijdig of onjuist geschiedt;
h. h.
indien de verplichtingen, bedoeld in artikel 78m, 78q en 78r, niet worden nageleefd.
**2.**
De minister kan een erkenning schorsen indien:
a. a.
de accreditatie, bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk is geschorst;
b. b.
sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d tot en met h.
### Artikel 78g
**1.** Een monsternemende organisatie meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikel 78e, binnen 30 dagen aan de minister.
**2.** Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 78h
De vervoerder, bedoeld in artikel 58, tweede lid, stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht meststoffen.
### Artikel 78i
**1.** De bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van AP06, opgenomen in bijlage Ea.
**2.** De monsternemende organisatie, bedoeld in artikel 58, derde lid, stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht mest, bestaande uit dikke fractie.
### Artikel 78j
Vervallen
### Artikel 78k
Vervallen
### Artikel 78l
**1.** De monsternemende organisatie meldt namens en op verzoek van de leverancier de planning van de bemonstering aan de Minister dagelijks uiterlijk om 15:00 uur op de werkdag voorafgaand aan de bemonstering.
**2.**
De melding bevat de volgende gegevens:
a. a.
de datum van de geplande bemonstering en het tijdvak van ten hoogste twee uur waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt;
b. b.
de locatie waar de vracht bemonsterd wordt;
c. c.
het identificatienummer van de persoon die de bemonstering zal uitvoeren; en
d. d.
de namen, adressen en de door de Minister ter identificatie verstrekte relatienummers van de leverancier, vervoerder en afnemer.
**3.** De gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, c en d, kunnen worden gewijzigd.
**4.** Een wijziging kan tot uiterlijk drie uur voorafgaand aan het begin van het reeds gemelde tijdvak worden gemeld.
**5.** Een melding kan tot uiterlijk drie uur voorafgaand aan het begin van het gemelde tijdvak worden ingetrokken.
**6.** Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, de wijziging, bedoeld in het vierde lid, en de intrekking, bedoeld in het vijfde lid, wordt gebruik gemaakt van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 78la
**1.** In afwijking van artikel 78l, tweede lid, onderdeel a, bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dagdeel indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste vijf monsternames in het betreffende dagdeel. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dagdeel verstaan de periode tussen 06:00 uur en 12:00 uur dan wel de periode tussen 12:00 uur en 18:00 uur.
**2.** In afwijking van artikel 78l, tweede lid, onderdeel a, bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dag indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste tien monsternames op de betreffende dag. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dag verstaan de periode tussen 06:00 uur en 18:00 uur.
**3.** Indien naar het oordeel van de Minister de juiste naleving van de regels inzake de bemonstering en aanmelden van de planning van bemonstering bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van monsternames als bedoeld in dit artikel onvoldoende verzekerd is, kan de Minister de toepassing van het eerste en tweede lid uitsluiten voor bemonsteringen die plaatsvinden bij de betreffende intermediaire onderneming.
### Artikel 78m
Vervallen
### Artikel 78n
Vervallen
### Artikel 78o
Vervallen
### Artikel 78p
Vervallen
### Artikel 78q
De monsternemende organisatie voorziet ieder laboratoriummonster van de gegevens, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in bijlage Ea.
### Artikel 78r
Vervallen
### Artikel 78s
Vervallen
### Artikel 78t
Vervallen
### Artikel 78u
Ingeval van bemonstering per vracht, bedoeld in artikel 58, derde lid, zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per vracht in ieder geval het volgende bevat:
a. a.
datum en tijdvak van de bemonstering;
b. b.
het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van de leverancier van de meststoffen;
c. c.
het identificatienummer van de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd;
d. d.
beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in bijlage Ea;
e. e.
het geschatte volume van de vracht;
f. f.
de mestcode;
g. g.
het rVDM-nummer; en
h. h.
het monsterverpakkingsnummer.
### Artikel 78v
De monsternemende organisatie stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de in artikel 129 aangewezen ambtenaren.
### Artikel 79
**1.** Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B. De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel C, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
**2.** Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B.
**3.** In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B.
### Artikel 79a
Indien het mestmonster voor de overdracht aan het laboratorium verloren is gegaan, meldt de vervoerder dit onverwijld aan de minister.
### Artikel 80
**1.** Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 58, eerste lid, stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het op deze vracht betrekking hebbende rVDM-nummer, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a.
**2.** Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 58, tweede lid, stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het op deze vracht betrekking hebbende rVDM-nummer, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a.
**3.** De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in artikel 80a, worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
**4.** Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 58, derde lid, stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het op deze vracht betrekking hebbende rVDM-nummer, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in artikel 80a.
**5.** Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 58, derde lid, bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erkend laboratorium, bedoeld in artikel 80a, worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
**6.** Ingeval van bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, bevindt de plaats waar het genomen monster wordt bewaard zich niet op het terrein of in een opstal van de betrokken leverancier, vervoerder of afnemer van de vracht.
### Artikel 80a
**1.** De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een laboratorium, indien deze beschikt over een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in bijlage H.
**2.** Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
**3.** De beschikking waarmee de erkenning wordt verleend vermeldt ten minste de naam van de instelling en de vestigingsplaats van het laboratorium.
**4.** Een erkenning is niet overdraagbaar.
### Artikel 80b
Een erkend laboratorium:
a. a.
registreert gegevens, bedoeld in paragraaf 7.4 van AP05, opgenomen in bijlage H;
b. b.
meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 80c
**1.** Voor de aanvraag van de erkenning wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
**2.**
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de naam, adres en de vestigingsplaats van het aanvragende laboratorium; en
b. b.
bewijs dat aan de eis, bedoeld in artikel 80a, eerste lid, wordt voldaan.
### Artikel 80d
**1.**
De minister kan een erkenning intrekken:
a. a.
op verzoek van het erkende laboratorium;
b. b.
indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
c. c.
indien de accreditatie, bedoeld in artikel 80a, eerste lid, is ingetrokken door de Raad of niet meer geldig is;
d. d.
indien de verplichtingen, bedoeld in artikelen 80b en 81, eerste lid, niet worden nageleefd;
e. e.
indien wijzigingen, bedoeld in artikel 80e, niet of niet tijdig worden gemeld.
**2.**
De minister kan een erkenning schorsen, indien:
a. a.
de accreditatie, bedoeld in artikel 80a, eerste lid, is geschorst door de Raad;
b. b.
de verplichting, bedoeld in artikel 81, eerste lid, niet wordt nageleefd;
c. c.
sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, d en e.
### Artikel 80e
**1.** Het erkende laboratorium meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikelen 80a en 80b, binnen 30 dagen aan de minister.
**2.** Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 81
**1.** Een erkend laboratorium analyseert de monsters en zendt de analyseresultaten binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de monsters aan de vervoerder, de leverancier van meststoffen, de afnemer en elektronisch aan de minister.
**2.** Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert een erkend laboratorium aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit door middel van een door de minister beschikbaar gesteld middel de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het op deze vracht betrekking hebbende rVDM-nummer. Een erkend laboratorium volgt de door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ter zake verstrekte aanwijzingen op.
**3.** Een erkend laboratorium voldoet aan de eisen van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in bijlage H.
**4.** Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door een erkend laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het erkende laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
**5.** Indien een erkend laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster bij de monsternemende organisatie of na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit bepaald op basis van de in bijlage I voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**6.** Indien een erkend laboratorium bij ontvangst van een toegezonden monster constateert dat het monster niet voldoet aan de eisen van Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van het Accreditatieprogramma dierlijke mest (AP05), dat is opgenomen in bijlage H, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit bepaald op basis van de in bijlage I voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
**7.**
Een erkend laboratorium meldt gelijktijdig met het verzenden van de analyseresultaten, bedoeld in het eerste lid, aan de minister:
a. a.
het betreffende monsterverpakkingsnummer;
b. b.
de betreffende mestcode of mestcodes; en
c. c.
eventuele bijzonderheden die zich hebben voorgedaan tijdens het analyseproces van het monster, bedoeld in paragraaf 7.2, onderdeel B, van bijlage H.
### Artikel 82
Vervallen
### Artikel 83
Vervallen
### Artikel 83a
Vervallen
### Artikel 84
Vervallen
### Artikel 85
Vervallen
### Artikel 86
Vervallen
### Artikel 87
Vervallen
### Artikel 88
Vervallen
### Artikel 89
Vervallen
### Artikel 89a
Vervallen
### Artikel 90
Vervallen
### Artikel 91
Vervallen
### Artikel 91a
Vervallen
### Artikel 91b
Vervallen
### Paragraaf 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
### Artikel 92
**1.** Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
**2.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de artikelen 92a en 92b is vastgesteld.
### Artikel 92a
**1.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.
**2.** De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
**3.**
Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig artikel 92b, tweede lid, berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
a. a.
de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
b. b.
de productie van zuiveringsslib of compost onafgebroken gedurende het gehele jaar plaatsvindt; en
c. c.
het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte ten minste eenmaal per kalendermaand wordt vastgesteld door middel van analyse van een representatief monster bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de in die kalendermaand geproduceerde hoeveelheid zijn genomen.
**4.** Het monster wordt verpakt in een monsterverpakking die het monster niet verontreinigt of de samenstelling ervan anderszins beïnvloedt.
**5.** Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
**6.** Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in artikel 92b, tweede lid, bedoelde berekening.
### Artikel 92b
**1.** Het laboratorium, bedoeld in artikel 92a, analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage Ia, onderdeel A, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
**2.** Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig artikel 92a, zesde lid, is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in bijlage Ia, onderdeel B, opgenomen berekeningsmethode.
**3.** Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
**4.** Indien het monster afkomstig is uit een afzonderlijk geproduceerde partij zendt het laboratorium de analyseresultaten uiterlijk tien werkdagen na analyse elektronisch aan de minister en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid.
**5.** Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, zendt het laboratorium de in het tweede lid bedoelde gehaltes, uiterlijk tien werkdagen na afloop van de desbetreffende kalendermaand elektronisch aan de minister en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid en het unieke analysenummer dat betrekking heeft op het in voorgaande kalendermaand met betrekking tot de desbetreffende hoeveelheid berekende gemiddelde.
**6.** Het laboratorium bewaart de monsters totdat tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium zijn verstreken.
### Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het besluit of in artikel 51, vierde lid, en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van artikel 68, eerste lid van het besluit, overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig artikel 48, vijfde lid, of 52, vijfde lid, aan de minister is verstrekt.
### Artikel 93
**1.** Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
**2.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald overeenkomstig artikel 17 door bemonstering en analyse.
**3.** In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.
**4.** Artikel 68, eerste lid, van het besluit in samenhang met het eerste en tweede lid, is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
### Paragraaf 4. Voorraden meststoffen
### Artikel 94
**1.** Het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.
**2.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
**3.** Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, genoemde formulier, respectievelijk in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
**4.** Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
### Artikel 95
**1.** Het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.
**2.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
**3.** Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
**4.** Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit, komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen
**5.** Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen.
### Paragraaf 5. Gasvormige verliezen
### Artikel 96
**1.** Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in artikel 67, vijfde lid, van het besluit worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in bijlage D, tabel IA, kolom D, voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
**2.** Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom D van die tabel.
### Paragraaf 6. Diervoeders
### Artikel 97
**1.**
De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit:
a. a.
bepaalt het gewicht van de desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met behulp van een weegwerktuig; en
b. b.
stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig artikel 98.
**2.** Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in bijlage J.
### Artikel 98
**1.**
Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in bijlage K, onderdeel I, op basis van:
a. a.
de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage K, onderdeel II, uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
b. b.
indien het mengvoeders betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
**2.**
Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte kleiner dan of gelijk aan veertien procent wordt vastgesteld:
a. a.
door middel van analyse van een uit de desbetreffende diervoeders volgens de algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster; of
b. b.
indien het mengvoeders betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
**3.** De analyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, geschiedt binnen één week na ontvangst van het monster door een laboratorium dat voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm, volgens de toepasselijke onderzoekmethode voor de bepaling van het ruw eiwitgehalte, het fosforgehalte en het droge stofgehalte in diervoeders.
**4.** De in het derde lid bedoelde toepasselijke methoden zijn de methoden die ten minste dezelfde waarborgen bieden als de methoden zijn voorgeschreven in Richtlijn 93/28/EEG van de Commissie van 4 juni 1993 (Pb.EG L 179) tot wijziging van bijlage I bij Derde Richtlijn 72/199/EEG betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoerders, voor het ruw eiwitgehalte en in de Tweede Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor officiële controle van veevoeders (Pb.EG L 279) voor het fosforgehalte.
**5.** Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.
**6.** Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in artikel 97, tweede lid.
### Artikel 99
**1.**
De ondernemer, bedoeld in artikel 97, vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
a. a.
het overeenkomstig artikel 97 in samenhang met artikel 98 vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
b. b.
voor diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
c. c.
voor mengvoeders de diersoort waarvoor het diervoeder is bestemd;
d. d.
de datum van levering;
e. e.
de naam, het adres en de woonplaats van de desbetreffende afnemer;
f. f.
de naam van de ondernemer die de diervoeders heeft afgeleverd; en
g. g.
de hoeveelheid diervoeder in kilogrammen.
**2.** Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vermeld met een nauwkeurigheid van tiende grammen per kilogram.
**3.** Indien het diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent betreft, kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, in afwijking van het eerste lid, schriftelijk binnen twee weken na aflevering aan het desbetreffende bedrijf verstrekt worden.
### Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het besluit, anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in artikel 99, eerste lid, dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge artikel 99, derde lid, schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
### Artikel 101
**1.** Het gewicht van het in artikel 67, eerste lid, van het besluit bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
**2.** Als het gewicht per hectare van het in artikel 67, tweede lid, van het besluit bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
**3.** Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het besluit, en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in artikel 67, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in bijlage J.
### Paragraaf 7. Staldieren en eieren
### Artikel 102
**1.** Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D, tabel III.
**2.** De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in artikel 67, derde lid, van het besluit, wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
### Artikel 102a
Voor de toepassing van artikel 20 van de Meststoffenwet, worden bij de vaststelling van het dagelijkse aanwezige aantal vleeskalkoenen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het besluit, de hanen van een bepaalde mestronde aangemerkt als tegelijk voor de slacht afgeleverd met de laatste voor de slacht afgeleverde hennen van die mestronde.
### Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D, tabel IV.
### Paragraaf 8. Fosfaattoestand van de bodem
### Artikel 103a
**1.** De fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025, door middel van bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol.
**2.**
Het laboratorium stelt ter zake van de bemonstering en analyse een analyserapport op, dat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:
a. a.
de naam en het adres van de landbouwer wiens perceel is bemonsterd;
b. b.
de datum van de monstername;
c. c.
het gehanteerde bemonsteringsprotocol;
d. d.
de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens;
e. e.
het aantal steken dat uit de bodemlaag werd genomen;
f. f.
de diepte waarop de bodemmonsters zijn gestoken;
g. g.
een schema of een tekening van de locaties waar de bodemmonsters zijn gestoken;
h. h.
het codenummer van het mengmonster dan wel de mengmonsters dat is onderscheidenlijk die zijn samengesteld uit de bodemmonsters;
i. i.
de waarnemingen tijdens de monstername die mogelijk van invloed zijn op de uitkomsten van de vaststelling;
j. j.
de gebruikte analysemethode;
k. k.
de analysedatum van het mengmonster dan wel de mengmonsters;
l. l.
de resultaten van de analyses;
m. m.
bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters zijn gedaan; en
n. n.
alle niet in bijlage L voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters hebben beïnvloed.
**3.** Het analyserapport is geldig tot vier jaar na de datum van de monstername, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
**4.**
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem die is verricht door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 door middel van:
a. a.
analyse van monsters die in de periode van 16 mei 2006 tot 1 november 2009 uit de desbetreffende bodem zijn genomen door dat laboratorium of onder de verantwoordelijkheid van dat laboratorium door een monsternemer die een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen; of
b. b.
bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het betreft monsters die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
### Artikel 103b
**1.** Het laboratorium dat de in artikel 103a bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de minister.
**2.** De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van artikel 103a, derde lid, geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
**3.** De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.
### Artikel 103c
**1.**
In afwijking van artikel 103a, eerste en tweede lid, kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
a. a.
de monstername geschiedt onder verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
b. b.
het laboratorium zorg draagt voor de kwaliteitseisen conform NEN-EN-ISO/IEC 17025;
c. c.
de uitbesteding van de werkzaamheden schriftelijk is overeengekomen;
d. d.
de derde een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen;
e. e.
degene die de monstername verricht, daartoe is geschoold en door het laboratorium is voorzien van deugdelijke instructies; en
f. f.
het laboratorium in het analyserapport de naam vermeldt van degene die de werkzaamheden heeft verricht.
### Paragraaf 9. Gewasopbrengst
### Artikel 103d
**1.** De gewasopbrengst in een kalenderjaar wordt bepaald door de hoeveelheid van het gewas die in dat jaar is geoogst van de met het desbetreffende gewas beteelde oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond, te verminderen met het door de afnemer van het desbetreffende gewas vastgestelde tarragewicht.
**2.** De gewasopbrengst wordt uitgedrukt in tonnen per hectare per jaar.
## Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht, voorwaarden uitzondering uitbreidingsverbod fosfaatrechten voor jongvee zoogkoeienhouderij en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
### Paragraaf 1. Kennisgeving van overgang
### Artikel 104
**1.** De kennisgeving van overgang en de kennisgeving van bedrijfsoverdracht, bedoeld in artikel 27, eerste lid, respectievelijk artikel 33, derde lid, van de wet geschieden bij de minister.
**2.**
Bij de kennisgeving van overgang worden door partijen in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummers;
b. b.
het aantal varkenseenheden, pluimvee-eenheden, of kilogrammen fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft;
c. c.
het gedeelte van het productierecht, dat in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf van de vervreemder niet wordt benut voor het houden van dieren;
d. d.
voor zover nodig voor de toepassing van een uitzondering als bedoeld in artikel 32, tweede of derde lid, respectievelijk artikel 32a, tweede of derde lid, van de wet, gegevens over de aard van de overgang van het productierecht.
**3.**
Bij de kennisgeving van bedrijfsoverdracht worden door partijen in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
de door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummers van de belanghebbenden betrokken bij de bedrijfsoverdracht;
b. b.
het bij de bedrijfsoverdracht betrokken productierecht, uitgedrukt in aantal varkenseenheden, pluimvee-eenheden of kilogrammen fosfaat;
c. c.
het gedeelte van het betreffende productierecht dat na het moment van de bedrijfsoverdracht op elk van de bedrijven blijft dan wel komt te rusten;
d. d.
over de aard van de bedrijfsoverdracht, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de wet;
e. e.
gegevens over het moment van de bedrijfsoverdracht;
f. f.
voor zover nodig voor de toepassing van een uitzondering als bedoeld in artikel 33, vijfde lid, van de wet, gegevens over de aard van de bedrijfsoverdracht.
**4.**
Voor de toepassing van artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet worden bij de kennisgeving van overgang tevens de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
een civielrechtelijke titel die het exclusieve gebruiksgenot verschaft van de installatie waarin de mestbehandeling of mestvergisting plaatsvindt;
b. b.
de aard en de capaciteit van de installatie waarin de mestbehandeling of mestvergisting plaatsvindt;
c. c.
de wijze en het moment waarop de dierlijke meststoffen worden vergist of behandeld en de techniek van de bij de mestbehandeling of mestvergisting gebruikte systemen;
d. d.
een volledige beschrijving van het mestbehandelingproces of mestvergistingsproces;
e. e.
de hoeveelheid en de aard van de dierlijke meststoffen die zullen worden behandeld;
f. f.
een beschrijving van de eindproducten die bij de mestbehandeling of mestvergisting ontstaan en het moment waarop de eindproducten worden afgezet;
g. g.
gegevens of bescheiden op grond waarvan is verzekerd dat de producten, bedoeld in onderdeel f, worden afgezet buiten de markt voor dierlijke mest, en
h. h.
een afschrift van de omgevingsvergunning voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.226 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
**5.** Indien een productierecht afkomstig is van een bedrijf dat het later gedurende hetzelfde kalenderjaar terugontvangt, kan de kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, worden gedaan door de overgang van het productierecht naar het bedrijf dat het productierecht ontvangt, gelijktijdig te melden met de overgang van het productierecht terug naar het bedrijf waarvan het productierecht afkomstig is.
**6.** In afwijking van het vijfde lid, wordt de kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 32, vierde lid, respectievelijk artikel 32a, derde lid, van de wet, gedaan door de overgang van het productierecht naar het bedrijf dat het productierecht ontvangt, gelijktijdig te melden met de overgang van het productierecht terug naar het bedrijf waarvan het productierecht afkomstig is.
### Artikel 104a
Voor de toepassing van artikel 26, zevende lid, van de wet geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de minister en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in artikel 104, tweede en vierde lid.
### Paragraaf 2. Blokkaderecht
### Artikel 105
**1.** Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig artikel 106, eerste lid, registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
**2.** De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek bij de minister indient.
**3.**
De termijn van negentig dagen wordt eenmalig met negentig dagen verlengd, indien de hypotheekhouder die het in het tweede lid bedoelde verzoek heeft gedaan een verzoek daartoe bij de minister indient onder gelijktijdige overlegging van:
a. a.
een rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat degene op wiens bedrijf het verzoek betrekking heeft de desbetreffende overgang geen doorgang kan laten vinden; of
b. b.
een schriftelijke verklaring van een notaris, waarin deze stelt dat hij van de hypotheekhouder op grond van artikel 268, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de opdracht heeft ontvangen om het desbetreffende registergoed, of in voorkomend geval de desbetreffende registergoederen in het openbaar te verkopen.
**4.** Na afloop van de overeenkomstig het derde lid verlengde termijn wordt de kennisgeving van de overgang onherroepelijk door de minister in behandeling genomen.
**5.** In afwijking van het eerste lid, onderscheidenlijk het tweede tot en met het vierde lid, wordt de kennisgeving van overgang door de minister in behandeling genomen voordat de termijn van 30 dagen, onderscheidenlijk de verlengde termijn is verstreken, zodra hij van elke hypotheekhouder die het bedrijf heeft laten registreren, onderscheidenlijk elke hypotheekhouder die om verlenging van de desbetreffende termijn heeft verzocht, een verklaring heeft ontvangen waaruit blijkt dat tegen in behandeling neming geen bezwaar bestaat.
**6.** In afwijking van het eerste lid, doet de Minister alvorens hij een kennisgeving van overgang, gedaan op grond van artikel 104, vijfde en zesde lid, in behandeling neemt, van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf waarvan het productierecht afkomstig is en dat het later gedurende hetzelfde kalenderjaar terugontvangt, bij de Minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig artikel 106, eerste lid, registratie door de Minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De Minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling. De leden 2 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 106
**1.** De aanmelding ter registratie, bedoeld in artikel 105, eerste of zesde lid, geschiedt bij de minister.
**2.**
Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
het adres waar de hypotheekhouder is gevestigd;
b. b.
het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van het bedrijf waarop het verzoek betrekking heeft; en
c. c.
het correspondentieadres van het in onderdeel b bedoelde bedrijf.
**3.** De in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt voor akkoord medeondertekend door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft.
### Artikel 107
**1.** Indien de aanmelding, bedoeld in artikel 106, eerste lid, niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
**2.** De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van artikel 105 de volgende leden.
**3.** De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.
**4.** De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in artikel 105, derde lid.
**5.** De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.
**6.** Ter zake van een bedrijf, waarvan overeenkomstig het vijfde lid de registratie is doorgehaald, wordt door de minister geen nieuw verzoek tot registratie van dezelfde hypotheekhouder in behandeling genomen, tenzij deze voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Dit voor akkoord medeondertekende verzoek tot registratie geldt tevens als intrekking van het niet-medeondertekende verzoek tot registratie, indien deze registratie nog niet is doorgehaald.
### Artikel 108
**1.** Op verzoek van de hypotheekhouder wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf door de minister doorgehaald.
**2.** Indien het recht van hypotheek op grond waarvan de registratie van het bedrijf plaatsvond is tenietgegaan, wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf door de minister doorgehaald.
**3.** De hypotheekhouder doet van het tenietgaan van het recht van hypotheek binnen 30 dagen mededeling aan de minister.
**4.** Indien de in het tweede lid bedoelde mededeling niet binnen 30 dagen na het tenietgaan van het recht van hypotheek door de minister is ontvangen, kan de minister ten aanzien van de hypotheekhouder besluiten hem of haar voor de duur van ten hoogste twee jaar van de toepassing van deze paragraaf uit te sluiten.
### Artikel 109
Aan de hypotheekhouder die een bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf heeft laten registreren, kunnen ter zake van het bedrijf waarop de registratie betrekking heeft door de minister de volgende gegevens worden verstrekt:
a. a.
gegevens over het geregistreerde productierecht;
b. b.
gegevens over het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden, of kilogrammen fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft;
c. c.
de dagtekening van de mededeling, bedoeld in artikel 107, tweede lid; en
d. d.
de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in artikel 107, tweede lid.
### Paragraaf 3. Vervallen van een productierecht
### Artikel 110
**1.** De kennisgeving, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet, geschiedt bij de minister.
**2.**
Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a.
het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer; en
b. b.
indien een gedeelte van het productierecht komt te vervallen, het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden, of kilogrammen fosfaat dat komt te vervallen.
### Paragraaf 3a. Voorwaarden toepasselijkheid uitzondering op uitbreidingsverbod fosfaatrechten voor jongvee zoogkoeienhouderij
### Artikel 110a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *bestuurder:* natuurlijke persoon van wie aannemelijk is dat hij direct of indirect het beleid van het bedrijf bepaalt of mede bepaalt, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;
- *jongvee voor de zoogkoeienhouderij:* jongvee als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, subonderdeel 2° of 3°, van de wet dat zoogkoe wordt of dat bestemd is om zoogkoe te worden en geen melk- of kalfkoe wordt en niet bestemd is om melk- of kalfkoe te worden;
- *zoogkoe:* koe, niet zijnde melk- of kalfkoe, die tenminste eenmaal heeft gekalfd en wordt gehouden voor de productie van een of meer kalveren voor de vleesveehouderij.
### Artikel 110b
**1.**
Een landbouwer is in een kalenderjaar uitgezonderd van het verbod, bedoeld in artikel 21b, van de wet, voor zover hij op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert met jongvee voor de zoogkoeienhouderij, indien:
a. a.
in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf niet tevens melk- of kalfkoeien of vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij worden gehouden;
b. b.
hij ervoor zorgt dat met in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden vrouwelijke runderen nadien geen dierlijke meststoffen worden geproduceerd op een bedrijf dat melk bestemd voor consumptie of verwerking produceert;
c. c.
in het geval de Minister ten aanzien van het bedrijf een fosfaatrecht heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, een kennisgeving van het vervallen van dit fosfaatrecht met ingang van het kalenderjaar waarin voor het eerst met het bedrijf gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, is geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet voorafgaand aan dat kalenderjaar, en
d. d.
hij in het desbetreffende kalenderjaar geen vrouwelijke runderen inschaart van, of uitschaart naar, een landbouwer die niet is uitgezonderd.
**2.** Het eerste lid, onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat de Minister overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, heeft vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is geweest in de 3 jaren voorafgaand aan het jaar waarin hij voor het eerst met het bedrijf gebruik maakt van de uitzondering.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die na 8 maart 2018 op zijn bedrijf dierlijke meststoffen met jongvee voor de zoogkoeienhouderij is gaan produceren, indien moet worden aangenomen dat de oprichting van dat bedrijf of het houden van jongvee voor de zoogkoeienhouderij op dat bedrijf, in overwegende mate ten doel heeft de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, te vermijden.
### Artikel 110c
**1.** Een landbouwer is slechts uitgezonderd indien hij zich daartoe, gelijktijdig met de kennisgeving van het vervallen van het fosfaatrecht, bij de Minister aanmeldt.
**2.** In afwijking van het eerste lid meldt de landbouwer die geen kennisgeving van het vervallen van een fosfaatrecht doet, zich aan uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin hij voor het eerst van de uitzondering gebruik wil gaan maken.
### Artikel 110d
Indien het bedrijf van een landbouwer die is uitgezonderd in zijn geheel wordt overgedragen aan of samengevoegd met het bedrijf van een andere landbouwer, is de landbouwer van het nieuwe bedrijf in het desbetreffende kalenderjaar uitsluitend uitgezonderd, indien:
a. a.
alle bij de totstandkoming van het nieuwe bedrijf betrokken landbouwers voor het desbetreffende kalenderjaar voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 110b, en
b. b.
in afwijking van artikel 110c, de landbouwer van het nieuwe bedrijf zich daartoe binnen dertig dagen na de start van het nieuwe bedrijf maar in ieder geval gedurende het desbetreffende kalenderjaar, aanmeldt bij de Minister.
### Artikel 110e
**1.** Indien een landbouwer heeft gemeld dat hij met zijn bedrijf gebruik wil maken van de uitzondering en nadien een fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet ten aanzien van het bedrijf wordt vastgesteld, is hij slechts uitgezonderd indien onverwijld een kennisgeving van het met onmiddellijke ingang vervallen van dit fosfaatrecht wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet.
**2.** Indien een landbouwer heeft gemeld dat hij met zijn bedrijf gebruik wil maken van de uitzondering en nadien een hoger fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet ten aanzien van het bedrijf wordt vastgesteld dan voor die melding was vastgesteld, is hij slechts uitgezonderd indien onverwijld een kennisgeving van het met onmiddellijke ingang vervallen van deze verhoging wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat wordt vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is.
### Paragraaf 4. Leges
### Artikel 111
**1.** Een kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 104, eerste lid, wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 100 aan de minister heeft voldaan.
**2.** Een kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 104, vijfde en zesde lid, wordt geregistreerd nadat de verwerver die het productierecht later gedurende hetzelfde kalenderjaar teruggeeft, een bedrag van € 100 aan de Minister heeft voldaan.
**3.** Een aanmelding ter registratie, bedoeld in artikel 105, eerste of zesde lid, wordt voor de toepassing van paragraaf 2 eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de minister is voldaan.
**4.** Indien de minister op grond van artikel 29, eerste lid, van de wet niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste of tweede lid, aan de betaler gerestitueerd.
**5.** Het bedrag, bedoeld in het derde lid, geldt per verzoek per bedrijf.
### Paragraaf 4a. Versoepeling compartimentering bij mestverwerking of mestvergisting
### Artikel 111a
**1.**
Artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet is van toepassing indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. a.
de mestbehandeling of mestvergisting geschiedt in een installatie die overeenkomstig artikel 23, eerste lid, of 24, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1069/2009 geregistreerd respectievelijk erkend is;
b. b.
er is een omgevingsvergunning voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.226 van het Besluit activiteiten leefomgeving afgegeven;
c. c.
de mestbehandeling of mestvergisting van de dierlijke meststoffen geschiedt in een installatie op een naar het oordeel van de minister adequate wijze;
d. d.
de installatie waarin de dierlijke meststoffen worden behandeld of vergist, heeft naar het oordeel van de minister voldoende capaciteit om de met de overgang of verplaatsing gemoeide hoeveelheid dierlijke meststoffen te behandelen, onderscheidenlijk te vergisten;
e. e.
de hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen, in verband met de overgang of verplaatsing, wordt uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar in de installatie behandeld of vergist en uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar worden de eindproducten die bij de mestbehandeling of de mestvergisting ontstaan, afgezet;
f. f.
de geproduceerde hoeveelheid dierlijke mestststoffen, in verband met de overgang of verplaatsing, wordt behandeld door middel van mestbehandeling of mestvergisting in een mestbehandelingsinstallatie of mestvergistingsinstallatie die behoort tot het bedrijf waarnaar het productierecht, of gedeelte daarvan, zal overgaan, of waarbinnen de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij zal worden verplaatst;
g. g.
de eindproducten die bij de mestbehandeling of mestvergisting ontstaan, worden niet binnen de markt voor dierlijke mest afgezet;
h. h.
indien de mestbehandeling of de vergisting van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de minister, en
i. i.
wijzigingen in de ingevolge artikel 104 verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
**2.** Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat volgens artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet is overgegaan van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het concentratiegebied.
### Artikel 111b
Een productierecht, of een gedeelte daarvan, dat is overgegaan ingevolge het bepaalde in artikel 26, zevende lid, van de wet kan niet overgaan naar een ander bedrijf binnen het concentratiegebied.
### Paragraaf 5. Uitbreiding buiten rechten
### Artikel 112
**1.** De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, en 20, eerste lid van de wet.
**2.** De minister kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien een houder van een ontheffing niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf.
### Artikel 113
**1.** Het aantal varkenseenheden waarvoor ontheffing kan worden verleend bedraagt 121.622.
**2.** Het aantal pluimvee-eenheden waarvoor ontheffing kan worden verleend bedraagt 1.200.000.
### Artikel 114
**1.** Een aanvraag voor ontheffing kan worden ingediend in de periode van 5 januari 2015, 9:00 uur, tot 30 januari 2015, 17:00 uur.
**2.**
Een aanvraag kan worden ingediend voor:
a. a.
ontheffing waarbij de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft worden gehouden in een integraal duurzame stal, of
b. b.
ontheffing waarbij de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft niet in een integraal duurzame stal worden gehouden.
**3.** Per bedrijf waarop een productierecht rust, kan maximaal één aanvraag voor een ontheffing voor varkenseenheden en maximaal één aanvraag voor een ontheffing voor pluimvee-eenheden worden ingediend.
**4.** Een aanvraag die niet compleet is moet uiterlijk op 13 februari 2015 compleet zijn.
### Artikel 115
**1.** Een aanvraag voor ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
**2.** Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel a, wordt ingediend en de aanvrager met een stalcertificaat als bedoeld in artikel 117, tweede lid, onderdeel c, wil aantonen dat de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal worden gehouden, gaat de aanvraag vergezeld van een kopie van dat stalcertificaat.
### Artikel 116
**1.** De minister verdeelt het aantal beschikbare varkenseenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel a, hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
**2.** Indien er meer aanvragen voor varkenseenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in artikel 113, eerste lid, verdeelt de minister het aantal beschikbare varkenseenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
**3.** De minister verdeelt het aantal beschikbare pluimvee-eenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel a, hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
**4.** Indien er meer aanvragen voor pluimvee-eenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in artikel 113, tweede lid, verdeelt de minister het aantal beschikbare pluimvee-eenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
### Artikel 117
**1.** De aanvrager die een aanvraag als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel a, heeft ingediend, houdt de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal.
**2.**
De aanvrager kan aantonen dat hij beschikt over een integraal duurzame stal indien hij beschikt over:
a. a.
een beschikking tot subsidievaststelling op grond van artikel 29 van de Regeling GLB-inkomstensteun 2006,
b. b.
een beschikking tot subsidievaststelling op grond van artikel 2.37, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies juncto bijlage 2, hoofdstuk 4, bij de Regeling LNV-subsidies, die hoger is dan € 0,00, of
c. c.
een stal ontwerp certificaat of een definitief stalcertificaat Maatlat Duurzame Veehouderij afgegeven door de Stichting Milieukeur.
### Artikel 118
**1.** De houder van een ontheffing laat 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet verwerken.
**2.** Indien de ontheffing niet op 1 januari wordt verleend, laat de houder van de ontheffing 100% van de hoeveelheid meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet verwerken die evenredig is met de periode van dat jaar waarvoor de ontheffing is verleend.
### Artikel 119
**1.** De minister verleent ontheffing voor 50% van de uitbreiding met een maximum van 2.500 varkenseenheden of 20.000 pluimvee-eenheden per ontheffing.
**2.** Een landbouwer verwerft de overige varkenseenheden of pluimvee-eenheden die vereist zijn voor de uitbreiding uiterlijk op 31 december 2015.
**3.** Een landbouwer heeft de uitbreiding niet voor 28 september 2011 gerealiseerd en realiseert de uitbreiding uiterlijk 31 december 2015.
### Artikel 120
Indien het gehele bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet door een andere landbouwer gaan de rechten en voorschriften verbonden aan de ontheffing op hem over indien partijen zulks ter zake van de registratie van de overgang van het op dat bedrijf rustende productierecht aan de minister hebben gemeld. De ontheffing is in andere gevallen niet overdraagbaar.
### Artikel 120a
De ontheffing wordt verleend tot en met 31 december 2017.
### Artikel 121
**1.** Op ontheffingen die op grond van artikel 112 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, blijft paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
**2.** De landbouwer aan wie ontheffing op grond van artikel 112 van de Uitvoeringsregeling Meststoffen wet is verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, voldoet tevens aan de voorwaarden van paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet indien hij 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet laat verwerken.
**3.** In afwijking van artikel 119 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, vervallen de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, op 1 januari 2018.
### Paragraaf 6. Mestproductieplafonds
### Artikel 121Aa
Vervallen
### Artikel 121Ab
Vervallen
### Artikel 121Ac
Vervallen
## Hoofdstuk 10a. Regelen betreffende de wijze van uitvoering van het controleprogramma
### Artikel 121a
**1.**
Het controleprogramma, bedoeld in artikel 5, zesde lid, van richtlijn 91/676/EEG beoordeelt de doeltreffendheid van het opgestelde actieprogramma, bedoeld in artikel 5 van richtlijn 91/676/EEG, door:
a. a.
op landbouwbedrijven de nitraat-, stikstof- en fosfaatconcentratie in het grondwater en slootwater te meten, en
b. b.
de invloed van het landbouwmanagement op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, waaronder het slootwater, te monitoren.
**2.** Bij de beoordeling van het actieprogramma worden de nitraatconcentratie van grondwater op diepten van 5 tot 15 meter onder het grondoppervlak en de nitraat-, stikstof- en fosforconcentratie en de mate van eutrofiëring van oppervlaktewater, anders dan slootwater, meegewogen.
### Artikel 121b
Het controleprogramma onderscheidt ten minste:
a. a.
de veenregio, de kleiregio, de zandregio en de lössregio, waarvan de indeling gebaseerd is op de meest in die regio voorkomende grondsoort;
b. b.
de bedrijfstypen melkveehouderij, akkerbouw en overige bedrijven.
### Artikel 121c
**1.**
De nitraat-, stikstof- en fosfaatconcentratie in het grondwater wordt gemeten door op landbouwbedrijven monsters te nemen van:
a. a.
de bovenste meter van het grondwater, indien het grondwater zich op minder dan 5 meter onder het maaiveld bevindt;
b. b.
het bodemvocht dat zich in de onverzadigde zone onder de wortelzone tussen 1,5 en 3 meter onder het maaiveld bevindt, indien het grondwater zich dieper dan 5 meter onder het maaiveld bevindt; of
c. c.
het overtollige drainagewater dat uitspoelt uit de wortelzone, indien het drainagewater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater via drainagebuizen of greppels.
**2.** De resultaten van de metingen kunnen worden gecorrigeerd voor de invloed van omgevingsfactoren, zoals neerslagoverschot en veranderingen van de grondwaterstand, en veranderingen in de steekproef, zoals verandering in het aantal bedrijven, bedrijfstypen en grondsoort.
### Artikel 121d
De resultaten van het controleprogramma worden opgenomen in het verslag, bedoeld in artikel 10 van richtlijn 91/676/EEG, dat de Europese Commissie vierjaarlijks ontvangt.
## Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
### Artikel 122
**1.** De in artikel 26, eerste lid, van het besluit, en de in de artikelen 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, 25a, vierde lid, 25b, tweede lid, 33a, vierde lid, 33b, tweede lid, 35a, derde, vierde en vijfde lid, 37, eerste, tweede en vierde lid, 41, 42, 45, eerste, tweede en achtste lid, 48, 48a, 50, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 52, 62, zevende lid, 63, zesde lid, 64, zesde lid, 66, zesde lid, 67, zesde lid, 68, zevende lid, 69, vijftiende lid, 69c, zesde lid, 79a, 103b, tweede lid, 104, eerste, vijfde en zesde lid, 105, eerste en zesde lid, 110, eerste lid, 110c, 110d, 110e, 114, 115, en 119, tweede lid, bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie, aanvragen tot vergunning dan wel een verzoek tot intrekking van de vergunning, verzoeken tot wijziging van een tenaamstelling en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de minister van het ingevulde en ondertekende daartoe door de minister ter beschikking gestelde middel.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
**3.** De in artikel 33b, vijfde lid, van de wet bedoelde elektronische verstrekking van gegevens, de in de artikelen 81, eerste lid, en 92b, vierde en vijfde lid, bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de artikelen 48, vijfde lid, en 52 bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in artikel 28d, vijfde en zesde lid, bedoelde elektronische meldingen, de in de artikelen 28a, tweede lid, onderdeel b, 28c, tweede lid, onderdeel d, en 35f, tweede lid, bedoelde elektronische aanmelding en de in artikel 69y, eerste lid, bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
**4.** De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig artikel 123 door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
### Artikel 123
**1.** De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in artikel 122, derde lid, geschiedt bij de minister.
**2.** De minister zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.
### Artikel 124
**1.** Degene die ingevolge deze regeling gegevens in de administratie moet opnemen of uit de administratie moet verstrekken, doet dit volledig en naar waarheid.
**2.** Het opnemen in of verstrekken uit de administratie van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt, voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene die ze ingevolge deze regeling moet opnemen in of verstrekken uit de administratie.
**3.** De in het eerste lid bedoelde gegevens worden niet gewijzigd in de administratie en worden bewaard als onderdeel van de administratie, bedoeld in de artikelen 32, 39 of 44 van het besluit.
### Artikel 124a
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 78e en 80c, voldoet de aanvrager een bedrag van € 1.312,-.
### Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede lid, 19, tweede lid, 20, tweede lid, 21, derde lid, 22, tweede lid, 27, eerste lid, 33, eerste lid, 81, derde lid, 92a, vijfde lid, 99, derde lid, en 103a, eerste lid wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
### Artikel 126
**1.** Het verbod, bedoeld in artikel 7 van de wet, is niet van toepassing op bedrijven die onder het toepassingsbereik van artikel 4.791 of 4.791h van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen.
**2.** Op het bedrijf, of deel van het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste 170 kilogram stikstof in de vorm van dierlijke meststoffen op of in de bodem gebracht.
### Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 33, 33a, 33b, 43, 44, 92a, derde lid, en 126, tweede lid, wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
### Artikel 127a
De melding, bedoeld in artikel 23, vierde tot en met zesde lid, van de wet, kan tot 1 april 2018 worden ingediend.
### Artikel 128
Een bedrijf dat voor 1 februari 2016 conform artikel 70a, derde lid, van het besluit een verzoek heeft ingediend, is voor het kalenderjaar 2016 vrijgesteld van artikel 70a, eerste lid, van het besluit.
### Artikel 128a
**1.**
Van artikel 21, eerste lid, van de wet wordt in zoverre vrijstelling verleend dat in enig kalenderjaar op verzoek van de landbouwer bij de bepaling van het melkveefosfaatoverschot van dat jaar, de productie van dierlijke meststoffen door melkvee op het bedrijf in kilogrammen fosfaat wordt verminderd met:
1°. 1°.
de fosfaatruimte,
2°. 2°.
het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in de melkveefosfaatreferentie van dat bedrijf,
3°. 3°.
het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in overeenkomsten als bedoeld in artikel 21, elfde lid en
4°. 4°.
de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 8, onderdeel c, aantoonbaar op landbouwgrond had mogen worden gebracht, als de realisatie van een natuurgebied of de aanleg van of onderhoud van publieke infrastructuur dit niet tijdelijk had belet.
**2.** Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt voor het betreffende kalenderjaar voor 16 mei ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
### Artikel 128b
Vervallen
### Artikel 129
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet zijn belast de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
### Artikel 130
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 51 van de Meststoffenwet kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage M voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
### Artikel 131
Voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Meststoffenwet en de Omgevingswet voor zover het om het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem gaat baseert de Minister zich op de gegevens van de basiskaart Agrarisch Areaal Nederland voor de grenzen van percelen landbouwgrond.
### Artikel 132
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. de Vrijstellingsregeling mestbe- en verwerking Meststoffenwet;
b. de Vaststellingsregeling aanvraagformulieren Besluit erkenning tussenpersonen, mestverwerkers en exporteurs Meststoffenwet;
c. de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet;
d. de Regeling landbouwgrond en natuurterrein Meststoffenwet;
e. de Regeling vrijstelling van de heffingen Meststoffenwet voor kleine bedrijven, tuinbouwbedrijven en tuincentra;
f. de Vrijstellingsregeling gestarte en uitgebreide bedrijven Meststoffenwet;
g. de Vaststellingsregeling formulier grondgebruikersverklaring;
h. de Vaststellingsregeling formulier vrijstelling gestarte en uitgebreide bedrijven;
i. de Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999;
j. de Beleidsregels Algemene wet bestuursrecht Bureau Heffingen;
k. de Vrijstellingsregeling gebruik dierlijke meststoffen 2005; en
l. de regeling van de Minister van Landbouw en Visserij van 17 december 1986, nr. J9110, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Meststoffenwet (Stcrt. 246).
### Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij of artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van artikel 106, eerste lid, voor de toepassing van artikel 105, zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de minister.
### Artikel 133a
De artikelen 40, 42, 43, 45 tot en met 48a, 50, 53 tot en met 69a, 75f, 76 tot en met 78a, 78h, 78i, 78u, 80 tot en met 91b, 122, Bijlage E, Bijlage Ea, Bijlage F, Bijlage G, Bijlage H, Bijlage I en Bijlage M, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, blijven van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen dat is aangevangen voor dat tijdstip.
### Artikel 134
Op de termijnen in de artikelen 28a, tweede lid, onderdeel b, 32, tweede lid, 103b, tweede lid, en 128a, tweede lid, zijn de artikelen 1, eerste lid, en artikel 3 van de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van artikel 134, dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
### Artikel 136
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
## Bijlage
Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage Aa. behorende bij
I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)
III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt
IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld
## Bijlage Ab. behorende bij de
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
## Bijlage Ac. behorende bij de
## Bijlage Aca. NV-gebieden
Bijlage bij artikel 24, derde lid, onderdeel b
Als met nutriënten verontreinigde gebieden worden aangewezen de op de kaarten in deze bijlage aangeduide gebieden.
Kaarten met nutriënten verontreinigde gebieden.
De kaarten zijn als externe bijlage bekendgemaakt bij de bekendmaking van deze regeling in de Staatscourant op www.officielebekendmakingen.nl (Informatieobject 2023, 4267 tot en met 2023, 4344).
## Bijlage Ad. behorende bij
## Bijlage Ae. Natura 2000-gebieden als bedoeld in
Bijlage bij artikel 25a, zesde lid
Aangewezen Natura 2000-gebieden waarbij een zone als bedoeld in artikel 25a, zesde lid, van toepassing is:
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de
^1 Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voor zover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren of waar hobbymatig gehouden dieren worden geweid.
## Bijlage B. behorende bij
¹ Zonder nadere vermelding geldt de genoemde coëfficiënt voor alle grondsoorten, ongeacht herkomst en voor het gehele jaar, tenzij het gebruik in strijd is met paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving
## Bijlage C. behorende bij
Vervallen
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
## Bijlage E. behorende bij de
## Bijlage Ea. behorende bij de
## Bijlage F. behorende bij de
## Bijlage G. behorende bij de
## Bijlage H. behorende bij
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
## Bijlage Ia. behorende bij
## Bijlage J. behorende bij de
## Bijlage K. behorende bij
## Bijlage L. bij de
## Bijlage M. behorende bij
1. Handheld, desktop of laptop.
2. NEN 5741 (2003), Bodem Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft.
3. Indien bij lossen bemonsterd wordt, moet bij het laden (net als momenteel het geval is) op het VDM de monsterverpakking ingescand worden. Dat kan door de verpakking fysiek bij het laden beschikbaar te hebben, maar ook doordat de OMN de barcode digitaal beschikbaar stelt aan de mesteigenaar/vervoerder.
4. NEN 5741 (2003), Bodem Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft.