40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
207 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsregeling zeevisserij | BWBR0030288 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-11-26 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0030288 | Uitvoeringsregeling zeevisserij |
Uitvoeringsregeling zeevisserij
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*aanlandcontingent:* in kilogrammen levend gewicht uitgedrukte hoeveelheid van een vissoort, genoemd in artikel 20a, die tijdens één visreis door een Nederlands vissersvaartuig is gevangen voor zover deze vangst op grond van de aanlandplicht moet worden aangeland;
– –
*aanlandplicht:* aanlandingsverplichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, in samenhang met het vijfde, zesde en zevende lid, van de basisverordening;
– –
*contingent:* in kilogrammen levend gewicht uitgedrukte hoeveelheid van een vissoort die per kalenderjaar door een Nederlands vissersvaartuig ten hoogste in een vangstgebied mag worden gevangen, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van de artikelen 45 of 46 voor het desbetreffende kalenderjaar in gebruik gekregen, of in gebruik gegeven hoeveelheden van de desbetreffende vissoort dan wel, indien het vangsten van vissoorten betreft waarop de aanlandplicht niet van toepassing is, in een kalenderjaar in een vangstgebied te vangen hoeveelheid van een vissoort in kilogrammen levend gewicht uitgedrukt, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van de artikelen 45 of 46 voor het desbetreffende kalenderjaar in gebruik gekregen, of in gebruik gegeven hoeveelheden van de desbetreffende vissoort, die per vissersvaartuig ten hoogste mag worden aangeland;
− −
*controleplan wegen na vervoer*: op grond van artikel 61, eerste lid, van de controleverordening vastgesteld controleplan wegen na vervoer voor verse visserijproducten dat is opgenomen in bijlage a1;
– –
*deelgebied, sector of deelsector:* zeegebied als omschreven in artikel 4 van de verordening vangstmogelijkheden en artikel 3 van de verordening vangstmogelijkheden Oostzee;
– –
*deelnemer aan een groepscontingent:* ondernemer als bedoeld in artikel 32, tweede lid;
– –
*extra hoeveelheid vangstmogelijkheden:* de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden die aan het groepscontingent wordt toegevoegd ingevolge artikel 32a, eerste lid;
– –
*Europees quotum:* totaal voor de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie in het kalenderjaar waarop een verordening over vangstmogelijkheden betrekking heeft te vangen hoeveelheden vis die niet in de vorm van quota over de lidstaten zijn verdeeld zoals deze per vissoort en per deelgebied, sector of deelsector voor het desbetreffende kalenderjaar, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, onder de beschrijving ‘overig’, ‘andere’, ‘andere lidstaten’ of ‘Unie’ zijn vermeld in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden, in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, in de bijlage bij de verordening vangstmogelijkheden Oostzee of in de bijlagen bij de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee;
– –
*functionaris:* door de minister voor de registratie- en verificatiewerkzaamheden in het kader van deze regeling aangewezen persoon;
– –
*groep:* groep als bedoeld in artikel 31, tweede lid;
– –
*groepscontingent:* groepscontingent als bedoeld in artikel 32, vermeerderd met de hoeveelheden bedoeld in artikel 24, vijfde lid, de vangstmogelijkheden van vervallen contingenten die ingevolge artikel 30a, derde en vijfde lid, onderdeel zijn van het desbetreffende groepscontingent en de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden van de desbetreffende vissoort die aan het groepscontingent zijn toegevoegd op grond van artikel 32a, en vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van de artikelen 45 of 46 voor het desbetreffende kalenderjaar in gebruik gekregen, of in gebruik gegeven, hoeveelheden van de desbetreffende vissoort;
– –
*individueel aandeel:* hoeveelheid van een vissoort die op grond van artikel 24 in beheer is gegeven aan een groep of producentenorganisatie of contingent van een vissoort dat een ondernemer in beheer heeft gegeven aan een groep of producentenorganisatie, vermeerderd met door hem gekochte en in gebruik gekregen hoeveelheden van die vissoort en verminderd met door hem verkochte en in gebruik gegeven hoeveelheden van die vissoort, waarover hij in een kalenderjaar kan beschikken;
– –
*minister:* Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
– –
*Nederlands quotum:* totaal voor de gezamenlijke Nederlandse vissersvaartuigen in het kalenderjaar waarop de verordening vangstmogelijkheden betrekking heeft te vangen hoeveelheden vis zoals deze per vissoort en per deelgebied, sector of deelsector voor het desbetreffende kalenderjaar, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, zijn vermeld in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026;
– –
*NVWA:* Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
– –
*ondermaatse vis:* vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder 17, van de basisverordening;
– –
*producentenorganisatie:* producentenorganisatie als bedoeld in artikel 6 van de GMO-verordening;
– –
*recreatievisserij:* niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden, met inbegrip van visserijactiviteiten die worden georganiseerd door commerciële entiteiten in de toeristische sector en in de sector van sportwedstrijden;
– –
*Registratiebesluit:*
Besluit registratie vissersvaartuigen 1998;
− −
*RVO*: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
– –
*segment:* vlootsegment MFL1, MFL2 of AQU, waartoe het vissersvaartuig op grond van de vermelding op de visvergunning behoort;
− −
*steekproefplan wegen aan boord*: op grond van artikel 60, derde lid, van de controleverordening vastgesteld steekproefplan wegen aan boord van verse visserijproducten dat is opgenomen in bijlage b1;
– –
*vangstgebied:* deelgebieden, sectoren of deelsectoren, genoemd in bijlage 8;
– –
*vangstmogelijkheden van vervallen contingenten:* het gedeelte van het Nederlandse quotum waarvoor eerder op grond van artikel 29 een recht op een contingent gold, maar welk contingent ingevolge artikel 30a is vervallen;
– –
*vangstopgavebus:* vangstopgavebus die aanwezig is in iedere in bijlage 2 vermelde haven, waarvan de exacte plaats gepubliceerd is op de website www.mijnrvo.nl;
– –
*vangstvaartuig:* vangstvaartuig als bedoeld in artikel 4, punt 33, van de controleverordening;
– –
*vissersvaartuig van een derde land:* vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van de basisverordening dat de vlag voert van of geregistreerd is in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie;
– –
*visserijregister:* register als bedoeld in artikel 4 van het Registratiebesluit;
– –
*vistuig van het type staandwant:* kieuwnetten en warnetten als bedoeld in Bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening;
– –
*vistuigcategorie BT1:* boomkorren als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van verordening 2018/973;
– –
*vistuigcategorie BT2:* boomkorren als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel ii, van verordening 2018/973;
– –
*vistuigcategorie TR1:* bodemtrawls en zegens als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel i, van verordening 2018/973;
– –
*vistuigcategorie TR2:* bodemtrawls en zegens als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel ii, van verordening 2018/973;
– –
*visvergunning:* visvergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening;
– –
*Unievissersvaartuig:* vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van de basisverordening dat de vlag voert van of geregistreerd is in een lidstaat van de Europese Unie;
– –
*wet:*
Visserijwet 1963;
2.
In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
– –
*verordening nr. 3440/84:* Verordening (EEG) nr. 3440/84 van de Commissie van 6 december 1984 inzake voorzieningen aan sleepnetten, Deense zegennetten (snurrevod) en soortgelijke netten (Pb EG L 318);
– –
*verordening nr. 2406/96:*
Verordening (EG) nr. 2406/96 van de Raad van 26 november 1996, houdende vaststelling van gemeenschappelijke handelsnormen voor bepaalde visserijprodukten (PbEG 1996, L 334);
– –
*verordening nr. 1035/2001:* Verordening (EEG) nr. 1035/2001 van de Raad van 22 mei 2001 tot invoering van een documentatieregeling voor de vangst van Dissostichus spp. (PbEG L 145);
– –
*verordening nr. 2056/2001:* Verordening (EG) nr. 2056/2001 van de Commissie van 19 oktober 2001 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van de kabeljauwbestanden in de Noordzee en ten westen van Schotland (PbEG L 277);
– –
*verordening nr. 494/2002:* Verordening (EG) nr. 494/2002 van de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren VIIIa, b, d, e (PbEG L 77);
– –
*verordening nr. 2347/2002:* Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PbEG L 351);
– –
*verordening nr. 882/2003:* Verordening (EG) nr. 882/2003 van de Raad van 19 mei 2003 tot vaststelling van een regeling voor toezicht op en verificatie van tonijnvangsten (PbEU L 127);
– –
*verordening nr. 1185/2003:* Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad van 26 juni 2003 betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen (PBEU L 167);
– –
*verordening nr. 1954/2003:* Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (PbEU L 289);
– –
*verordening nr. 1984/2003:* Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad van 8 april 2003 tot invoering in de Gemeenschap van een regeling voor de statistische registratie van blauwvintonijn, zwaardvis en grootoogtonijn (PbEU L 295);
– –
*verordening nr. 600/2004:* Verordening (EG) nr. 600/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde technische maatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PbEU L 97);
– –
*verordening nr. 601/2004:* Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 (PbEU L 97);
– –
*verordening nr. 1415/2004:* Verordening (EG) nr. 1415/2004 van de Raad van 19 juli 2004 tot vaststelling van het maximale jaarlijkse visserij-inspanningsniveau voor bepaalde visserijgebieden en visserijtakken (PbEU L 258);
– –
*verordening nr. 1967/2006:* Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PbEU L 409);
– –
*verordening nr. 520/2007:* Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PbEU L 123);
– –
*verordening nr. 517/2008:* Verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten (PbEU L 151);
– –
*verordening nr. 734/2008:* Verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig (PbEU L 201);
– –
*verordening nr. 1005/2008:* Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PbEU L 286);
– –
*verordening nr. 1010/2009:* Verordening (EG) nr. 1010/2009 van de Commissie van 22 oktober 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening nr. 1005/2008/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (PbEU L 280);
– –
*controleverordening:* Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU L 343);
– –
*verordening nr. 640/2010:* Verordening (EU) nr. 640/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 tot vaststelling van een vangstdocumentatieprogramma voor blauwvintonijn Thunnus thynnus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad (PbEU L 194);
– –
*verordening nr. 1236/2010:* Verordening (EU) nr. 1236/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot vaststelling van een controle- en handhavingregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2791/1999 van de Raad (PbEU L 348);
– –
*uitvoeringsverordening controleverordening:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PbEU L 112);
– –
*verordening nr. 1343/2011:* Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean – Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PbEU L, 347);
– –
*uitvoeringsverordening nr. 433/2012:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 433/2012 van de Commissie van 23 mei 2012 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1236/2010 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een controle- en handhavingsregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt (PbEU L, 136);
– –
*verordening nr. 1026/2012:* Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten (PbEU L, 316);
– –
*basisverordening:* Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU L, 354);
– –
*GMO-verordening:* Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU L, 354);
– –
*verordening 2016/1139:* Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PbEU L 191);
– –
*verordening 2016/1627:* Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PbEU L 252);
– –
*verordening 2016/2336:*
Verordening (EU) 2016/2336 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, tot vaststelling van bepalingen voor de visserij in de internationale wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad (PbEU L 354);
– –
*verordening 2017/1004:* Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (PbEU 2017, L 157);
– –
*verordening 2017/2107:* verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG), nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PbEU 2017, L 315);
– –
*verordening 2017/2403:* verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PbEU 2017, L 347);
– –
*verordening 2018/973:* Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (PbEU 2018, L 179);
– –
*Verordening 2018/975:* Verordening (EU) 2018/975 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) (PbEU 2018, L 179);
– –
*verordening 2019/472:* Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 van de Raad (PbEU 2019, L 83);
– –
*verordening 2019/833:* Verordening (EU) 2019/833 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1627 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2115/2005 en (EG) nr. 1386/2007 van de Raad (PbEU 2019, L 141);
– –
verordening 2019/1022: Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijk deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PbEU 2019, L 172);
– –
verordening 2019/1154: Verordening (EU) 2019/1154 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad en Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 188);
– –
verordening 2019/1241: Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 2013/1380, (EU) nr. 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PbEU 2019, L198);
– –
*EMFAF-verordening*: Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247);
– –
*verordening 2021/56:*
Verordening (EU) 2021/56 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2021 tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PbEU 2021, L 24);
– –
*verordening 2022/2056:*
Verordening (EU) 2022/2056 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 tot vaststelling van de instandhoudings- en beheersmaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PbEU 2022, L 276);
– –
*verordening 2022/2343:*
Verordening (EU) 2022/2343 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot vaststelling van beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PbEU 2022, L 311);
– –
*verordening 2023/675:*
Verordening (EU) 2023/675 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2023 tot vaststelling van de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (PbEU 2023, L 88);
– –
*verordening vangstmogelijkheden:*
Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202;
– –
*verordening vangstmogelijkheden 2025:*
Verordening (EU) 2025/202 van de Raad van 30 januari 2025 tot vaststelling, voor 2025 en 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2024/257 wat betreft vangstmogelijkheden voor 2025;
– –
*verordening vangstmogelijkheden Oostzee:*
Verordening (EU) 2025/2454 van de Raad van 1 december 2025 tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee voor 2026 en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren;
– –
*verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee:*
Verordening (EU) 2026/266 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen is het visserijcontrolecentrum, bedoeld in artikel 4, vijftiende lid, van de controleverordening, van Nederland de meldkamer van de NVWA te Echt.
2. Voor de toepassing van de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen wordt onder ’ICES-deelgebied IV’, ICES-deelgebied 4 en ’Noordzee’ mede verstaan de in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 genoemde wateren.
Artikel 3
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 15, eerste, elfde en twaalfde lid, en 31, vijfde lid van de basisverordening.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de door de Europese Commissie op grond van de artikelen 11, tweede en vierde lid, 12, eerste en derde lid, en 15, tweede en zesde lid, van de basisverordening vastgestelde maatregelen, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen, onderscheidenlijk gedelegeerde handelingen, en met de door een andere lidstaat dan Nederland op grond van de artikelen 13 en 20 van de basisverordening vastgestelde noodmaatregelen onderscheidenlijk instandhoudings- en beheersmaatregelen.
Artikel 4
Het is verboden met een buitenlands vissersvaartuig de visserij uit te oefenen in de territoriale zee van Nederland, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, anders dan voortvloeiend uit artikel 5, tweede lid, van de basisverordening.
Artikel 5
De gemeenten en de lettertekens waarmee de gemeenten worden aangeduid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Registratiebesluit, zijn vastgesteld in bijlage 1.
Artikel 6
1.
Vis wordt in Nederland uitsluitend aangeland, gelost of overgeladen door een vissersvaartuig:
a. a. met een lengte over alles van tien meter of minder in de in bijlage 2 A vermelde havens met uitzondering van Velsen, Amsterdam en Rotterdam of in de in bijlage 3 vermelde plaatsen; b. b. met een lengte over alles van 10 meter tot 59 meter of met een brutotonnage van 1.200 BT of minder, in de in bijlage 2 A vermelde havens met uitzondering van Vlaardingen, Velsen, Amsterdam en Rotterdam; c. c. met een lengte over alles van meer dan 59 meter of met een brutotonnage van meer dan 1.200 BT in de in bijlage 2 A vermelde havens met uitzondering van Vlaardingen; of d. d. waarvan de vangst voor ten minste 90% uit ansjovis of sprot bestaat, in de periode van 1 april tot en met 31 juli indien het ansjovis betreft en in de periode van 1 augustus tot en met 31 maart indien het sprot betreft, in de westelijke voorhaven van de Bergsediepsluis en aan de loswal van Schore, gemeente Kapelle;
mits het aanlanden, lossen of overladen is toegestaan op grond van de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen.
2. Het is verboden vis in Nederland aan te landen, te lossen of over te laden met een ander vaartuig dan een vissersvaartuig.
3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor andere vaartuigen dan vissersvaartuigen in de in bijlage 2A vermelde havens of in de in bijlage 3 vermelde plaatsen, voor zover het op grond van de bij of krachtens de wet gestelde regels is toegestaan met deze vaartuigen de visserij uit te oefenen.
4. Het is vissersvaartuigen die vis aan boord hebben uitsluitend toegestaan direct of indirect verbinding met de wal te maken in de havens of plaatsen waar de vis door het betrokken vissersvaartuig op grond van het eerste lid mag worden aangeland, mits de toegang tot de haven is toegestaan op grond van de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen.
Artikel 7
1.
Voor zover niet op grond van de in artikel 2, tweede lid, genoemde verordeningen anders is bepaald, wordt, voordat het aanlanden van vis plaatsvindt, elektronisch melding gedaan:
a. a. aan de NVWA indien het een vissersvaartuig met een lengte over alles van minder dan 10 meter betreft; en b. b. aan de RVO indien het een vissersvaartuig met een lengte over alles van 10 meter of meer betreft.
2.
De melding geschiedt ten minste vier uur voor het tijdstip van aanlanding door de kapitein, de eigenaar of diens gemachtigde en bevat ten minste de navolgende gegevens:
a. a. de haven van aanlanding of de in bijlage 3 bedoelde plaats, onder vermelding van de exacte locatie; b. b. de geschatte datum en het geschatte tijdstip van aanlanding; c. c. de datum en het tijdstip van de melding; d. d. de roepletters van het vissersvaartuig; e. e. de naam van de ondernemer; f. f. de naam van de kapitein; g. g. de lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig; h. h. de data van de visreis en de betrokken geografische gebieden waar de vangsten zijn gedaan; i. i. de in het visserijlogboek geregistreerde hoeveelheden per soort, uitgedrukt in kilogrammen; en j. j. de hoeveelheden van elke soort die zullen worden aangeland of overgeladen, uitgedrukt in kilogrammen.
3. Het geschatte tijdstip van aanlanding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verschilt niet meer dan een half uur van het daadwerkelijke tijdstip van aanlanding.
4.
Indien het een vissersvaartuig met een lengte over alles van minder dan 10 meter betreft, geldt dat de melding in afwijking van de aanhef van het tweede lid:
a. a. ten minste twee uur voor het tijdstip van aanlanding plaatsvindt, en b. b. niet de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i, bevat.
Artikel 8
1. Een ambtenaar van de NVWA heeft toestemming gegeven om te lossen.
2. Op verzoek van degene die vis aanlandt, kan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, worden verleend door een functionaris, namens een ambtenaar van de NVWA. Als verzoek om toestemming wordt in ieder geval aangemerkt het elektronische bericht van terugkeer naar de haven van aanlanding dat overeenkomstig artikel 37 in samenhang met Bijlage X van de Uitvoeringsverordening van de Controleverordening is verstuurd.
3. Toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt gegeven in de volgorde van melding van het tijdstip van aanlanding.
4. Het lossen van vis in de in bijlage 2 A genoemde havens vindt plaats op de in die bijlage achter de desbetreffende haven genoemde losplaatsen.
5. Alle zich aan boord van het vissersvaartuig bevindende vis, met uitzondering van paling, wordt in één ononderbroken losbeurt in zijn geheel gelost.
6. Voor zover het de vissoorten betreft, genoemd in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden, in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, in de bijlage bij de verordening vangstmogelijkheden Oostzee, in de bijlagen bij de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, is de vis die groter is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder 17, van de basisverordening per verpakkingseenheid naar vissoort gesorteerd en wordt de vis per vissoort gelost.
7. Het vijfde lid is niet van toepassing op het lossen van vis uit een vissersvaartuig met een brutotonnage van meer dan 1.200 BT waarmee de pelagische visserij wordt uitgeoefend, mits alle aan boord aanwezige vis geheel is gelost voordat het vaartuig uitvaart.
Artikel 9
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 12, tweede en derde lid, en 20, eerste lid, van verordening 2017/1004.
Hoofdstuk 2. Vangstmogelijkheden
Paragraaf 1. Verordening vangstmogelijkheden
Artikel 10
1. Het is verboden met een vissersvaartuig op de vissoorten, genoemd in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden, in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, in de bijlage bij de verordening vangstmogelijkheden Oostzee, in de bijlagen bij de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, in de bij die vissoorten vermelde wateren te vissen.
2. Het is verboden vangsten van een vissoort als bedoeld in het eerste lid, aan boord te houden of aan te landen in de gevallen dat de aanlandplicht niet van toepassing is.
3.
De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden niet voor zover:
a. a. het Nederlandse vissersvaartuigen betreft en het Nederlands quotum voor de desbetreffende vissoort, zoals dit op grond van de in artikel 15 van de verordening vangstmogelijkheden genoemde bepalingen, artikel 33, vijfde lid, van de controleverordening of artikel 12 is aangepast, niet is overschreden; b. b. het Unievissersvaartuigen betreft en het Europees quotum voor de desbetreffende vissoort, zoals dit ingevolge artikel 33, vijfde lid, van de controleverordening is verminderd, niet is overschreden; c. c. het vissersvaartuigen van derde landen betreft, in de gebieden vermeld in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig de artikelen 53, 54 en 56 van de verordening vangstmogelijkheden; en d. d. in voorkomend geval wordt gehandeld in overeenstemming met de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden, in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, in de bijlage bij de verordening vangstmogelijkheden Oostzee, in de bijlagen bij de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, opgenomen voorwaarden die met de desbetreffende vangstmogelijkheid verband houden.
4. De minister maakt de datum, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de controleverordening, bekend. Deze datum kan per vissoort en vangstgebied verschillen.
5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ‘vissen’ mede verstaan het in het desbetreffende vangstgebied varen met een vissersvaartuig dat is uitgerust met het vistuig dat in het voor dat gebied en voor de desbetreffende visserij op grond van artikel 15, zesde lid, van de basisverordening vastgestelde teruggooiplan bij de desbetreffende doelsoort is vermeld en dat in voorkomend geval de daarbij vermelde maaswijdte heeft, tenzij dat vistuig overeenkomstig artikel 47 van de controleverordening is vastgemaakt en opgeborgen.
Artikel 11
Van het verbod, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, kan op grond van artikel 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 uitsluitend ontheffing worden verleend, voor het uitoefenen van de visserij ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, voor zover:
a. a. het onderzoek wordt begeleid door een wetenschappelijk instituut; b. b. het onderzoek, blijkens het bij de aanvraag voor de ontheffing te overleggen projectplan, naar het oordeel van de minister in het belang is van de Nederlandse visserij; c. c. het de vissoorten betreft waarop het onderzoek betrekking heeft; d. d. de resultaten van het onderzoek beschikbaar worden gesteld voor de Nederlandse visserijsector; en e. e. de totale vangsten waarvoor ontheffing wordt verleend het in artikel 33, zesde lid, van de controleverordening, genoemde percentage van de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden niet te boven gaat.
Artikel 12
1.
De Minister kan een deel van de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden reserveren ten behoeve van:
a. a. ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 16, achtste lid, van de basisverordening; b. b. toewijzing aan een ondernemer, een groep of een producentenorganisatie, overeenkomstig de door de minister vast te stellen criteria, indien is komen vast te staan dat die ondernemer of de ondernemers die aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie deelnemen, in een nader te bepalen periode hebben gehandeld overeenkomstig de artikelen 21, eerste lid, 22, 53, 57 en 105 van deze regeling en aan de artikelen 39, eerste lid, en 49 van de controleverordening; of c. c. het afboeken van vangsten of bijvangsten van soorten die op grond van artikel 15 van de basisverordening moeten worden aangeland.
2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde toewijzing bedraagt per vissoort en vangstgebied ten hoogste 10% van de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, voor die vissoort in het desbetreffende vangstgebied aan Nederland toegedeelde vangstmogelijkheden.
Artikel 13
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 10, eerste lid, 14, derde lid, 16, 17, tweede lid, 22, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 29, 30, eerste lid, 32, tweede en vierde lid, 35, eerste tot en met vijfde lid, 37, eerste en derde lid, 38, eerste en tweede lid, 40, 41, 42, tweede lid, 43, eerste en tweede lid, 46, 49 en 59, eerste en tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden en de artikelen 19bis, eerste lid, en 25 van de verordening vangstmogelijkheden 2025.
2.
De sluitingsperiode als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025 is:
a. a. voor Europese aal met een totale lengte van 12 centimeter of meer, van 1 september tot en met 28 februari; en b. b. voor Europese aal met een totale lengte van minder dan 12 centimeter, van 1 januari tot en met 31 december.
3. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in strijd met de artikelen 17, eerste lid, 30, tweede lid, 32, eerste en derde lid, 36, eerste lid, 43, vierde lid, 45, 47, onderdelen b tot en met e, 48 en 58 van de verordening vangstmogelijkheden.
4. De uitzonderingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, aanhef en onderdelen c en d, van de verordening vangstmogelijkheden, gelden uitsluitend voor vissersvaartuigen ten behoeve waarvan een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening is verleend voor de in artikel 10, derde lid, aanhef en onderdelen c onderscheidenlijk d, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten.
Artikel 14
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 5, vijfde en zesde lid, artikel 8, zevende lid, artikel 9, tweede, derde en negende lid, artikel 11, tweede lid, de artikelen 12 en 13, artikel 15, vierde lid, van verordening 2016/2336 en met artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van verordening nr. 2347/2002, voor zover het Unievissersvaartuigen betreft die visserijactiviteiten uitvoeren in het gereglementeerde gebied van NEAFC, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van verordening 2016/2336.
2. De aanvraag om een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 5, eerste of derde lid, van verordening 2016/2336 bedoelde visserij onderscheidenlijk visserijactiviteiten, voldoet aan artikel 8, eerste lid, van verordening 2016/2336.
3.
De aanvraag om een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 5, eerste lid, van verordening 2016/2336 bedoelde visserij betreft een vissersvaartuig:
a. a. waarmee in de jaren 2009, 2010 of 2011 ten minste 100 ton van de in bijlage I bij verordening 2016/2336 vermelde soorten is aangeland, of b. b. dat dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen van de desbetreffende ondernemer ten aanzien waarvan is voldaan aan onderdeel a en het motorvermogen van het vervangende vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
4. Als havens als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening 2016/2336, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B met uitzondering van Den Helder.
Artikel 15
1. Het is verboden met een vissersvaartuig enige visserijactiviteit uit te oefenen in de zone van de SPRFMO, bedoeld in artikel 4, onderdeel u, van de verordening vangstmogelijkheden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op vissersvaartuigen die pelagische visserij uitoefenen en die aantoonbaar in 2007, 2008 of 2009 in de in het eerste lid bedoelde zone visserijactiviteiten hebben uitgeoefend of op een vissersvaartuig dat voornoemd vissersvaartuig vervangt, indien:
a. a. het vissersvaartuig hetzelfde of een kleiner brutotonnage heeft dan het te vervangen vaartuig; b. b. het vissersvaartuig pelagische visserij uitoefent; en c. c. de personen op wier naam de vaartuigen staan geregistreerd in het visserijregister, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Registratiebesluit, minimaal 4 weken voor het moment van vervangen een melding aan de minister hebben gedaan.
Artikel 16
Het is verboden in strijd te handelen met artikelen 7, eerste, derde en vijfde lid, 8, eerste lid, 9, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden Oostzee.
Artikel 17
1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, tweede en vierde lid, en 23 van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee.
2. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in strijd met de artikelen 18, tweede lid, en 19, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee.
Artikel 18
Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in de gebieden en gedurende de perioden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden.
Artikel 19
Vervallen
Artikel 20
Het is verboden te vissen met de typen vistuigen, bedoeld in hoofdstuk I van bijlage II van de verordening vangstmogelijkheden, in het gebied, bedoeld in dat hoofdstuk, en die typen vistuig aan boord te houden.
Paragraaf 2. Vangstverboden contingentering
Artikel 20a
1. Het is verboden met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL2 te vissen op haring, koolvis, makreel, schelvis, wijting, tong, schol, heek, kabeljauw, sprot, zeeduivel, horsmakreel, blauwe wijting, kever en grote zilversmelt.
2.
Het is verboden te varen of te vissen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL2 dat is uitgerust met het volgende vistuig dat in voorkomend geval de daarbij vermelde maaswijdte heeft:
a. a. boomkor (TBB), gelijk aan of groter dan 80 mm; b. b. bodemottertrawl (OTB), 100 tot en met 119 mm; c. c. bodemspantrawl (PTB), 100 tot en met 119 mm; d. d. dubbele-bordentrawls (OTT), 100 tot en met 119 mm; e. e. deense zegen (SDN), gelijk aan of groter dan 70 mm; f. f. schotse spanzegen (SPR), gelijk aan of groter dan 70 mm; g. g. schotse zegen (SSC), gelijk aan of groter dan 80 mm; h. h. machinale handlijnen en hengelsnoeren (LHM); i. i. kieuwnet, kieuwnet (drijfnet), kieuwnet (omringend), combinatie kieuw- en schakelnetten of schakelnetten (GN, GND, GNC, GTN en GTR), 90 tot en met 109 mm; j. j. kieuwnet, geankerd kieuwnet (staand net), kieuwnet (drijfnet), kieuwnet (omringend), combinatie kieuw- en schakelnetten of schakelnet (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR), 140 tot en met 270 mm; k. k. pelagische ottertrawl (OTM), 32 tot en met 69 mm; l. l. pelagische spantrawl (PTM), 32 tot en met 69 mm.
3. Het is verboden vangsten van een vissoort, genoemd in het eerste lid, aan boord te houden van of aan te landen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL2 in de gevallen dat de aanlandplicht niet van toepassing is.
Artikel 21
1. Het is verboden met een vissersvaartuig op een vissoort, genoemd in bijlage 8, in het daarbij voor die vissoort aangewezen vangstgebied te vissen.
2. Het eerste lid geldt niet indien voor het vissersvaartuig voor het desbetreffende vangstgebied een contingent geldt van de desbetreffende vissoort, voor zover dat contingent nog niet is opgevist en indien is voldaan aan artikel 22, eerste lid.
3. Het is verboden te varen of te vissen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 en dat is uitgerust met een in bijlage 8a vermeld vistuig dat in voorkomend geval de daarbij vermelde maaswijdte heeft, indien de aanlandplicht van toepassing is op vangsten van de vissoort of de vissoorten die bij dat vistuig is onderscheidenlijk zijn vermeld.
4. Het derde lid geldt niet indien voor het vissersvaartuig een contingent geldt van de bij het desbetreffende vistuig in bijlage 8a vermelde vissoort of in voorkomend geval vissoorten, voor zover dat contingent of die contingenten, nog niet is onderscheidenlijk zijn opgevist en indien is voldaan aan artikel 22, eerste lid.
5. Het is verboden in de ICES-sectoren 7d en 7e te varen of te vissen met een vissersvaartuig waarvoor een vismachtiging is verleend als bedoeld in artikel 8, derde lid, van verordening nr. 1954/2003 en dat is uitgerust met de schotse zegen met een maaswijdte van 80–99 millimeter, tenzij voor het vissersvaartuig een contingent horsmakreel geldt dat nog niet is opgevist.
6. Het is verboden vangsten van een vissoort, genoemd in bijlage 8, aan boord te houden of aan te landen in de gevallen dat de aanlandplicht niet van toepassing is, tenzij voor het vissersvaartuig een contingent voor de desbetreffende vissoort geldt dat nog niet is opgevist.
Artikel 22
1. Voor zover het de vissoorten tong of schol betreft, geldt voor het vissersvaartuig voor het desbetreffende vangstgebied zowel een contingent tong als een contingent schol.
2. Indien voor meer dan één vissersvaartuig van een ondernemer contingenten voor hetzelfde vangstgebied en voor dezelfde vissoort gelden, wordt voor de toepassing van artikel 21, tweede, vierde en vijfde en zesde lid, en artikel 46a, eerste lid, de som van die contingenten in aanmerking genomen.
Artikel 23
1. In afwijking van artikel 21, eerste en derde lid, is het toegestaan met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 op een vissoort te vissen in het daarbij voor die vissoort aangewezen vangstgebied onderscheidenlijk te varen of te vissen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 en dat is uitgerust met het in bijlage 8a vermeld vistuig, dat in voorkomend geval de daarbij vermelde maaswijdte heeft, voor zover een ondernemer een individueel aandeel in een groepscontingent voor de desbetreffende vissoort heeft en dat groepscontingent nog niet is opgevist.
2. In afwijking van artikel 21, vijfde lid, is het toegestaan te varen of te vissen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 dat is uitgerust met de schotse zegen met een maaswijdte van 80–99 millimeter in de ICES-sectoren 7d en 7e, voor zover een ondernemer een individueel aandeel in een groepscontinent voor de desbetreffende vissoort heeft en dat groepscontingent nog niet is opgevist.
3. In afwijking van artikel 21, zesde lid, is het toegestaan met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 een vissoort aan boord te houden of aan te landen voor zover een ondernemer een individueel aandeel in een groepscontingent voor de desbetreffende vissoort heeft en dat groepscontingent nog niet is opgevist.
Artikel 24
1.
In afwijking van artikel 21, eerste, derde en zesde lid, is het toegestaan met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 op de vissoorten kabeljauw, wijting of makreel te vissen in de vangstgebieden, bedoeld in bijlage 9, of te varen of te vissen met een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 en dat is uitgerust met een in bijlage 8a vermeld vistuig dat in voorkomend geval de daarbij vermelde maaswijdte heeft en waarbij de vissoorten kabeljauw, wijting of makreel worden vermeld, onderscheidenlijk deze vissoorten aan boord te houden of aan te landen, voor zover:
a. a. voor het vissersvaartuig geen contingent kabeljauw, wijting of makreel, maar wel enig ander contingent geldt, of voor het vissersvaartuig ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij een vergunning voor het vangen van garnalen is verleend, en door het desbetreffende vissersvaartuig de in bijlage 9, vermelde hoeveelheid kabeljauw, wijting of makreel in de desbetreffende kalendermaand nog niet is opgevist; b. b. het een vissersvaartuig met een brutotonnage van meer dan 1.200 BT waarmee de pelagische visserij wordt uitgeoefend betreft en door het desbetreffende vissersvaartuig de som van de hoeveelheden kabeljauw, wijting of makreel per kalendermaand, bedoeld onder a, voor de desbetreffende vissoort in het desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgevist; c. c. voor het vissersvaartuig noch een contingent geldt noch ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij een vergunning voor het vangen van garnalen is verleend, en door het desbetreffende vissersvaartuig de in bijlage 9, vermelde hoeveelheid kabeljauw, wijting of makreel in het desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgevist; of d. d. voor het vissersvaartuig geen contingent horsmakreel voor de EU-wateren van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d tezamen geldt en door het desbetreffende vissersvaartuig de in bijlage 9, vermelde hoeveelheid horsmakreel in het desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgevist.
2. In afwijking van artikel 21, vijfde lid, is het toegestaan met een vissersvaartuig dat is uitgerust met een schotse zegen met een maaswijdte van 80–99 millimeter in ICES-sectoren 7d en 7e te vissen of te varen, voor zover voor het vissersvaartuig geen contingent horsmakreel voor de EU-wateren van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d tezamen geldt en door het desbetreffende vissersvaartuig de hoeveelheid horsmakreel, bedoeld in het eerste lid, onder d, in het desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgevist.
3. De som van de ingevolge het eerste lid voor het kalenderjaar toegestane hoeveelheden kabeljauw, wijting, makreel of horsmakreel voor een vissersvaartuig van een ondernemer die lid is van een groep of producentenorganisatie worden in beheer gegeven aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie.
4. Indien de visvergunning wordt ingetrokken ingevolge artikel 96, eerste lid, wordt de som van de ingevolge het eerste lid aan het betreffende vissersvaartuig beschikbaar gestelde hoeveelheden kabeljauw, wijting, makreel of horsmakreel voor zover die nog niet zijn opgevist, toegevoegd aan de door de minister gereserveerde vangstmogelijkheden, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
5. In afwijking van het vierde lid, blijft, indien de visvergunning wordt ingetrokken ingevolge artikel 96, eerste lid, onderdeel c, de som van de ingevolge het eerste lid aan het betreffende vissersvaartuig beschikbaar gestelde hoeveelheden kabeljauw, wijting, makreel of horsmakreel voor zover deze nog niet zijn opgevist, indien ze ingevolge artikel 32, eerste lid, aan een groepscontingent zijn toegekend, onderdeel van dat groepscontingent.
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Vervallen
Artikel 27a
Vervallen
Artikel 28
Vervallen
Paragraaf 3. Contingenten
Artikel 29
1.
Een ondernemer heeft in enig kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig recht op een contingent van een in bijlage 8 vermelde vissoort ter grootte van het in bijlage 8 bij die vissoort vermelde percentage:
a. a. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar, voor zover hij op dat moment voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had van meer dan 0 kilogram van die vissoort; of b. b. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het laatste kalenderjaar waarin die hoeveelheid groter was dan 0 kilogram, voor zover hij op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig een recht op een contingent had voor een hoeveelheid van 0 kilogram van die vissoort en op dat moment voor die vissoort in bijlage 8 een percentage van 0% was opgenomen.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent tong of schol, indien hij ook recht heeft op een contingent schol onderscheidenlijk tong.
3. Voor de bepaling van een contingent voor een kalenderjaar wordt de hoeveelheid waarmee het contingent voor het daaraan voorafgaande jaar ingevolge artikel 39 is gekort, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage voor een vissoort indien ten gevolge van een bindende EU-rechtshandeling de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden van die vissoort worden verlaagd.
5.
De minister kan ten behoeve van een ondernemer die zijn contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. a. het Nederlands quotum voor die vissoort daartoe ruimte biedt; of b. b. ten gevolge van de in artikel 15 van de verordening vangstmogelijkheden genoemde bepalingen, wijziging optreedt in de voor Nederland beschikbare hoeveelheid van die vissoort.
Artikel 30
1.
De minister reikt aan de ondernemer die op grond van artikel 29, eerste lid, recht heeft op een contingent, een document uit waarin het overeenkomstig de artikelen 29 en 39 bepaalde contingent van een vissoort voor het desbetreffende kalenderjaar is vermeld en dat ten minste de volgende gegevens bevat:
a. a. de naam van de ondernemer op wiens naam het vissersvaartuig, waarvoor het contingent geldt, staat geregistreerd; en b. b. de lettertekens en het nummer van het desbetreffende vissersvaartuig.
2. Indien na ontbinding van een samenwerkingsverband dat een vissersvaartuig in exploitatie heeft, een of meer van de deelnemers van dit samenwerkingsverband de exploitatie van dat vissersvaartuig voortzetten, wordt na melding daartoe door alle voormalige deelnemers van het ontbonden samenwerkingsverband de tenaamstelling van het document gewijzigd.
Artikel 30a
1. Indien een visvergunning wordt ingetrokken ingevolge artikel 96, eerste lid, onderdeel c, vervallen de contingenten die gelden voor het vissersvaartuig dat is vermeld op die visvergunning.
2. Indien op naam van de houder van de visvergunning, bedoeld in het eerste lid, contingenten zijn aangehouden ingevolge artikel 44, vervallen ook deze contingenten.
3. Vangstmogelijkheden van vervallen contingenten blijven gedurende het kalenderjaar waarin de contingenten vervallen, voor zover deze nog niet zijn opgevist, onderdeel van het groepscontingent waaraan ze ingevolge artikel 32, eerste lid, zijn toegekend.
4. Indien de contingenten niet in beheer zijn gegeven aan een groep of producentenorganisatie en ze ingevolge artikel 32, eerste lid, geen onderdeel uitmaken van een groepscontingent, worden de vangstmogelijkheden van die vervallen contingenten gedurende het kalenderjaar waarin ze vervallen toegevoegd aan de door de minister gereserveerde vangstmogelijkheden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, voor zover deze contingenten nog niet zijn opgevist.
5. Indien contingenten vervallen in het kalenderjaar 2022, zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing voor het kalenderjaar 2023.
Paragraaf 4. Groepscontingenten
Artikel 31
1. Ondernemers kunnen de voor hun vissersvaartuigen geldende contingenten van een vissoort voor het desbetreffende kalenderjaar in beheer geven aan een groep of een producentenorganisatie, indien – voor zover het een groep betreft – is voldaan aan het tweede lid.
2. De groep bestaat uit ten minste vijftien ondernemers die lid zijn van één producentenorganisatie en bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 32
1.
Indien de minister voor 1 februari van enig kalenderjaar een daartoe strekkend verzoek dat is ingediend overeenkomstig artikel 34 heeft ontvangen van een groep of een producentenorganisatie, kent hij aan die groep of producentenorganisatie een groepscontingent van een vissoort voor een vangstgebied toe gelijk aan:
a. a. de som van de contingenten van die vissoort die in beheer zijn gegeven aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie, en b. b. de som van de op grond van artikel 24 aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie in beheer gegeven hoeveelheden van de desbetreffende vissoort,
voor zover deze niet zijn opgevist en aangeland.
2.
Een groepscontingent van een vissoort staat op naam van de groep of de producentenorganisatie en geldt ten gunste van de vissersvaartuigen van ondernemers:
a. a. waarvan de contingenten of de in artikel 24 bedoelde som van de hoeveelheden van de desbetreffende soorten aan de groep of de producentenorganisatie in beheer zijn gegeven, of b. b. die lid zijn van de desbetreffende producentenorganisatie en in voorkomend geval van de desbetreffende groep.
Artikel 32a
1. Indien een groep of producentenorganisatie een verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 32, eerste lid, kent de minister aan het groepscontingent van die groep of producentenorganisatie ambtshalve een extra hoeveelheid vangstmogelijkheden van een vissoort voor een vangstgebied toe.
2. De totale hoeveelheid extra vangstmogelijkheden die door de minister op grond van het eerste en derde lid, kan worden toegekend is gelijk aan de totale hoeveelheid van de vangstmogelijkheden van vervallen contingenten.
3. De omvang van de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden per groep of producentenorganisatie wordt bepaald naar evenredigheid van hetgeen is opgevist en aangeland in het voorafgaande kalenderjaar, door de vissersvaartuigen van de leden van de groep of producentenorganisatie in het kalenderjaar waarvoor het groepscontingent wordt toegekend, per vissoort, genoemd in bijlage 8, in het daarbij voor die vissoort aangewezen vangstgebied.
4. Artikel 32, tweede lid, is van toepassing op de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden.
5. Artikel 46 is niet van toepassing op de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden.
Artikel 32b
De minister draagt er zorg voor dat de aanlandingen van de leden van een groep of producentenorganisatie, waarvoor een groepscontingent geldt waaraan een extra hoeveelheid vangstmogelijkheden is toegekend als bedoeld in artikel 32a, in mindering worden gebracht op de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden van het desbetreffende groepscontingent, tenzij de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden van het desbetreffende groepscontingent volledig is opgevist.
Artikel 33
1.
Een ondernemer heeft slechts recht op een individueel aandeel in een groepscontingent van een vissoort indien:
a. a. hij alle geldende, en gedurende het kalenderjaar eventueel te verwerven contingenten van een vissoort aan de groep of de producentenorganisatie in beheer geeft en b. b. hij met zijn vissersvaartuig of vissersvaartuigen niet aan andere groepen deelneemt.
2. Indien het groepscontingent van een vissoort volledig is opgevist, is het de ondernemer in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, toegestaan het contingent van de desbetreffende vissoort dat hij nadien verwerft, niet aan de groep of de producentenorganisatie in beheer te geven.
Artikel 34
1.
Het verzoek, bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt door de groep of de producentenorganisatie ingediend en gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
a. a. een visplan; b. b. de statuten van de groep of de producentenorganisatie, waarin in ieder geval is bepaald dat de leden van de groep of de producentenorganisatie alle aan te voeren vis via bemiddeling van visafslagen moeten verhandelen en dat bij niet-naleving van de door de groep of de producentenorganisatie opgestelde bepalingen een sanctiesysteem zal worden toegepast en op welke wijze de geïnde boetes door de groep of de producentenorganisatie zullen worden besteed; c. c. het huishoudelijk reglement van de groep of de producentenorganisatie; en d. d. een overzicht van alle leden van de groep of de producentenorganisatie in voorkomend geval onder vermelding van de voor hun vissersvaartuigen geldende contingenten die zij voor het desbetreffende kalenderjaar aan de groep of de producentenorganisatie in beheer hebben gegeven.
2.
In het visplan is ten minste aangegeven:
a. a. de spreiding van de aanvoer van het beschikbare groepscontingent; en b. b. de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om de visserij-inspanning van de deelnemers aan het groepscontingent af te stemmen op de desbetreffende groepscontingenten.
3. Indien het verzoek wordt gedaan door een producentenorganisatie, behoeven de in het eerste lid bedoelde bescheiden niet te worden ingediend, voor zover deze door de desbetreffende producentenorganisatie voor 1 februari van het desbetreffende kalenderjaar zijn ingediend op grond van artikel 28 van de GMO-verordening.
4.
De minister wijst het verzoek af, indien:
a. a. de voorgeschreven bescheiden niet zijn overgelegd; of b. b. naar zijn oordeel de naleving van deze regeling en van de afspraken die binnen de groep of de producentenorganisatie zijn gemaakt, onvoldoende is verzekerd.
Artikel 35
1.
Het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie:
a. a. ziet toe op de naleving van het visplan; b. b. ziet erop toe dat de leden van de groep of de producentenorganisatie het groepscontingent niet overschrijden; c. c. ziet erop toe dat de leden van de groep of de producentenorganisatie de artikelen 20a en 21 naleven; d. d. past in geval van overschrijding van het individueel aandeel of van het groepscontingent sanctiemaatregelen toe; e. e. registreert en administreert huur- en verhuurtransacties en eventuele terbeschikkingstellingen als bedoeld in onderdeel k; f. f. voert een deugdelijke administratie waaruit te allen tijde de omvang van het groepscontingent blijkt, alsmede de hoeveelheden van de desbetreffende vissoort die per vissersvaartuig, per deelgebied of sector zijn aangeland; g. g. overlegt elke wijziging van de statuten en huishoudelijke reglementen van de groep of de producentenorganisatie onverwijld aan de minister; h. h. verleent ambtenaren van de NVWA te allen tijde inzage in de gegevens, bedoeld in de onderdelen e en f; i. i. verstrekt de minister op verzoek een kopie van de gegevens, bedoeld in de onderdelen e en f; en j. j. stuurt de door het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie ingevolge artikel 110, tweede lid, ontvangen gegevens na ontvangst onverwijld door aan de minister; k. k. ziet, indien de extra hoeveelheid vangstmogelijkheden wordt opgedeeld per individueel vissersvaartuig, erop toe dat voor het ter beschikking stellen van een deel hiervan aan een ander vissersvaartuig geen financiële vergoeding wordt gegeven.
2. De producentenorganisatie streeft de in artikel 7 van de GMO-verordening genoemde doelstellingen na en kan daartoe de in artikel 8 van de GMO-verordening bedoelde maatregelen toepassen.
Artikel 36
1.
De ten behoeve van een groepscontingent in beheer gegeven contingenten of som van de in artikel 24 bedoelde hoeveelheden van een vissoort kunnen door een ondernemer gedurende een kalenderjaar slechts geheel of gedeeltelijk aan het groepscontingent worden onttrokken, indien:
a. a. hij daarvan melding doet aan de minister; b. b. de melding vergezeld gaat van een schriftelijke verklaring van het bestuur van de desbetreffende groep of producentenorganisatie dat het met de onttrekking instemt; en c. c. het groepscontingent van de desbetreffende vissoort of indien het tong of schol betreft, het groepscontingent tong en het groepscontingent schol op het moment van ontvangst van de melding nog niet geheel is opgevist.
2. De te onttrekken contingenten of de som van de in artikel 24 bedoelde hoeveelheden van een vissoort worden verminderd met de vangsten die tot de datum van onttrekking op basis van die contingenten of de som van de in artikel 24 bedoelde hoeveelheden zijn gerealiseerd.
3. De onttrekking vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer en aan de groep of de producentenorganisatie, dat de melding is ontvangen.
Artikel 37
1. De minister kan op verzoek van het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie een deelnemer aan een groepscontingent van verdere deelname uitsluiten indien de deelnemer de binnen de groep of de producentenorganisatie geldende regels niet naleeft.
2. De uitgesloten deelnemer aan een groepscontingent heeft voor zover hij een contingent of een som van de in artikel 24 bedoelde hoeveelheden in beheer heeft gegeven aan de groep of de producentenorganisatie voor zijn vissersvaartuig recht op een contingent onderscheidenlijk een som van de in artikel 24 bedoelde hoeveelheden van de desbetreffende vissoort dat gelijk is aan het op grond van de artikel 29, eerste lid, geldende contingent van die vissoort, verminderd met de tot de datum van uitsluiting met dat vissersvaartuig gerealiseerde vangsten of indien deze hoger zijn, verminderd met het evenredig aandeel van de vangsten gerealiseerd door de deelnemers aan het groepscontingent.
Artikel 38
Bij de vermindering, bedoeld in de artikelen 36, tweede lid, en 37, tweede lid, gaat de minister uit van de gegevens uit het Visserij Registratie en Informatie Systeem van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, aangevuld met de gegevens uit de laatste door het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie overgelegde kopie van de administratieve gegevens, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, behoudens tegenbewijs van de belanghebbende bij het desbetreffende contingent.
Paragraaf 5. Korting, overdracht, aanhouding en ingebruikgeving van contingenten
Artikel 39
1. Indien de ondernemer het contingent van een vissoort in een kalenderjaar overschrijdt, wordt het contingent van die vissoort voor het daarop volgende kalenderjaar overeenkomstig gekort.
2. Indien de hoeveelheid waarmee het contingent van die vissoort in een kalenderjaar wordt overschreden, groter is dan het contingent van die vissoort voor het daarop volgende kalenderjaar, wordt het contingent van die vissoort voor de op dat jaar volgende kalenderjaren overeenkomstig gekort.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de ondernemer in het kalenderjaar de som van de voor zijn vissersvaartuigen geldende contingenten overschrijdt.
4. Indien het groepscontingent van een vissoort in een kalenderjaar wordt overschreden, worden de contingenten van die vissoort van de deelnemers aan dat groepscontingent voor het daarop volgende kalenderjaar gekort met de hoeveelheid waarmee hun individueel aandeel van die vissoort in dat groepscontingent is overschreden.
5. Indien de hoeveelheid, bedoeld in het vierde lid, groter is dan het contingent van die vissoort voor het daarop volgende kalenderjaar, wordt het contingent van die vissoort voor de op dat jaar volgende kalenderjaren overeenkomstig gekort.
6.
In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, kan de minister op verzoek van de ondernemer de overschrijding van:
a. a. het contingent schol geheel of gedeeltelijk in mindering brengen op het op grond van artikel 29, eerste lid, geldende contingent tong waarbij voor elke 5 kilogram schol 1 kilogram tong in mindering wordt gebracht; of b. b. het contingent tong geheel of gedeeltelijk in mindering brengen op het op grond van artikel 29, eerste lid, geldende contingent schol, waarbij voor elke kilogram tong 5 kilogram schol in mindering wordt gebracht.
7. De leden 1 tot en met 5, gelden niet indien aan de ondernemer of de deelnemers aan het groepscontingent op basis van een overeenkomstig artikel 46a ingediende aanvraag een aanlandcontingent ter grootte van de overschrijding is verstrekt, voor zover de betrokken ondernemer of de betrokken deelnemers aan het groepscontingent heeft onderscheidenlijk hebben voldaan aan artikel 46c.
Artikel 40
1. In afwijking van artikel 29, eerste lid, kan een ondernemer op wiens naam meer dan één vissersvaartuigen geregistreerd zijn waarvoor een contingent van dezelfde vissoort geldt, die contingenten op een andere manier over deze vissersvaartuigen verdelen.
2.
De verdeling is slechts toegestaan, indien:
a. a. de ondernemer de minister daarvan voor 1 december van het desbetreffende kalenderjaar melding doet; b. b. voor zover het een contingent tong of schol betreft, voor het desbetreffende vissersvaartuig voor de herverdeling zowel een contingent tong als een contingent schol geldt; en c. c. voor het desbetreffende vissersvaartuig voor de herverdeling een contingent van de desbetreffende vissoort geldt.
3. De andere verdeling wordt slechts toegepast na kennisgeving van de minister aan de ondernemer dat de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is ontvangen.
Artikel 41
1. Het recht van een ondernemer op een contingent van een vissoort is geheel of gedeeltelijk overdraagbaar aan één of meer ondernemers met één of meer vissersvaartuigen dat behoort onderscheidenlijk die behoren tot het segment MFL1 indien is voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid en aan de artikelen 42 en 43.
2. Een ondernemer die zijn contingent geheel of gedeeltelijk wil overdragen, dient daarvoor een verzoek in bij de minister. Dit verzoek gaat vergezeld van het document, bedoeld in artikel 30.
3. Indien de ondernemer aan wie het contingent wordt overgedragen, meer dan één vissersvaartuig heeft, wordt bij het verzoek vermeld welk deel van het over te dragen contingent voor elk van deze vissersvaartuigen komt te gelden.
4. Indien ten behoeve van de ondernemer een pandrecht op het contingent van de desbetreffende vissoort is verleend, gaat het verzoek vergezeld van een verklaring dat de pandhouder met de overdracht instemt.
5. De instemming van de pandhouder is slechts vereist indien de pandhouder de minister door middel van een afschrift van de akte van verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.
Artikel 42
1.
Een geheel contingent tong of schol kan slechts worden overgedragen:
a. a. tegelijkertijd met de gehele overdracht van het contingent schol onderscheidenlijk tong van de desbetreffende ondernemer, met dien verstande dat de minister op verzoek van die ondernemer kan toestaan het verzoek tot overdracht van laatstbedoelde vissoort voor een door hem vast te stellen periode aan te houden; en b. b. aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor zowel een contingent tong als schol geldt.
2. Een gedeeltelijk contingent tong kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor zowel een contingent tong als schol geldt.
3. Een gedeeltelijk contingent van een andere vissoort dan genoemd in het tweede lid kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor een contingent van dezelfde vissoort geldt.
Artikel 43
De overdracht vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer aan wie het contingent van een vissoort wordt overgedragen, dat het overgedragen contingent voor een door de ondernemer aangewezen vissersvaartuig of vissersvaartuigen op zijn naam komt te gelden en dat dat contingent voor het lopende kalenderjaar is verminderd met het eventueel opgeviste deel daarvan, de hoeveelheden, bedoeld in artikel 39, en de hoeveelheden, bedoeld in artikel 46c, vierde lid.
Artikel 44
1. De minister kan op verzoek van de desbetreffende ondernemer voor een door hem vast te stellen periode het overgedragen contingent van een vissoort of het contingent van een vissoort dat voor een door de ondernemer aan te wijzen vissersvaartuig geldt, aanhouden.
2. Indien de ondernemer meer dan één vissersvaartuig heeft aangewezen, geeft hij voor elk van deze vaartuigen aan welk deel van het aangehouden contingent voor dat vaartuig komt te gelden.
3. Een aangehouden contingent van een vissoort kan alleen voor vissersvaartuigen komen te gelden waarvoor een contingent van dezelfde vissoort geldt.
4. Een aangehouden contingent tong of schol kan alleen voor vissersvaartuigen komen te gelden waarvoor zowel een contingent tong als een contingent schol geldt.
5. Het geldend maken van een contingent tijdens de door de minister vastgestelde periode van aanhouding kan slechts plaatsvinden indien de ondernemer één of meer vissersvaartuigen heeft aangewezen waarvoor een contingent van dezelfde vissoort geldt en voor zover het een contingent voor de vissoorten tong of schol betreft voor het vissersvaartuig zowel een contingent tong als schol geldt.
6. Indien de ondernemer binnen de door de minister vastgestelde periode van aanhouding geen vissersvaartuig of vissersvaartuigen heeft aangewezen ten behoeve waarvan een aangehouden contingent kan komen te gelden, vervalt na afloop van deze periode de toekenning van het contingent.
Artikel 45
1.
Een ondernemer kan het contingent van een vissoort dat voor zijn vissersvaartuig geldt of dat ingevolge artikel 44 is aangehouden, in het kalenderjaar geheel of gedeeltelijk in gebruik geven aan:
a. a. een met name genoemde ondernemer met één of meer vissersvaartuigen dat behoort onderscheidenlijk die behoren tot het segment MFL1 voor wiens vissersvaartuig een contingent geldt van dezelfde vissoort en voor zover het een contingent voor de vissoorten tong of schol betreft voor het vissersvaartuig zowel een contingent tong als schol geldt; of b. b. ondernemers die lid zijn van een groep of een producentenorganisatie die een groepscontingent voor de desbetreffende vissoort beheert.
2.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien:
a. a. de ondernemer daarvan voor 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar melding doet aan de minister; en b. b. de periode waarvoor het contingent van een vissoort geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt gegeven op het moment van de melding, bedoeld in onderdeel a, kleiner is dan de resterende periode waarvoor het desbetreffende contingent is aangehouden.
3. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, dat de melding is ontvangen. Indien het voor dat kalenderjaar voor het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen van de ondernemer waaraan in gebruik wordt gegeven geldende contingent van de desbetreffende vissoort is overschreden op het moment van ontvangst van de in het tweede lid bedoelde melding, vindt de kennisgeving voor het lopende kalenderjaar slechts plaats nadat de hoeveelheden, bedoeld in artikel 46c, vierde lid, daarop in mindering zijn gebracht.
Artikel 46
1. Een bestuur van een groep of van een producentenorganisatie kan het groepscontingent van een vissoort gedeeltelijk in gebruik geven aan een andere groep of producentenorganisatie ten behoeve van samenvoeging met een groepscontingent van die vissoort, indien het bestuur van de ingebruikgeving voor 15 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de melding betrekking heeft, melding heeft gedaan aan de minister.
2. Een bestuur van een groep of van een producentenorganisatie kan het groepscontingent van een vissoort gedeeltelijk in gebruik geven aan een of meer met name genoemde ondernemers, met één of meer vissersvaartuigen dat behoort onderscheidenlijk die behoren tot het segment MFL1, die geen lid is onderscheidenlijk zijn van een groep of een producentenorganisatie en voor wiens vissersvaartuig een contingent van dezelfde vissoort geldt, of voor zover het contingent voor de vissoorten tong of schol betreft, voor beide soorten een contingent geldt, indien het bestuur van de ingebruikgeving voor 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar melding heeft gedaan aan de minister.
3. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie dat de melding is ontvangen. Indien het voor dat kalenderjaar voor het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen van de ondernemer waaraan in gebruik wordt gegeven geldende contingent van de desbetreffende vissoort is overschreden op het moment van ontvangst van de in het tweede lid bedoelde melding, vindt de kennisgeving voor het lopende kalenderjaar slechts plaats nadat de hoeveelheden, bedoeld in artikel 46c, vierde lid, daarop in mindering zijn gebracht.
Paragraaf 6. Overige bepalingen over contingenten
Artikel 46a
1.
Vangsten van de vissoorten, vermeld in bijlage 8, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, die worden aangeland door:
a. a. een ondernemer die geen lid is van een groep of een producentenorganisatie, worden in mindering gebracht op het voor het desbetreffende vissersvaartuig van die ondernemer geldende contingent of in artikel 24 bedoelde hoeveelheid van de desbetreffende vissoort; b. b. een ondernemer die lid is van een groep of een producentenorganisatie, worden in mindering gebracht op het groepscontingent van de desbetreffende vissoort van de desbetreffende groep of de desbetreffende producentenorganisatie.
2.
De kapitein, eigenaar of gemachtigde van een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL1 vraagt een aanlandcontingent aan voor de vangst of het gedeelte van de vangst van een vissoort, vermeld in bijlage 8, waarop de aanlandplicht van toepassing is voor zover:
a. a. voor het desbetreffende vissersvaartuig voor de desbetreffende vissoort geen contingent of een in artikel 24 bedoelde hoeveelheid geldt dan wel de vangsten van de desbetreffende vissoort groter zijn dan het voor het desbetreffende vissersvaartuig van die ondernemer geldende contingent of in artikel 24 bedoelde hoeveelheid; b. b. aan de groep of de producentenorganisatie waarvan een ondernemer lid is, geen groepscontingent voor de desbetreffende vissoort is toegekend, of dat groepscontingent is opgevist.
3. De kapitein, eigenaar of gemachtigde van een vissersvaartuig dat behoort tot het segment MFL2 vraagt voor een vangst van een vissoort, genoemd in artikel 20a, eerste lid, waarop de aanlandplicht van toepassing is een aanlandcontingent aan, tenzij de vangst in mindering kan worden gebracht op een groepscontingent van een groep of producentenorganisatie waarvan de ondernemer lid is.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde aanvraag wordt gelijktijdig met de melding, bedoeld in artikel 7, dan wel met de voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 17 van de controleverordening, gedaan onder vermelding van de overeenkomstig artikel 14 van de controleverordening in het logboek geregistreerde hoeveelheden van de desbetreffende vissoort. Voor zover het in het elektronisch visserijlogboek, bedoeld in artikel 2, onderdeel 12, van de uitvoeringsverordening controleverordening, niet mogelijk is om de aanvraag tegelijkertijd met de voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 17 van de controleverordening, te doen, wordt de aangifte van aanlanding die op grond van artikel 23 en 24 van de controleverordening moet worden ingediend als aanvraag voor een aanlandcontingent beschouwd.
5. Indien de kapitein, eigenaar of gemachtigde nalaat om overeenkomstig het vierde lid een aanvraag in te dienen, wordt de aangifte van aanlanding die op grond van artikel 23 en 24 van de controleverordening dan wel op grond van artikel 104a, eerste lid, van deze regeling in samenhang met artikel 23 van de controleverordening moet worden ingediend, als aanvraag voor een aanlandcontingent beschouwd.
Artikel 46b
1. In afwijking van artikel 46a, eerste en derde lid, worden aanlandingen van ondermaatse tong, schol, kabeljauw en wijting niet in mindering gebracht op een voor het desbetreffende vissersvaartuig van die ondernemer geldend contingent, een in artikel 24 bedoelde hoeveelheid van de desbetreffende vissoort of een groepscontingent van een groep of producentenorganisatie waarvan de ondernemer lid is.
2. In afwijking van artikel 46a, tweede en derde lid, wordt voor aanlandingen van ondermaatse vis geen aanlandcontingent aangevraagd.
Artikel 46c
1.
Voor een aanlandcontingent wordt een bedrag betaald ter hoogte van:
a. a. het bedrag dat degene aan wie het document gericht is, op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het Legesbesluit visserijdocumenten verschuldigd is, vermeerderd met b. b. de hoeveelheid kilogrammen levend gewicht van een vissoort die is vermeld in de aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 23 van de controleverordening, die niet in mindering kan worden gebracht op een contingent, hoeveelheid als bedoeld in artikel 24 of groepscontingent, vermenigvuldigd met tachtig procent van de gemiddelde prijs van de desbetreffende vissoort in het desbetreffende kwartaal van aanlanding, in het voorgaande jaar, zoals vermeld op de website van de RVO;
met dien verstande dat het totaal verschuldigde bedrag voor een aanlandcontingent ten hoogste negentig procent van de in onderdeel b bedoelde prijs bedraagt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een aanlandcontingent voor horsmakreel gevangen in wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d, slechts het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betaald, met dien verstande dat het verschuldigde bedrag voor een aanlandcontingent ten hoogste negentig procent van de gemiddelde prijs in het kwartaal van aanlanding in het voorgaande jaar, zoals vermeld op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde website, van de hoeveelheid kilogrammen levend gewicht die is vermeld in de aangifte van de aanlanding, bedoeld in artikel 23 van de controleverordening, bedraagt. Dit lid is van toepassing tot het moment dat veertig procent van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden van het betreffende visbestand is opgevist.
3. Indien een ondernemer na de aanvraag van een aanlandcontingent voor de desbetreffende vissoort een contingent in gebruik krijgt of overgedragen krijgt, worden daarop allereerst de aangelande hoeveelheden waarvoor een aanlandcontingent is verstrekt in mindering gebracht en wordt, voor zover een bedrag is betaald voor het aanlandcontingent, het bedrag dat is betaald voor de desbetreffende hoeveelheid minus het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan de ondernemer terugbetaald.
Artikel 47
1. Indien twee of meer Nederlandse vissersvaartuigen, waarvoor contingenten haring, die op hetzelfde vangstgebied betrekking hebben, kabeljauw en wijting, of makreel gelden, de visserij in span uitoefenen, wordt aan elk van de betrokken vissersvaartuigen een evenredig deel van de totale door deze vissersvaartuigen aangelande hoeveelheid van de desbetreffende vissoort of vissoorten toegerekend.
2. Alle tot het span te rekenen vissersvaartuigen landen in dezelfde Nederlandse haven aan en lossen gezamenlijk.
Artikel 48
Indien het een contingent haring betreft, zijn de artikelen 31, eerste lid, 32, eerste lid, 40, eerste lid, 41, tweede lid, voor zover verband houdend met gedeeltelijke overdracht, 44, eerste lid, 45, eerste lid, en 46, eerste en tweede lid, uitsluitend van toepassing, indien het één en hetzelfde vangstgebied betreft.
Artikel 49
1. Een melding als bedoeld in de artikelen 30, tweede lid, 36, eerste lid, onderdeel a, 40, tweede lid, onderdeel a, 45, tweede lid, onderdeel a, en 46, eerste en tweede lid, onderdeel a, wordt bij de minister gedaan op een daartoe bestemd formulier.
2. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, 37, eerste lid, 39, zesde lid, 41, tweede lid, 42, vierde lid, en 44, eerste lid, wordt bij de minister ingediend op een daartoe bestemd formulier.
Hoofdstuk 3. Technische maatregelen
Artikel 50
Voor de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde verordeningen wordt de maaswijdte van vistuig gemeten overeenkomstig verordening nr. 517/2008.
Artikel 51
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 tot en met 15 van verordening nr. 3440/84, of sleepnetten als bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 3440/84, aan boord te houden indien deze netten niet voldoen aan de artikelen 4 tot en met 15 van die verordening.
Artikel 52
Vervallen
Artikel 53
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 7, eerste lid, 8, tweede tot en met vierde lid, 9, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 10, eerste tot en met derde lid, 11, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, en 13, tweede en vierde lid, en met de technische maatregelen, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, en 28 van verordening 2019/1241.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de door de Europese Commissie op grond van de artikelen 8, vijfde lid, en 24, eerste lid, van verordening 2019/1241 vastgestelde uitvoeringshandelingen en met de door de Europese Commissie op grond van de artikelen 15, tweede lid, 23, eerste en vijfde lid, en 27, zevende lid, van verordening 2019/1241 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 11, derde lid, van verordening 2019/1241, is de NVWA.
4.
Het in het eerste lid bedoelde verbod is, voor zover dat betrekking heeft op artikel 7, eerste lid, onder b, van verordening 2019/1241, gedurende de overgangsperiode en in het gebied, bedoeld in bijlage V, deel D, punt 2, van die verordening niet van toepassing op het vissen met een elektrische pulskor als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder 17, van die verordening, voor zover:
a. a. de ondernemer op wiens naam het vissersvaartuig waarmee met de elektrische pulskor wordt gevist, is geregistreerd, op 13 augustus 2019 om 24.00 uur beschikte over een geldige pulstoestemming voor dat vaartuig die door de minister uiterlijk in 2010 is verleend op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling technische maatregelen 2000, zoals dit artikelonderdeel luidde op het tijdstip waarop deze toestemming werd verleend; b. b. wordt voldaan aan bijlage V, deel D, punt 2, onder b tot en met e, van verordening 2019/1241; c. c. wordt voldaan aan bijlage V, deel D, punt 5, van verordening 2019/1241 en aan de maatregelen die lidstaten op grond van bijlage V, deel D, punt 4, van die verordening hebben genomen; en d. d. wordt voldaan aan de aan de toestemming verbonden voorschriften.
5. De minister kan de aan de toestemming verbonden voorschriften wijzigen.
6. Het is verboden elektrische pulskorren als bedoeld in artikel 6, onder 17, van verordening 2019/1241 aan boord te hebben van een vissersvaartuig, indien niet is voldaan aan het vierde lid, onderdeel a, b of d.
7.
De minister kan de toestemming intrekken of voor een bepaalde periode schorsen indien naar het oordeel van de minister:
a. a. de ondernemer van een vissersvaartuig ten aanzien van wie een toestemming is verleend, of diens gemachtigde niet voldoet aan de aan de toestemming verbonden voorschriften, of b. b. hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
Artikel 54
1.
Voor de toepassing van de voorwaarde voor gerichte visserij op Noordzeegarnalen en ringsprietgarnalen met een maaswijdte van ten minste 16 mm, bedoeld in de tabel in bijlage V, deel B, punt 1.2 van verordening 2019/1241 geldt dat een zeeflap:
a. a. een maaswijdte heeft van ten hoogste 70 mm; b. b. is bevestigd aan de binnenzijde van het vistuig op zodanige wijze dat alle mariene organismen uitsluitend via de zeeflap de kuil van het vistuig kunnen bereiken; c. c. een ontsnappingsgat bevat dat is aangebracht in de bovenzijde of onderzijde van het vistuig ter hoogte van ten hoogste 30 mazen voor de aanhechting van de kuil, ter grootte van ten minste 15 mazen van het vistuig waarin de zeeflap is bevestigd, gesneden in de lengterichting van dat vistuig; en d. d. even lang of ten hoogste 10% langer is dan het basisnet van het vistuig waarin de zeeflap is bevestigd, waarbij het achterste punt van de zeeflap is bevestigd op maximaal 5 mazen achter het achterste deel van het ontsnappingsgat.
2. De zeeflap behoeft gedurende de periode van 15 april tot en met 15 november niet bevestigd te zijn voor zover de gerichte visserij op Noordzeegarnalen of ringsprietgarnalen wordt uitgeoefend in de kustwateren en het zeegebied, bedoeld in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, en in de Nederlandse territoriale zee.
3. Het is verboden handelingen te verrichten of middelen aan te wenden waardoor de ontsnapping van mariene organismen door het ontsnappingsgat wordt bemoeilijkt of belet, met uitzondering van het gebruik van een overkuil met een maaswijdte van minimaal 80 mm, die is aangebracht op maximaal 30 mazen voor het ontsnappingsgat, of een secundaire kuil met een maaswijdte van minimaal 80 mm.
Artikel 55
1. De toestemming, bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, onderdeel a, en 26, eerste lid, van verordening 2019/1241 wordt op aanvraag door de minister verleend.
2. Artikel 11, eerste lid, onderdelen a, b en d, is van toepassing op het wetenschappelijk onderzoek ten behoeve waarvan de in de artikelen 25 en 26 van verordening 2019/1241 bedoelde visserijactiviteiten worden verricht.
3. De minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
4. Degene aan wie toestemming is verleend, handelt overeenkomstig artikel 25, eerste lid, onderdelen c en d, en in voorkomend geval onderdeel f, en tweede lid, of artikel 26, tweede lid, van verordening 2019/1241 en overeenkomstig de aan de toestemming verbonden voorschriften.
Artikel 56
Vervallen
Artikel 57
Vervallen
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 tot en met 8 van verordening nr. 2056/2001.
Artikel 60
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2, eerste lid, 3, 4, 5, tweede lid, en 6 van verordening nr. 494/2002.
Artikel 61
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, 6, eerste, derde, zesde en zevende lid van verordening nr. 882/2003.
2. Het is verboden tonijn als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van verordening nr. 882/2003, die is gevangen in het toepassingsgebied van de overeenkomst, bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van die verordening, op te slaan, te verwerken of in de handel te brengen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien:
a. a. bij aanlanding en overdracht van onverwerkte tonijn een toezichtsdocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van verordening nr. 882/2003, is opgesteld en wordt voldaan aan artikel 6, vierde, zesde en zevende lid, van die verordening; b. b. voor zover de tonijn wordt verwerkt, dolfijnvriendelijk en dolfijngevaarlijk gevangen tonijn als bedoeld in artikel 3, onderdelen 4 en 5, van verordening nr. 882/2003, niet in dezelfde productielijn worden verwerkt; of c. c. voor zover de tonijn wordt verwerkt, het desbetreffende verwerkende bedrijf een voldoende duidelijk gegevensbestand bijhoudt waaruit het nummer van een verwerkte partij tonijn terug te herleiden is tot het overeenstemmende nummer van het toezichtsdocument, bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van verordening nr. 882/2003.
4. De autoriteit, bedoeld in artikel 6, eerste, derde en zevende lid, van verordening nr. 882/2003, is de minister.
Artikel 62
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 3 van verordening nr. 1185/2003.
Artikel 63
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, 4, 6, 7, eerste tot en met derde lid, 8, eerste tot en met achtste lid, 9, eerste tot en met derde lid, 10, 11, derde tot en met vijfde lid, 12, eerste tot en met vierde lid, en 14, eerste tot en met derde lid, van verordening nr. 600/2004.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, 7 bis, 7 ter, 9, eerste tot en met derde lid, 13, eerste tot en met derde lid, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste en derde lid, 18, eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 23, eerste lid, en 24, eerste en tweede lid, van verordening nr. 601/2004.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 9, derde lid, 13, eerste lid en 17, eerste lid, van verordening nr. 601/2004, is de NVWA.
4. Het is verboden Dissostichus spp. uit het verdragsgebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 601/2004, aan te landen of over te laden zonder dat de melding, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van verordening nr. 601/2004, vergezeld gaan van een door de kapitein of de ondernemer van een vissersvaartuig ondertekende schriftelijke verklaring als bedoeld in dat lid.
Artikel 64
Vervallen
Artikel 65
Vervallen
Artikel 66
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 29 van verordening nr. 520/2007, tenzij is voldaan aan artikel 17 van verordening 2021/56.
Artikel 67
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, eerste lid, 6, 7 en 9 van verordening nr. 734/2008.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, derde lid, van verordening nr. 734/2008, is de NVWA.
Hoofdstuk 4. Meerjarenplannen en overige instandhoudingsmaatregelen
Artikel 68
Het is verboden in strijd te handelen met de door de Europese Commissie op grond van artikel 8, artikel 9, eerste lid, en artikel 11 van verordening 2018/973 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 69
1. Het is verboden de visserij uit te oefenen in de gebieden, bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 1954/2003, op de in de bijlage bij die verordening per visserijgebied genoemde doelsoorten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in een kalenderjaar voor een doelsoort in een visserijgebied niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in het derde lid, in de periode dat het maximale visserij-inspanningsniveau, bedoeld in bijlage I en II bij verordening nr. 1415/2004, voor die doelsoort in dat visserijgebied niet is bereikt. De minister maakt de datum waarop het maximale visserij-inspanningsniveau is bereikt, bekend.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in een vangstgebied niet van toepassing op vissersvaartuigen die staan vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening nr. 1954/2003, en waaraan voor het desbetreffende visserijgebied een vismachtiging is verleend als bedoeld in artikel 8, derde lid, van die verordening.
Artikel 70
Het is verboden in strijd te handelen met de door de Europese Commissie op grond van artikel 9, eerste lid, artikel 13, eerste lid, en artikel 14, tweede lid, van verordening 2019/472 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 71
Vervallen
Artikel 72
Het is verboden in strijd te handelen met de door de Europese Commissie op grond van artikel 11, vijfde lid, artikel 13, eerste lid, en artikel 14 van verordening 2019/1022 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 73
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste, tweede en derde lid, 13, eerste tot en met vierde lid, 17, eerste lid, 21, en 22, eerste lid, van verordening nr. 1967/2006.
Artikel 73a
Door vernummering vervallen.
Artikel 73b
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 11, 13, 14, 18, eerste lid, 19, 21, eerste lid, 23, 24, tweede lid, 25, 29, derde en vierde lid, en met de door de Europese Commissie op grond van artikel 34, eerste lid, van verordening 2019/1154 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 74
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 11 en 12 van verordening 2016/1139 en met de door de Europese Commissie op grond van de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van verordening 2016/1139 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
2. Als havens als bedoeld in artikel 14 van verordening 2016/1139 worden aangewezen de voor de desbetreffende vissersvaartuigen op grond van artikel 6, eerste lid, toegelaten havens.
Artikel 75
Door vernummering vervallen.
Artikel 76
Door vernummering vervallen.
Artikel 77
Door vernummering vervallen.
Artikel 78
Door vernummering vervallen.
Hoofdstuk 5. Nationale maatregelen en maatregelen binnen 12 mijlzone
Artikel 79
1. Het is verboden met andere vaartuigen dan vissersvaartuigen de visserij met trawlnetten, vistuig van het type staandwant, Deense zegennetten of soortgelijke netten uit te oefenen op de vissoorten genoemd in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026, in de bij die vissoorten genoemde wateren alsmede dergelijke netten aan boord te houden van een ander vaartuig dan een vissersvaartuig.
2. Vervallen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op een scheepswerf die daartoe melding heeft gedaan aan de minister met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, voor zover het betreft de uitoefening van de visserij door een vaartuig:
a. a. dat in aanbouw is op die scheepswerf en nog niet is afgeleverd en niet is geregistreerd overeenkomstig het Registratiebesluit en b. b. waarmee in het kader van een proefvaart de visserij wordt uitgeoefend om de werking van de in het eerste bedoelde netten die bij dat vaartuig behoren, te beproeven.
4. Het is verboden één of meer boomkorren aan boord te houden van een vissersvaartuig waarvoor ingevolge deze regeling een verbod geldt om in het vangstgebied op tong of schol te vissen dan wel tong of schol uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op de visserij met een vissersvaartuig:
a. a. waarvoor een vergunning voor de garnalenvisserij als bedoeld in artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij, is verleend, of b. b. waarmee met niet-bodemberoerende sleepvistuigen, waarvan de maaswijdte gelijk is aan of groter is dan 16 mm, in de Waddenzee als omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 op spiering wordt gevist en waarvan de vangst aan boord voor tenminste 70% uit spiering bestaat.
Artikel 80
Het is verboden om anders dan met een vissersvaartuig in de visserijzone te vissen met:
a. a. een vistuig van het type staandwant; b. b. een aalfuik als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985; c. c. een ankerkuil als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985; d. d. een aalkistje als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985; e. e. een aalhoekwant als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985; of f. f. enig ander vast vistuig.
Artikel 81
1. Het is verboden om in de visserijzone met een Nederlands vissersvaartuig met een lengte van over alles van minder dan 10 meter de visserij uit te oefenen met een vistuig van het type staandwant.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een vissersvaartuig indien:
a. a. in de visvergunning is vermeld dat het de vergunninghouder is toegestaan te vissen met een vistuig van het type staandwant; en b. b. de totale toegestane visserij-inspanning voor de visserij met een vistuig van het type staandwant voor vissersvaartuigen met een lengte van over alles van minder dan 10 meter voor het desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgebruikt.
3. De totale toegestane visserij-inspanning voor de visserij met een vistuig van het type staandwant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bedraagt 188.159 kW dagen per kalenderjaar.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het derde lid bedoelde visserij-inspanning voor een kalenderjaar is opgebruikt.
Artikel 82
Een vermelding van een vistuig van het type staandwant op een visvergunning geschiedt slechts ten aanzien van een vaartuig:
a. a. waarmee tussen 1 januari 2006 en 24 augustus 2009 blijkens de logboekgegevens is gevist met een vistuig van het type staandwant; b. b. waarvoor op 24 augustus 2009 een onomkeerbare investeringsverplichting is aangegaan met het oog op de visserij met een vistuig van het type staandwant; of c. c. indien:
i.
het vaartuig dient ter vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan het recht op een vermelding van een vistuig van het type staandwant op de visvergunning al bestond op grond van onderdeel a of b van dit lid;
ii.
de houder van de vergunning met de vermelding van een vistuig van het type staandwant afstand heeft gedaan van het recht op de vermelding ten gunste van de aanvrager; en
iii.
het motorvermogen van het vissersvaartuig waarvoor de vermelding wordt gevraagd niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
i. i. het vaartuig dient ter vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan het recht op een vermelding van een vistuig van het type staandwant op de visvergunning al bestond op grond van onderdeel a of b van dit lid; ii. ii. de houder van de vergunning met de vermelding van een vistuig van het type staandwant afstand heeft gedaan van het recht op de vermelding ten gunste van de aanvrager; en iii. iii. het motorvermogen van het vissersvaartuig waarvoor de vermelding wordt gevraagd niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
Artikel 83
1.
De kapitein of diens vertegenwoordiger meldt de minister voordat het vaartuig de haven verlaat wanneer een vissersvaartuig buitengaats gaat:
a. a. zonder gebruik te maken van een vistuig van het type staandwant; of b. b. als gedurende de visreis naast een vistuig van het type staandwant ook een ander vistuig zal worden gebruikt.
2. Wanneer de melding, niet is gedaan voordat het vaartuig buitengaats gaat, wordt de volledige door dat vissersvaartuig gedurende de visreis verrichte inspanning in mindering gebracht op de totale toegestane visserij-inspanning voor visserij met een vistuig van het type staandwant.
3. Indien een vissersvaartuig geen melding heeft gedaan, maar niet kon vissen met vistuig van het type staandwant, omdat het noodhulp bood aan een ander vaartuig of een gewonde persoon voor spoedeisende medische zorg vervoerde, wordt de door dat vissersvaartuig verrichte inspanning niet op de totale toegestane visserij-inspanning voor visserij met een vistuig van het type staandwant in mindering gebracht.
Artikel 84
Het is verboden om in de visserijzone per Nederlands vissersvaartuig op hetzelfde moment meer dan 25 kilometer vistuig van het type staandwant in het water te hebben uitstaan of aan boord te hebben, ongeacht de lengte van het desbetreffende vissersvaartuig.
Artikel 84a
1.
Een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 10, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten, kan worden verleend, indien de aanvraag een vissersvaartuig betreft:
a. a. waarmee in de in artikel 10, derde lid, tweede alinea, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode blijkens de logboekgegevens met het type vistuig LHP, bedoeld in Bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening, op zeebaars is gevist, voor zover:
i.
in de op het desbetreffende vissersvaartuig betrekking hebbende visvergunning was vermeld dat het de vergunninghouder was toegestaan in betrokken periode op zeebaars te vissen, en
ii.
de aanvrager van de vismachtiging voor 31 december 2016 om 24.00 uur geen afstand heeft gedaan van het recht op de vermelding zeebaars op de op het desbetreffende vissersvaartuig betrekking hebbende visvergunning, overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, of
i. i. in de op het desbetreffende vissersvaartuig betrekking hebbende visvergunning was vermeld dat het de vergunninghouder was toegestaan in betrokken periode op zeebaars te vissen, en ii. ii. de aanvrager van de vismachtiging voor 31 december 2016 om 24.00 uur geen afstand heeft gedaan van het recht op de vermelding zeebaars op de op het desbetreffende vissersvaartuig betrekking hebbende visvergunning, overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, of b. b. dat dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen van de desbetreffende ondernemer, ten aanzien waarvan is voldaan aan onderdeel a en het motorvermogen van het vervangende vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig dat wordt of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de vismachtiging worden verleend, indien:
a. a. de aanvrager ten genoegen van de Minister aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij in de desbetreffende periode met het desbetreffende vissersvaartuig niet in staat was de visserij uit te oefenen, mits hij in de periode daaraan voorafgaand met het desbetreffende vissersvaartuig wel op zeebaars heeft gevist en daartoe gerechtigd was, of b. b. het een vissersvaartuig betreft waarvoor binnen de in het eerste lid bedoelde periode, op de op dat vaartuig betrekking hebbende visvergunning overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, is vermeld dat het de vergunninghouder is toegestaan te vissen op zeebaars en de aanvrager ten genoegen van de Minister aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij niet in staat was met het desbetreffende vissersvaartuig in het restant van de desbetreffende periode, de visserij uit te oefenen.
3.
Een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 10, derde lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten, kan worden verleend, indien de aanvraag een vissersvaartuig betreft:
a. a. waarmee in de in artikel 10, derde lid, derde alinea, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode blijkens de logboekgegevens met het type vistuig GTR, GNS, GNC, FYK, FPN of FIX, bedoeld in Bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening op zeebaars is gevist, of b. b. dat dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen van de desbetreffende ondernemer, ten aanzien waarvan is voldaan aan onderdeel a en het motorvermogen van het vervangende vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
Artikel 85
1. Het is verboden heek aan boord van een vissersvaartuig te houden of heek aan te landen, indien de hoeveelheid heek aan boord meer bedraagt dan 5% van het gewicht van de totale vangst aan boord.
2. Het is verboden schelvis aan boord van een vissersvaartuig te houden of schelvis aan te landen, indien de hoeveelheid schelvis aan boord meer bedraagt dan 50% van het gewicht van de totale vangst aan boord.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig ongesorteerde vangsten van vis die groter is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder 17, van de basisverordening aan te landen.
4. Het eerste of het tweede lid is niet van toepassing indien heek onderscheidenlijk schelvis valt onder de aanlandplicht.
Artikel 86
1.
In zoverre in afwijking van verordening nr. 850/98 en van verordening nr. 2056/2001 is het verboden sleepnetten, behorend tot de vistuigcategorie TR1 of TR2, of combinaties van tot die vistuigcategorie behorende sleepnetten van verschillende maaswijdteklassen aan boord te hebben of te gebruiken in deelgebied 4 (Noordzee), de Europese wateren van sector 2a en deelsector 3a.20 (Skagerrak), tenzij de netten:
a. a. indien het TR1 betreft:
i.
een maaswijdte hebben van 130 millimeter of meer;
ii.
een maaswijdte hebben van 120 millimeter tot 130 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 90 millimeter; of
iii.
een maaswijdte hebben van 100 millimeter tot 120 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 100 millimeter of meer, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat; of
i. i. een maaswijdte hebben van 130 millimeter of meer; ii. ii. een maaswijdte hebben van 120 millimeter tot 130 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 90 millimeter; of iii. iii. een maaswijdte hebben van 100 millimeter tot 120 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 100 millimeter of meer, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat; of b. b. indien het TR2 betreft:
i.
een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 120 millimeter of meer en met een minimum lengte van 3 meter of van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 130 millimeter in de tunnel, waarvan de achterste rij mazen zich ten hoogste 12 meter van de pooklijn bevindt;
ii.
een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 90 millimeter, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat; of
iii.
een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 80 millimeter, voor zover ten hoogste 5% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat en gevist wordt met Deense zegennetten (SDN), Schotse zegennetten (SSC) of spanzegennetten (SPR).
i. i. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 120 millimeter of meer en met een minimum lengte van 3 meter of van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 130 millimeter in de tunnel, waarvan de achterste rij mazen zich ten hoogste 12 meter van de pooklijn bevindt; ii. ii. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 90 millimeter, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat; of iii. iii. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100 millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 80 millimeter, voor zover ten hoogste 5% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw bestaat en gevist wordt met Deense zegennetten (SDN), Schotse zegennetten (SSC) of spanzegennetten (SPR).
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde panelen is overigens voldaan aan artikel 7, tweede en derde lid, van verordening nr. 850/98.
Artikel 86a
1.
De aanvraag om een vismachtiging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 1, eerste lid, van verordening 2018/973 bedoelde visserijactiviteiten, die worden verricht in het deelgebied en in de sectoren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van deze verordening, met een van de vistuigen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van deze verordening, betreft een vissersvaartuig:
a. a. dat in de kalenderjaren 2006 tot en met 2008 met het desbetreffende vistuig heeft gevist in het desbetreffende gebied; b. b. dat, voor zover de aanvraag de vistuigcategorie TR1 betreft, in de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 heeft gevist in het desbetreffende gebied met tot de vistuigcategorieën TR1 of TR2 behorende vistuigen en waarvoor op 31 december 2011 op grond van artikel 29 een recht op contingenten wijting en kabeljauw gold; c. c. dat, voor zover de aanvraag de vistuigcategorie TR2 betreft, in de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 heeft gevist in het desbetreffende gebied met tot de vistuigcategorie TR2 behorende vistuigen en waarvoor op 31 december 2011 op grond van artikel 29 een recht op contingenten wijting en kabeljauw gold; d. d. ten aanzien waarvan op 1 januari 2009 een onomkeerbare investeringsverplichting is aangegaan met het oog op de uitoefening van de visserij in het desbetreffende geografische gebied; of e. e. dat dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen ten aanzien waarvan is voldaan aan onderdeel a, b of c, en het motorvermogen van het vervangende vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
2. Voor zover de aanvraag een vissersvaartuig als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c of d, betreft, is het motorvermogen van dat vissersvaartuig ten opzichte van de in onderdelen a, b en c bedoelde periode, onderscheidenlijk ten opzichte van de eerste keer dat het vissersvaartuig met het oog op de uitoefening van de visserij in het desbetreffende gebied in gebruik is genomen, niet toegenomen.
3. Voor zover de aanvraag de vistuigcategorieën BT1 en BT2 betreft, geldt voor het betrokken vissersvaartuig een recht op contingenten tong en schol op grond van artikel 29.
4. Voor zover de aanvraag de vistuigcategorie BT1 of TR1 betreft, geldt in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, dat het vissersvaartuig in de in dat onderdeel genoemde periode ook mag hebben gevist met tot de vistuigcategorie BT2 onderscheidenlijk met de tot de vistuigcategorie TR2 behorende vistuigen.
Artikel 86b
1. De visserij in de Europese wateren van deelsector 3a.20 (Skagerrak) is uitsluitend toegestaan indien is voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
2. De kapitein van het vissersvaartuig registreert per vangst of per visserijactiviteit in het Skagerrak de geschatte hoeveelheden van iedere soort in kilogram levend gewicht of, in voorkomend geval, het aantal exemplaren, met inbegrip van de hoeveelheden of aantallen exemplaren kleiner dan de toepasselijke minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, elektronisch in het visserijlogboek, bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de controleverordening.
3. Wanneer het vissersvaartuig het Skagerrak binnenvaart en wanneer het vissersvaartuig het Skagerrak verlaat, registreert de kapitein de totaal aan boord gehouden vangsten, naar soort in kilogram levend gewicht, elektronisch en stuurt die informatie elektronisch door naar de RVO.
4. In afwijking van artikel 47, tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening kan de kapitein uitsluitend correcties aan de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens aanbrengen met schriftelijke toestemming van de RVO.
Artikel 87
1. Voor de toepassing van het tweede tot en met vijfde lid en de artikelen 88 en 94 wordt onder motorvermogen verstaan: maximaal continue-vermogen zonder aftrek van door de motor aangedreven hulpmachines, uitgedrukt in kW dat de hoofdmotor of hoofdmotoren zonder overbelasting kan onderscheidenlijk, kunnen leveren, en dat mechanisch, elektrisch, hydraulisch of anderszins kan worden aangewend voor de voortstuwing van het vaartuig, zoals dat is vastgesteld door de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport ingevolge het Vissersvaartuigenbesluit of het Vissersvaartuigenbesluit 2002, of in voorkomend geval blijkt uit een verklaring inzake het maximaal continue-vermogen, opgesteld door de fabrikant of de leverancier.
2. Voor zover het motorvermogen van een vissersvaartuig meer dan 120 kW is, is het verboden de visserij uit te oefenen met dat vissersvaartuig, indien de hoofdmotor of de hoofdmotoren van het vaartuig niet door een onderneming die is erkend op grond van artikel 87a zijn verzegeld.
3. Terzake van de in het tweede lid bedoelde verzegeling wordt door een erkend zegelbureau overeenkomstig de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 12b, een zegelplan opgemaakt.
4. De ondernemer stuurt na opmaak of wijziging van het zegelplan, bedoeld in het derde lid, een afschrift hiervan aan de minister.
5. De zegels bestemd voor verzegeling van de hoofdmotor of hoofdmotoren als bedoeld in het tweede lid, worden beschikbaar gesteld door de NVWA.
Artikel 87a
1.
De minister kan een onderneming op aanvraag erkennen als een erkend meetbureau of een erkend zegelbureau, indien de onderneming aantoonbaar deskundig is op het gebied van het meten, onderscheidenlijk verzegelen van motoren. De aanvrager verstrekt bij de aanvraag tot erkenning in elk geval de volgende bescheiden:
a. a. een verklaring dat hij kennis heeft genomen van het document ‘Motorvermogen in de visserij’; b. b. een adequaat protocol waarin hij beschrijft hoe de vermogensmeting of verzegeling wordt uitgevoerd volgens de standaarden die hiervoor binnen de beroepsgroep algemeen gangbaar zijn en binnen de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 12a, onderscheidenlijk bijlage 12b; c. c. een kopie van relevante diploma’s van de in te zetten personen bij een vermogensmeting of verzegeling met een afgeronde opleiding op het minimale niveau van middelbaar beroepsonderwijs, niveau 3, inzake scheepswerktuigkunde, werktuigkunde of elektrotechniek.
2. De erkenning heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.
3. Met een erkenning als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een aanwijzing van een onderneming tot uitvoering van een vermogensmeting of verzegeling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die een beschermingsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale regels terzake wordt nagestreefd.
Artikel 87b
1.
Een erkend meet- of zegelbureau voert haar werkzaamheden uit:
a. a. in onafhankelijkheid van de kapitein of eigenaar van het vissersvaartuig of diens gemachtigde; b. b. in overeenstemming met de voorschriften, bedoeld in bijlage 12a, onderscheidenlijk bijlage 12b; c. c. in overeenstemming met het protocol, bedoeld in artikel 87a, eerste lid, onderdeel b.
2. Een erkend meet- of zegelbureau informeert de minister en de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport onmiddellijk, indien hij een opdracht krijgt een vermogensmeting uit te voeren, onderscheidenlijk een motor te verzegelen.
3. Indien een erkend meet- of zegelbureau voornemens is een wijziging door te voeren in het protocol, bedoeld in artikel 87a, eerste lid, onderdeel b, die gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de vermogensmetingen en verzegelingen, legt hij het gewijzigde protocol voorafgaand aan de voorgenomen wijziging voor goedkeuring voor aan de minister.
4.
Een vermogensmeting of verzegeling wordt uitgevoerd door een voor diens taak aantoonbaar geschikte persoon met:
a. a. een afgeronde opleiding op het minimale niveau van middelbaar beroepsonderwijs, niveau 3, inzake scheepswerktuigkundige, werktuigkunde of elektrotechniek; b. b. aantoonbare werkervaring met scheepsmotoren.
Artikel 87c
1. De minister trekt een erkenning in op aanvraag van degene aan wie een erkenning is verleend.
2. De minister kan een erkenning intrekken, indien een erkend meet- of zegelbureau niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 87a, onderscheidenlijk artikel 87b.
Artikel 88
1. Voor zover een vissersvaartuig is aangemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport zoals vereist krachtens artikel 20, tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit of artikel 1.11 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 heeft de ondernemer van een vissersvaartuig of diens gemachtigde de desbetreffende aanmelding aan boord van het vissersvaartuig.
2. Voor zover het motorvermogen van een vissersvaartuig meer dan 120 kW is, heeft de ondernemer van een vissersvaartuig of diens gemachtigde het zegelplan, bedoeld in artikel 88, derde lid, aan boord van het vissersvaartuig.
3. De ondernemer van een vissersvaartuig of diens gemachtigde doet onverwijld doch in ieder geval vóór het tijdstip van aanlanding melding van wijzigingen die zich ten aanzien van de hoofdmotor of hoofdmotoren van het desbetreffende vaartuig hebben voorgedaan ten opzichte van de in het eerste lid bedoelde aanmelding of het bij dat vaartuig behorende zegelplan en die hem bekend waren of hem redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn. Wijzigingen die kennelijk zijn opgetreden door menselijk toedoen worden in ieder geval aangemerkt als redelijkerwijs bekend.
4. De melding, bedoeld in het derde lid, geschiedt overeenkomstig artikel 7, tweede lid.
Artikel 89
Het is verboden diepgevroren vis in verpakkingen aan te landen, tenzij op de verpakking de in de verpakking aanwezige vis per vissoort is vermeld volgens de FAO-3lettercodes, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel b, van de controleverordening.
Artikel 90
1. De ondernemer bewaart een kopie van alle door of namens hem ingevulde visserijlogboeken, aangiften van overlading en aangiften van aanlanding als bedoeld in de artikelen 14, 21 onderscheidenlijk 23 van de controleverordening, gedurende een periode van drie jaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de desbetreffende gegevens zijn ingediend.
2.
De aanvoerder van vis, degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf vis afneemt en degene die zijn bemiddeling verleent bij het veilen van vis, houden een administratie bij van de overdracht en de opslag van vis, waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vermeld:
a. a. de vissoort; b. b. per vissoort de hoeveelheid; c. c. per hoeveelheid, het registratienummer en de nationaliteit van het vaartuig waarmee de vis is gevangen of is aangevoerd; d. d. de datum van de aanvoer van de vis; en e. e. het vangstgebied van de vangst per deelgebied of sector;
3.
De aanvoerder van vis houdt de administratie dagelijks bij en vermeldt in zijn administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens tevens de volgende gegevens:
a. a. de plaats van opslag, in het geval de vis door hem wordt opgeslagen; b. b. de naam van de koper, in het geval de vis zonder bemiddeling van een veiling wordt verkocht; en c. c. de naam van de bemiddelaar, in het geval de vis via de bemiddeling van een veiling ter verkoop wordt aangeboden.
4. Degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf vis afneemt en degene die zijn bemiddeling verleent bij het veilen van vis houden de administratie dagelijks per aanlanding bij, maar uiterlijk voordat de vis de plaats van verkoop verlaat en vermelden in hun administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens tevens de naam van de aanvoerder.
5. Degene die zijn bemiddeling verleent bij het veilen van vis en degene die vis op de veiling aanwezig heeft, draagt er zorg voor dat op of bij de veiling aanwezige vis het registratienummer en de nationaliteit van het vaartuig of – in het geval van spanvisserij – de vaartuigen waarmee de vis is gevangen of is aangevoerd, duidelijk zijn vermeld.
6. Het tweede en vierde lid geldt niet voor zover in de uitoefening van een beroep of bedrijf, in een voor het publiek toegankelijke ruimte vis uitsluitend aan particulieren te koop wordt aangeboden.
7. Het vijfde lid geldt niet indien de vis vergezeld gaat van een verkoopdocument als bedoeld in artikel 62 van de controleverordening.
Hoofdstuk 6. Controleverordening
Paragraaf 1. Algemene voorwaarden voor toegang tot wateren en hulpbronnen
Artikel 91
De autoriteit, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de controleverordening, is de minister.
Artikel 92
1. Het is verboden om in strijd te handelen met artikel 6, eerste lid, van de controleverordening.
2. De in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening, bedoelde visvergunning wordt op aanvraag van de desbetreffende ondernemer door de minister verleend overeenkomstig artikel 93.
3. De aanvraag tot inschrijving van een vaartuig in het visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Registratiebesluit, alsmede de mededeling, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Registratiebesluit, wordt in voorkomend geval als een aanvraag tot verlening van een visvergunning beschouwd.
Artikel 93
1.
Een visvergunning wordt verleend indien:
a. a. het vissersvaartuig stond ingeschreven in het visserijregister of dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen die stonden ingeschreven in het visserijregister; b. b. de oorspronkelijke registratie is doorgehaald op grond van artikel 8, onderdeel a, van het Registratiebesluit; c. c. er minder dan zes jaar is verstreken vanaf het moment van doorhaling van die registratie; d. d. wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, van het Registratiebesluit; e. e. het motorvermogen en de tonnage van dat vissersvaartuig niet meer bedraagt dan voor de doorhaling van de inschrijving; f. f. het vissersvaartuig behoort tot hetzelfde segment als voor het moment van doorhaling, dan wel tot hetzelfde segment als het vissersvaartuig dat wordt vervangen; en g. g. is voldaan aan artikel 87, vierde lid.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt een visvergunning verleend voor een vissersvaartuig waarvan het motorvermogen of de tonnage is toegenomen, indien ten aanzien van het vissersvaartuig een visvergunning was verleend wat betreft het oorspronkelijke motorvermogen of de oorspronkelijke tonnage, en de aanvrager van de visvergunning kan aantonen dat:
a. a. de omvang van de toename van het motorvermogen of de tonnage, overeenkomt met het motorvermogen of de tonnage, of een deel daarvan, van een vissersvaartuig waarvan de registratie is doorgehaald op grond van artikel 8, onderdeel a, van het Registratiebesluit en er minder dan zes jaar is verstreken vanaf het moment van doorhaling van die registratie, en b. b. hij kan beschikken over de in het visserijregister als gevolg van de doorhaling van de registratie, bedoeld in onderdeel a, vrijgekomen capaciteit.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt een visvergunning voor een vissersvaartuig verleend indien:
a. a. het vaartuig wordt ingezet voor de kweek of de teelt van aquatische organismen op percelen; of b. b. met het vaartuig met de mosselkor op mosselpercelen wordt gevist en op basis van een vergunning als bedoeld in artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij, slechts incidenteel wordt gevist op mosselzaad buiten de percelen en het vaartuig niet is uitgerust voor het gebruik van andere vistuigen dan de mosselkor.
4. De minister kan aan een visvergunning voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
5. In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan de minister besluiten geen visvergunning te verlenen indien hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 23 van de basisverordening.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt geen visvergunning voor een vissersvaartuig verleend indien dit vissersvaartuig stond ingeschreven in het visserijregister of dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen die stonden ingeschreven in het visserijregister en de oorspronkelijke registratie is doorgehaald in verband met definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten als bedoeld in artikel 20 EMFAF-verordening, met dat vissersvaartuig.
Artikel 94
1.
De visvergunning is niet geldig vanaf het tijdstip dat door de minister of een controleur wordt geconstateerd dat:
a. a. het vermogen van de hoofdmotor of hoofdmotoren van het vissersvaartuig hoger is dan het op de visvergunning vermelde motorvermogen; b. b. er ten aanzien van de hoofdmotor of hoofdmotoren van het vissersvaartuig wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van het desbetreffende in artikel 87, derde lid, bedoelde zegelplan, of de in artikel 88, eerste lid, bedoelde aanmelding, of c. c. de tonnage van het vissersvaartuig hoger is dan de op de visvergunning vermelde tonnage.
2. Indien de minister of een controleur een constatering doet als bedoeld in het eerste lid, verstrekt hij aan de ondernemer of diens vertegenwoordiger terstond een schriftelijke verklaring hieromtrent. In deze verklaring wordt tenminste de desbetreffende constatering alsmede de datum en het tijdstip daarvan vermeld.
3.
De minister besluit de ongeldigheid van de visvergunning op te heffen, indien de ondernemer of diens gemachtigde hem bescheiden heeft doen toekomen waaruit te zijnen genoegen blijkt dat:
a. a. indien het betreft de situatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a of b, het vermogen van de hoofdmotor of hoofdmotoren van dat vissersvaartuig het op de visvergunning vermelde motorvermogen niet overschrijdt, onderscheidenlijk er ten aanzien van de hoofdmotor of hoofdmotoren van dat vissersvaartuig geen afwijkingen zijn ten opzichte van het desbetreffende in artikel 87, derde lid, bedoelde zegelplan of de in artikel 88, eerste lid, bedoelde aanmelding; b. b. indien het betreft de situatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, de tonnage van het vissersvaartuig overeenkomt met de op de visvergunning vermelde gegevens.
Artikel 95
Vervallen
Artikel 96
1.
De minister trekt de visvergunning in:
a. a. in de situatie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de controleverordening, en artikel 92, derde lid, van de controleverordening, in samenhang met artikel 129, tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening; b. b. indien het vissersvaartuig niet meer is geregistreerd in het visserijregister; of c. c. indien de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig definitief worden stopgezet en ten aanzien van de stopzetting door de Minister of door de Europese Commissie subsidie is verleend.
2. De minister schorst de visvergunning in de situatie, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de controleverordening, en artikel 92, derde lid, van de controleverordening, in samenhang met artikel 129, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3.
De minister kan de visvergunning voor een bepaalde periode schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister:
a. a. met het vissersvaartuig de visserij kennelijk is uitgeoefend in strijd met artikel 20a, artikel 21, eerste, derde en zesde lid, de artikelen 22, 46a, 46c of artikel 130, zevende lid, van deze regeling; of b. b. de ondernemer van een vissersvaartuig ten aanzien van wie een visvergunning is verleend, of diens gemachtigde, niet voldoet aan de aan de visvergunning verbonden voorschriften.
4. De periode, bedoeld in het derde lid, is niet korter dan 3 weken en niet langer dan 8 weken en wordt vastgesteld afhankelijk van de ernst en omvang van de overtreding.
5. In afwijking van het vierde lid is de periode bedoeld in het derde lid niet korter dan 6 weken en niet langer dan 16 weken, indien binnen twee jaar na afloop van de schorsing of intrekking met het betrokken vissersvaartuig wederom hetzelfde artikel genoemd in onderdeel a van het derde lid wordt overtreden of de ondernemer of diens gemachtigde wederom niet voldoet aan de aan de visvergunning verbonden voorschriften.
Artikel 97
1. Het is verboden om in strijd te handelen met artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, ongeacht de lengte van het betrokken vissersvaartuig.
2. De in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, bedoelde vismachtiging wordt op aanvraag van de desbetreffende ondernemer door de minister verleend overeenkomstig artikel 98.
Artikel 98
1. Een vismachtiging wordt uitsluitend verleend indien de ondernemer voor het betrokken vissersvaartuig over een geldige visvergunning beschikt.
2. Voor zover het een vismachtiging voor de in artikel 5, eerste of derde lid, van verordening 2016/2336 bedoelde visserij onderscheidenlijk visserijactiviteiten betreft, wordt de vismachtiging slechts verleend indien voldaan is aan artikel 14 en aan artikel 8 van verordening 2016/2336.
3. Voor zover het een vismachtiging voor de in artikel 10, derde lid, aanhef en onderdelen c of d, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten betreft, wordt de vismachtiging slechts verleend indien voldaan is aan artikel 84a.
4. Voor zover het een vismachtiging voor de in artikel 1, eerste lid, van verordening 2018/973 bedoelde visserijactiviteiten betreft, die worden verricht in het deelgebied en in de sectoren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van deze verordening, met een van de vistuigen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van deze verordening, wordt de vismachtiging slechts verleend indien voldaan is aan artikel 86a.
5. Voor zover het een vismachtiging voor de in artikel 25, eerste lid, onder c, van verordening 2019/1241 bedoelde visserijactiviteiten betreft, wordt de vismachtiging slechts verleend indien voldaan is aan artikel 55.
6. De minister kan weigeren een vismachtiging te verlenen indien hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
7. De minister kan aan een vismachtiging voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
8. Het is verboden in strijd te handelen met de aan de vismachtiging verbonden voorschriften.
Artikel 99
Vervallen
Artikel 100
1. De minister schorst de vismachtiging of trekt deze in in de situatie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de controleverordening.
2. De minister kan de vismachtiging voor een bepaalde periode geheel of gedeeltelijk schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister de desbetreffende ondernemer, of diens gemachtigde, niet voldoet aan de aan de vismachtiging verbonden voorschriften.
3. Voor zover het een vismachtiging voor de in artikel 5, eerste of derde lid, van verordening 2016/2336 bedoelde visserij onderscheidenlijk visserijactiviteiten betreft, schorst de minister de vismachtiging voor ten minste 2 maanden in de gevallen, bedoeld in artikel 14, onder a en b, van verordening 2016/2336.
Artikel 101
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 8 van de controleverordening, in samenhang met de artikelen 6 tot en met 17 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3. Voor zover het betreft de in het tweede en derde lid van artikel 7 van de uitvoeringsverordening controleverordening bedoelde documenten, is de Inspectie Leefomgeving en Transport, divisie Scheepvaart, van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
Artikel 102
1. Behoudens indien het een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, betreft, is het is verboden in strijd te handelen met artikel 9, tweede en zesde lid, van de controleverordening.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 18, eerste en tweede lid, 20, en 25, eerste, derde en vijfde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3.
Satellietvolgapparatuur als bedoeld in artikel 9, van de controleverordening, die op een Nederlands vissersvaartuig is geïnstalleerd:
a. a. laat niet toe dat gegevens handmatig worden ingebracht, gewijzigd, beïnvloed of op andere wijze worden aangepast; b. b. waarborgt een volledige automatische transmissie van juiste en actuele gegevens als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, naar het visserijcontrolecentrum van de NVWA te Echt met een frequentie van tenminste eenmaal per twee uur; c. c. is voorzien van een reservestroombron die automatisch wordt ingeschakeld indien de hoofdstroom wordt uitgeschakeld of defect raakt en die een werking van ten minste zes uur waarborgt, en d. d. is zodanig met het desbetreffende vissersvaartuig verbonden, dat bij verbreking de reden daarvan wordt aangegeven; en e. e. is goedgekeurd door een ter zake geaccrediteerde instelling en voldoet blijkens die goedkeuring aan de onderdelen a tot en met d.
4. Wijzigingen aan de satellietvolgapparatuur worden schriftelijk gemeld aan de NVWA.
5. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 25, derde tot en met vijfde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de NVWA.
Artikel 102a
Een provider voor volgapparatuur als bedoeld in artikel 9 van de controleverordening biedt slechts contracten aan nadat hij in staat is gebleken automatische communicatie met het visserijcontrolecentrum tot stand te kunnen brengen.
Artikel 103
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 10, eerste lid, van de controleverordening.
Paragraaf 2. Controle op gebruik vangstmogelijkheden
Artikel 104
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 14, eerste en vierde tot en met achtste lid, 21, eerste en vierde lid, en 23, eerste en derde lid, van de controleverordening en met de artikelen 29, eerste lid, 30, eerste tot en met derde lid, 31, eerste, derde en vierde lid, 32, eerste tot en met vijfde lid, 33, eerste tot en met vijfde lid, 34, eerste en tweede lid, 35, 49, eerste tot en met derde lid, 50, tweede lid, 51, eerste en vierde lid, 52 en 53 van de uitvoeringsverordening controleverordening, in samenhang met de voorschriften die ter uitvoering van deze bepaling zijn opgenomen in het tweede tot en met zesde lid.
2. Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt gebruik gemaakt van de door de minister ter beschikking gestelde documenten, overeenkomstig de in artikel 30, eerste tot en met derde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening vastgestelde modellen.
3. Bij aanlanding met een vissersvaartuig in een Nederlandse haven is de termijn voor indiening van de eerste kopie van het logboek, de eerste kopie van de aangifte van overlading en de eerste kopie van de aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 32, van de uitvoeringsverordening controleverordening binnen een half uur na de aanlanding maar vóór de lossing en de termijn voor indiening van het originele logboek, de originele aangifte van overlading en de originele aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 32, van de uitvoeringsverordening controleverordening, binnen 48 uur na aanlanding.
4.
De indiening van de in artikel 32, van de uitvoeringsverordening controleverordening bedoelde documenten geschiedt door deze in de haven van aanlanding:
a. a. te overhandigen aan een functionaris of aan een ambtenaar van de NVWA of de RVO; of b. b. te deponeren in een vangstopgavebus.
5. Indien de aanlanding niet in een haven plaatsvindt, geschiedt de indiening door middel van toezending aan het dichtstbijzijnde havenkantoor van de NVWA of aan het havenkantoor van de NVWA in de plaats waar de desbetreffende vis wordt verkocht.
6. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 14, zesde lid, 21, vierde lid, en 23, derde lid, van de controleverordening en in artikel 32 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de RVO.
7. Als omrekeningsfactoren als bedoeld in artikel 49, derde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, worden vastgesteld de omrekeningsfactoren die zijn opgenomen in bijlage 10.
Artikel 104a
1.
De kapitein van een vissersvaartuig met een lengte over alles van minder dan 10 meter of diens vertegenwoordiger doet per visreis binnen 24 uur na aanlanding van de vangst door middel van het door de minister ter beschikking gestelde formulier met behulp van DigiD of eHerkenning elektronisch opgave bij RVO van de volgende gegevens:
a. a. de naam, het adres en de woonplaats van de kapitein; b. b. het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig; c. c. de haven van vertrek, terugkeer en aanlanding; d. d. de datum en het tijdstip van vertrek uit, aankomst in de haven en van de aanlanding; e. e. per gebruikt vistuig:
i.
het type vistuig en in voorkomend geval de maaswijdte en afmeting van het vistuig en het aantal vistuigen dat is gebruikt;
ii.
de FAO-drielettercode van elke gevangen vissoort en het betrokken FAO-gebied, de exclusieve economische zone en het statische ICES-vak waar de vangsten zijn gedaan;
iii.
de hoeveelheden teruggezette vis van iedere gevangen vissoort van meer dan 50 kilogram in kilogrammen levend gewicht, waarbij in voorkomend geval de hoeveelheid ondermaatse vis afzonderlijk wordt vermeld;
iv.
de hoeveelheden aangelande vis van iedere gevangen vissoort in kilogrammen dood gewicht, waarbij in voorkomend geval de hoeveelheid ondermaatse vis afzonderlijk wordt vermeld;
v.
de versheidscategorie, staat en de aanbiedingsvorm van een vissoort, bedoeld in artikel 2, punt 13, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
i. i. het type vistuig en in voorkomend geval de maaswijdte en afmeting van het vistuig en het aantal vistuigen dat is gebruikt; ii. ii. de FAO-drielettercode van elke gevangen vissoort en het betrokken FAO-gebied, de exclusieve economische zone en het statische ICES-vak waar de vangsten zijn gedaan; iii. iii. de hoeveelheden teruggezette vis van iedere gevangen vissoort van meer dan 50 kilogram in kilogrammen levend gewicht, waarbij in voorkomend geval de hoeveelheid ondermaatse vis afzonderlijk wordt vermeld; iv. iv. de hoeveelheden aangelande vis van iedere gevangen vissoort in kilogrammen dood gewicht, waarbij in voorkomend geval de hoeveelheid ondermaatse vis afzonderlijk wordt vermeld; v. v. de versheidscategorie, staat en de aanbiedingsvorm van een vissoort, bedoeld in artikel 2, punt 13, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2.
In afwijking van het eerste lid worden indien op één dag meerdere visreizen worden gemaakt deze visreizen als één visreis beschouwd, waarbij het tijdstip van het eerste vertrek uit de haven en het tijdstip van de laatste aankomst in de haven worden vermeld.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 tot 12 meter.
Artikel 105
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 15, eerste en tweede lid, van de controleverordening, en met de artikelen 36, eerste lid, 37, tweede alinea, 38, tweede lid, 39, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 40, derde lid, 41, derde lid, en 47, eerste tot en met vierde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Het format, bedoeld in artikel 37, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is het format dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van de controleverordening en in de artikelen 39, 40, 41, derde lid, en 47, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de RVO.
Artikel 106
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 17, eerste, tweede en derde lid, 18 en 19 van de controleverordening, is de RVO.
Artikel 107
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 20, eerste lid, van de controleverordening.
2. Het is verboden vis over te laden zonder toestemming van een ambtenaar van de NVWA.
3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing in het geval het overladen is onderbroken.
4. Als havens als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de controleverordening, worden aangewezen de voor de desbetreffende vissersvaartuigen op grond van artikel 6, eerste lid, toegelaten havens.
Artikel 108
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 22, eerste lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 22, eerste en vijfde lid, van de controleverordening, is de RVO.
Artikel 109
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 24, eerste lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 24, eerste lid, van de controleverordening, is de RVO.
Paragraaf 3. Controle op visserij-inspanning
Artikel 110
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 27, eerste lid, van de controleverordening.
2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de controleverordening, wordt gedaan aan de minister. Indien een ondernemer deelneemt aan een groep of een producentenorganisatie wordt de kennisgeving aan het bestuur van de groep onderscheidenlijk aan het bestuur van de producentenorganisatie gedaan.
3.
De kennisgeving bevat ten minste de volgende gegevens:
a. a. naam van de ondernemer; b. b. lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig; c. c. de gereglementeerde typen vistuig die zullen worden gebruikt; en d. d. het gereglementeerd gebied waar zal worden gevist.
4. Ingeval de kapitein van een vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger voornemens is in de beheersperiode hetzelfde type vistuig of dezelfde typen vistuigen te gebruiken als het type vistuig dat of de typen vistuigen die voor het desbetreffende gereglementeerd geografisch gebied is of zijn vermeld in de in artikel 97, bedoelde vismachtiging die betrekking heeft op de daaraan voorafgaande beheersperiode, wordt de kennisgeving tot verkrijging van die vismachtiging aangemerkt als kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de controleverordening.
5. De gegevens die worden vermeld in de voor de beheersperiode af te geven vismachtiging worden gebaseerd op de meest recente kennisgeving.
6. Ter verkrijging van de toestemming, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de controleverordening, meldt de kapitein van een vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger het voornemen tot het gebruik van meer dan één soort vistuig tijdens de visreis onmiddellijk voorafgaand aan de visreis aan de minister.
7. In afwijking van het zesde lid wordt, ingeval de kapitein van een vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger de in het zesde lid bedoelde gegevens onmiddellijk voorafgaand aan de visreis op grond van artikel 15 van de controleverordening elektronisch heeft verstrekt, het in artikel 38, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening bedoelde retourbericht van de NVWA, aangemerkt als toestemming als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de controleverordening.
Artikel 111
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 28, eerste lid, en 30 van de controleverordening, en artikel 58, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 28, eerste lid, van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 112
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 29, eerste lid, van de controleverordening.
2.
Een vissersvaartuig mag andere dan met de visserij verband houdende activiteiten ontplooien in de gereglementeerde geografische gebieden zonder dat de daarmee gemoeide tijd wordt aangemerkt als een kalenderdag, mits wordt voldaan aan artikel 29, tweede lid, van de controleverordening. Een melding als bedoeld in dat onderdeel wordt schriftelijk gedaan aan de minister. De melding bevat ten minste de volgende gegevens:
a. a. naam van de ondernemer; b. b. lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig; en c. c. de aard, datum van aanvang en duur van de activiteiten.
3. Indien een vissersvaartuig niet heeft kunnen vissen omdat zich een noodsituatie als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de controleverordening heeft voorgedaan, wordt het aantal dagen waarop het vissersvaartuig niet heeft kunnen vissen, niet in mindering gebracht op de desbetreffende hoeveelheid visserij-inspanning, indien de kapitein van het vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger binnen een maand nadat de noodsituatie zich heeft voorgedaan schriftelijk bij de minister daarvan melding heeft gemaakt en de melding wordt gestaafd door bewijsstukken.
Artikel 113
1. Met ingang van de op grond van artikel 35, eerste lid, van de controleverordening vastgestelde datum is het voor Nederlandse vissersvaartuigen verboden de visserij uit te oefenden op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt en die soorten aan boord te houden, over te laden en aan te landen.
2. Het is verboden in strijd te handelen met een op grond van artikel 36, tweede lid, van de controleverordening vastgesteld verbod.
Paragraaf 4. Controle op vlootbeheer
Artikel 114
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 39, eerste lid, van de controleverordening.
Artikel 115
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 40, vierde lid, van de controleverordening, en artikel 61, derde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
Paragraaf 5. Controle op meerjarenplannen
Artikel 116
1. Het is verboden in strijd te handelen te handelen met de artikelen 42, eerste lid, en 43, tweede lid, en 44 van de controleverordening.
2. Als havens als bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, en 43, eerste lid, van de controleverordening, worden aangewezen de voor de desbetreffende vissersvaartuigen op grond van artikel 6, eerste lid, toegelaten havens mits het aanlanden of overladen plaatsvindt binnen de in bijlage 2 C bij die havens vermelde lostijden.
3. Als waarnemer of functionaris als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de controleverordening, wordt aangewezen een functionaris van de NVWA.
Paragraaf 6. Controle op technische maatregelen
Artikel 117
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 47, 48, eerste tot en met derde lid, en 49, eerste lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 48, derde lid, van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 117a
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 49bis, eerste lid, en 49quater van de controleverordening.
Artikel 118
Voor vangstvaartuigen is het verboden in strijd te handelen met artikel 50, derde lid, van de controleverordening.
Artikel 119
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikel 54bis, eerste lid, 54ter, tweede en derde lid, en 54quater, eerste en tweede lid van de controleverordening.
2. De bevoegde visserijautoriteit, bedoeld in artikel 34ter, derde lid, van de controleverordening is de NVWA.
3. De plannen van de installaties voor vangstbehandeling en -lozing van pelagische vaartuigen, bedoeld in artikel 34ter, derde lid, van de controleverordening worden ten genoegen van de minister gecertificeerd door een instelling die beschikt over nautische en visserijtechnische expertise.
Artikel 120
Vervallen
Paragraaf 7. Controle op de afzet
Artikel 121
1. Degene die gevangen of geoogste visserij- en aquacultuurproducten voor de eerste verkoop aanbiedt, verdeelt de genoemde producten in partijen.
2. Producten waarvoor Europese handelsnormen gelden, worden slechts voor eerste verkoop uitgestald, voor eerste verkoop aangeboden, verkocht of anderszins verhandeld als zij met die normen in overeenstemming zijn.
3. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 56, tweede en vierde lid, en 57, derde lid, van de controleverordening.
Artikel 122
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 58, eerste tot en met vijfde lid, van de controleverordening, en artikel 67, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Marktdeelnemers als bedoeld in artikel 4, negentiende lid, van de controleverordening beschikken over systemen en procedures, waarmee kan worden nagegaan van wie zij partijen visserij- en aquacultuurproducten als bedoeld in artikel 66 van de uitvoeringsverordening controleverordening hebben ontvangen en aan wie zij die producten hebben geleverd.
3. In de in het tweede lid bedoelde systemen worden door de desbetreffende marktdeelnemer de in artikel 90 van deze regeling en de in artikel 58, vijfde lid, van controleverordening bedoelde gegevens vastgelegd.
4. De in artikel 58, onderdelen g en h, van de controleverordening bedoelde gegevens zijn in het stadium van de detailhandel voor de consument beschikbaar en worden vermeld op het etiket of het identificatiemerk van de voor de detailverkoop aangeboden visserij- en aquacultuurproducten, dan wel voor zover het de wetenschappelijke naam van de soort op detailhandelniveau betreft, aan de hand van commerciële voorlichtingsmiddelen, zoals borden en posters.
5. Dit artikel is niet van toepassing op hoeveelheden visserij- en aquacultuurproducten die rechtstreeks vanaf een vissersvaartuig aan consumenten worden verkocht, mits deze hoeveelheden per vissersvaartuig en per eindconsument niet meer dan € 50,– per kalenderdag vertegenwoordigen.
Artikel 123
1. Alle visserijproducten die voor het eerst op de markt worden gebracht, worden geregistreerd in een visafslag dan wel worden verkocht aan geregistreerde kopers of producentenorganisaties.
2. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 59, tweede lid, van de controleverordening.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de controleverordening is de minister.
Artikel 124
1. Visserijproducten worden gewogen met apparatuur die ten genoegen van de minister is goedgekeurd, geijkt en verzegeld.
2. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 60, tweede en vijfde lid, van de controleverordening en met de artikelen 70, eerste en tweede lid, 71, eerste en tweede lid, 72, tweede en derde lid, 73, tweede lid, 74, eerste en tweede lid, 79, eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 81, 82, eerste en tweede lid, 83, 84, tweede en derde lid, 85, 86 en 87 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de controleverordening en de artikelen 75, 80, eerste lid, 81, 82, eerste lid, en 87, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de NVWA.
4. Als havens als bedoeld in artikel 79, tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B met uitzondering van Den Helder. Het aanlanden of overladen vindt plaats in de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B binnen de in bijlage 2 C bij die havens vermelde lostijden.
5. Het is verboden met een Nederlands vissersvaartuig vis van de in artikel 78 van de uitvoeringsverordening controleverordening genoemde soorten buiten de Europese Unie aan te landen in havens die niet uitdrukkelijk voor weging zijn geselecteerd door derde landen die voor deze soorten overeenkomsten met de Europese Unie hebben gesloten.
Artikel 124a
1. Voor Nederlandse vissersvaartuigen kan van het verbod, bedoeld in artikel 124, tweede lid, voor zover dat betrekking heeft op artikel 60, tweede lid, van de controleverordening, op grond van artikel 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 uitsluitend ontheffing worden verleend, indien de visserijproducten aan boord van het vissersvaartuig worden gewogen.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de voorschriften verbonden, dat de kapitein, eigenaar of gemachtigde van het vissersvaartuig voldoet aan paragraaf 5.1.1. van het steekproefplan wegen aan boord en dat de kapitein, eigenaar of gemachtigde van het vissersvaartuig ervoor zorgdraagt dat de marktdeelnemers verantwoordelijk voor de eerste afzet van de visserijproducten voldoen aan paragraaf 5.1.3. van dat steekproefplan.
3. In afwijking van artikel 124, tweede lid, voor zover dat betrekking heeft op artikel 60, tweede lid, van de controleverordening, is het de kapitein, eigenaar of gemachtigde van een vissersvaartuig dat de vlag voert van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, toegestaan visserijproducten aan boord van het vissersvaartuig te wegen, voor zover hij voldoet aan de paragrafen 5.1.1. en 5.1.2. van het steekproefplan wegen aan boord en hij ervoor zorgdraagt dat marktdeelnemers verantwoordelijk voor de eerste afzet van de visserijproducten voldoen aan paragraaf 5.1.3. van dat steekproefplan.
4. In afwijking van artikel 124, tweede lid, voor zover dat betrekking heeft op artikel 60, tweede lid, van de controleverordening, is het toegestaan dat visserijproducten die in Nederland zijn aangeland, worden gewogen na vervoer vanaf de plaats van aanlanding, op een in Nederland gelegen plaats van bestemming, voor zover de betrokken marktdeelnemers voldoen aan paragraaf 5.1. van het controleplan wegen na vervoer.
Artikel 125
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 62, eerste en vijfde lid, en 63, eerste lid, van de controleverordening en met artikel 90 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Geregistreerde kopers en geregistreerde visafslagen als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de controleverordening doen binnen 48 uur na de eerste verkoop door middel van het door de minister ter beschikking gestelde formulier met behulp van DigiD of eHerkenning elektronisch opgave bij RVO van de in artikel 64, eerste lid, van de controleverordening genoemde gegevens.
3. Het verkoopdocument, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de controleverordening bevat de gegevens, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de controleverordening, en stemt overeen met de factuur of als zodanig dienstdoend document als bedoeld in de artikelen 218 en 219 van Richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU L 347).
4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de controleverordening en in artikel 87 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de NVWA.
Artikel 126
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 66, eerste lid, en 67, eerste lid, van de controleverordening.
2. De aangifte van overname, bedoeld in artikel 66, eerste lid van de controleverordening wordt binnen de in dat artikelonderdeel genoemde termijn overhandigd aan een ambtenaar van de NVWA of gedeponeerd in een vangstopgavebus.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 66, eerste lid, en 67, eerste lid, van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 127
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 68, eerste, derde, vijfde en zevende lid, van de controleverordening.
2. Het vervoersdocument, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de controleverordening wordt binnen de in dat artikelonderdeel genoemde termijn overhandigd aan een ambtenaar van de NVWA of gedeponeerd in een vangstopgavebus.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 68, eerste, tweede, derde en zesde lid, van de controleverordening, is de NVWA.
4. In afwijking van het tweede lid, wordt het vervoersdocument binnen 48 uur na het laden van het voertuig, per e-mail aan de NVWA gestuurd, indien het op grond van artikel 124a, vierde lid, is toegestaan dat visserijproducten worden gewogen na vervoer vanaf de plaats van aanlanding, op een in Nederland gelegen bestemmingsadres.
Paragraaf 8. Bewaking, inspecties, procedures en handhaving
Artikel 128
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 73, zevende lid, 75, eerste lid, en 84, vierde lid, van de controleverordening, en met de artikelen 113, tweede lid, 114, eerste lid, en 122, vijfde lid, in samenhang met de artikelen 113, tweede lid, en 114, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. De kapitein handelt overeenkomstig een op grond van artikel 104, tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening gegeven opdracht.
3. Indien overeenkomstig artikel 104 of artikel 109 van de uitvoeringsverordening controleverordening ID-merktekens en zegels als bedoeld in die artikelen zijn aangebracht, is het verboden deze merktekens en zegels te verwijderen.
Artikel 129
1. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in een gebied dat gesloten is op grond van artikel 104 van de controleverordening.
2. Het is verboden in strijd te handelen met op grond van artikel 108 van de controleverordening vastgestelde maatregelen.
Artikel 130
1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 125 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de minister.
2. De voor echt verklaarde kopie, bedoeld in artikel 128 van de uitvoeringsverordening controleverordening, wordt op aanvraag van de desbetreffende houder van een visvergunning verstrekt door de minister.
3. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 130, tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening en met de op grond van artikel 132, eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening genomen maatregelen.
4. De minister wijst de kapitein van een vissersvaartuig onder wiens gezag ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, van verordening nr. 1005/2008 zijn gepleegd, punten toe overeenkomstig bijlage XXX van de uitvoeringsverordening controleverordening.
5. De artikelen 125, 126, tweede tot en met vijfde lid, 129, 130, eerste lid, 132, eerste lid, en 133, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het vierde lid bedoelde kapitein.
6.
Indien aan een kapitein op grond van het vierde lid het navolgende aantal punten is toegewezen, is het hem gedurende de achter dat aantal vermelde periode verboden als kapitein op een vissersvaartuig te varen:
a. a. 18 punten: 2 maanden; b. b. 36 punten: 4 maanden; c. c. 54 punten: 8 maanden; d. d. 72 punten: 12 maanden; en e. e. 90 punten 3 jaren.
7. Het is de houder van een visvergunning verboden een kapitein waarop het in het zesde lid bedoelde verbod betrekking heeft op het vissersvaartuig waarop de visvergunning betrekking heeft, als kapitein te laten varen gedurende de desbetreffende periode.
8. Voor de toepassing van het vierde tot en met zevende lid en de artikelen 125 tot en met 134 van de uitvoeringsverordening controleverordening wordt onder kapitein verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen.
Hoofdstuk 7. Toegangsregels derde landen, IUU en vangstdocumentatieregelingen
Paragraaf 1. Toegangsregels derde landen
Artikel 131
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, 7, tweede lid, 9, 20, eerste lid, 26, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 28, tweede lid, 29, 30, eerste lid, 31, 32, 38, eerste, tweede lid en vierde lid, van verordening 2017/2403 en met de door de Europese Commissie op grond van artikel 7, zesde en zevende lid, van die verordening vastgestelde maatregelen.
2.
De in artikel 4 van verordening 2017/2403 bedoelde vismachtiging wordt op aanvraag van de desbetreffende ondernemer door de minister verleend indien voldaan is aan artikel 5 van die verordening en aan:
a. a. artikel 10, onderdelen b tot en met d, van verordening 2017/2403, indien het de in artikel 8 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft; b. b. artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403, in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, van die verordening, en in voorkomend geval aan de op grond van artikel 15 van die verordening door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling, indien het de in artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft; c. c. artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 16 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft; d. d. artikel 21, onderdeel b, van verordening 2017/2403, in voorkomend geval in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, of met artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van die verordening, in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, en in voorkomend geval aan de eis om gegevens te verstrekken, bedoeld in de artikelen 23, eerste lid, van verordening 2022/2056 en artikel 29, vierde lid, van verordening 2022/2343, indien het de in artikel 19 van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft; of e. e. artikel 24, onderdeel b, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 23 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft.
3. De minister kan weigeren een vismachtiging te verlenen indien hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
4. De minister kan de vismachtiging schorsen of intrekken in de situatie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van verordening 2017/2403.
5. De minister kan aan een vismachtiging voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
6. Het is verboden in strijd te handelen met de aan de vismachtiging verbonden voorschriften.
Artikel 131a
Het is verboden in strijd te handelen met op grond van artikel 4 van verordening nr. 1026/2012 vastgestelde maatregelen.
Paragraaf 2. Invoer
Artikel 132
Vervallen
Paragraaf 3. IUU en vangstdocumentatieregelingen
Artikel 133
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 10, vijfde lid, van verordening nr. 1005/2008 en artikel 42, eerste en tweede lid, van verordening 2022/2343 en artikel 9, eerste lid, van verordening 2023/675.
2. Als havens als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B en voor vissersvaartuigen die de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren en in het Verenigd Koninkrijk in het visserijregister zijn geregistreerd, die geen vis of visserijproducten aan boord hebben, zover de toegang tot de haven uitsluitend plaatsvindt om onderhoudswerkzaamheden aan het betrokken vissersvaartuig te laten verrichten, de havens die zijn vermeld in Bijlage 2 D.
3. De voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, geschiedt door verzending van een door de desbetreffende kapitein ondertekend elektronisch of faxbericht aan de meldkamer van de NVWA te Echt.
4. Het is voor vissersvaartuigen van derde landen verboden de haven binnen te varen of zijn vangst aan te landen of over te laden zonder door een ambtenaar van de NVWA verleende toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 11, tweede lid, van verordening nr. 1005/2008.
5. De aangifte, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt ingediend bij de meldkamer van de NVWA te Echt met gebruikmaking van het in artikel 3, eerste lid, van verordening nr. 1010/2009, bedoelde formulier indien de aangifte betrekking heeft op aanlanding, dan wel met gebruikmaking van het in artikel 3, tweede lid, van verordening nr. 1010/2009, bedoelde formulier indien de aangifte betrekking heeft op overlading.
6. Indien het vissersvaartuigen van derde landen betreft die SPRFMO-visbestanden als bedoeld in artikel 4, punt 4, van verordening 2018/975 willen aanlanden, wordt de voorafgaande kennisgeving in afwijking van artikel 6, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, gedaan tenminste 48 uur voor de geschatte tijd van aankomst in de haven, bevat die kennisgeving de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening 2018/975 en geschiedt die kennisgeving overeenkomstig bijlage XI bij verordening 2018/975.
7. De in het vierde lid bedoelde toestemming wordt voor zover deze betrekking heeft op het binnen varen van een van de in Bijlage 2 D vermelde havens, uitsluitend verleend indien het vissersvaartuig rechtstreeks en via de kortste route afkomstig is van een in Bijlage 2 B vermelde haven alwaar de NVWA heeft vastgesteld dat er geen vis of visserijproducten aan boord van het betrokken vissersvaartuig zijn. Deze vaststelling door de NVWA vindt plaats op werkdagen tussen 8.00 en 17.00 uur.
Artikel 134
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 12, eerste en tweede lid, 14, eerste en tweede lid, en 22, vijfde lid, van verordening nr. 1005/2008.
2.
Indien de invoer betrekking heeft op visserijproducten van de soorten, genoemd in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 640/2010, artikel 3, onderdeel b en c, van verordening nr. 1984/2003 of artikel 3, onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, wordt voor de toepassing van het eerste lid gebruik gemaakt van:
a. a. het vangstcertificaat, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening nr. 640/2010, dat overeenkomstig artikel 4 van die verordening is afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt; b. b. het statistisch document, bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 1984/2003, dat overeenkomstig dat artikel is afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt, en in voorkomend geval is gewaarmerkt overeenkomstig artikel 7bis, derde lid, van die verordening en vergezeld gaat van een kopie van de ICCAT-overladingsaangifte; onderscheidenlijk c. c. het vangstdocument, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van verordening nr. 1035/2001, dat overeenkomstig die verordening is afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt.
3.
In aanvulling op het eerste lid is de invoer van visserijproducten als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van verordening nr. 1005/2008, verboden indien:
a. a. de invoer van die producten is geweigerd op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van die verordening, of b. b. het statistisch document, bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 1984/2003, niet is aanvaard, omdat het vissersvaartuig niet is opgenomen in het ICCAT-register, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van die verordening.
4. Indien de vrijgave en het in de handel brengen van visserijproducten op grond van artikel 17, zevende lid, van verordening nr. 1005/2008 is opgeschort, komen de kosten voor de opslag van die producten gedurende de periode, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van die verordening, ten laste van de marktdeelnemer.
Artikel 135
1. Indien het betreft visserijproducten van de soorten, genoemd in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 640/2010, is het verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, tweede en tiende lid en 4, eerste lid van die verordening, voor zover deze artikelen betrekking hebben op aanlanden, overladen of intern verhandelen.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening nr. 640/2010.
3. Voor zover het betreft visserijproducten van de soorten, genoemd in artikel 3, onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, is het verboden in strijd te handelen met de artikelen 8, 9 10, 11 en 12 van die verordening.
Artikel 136
1. Het vangstcertificaat, bedoeld in de artikelen 12 en 14, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel c, onder i, van verordening nr. 1005/2008, het vangstdocument, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die verordening, het bewijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die verordening, de verklaring, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van die verordening, en de kopie van het vangstcertificaat, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel c, onder ii, van die verordening, worden overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van die verordening of overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 1010/2009 ingeval de desbetreffende visserijproducten met de in dit artikel bedoelde vervoermiddelen wordt getransporteerd, ingediend bij de minister.
2. De minister is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 4, derde lid, van verordening nr. 1984/2003.
Artikel 137
1. In afwijking van artikel 136 kunnen erkende marktdeelnemers als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening nr. 1005/2008, handelen overeenkomstig dat lid.
2. Marktdeelnemers dienen een verzoek in tot erkenning bij de minister overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1010/2009.
3. De minister verleent de erkenning, bedoeld in het tweede lid, slechts indien de marktdeelnemer voldoet aan artikel 16, derde lid, onderdelen a tot en met g, van verordening nr. 1005/2008 en de artikelen 9 tot en met 13 van verordening nr. 1010/2009.
4. De minister schorst de erkenning, bedoeld in het tweede lid, indien zich één van de in de artikelen 22 tot en met 26 van verordening nr. 1010/2009 bedoelde gevallen voordoet.
5. De minister trekt de erkenning in indien zich één van de in artikel 27 van verordening nr. 1010/2009 bedoelde gevallen voordoet.
6. Het aantal invoeroperaties, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b, van verordening nr. 1005/2008, bedraagt 50.
7. Het volume van een invoeroperatie, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b, van verordening nr. 1005/2008, bedraagt minimaal 500 kg.
Artikel 138
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 15, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, artikel 5, eerste en vijfde lid, van verordening nr. 1984/2003 en artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
2. De minister is de overheidsinstantie, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van verordening nr. 1005/2008, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening nr. 1984/2003, en artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
3. De uitvoerder van vangsten van een vissersvaartuig dient het verzoek tot validatie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, artikel 5, tweede lid, van verordening nr. 1984/2003, en artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001, in bij de minister.
Artikel 139
1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 21, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, de artikelen 3, tweede lid, van verordening nr. 640/2010, voor zover dit artikel betrekking heeft op wederuitvoer, en 6, tweede lid, van laatstgenoemde verordening, de artikelen 6, eerste, vierde en zesde lid en 7 van verordening nr. 1984/2003 en artikel 19, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening nr. 640/2010, artikel 6, tweede en vierde lid, van verordening nr. 1984/2003 en artikel 19, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
3. De uitvoerder van producten, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008, dient het verzoek tot invulling van het vangstcertificaat of een kopie van het vangstcertificaat, bedoeld in dat artikellid, in bij de minister.
4. De uitvoerder van visserijproducten van de soorten, genoemd in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 640/2010, artikel 3, onderdeel b en c, van verordening nr. 1984/2003 of artikel 3, onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, dient het verzoek tot waarmerking van het wederuitvoercertificaat, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 640/2010, artikel 6, tweede en vierde lid, van verordening nr. 1984/2003 onderscheidenlijk van het vangstdocument, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001, in bij de minister.
5. De in het vierde lid bedoelde verzoeken gaan vergezeld van de documenten, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 640/2010, artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 1984/2003 onderscheidenlijk artikel 19, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
Artikel 140
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, tweede tot en met vierde lid, 37, aanhef en onderdelen 3 tot en met 6, 9 en 10, 38, aanhef en onderdelen 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7, 10 en 11, 39, eerste lid, 40, tweede lid, en 48, vierde lid, van verordening nr. 1005/2008.
2. Indien een vissersvaartuig van een derde land is opgenomen op de lijst van IOO-vaartuigen, bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 1005/2008, is het voor dat vissersvaartuig verboden om zonder door een ambtenaar van de NVWA verleende toestemming als bedoeld in artikel 37, onderdeel 7, van die verordening, de bemanning te vervangen.
3. Het is een vissersvaartuig dat is opgenomen op de lijst van IOO-vaartuigen, bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 1005/2008, verboden de Nederlandse vlag te voeren.
4. Het is een Nederlands vissersvaartuig verboden charterovereenkomsten te sluiten met derde landen die zijn opgenomen op de lijst van niet-meewerkende derde landen, bedoeld in artikel 33 van verordening nr. 1005/2008.
5. Het is verboden in strijd te handelen met een krachtens artikel 36 van verordening nr. 1005/2008 vastgestelde noodmaatregel.
6. Waarnemingsverslagen als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van verordening nr. 1005/2008, worden ingediend bij de minister.
Hoofdstuk 7a. Gemeenschappelijke marktordening visserij- en aquacultuurproducten
Artikel 140a
Een verzoek tot erkenning als producentenorganisatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de GMO-verordening of een verzoek tot erkenning als brancheorganisatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de GMO-verordening, wordt ingediend bij de minister overeenkomstig de door de Europese Commissie op grond van artikel 21 van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen.
Artikel 140b
1. De bevoegde nationale autoriteit, bedoeld in artikel 28, eerste en derde tot en met vijfde lid, van de GMO-verordening is de minister.
2. De productie- en afzetprogramma's worden ingediend overeenkomstig de door de Europese Commissie op grond van artikel 29 van de GMO-verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen.
Artikel 140c
Als drempelprijzen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de GMO-verordening worden vastgesteld de prijzen die zijn opgenomen in bijlage 11.
Artikel 140d
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 34 van de GMO-verordening en artikel 2, eerste lid, van Verordening nr. 2406/96, in samenhang met artikel 47 van de GMO-verordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van verordening nr. 2406/96, is de NVWA.
3. Degene die garnalen van de soort crangon crangon aanlandt of verhandelt, brengt ze voor de indeling in de bij verordening nr. 2406/96 voorgeschreven versheidsklassen en grootteklassen onverwijld naar een locatie vermeld in bijlage 13.
Hoofdstuk 7b. Maatregelen van regionale organisaties voor het visserijbeheer.
Artikel 140e
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 9 bis tot en met 9 quinquies, 10, 11 bis, 12, eerste lid, 15, eerste lid, 15 bis, eerste lid, 16, 16 ter, eerste lid, 16 quater, eerste lid, 16 quinquies, eerste en tweede lid, 16 quinquies bis, 16 septies tot en met 16 duodecies, 16 terdecies, vijfde lid, 17, vijfde lid, 17 ter, eerste lid, 22 bis tot en met 22 quinquies, 22, septies, 22 duodecies, 22 terdecies van verordening nr. 1343/2011.
Artikel 140f
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste en vijfde lid, 7, eerste en derde lid, 8, eerste lid, 9, tweede en vierde tot en met zesde lid, 10, 11, 12, derde en vijfde lid, 13, tweede en derde lid, 14, 15, eerste tot en met derde lid, 16, eerste en derde lid, 18, 19, derde lid, 21, derde lid, 22, tweede en zevende tot en met achtste lid, 23, vijfde en negende lid, 24, 25, eerste tot en met zesde lid, 26, eerste en zesde tot en met achtste lid, 27, tweede en twaalfde lid, 32, 39, zesde lid, 41, 46, eerste lid, van verordening 2019/833 en met de door de Europese Commissie op grond van artikel 50 van verordening 2019/833 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
2. Als havens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, en 39, eerste lid, van verordening 2019/833, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B met uitzondering van Den Helder.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a, en 39, derde lid, van verordening 2019/833, is de NVWA.
4. Het is verboden met een vaartuig als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van verordening 2019/833, een Nederlandse haven binnen te varen, dan wel de bemanning van dat vaartuig te vervangen.
Artikel 140g
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, derde lid, 11, 12, eerste lid, 15, eerste lid, 16, tweede lid, 17, 19, tweede tot en met vierde lid, 22, eerste lid, 23, derde lid, 25, 26, eerste tot en met vierde lid, 30, vierde lid, 31, eerste, tweede, zesde en zevende lid, 32, eerste lid, tweede lid en vierde tot en met achtste lid, 33, eerste tot en met vierde lid, 34, tweede lid, 35, eerste lid, 36, tweede lid, 38, 40, eerste, derde en vijfde lid, 41, derde lid, 45, tweede lid, 46, achtste lid, 49, eerste tot en met derde lid, en 56 van verordening 2016/1627 en met de door de Europese Commissie op grond van de artikelen 26, vijfde lid, 39 en 48 van verordening 2016/1627 vastgestelde uitvoeringshandelingen.
2. Als havens als bedoeld in de artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/1627 worden aangewezen de voor de desbetreffende vissersvaartuigen op grond van artikel 6, eerste lid, toegelaten havens mits het aanlanden of overladen plaatsvindt binnen de in bijlage 2 C bij die havens vermelde lostijden.
Artikel 140h
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 8, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 4 van uitvoeringsverordening nr. 433/2012, de artikelen 9, eerste en tweede lid, 13, 14, 15, 21, 23, artikel 24, eerste lid, in samenhang met artikel 12 van uitvoeringsverordening nr. 433/2012, en de artikelen 25, tweede lid, 40, eerste lid, 41, eerste lid, en 42 van verordening nr. 1236/2010.
2. De bevoegde instantie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening nr. 1236/2010, is de NVWA.
3. Het is verboden in het gereglementeerd gebied, bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van verordening nr. 1236/2010, vistuig te gebruiken dat niet is gemarkeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de controleverordening, in samenhang met de artikelen 6 tot en met 17 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
4. De minister kan vistuig als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening nr. 1236/2010, verwijderen en vernietigen.
5. Als havens als bedoeld in artikel 23 van verordening nr. 1236/2010, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B.
6. Het is verboden met vaartuigen als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van verordening nr. 1236/2010, een Nederlandse haven binnen te varen.
7. Het is verboden met vaartuigen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van verordening nr. 1236/2010, activiteiten als bedoeld in dat lid, onderdeel b, te verrichten in een Nederlandse haven of in de Nederlandse territoriale wateren.
8. Het is verboden voor Nederlandse vaartuigen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van verordening nr. 1236/2010, om de in dat onderdeel genoemde activiteiten te verrichten met betrekking tot een vaartuig als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef van die verordening.
9. Het is verboden voor Nederlandse vaartuigen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef, van verordening nr. 1236/2010, voorzieningen, brandstof of andere diensten te verschaffen.
Artikel 140i
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 11, 14, eerste lid in samenhang met het tweede lid, 15, 19, eerste lid, 30, eerste lid, 31, 32, 34, 35, 36, 38, eerste tot en met vierde lid, 39, 40, eerste lid, 41, eerste tot en met derde lid, 44, vierde lid, 46, 52, eerste en tweede lid, 63, derde lid, en 53 in samenhang met de artikelen 54 tot en met 60, van verordening 2017/2107.
2. Het is verboden met een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 20 meter dat niet is opgenomen in het ICCAT-register van vaartuigen die gemachtigd zijn om op grootoogtonijn, geelvintonijn en gestreepte tonijn te vissen, deze vissoorten uit de wateren van de Atlantische Oceaan en aangrenzende zeeën te bevissen, aan boord te houden, over te laden, te vervoeren, over te brengen, te verwerken of aan te landen.
3. Vaartuigen die van 1 januari tot en met 28 februari betrokken zijn bij visserijactiviteiten in het gebied dat wordt begrensd door breedtelijn 5° NB, breedtelijn 4° ZB, meridiaan 20° WL en de Afrikaanse grens, hebben een waarnemer als bedoeld in artikel 14, derde lid, van verordening 2017/2107, aan boord.
4. Indien het quotum voor blauwe marlijn of witte marlijn is opgevist wordt de desbetreffende vissoort niet in de handel gebracht of verkocht.
5. De kapitein van een transportvaartuig dat overlaadt op zee laat een regionale ICCAT-waarnemer als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van verordening 2017/2107 aan boord van zijn vaartuig toe en verleent die overeenkomstig Bijlage VIII, punten 9 en 10, bij die verordening alle medewerking, zodat de waarnemer de in Bijlage VIII, punt 5, bij die verordening genoemde taken aan boord van het transportvaartuig, kan uitvoeren.
6. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 57, derde lid, van verordening 2017/2107 is de NVWA.
7. Als havens als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 65, eerste lid, van verordening 2017/2107, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B met uitzondering van Den Helder.
Artikel 140j
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 9, 10, 20, 22, vijfde lid, 23, tweede tot en met vierde lid en 41, eerste en tweede lid, van verordening 2018/975.
2. Het is niet toegestaan de visserij, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 13, eerste lid, of 18, eerste lid, van verordening 2018/975 te verrichten zonder voorafgaande toelating van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO).
3.
Het is verboden bodemvisserij als bedoeld in artikel 4, punt 7, van verordening 2018/975 te bedrijven:
a. a. binnen vijf zeemijl van een locatie in het SPRFMO-verdragsgebied waar het aantal contacten de op grond van artikel 14, eerste lid, van verordening 2018/975 vastgestelde maximumniveaus overschrijdt, of b. b. indien het vereiste minimum aan gegevens inzake vissersvaartuigidentificatie zoals beschreven in bijlage V bij verordening 2018/975 niet is verstrekt.
4. Als havens als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2018/975, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2 B met uitzondering van Den Helder.
5. Als contactpunt als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b en c, en artikel 40, eerste lid, van verordening 2018/975, wordt aangewezen de meldkamer van de NVWA te Echt.
Artikel 140k
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, derde tot en met vijfde lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, derde lid, eerste zin, vierde en zesde lid, 7, 8, eerste en tweede lid, 9, eerste tot en met derde lid, 10 tot en met 13, 14, eerste lid, eerste zin, 15, eerste en tweede lid, 16, eerste, derde en vierde lid, 18, tweede en derde lid, 19, tweede, vijfde tot en met zevende, negende, tiende, elfde, dertiende en veertiende lid, 21, eerste en derde tot en met zesde lid, 23, zevende lid, 24, eerste lid, en 27 van verordening 2021/56.
2. Het is verboden met vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 2021/56 te vissen met een ringzegen als bedoeld in artikel 3, punt 6, van die verordening tijdens de door de minister bepaalde sluitingsperiode, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van die verordening.
3.
Het is verboden met vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 2021/56 in strijd te handelen met de volgende verplichtingen:
a. a. het waarborgen van de aanwezigheid van een wetenschappelijk waarnemer op beugvisserijvaartuigen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening 2021/56; b. b. het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdelen a tot en met o, van verordening 2021/56, aan RVO. c. c. het beschikken over een statistisch document of certificaat als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van verordening 2021/56 in het geval bedoeld in dit lid.
4. Het is verboden met vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 2021/56 die zijn ingeschreven in beide vaartuigenregisters als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van verordening 2021/56 in strijd te handelen met de kennisgeving, bedoeld in voornoemd tweede lid.
5. Het is verboden in strijd te handelen met de op grond van artikel 28, eerste lid, van verordening 2021/56 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 140l
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, 6, eerste en vierde lid, 7, eerste tot en met zesde lid, 8, 9, eerste tot en met derde lid, 10, eerste lid, 11, eerste, derde en vierde lid, 12 tot en met 14, 15, eerste, tweede en vierde lid, 16, 17, eerste tot en met derde lid, 18, 19, 20, eerste tot en met derde lid, 21, eerste zin, 25, 26, 28, zevende lid, 29, tweede en vierde lid, 30, eerste tot en met derde lid, 31, eerste en tweede lid, eerste zin, 35, 37, tweede lid, tweede zin, en 40, derde lid, van verordening 2022/2056.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de regelgeving van de kuststaat in het gebied, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening 2022/2056, met betrekking tot het beheer en de opsporing van een visaantrekkende voorziening als bedoeld in artikel 3, punt 9, van verordening 2022/2056.
3. Het is verboden om in het gebied, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening 2022/2056, te bunkeren voor, gebunkerd te worden door of anderszins te worden ondersteund door andere vissersvaartuigen dan genoemd in artikel 24, onderdelen a tot en met c, van verordening 2022/2056.
4. Bij gebruik op een vissersvaartuig van het volgsysteem, bedoeld in artikel 26, onderdeel b, van verordening 2022/2056, voldoet het aan de eisen, bedoeld in artikel 26, onderdeel b, onder i, ii en iv tot en met vi, van verordening 2022/2056.
5. Exploitanten en kapiteins van vissersvaartuigen die vissen in het gebied, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening 2022/2056, nemen de nodige maatregelen om de rechten van waarnemers, bedoeld in artikel 28, negende lid, van verordening 2022/2056, te waarborgen. Daarnaast handelen zij in voorkomend geval in overeenstemming met artikel 30, vijfde en zesde lid, van verordening 2022/2056.
6. Het is verboden in strijd te handelen met de op grond van artikel 41, eerste lid, van verordening 2022/2056 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 140m
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste en derde lid, 5, eerste en derde tot en met vijfde lid, 6, eerste en tweede lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, eerste en tweede zin, 9, eerste lid, eerste zin, 10, eerste lid, 11, eerste tot en met vierde lid, 12, 13, 14, eerste, derde en vierde lid, 15, eerste en tweede lid, 16, eerste lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, eerste en tweede lid, 21, eerste, tweede en zesde lid, eerste en tweede zin, 22, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 35, eerste lid, 39, eerste en tweede lid, 40, eerste lid en 53, laatste zin, van verordening 2022/2343.
2.
Het is verboden met een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, van verordening 2022/2343 in strijd te handelen met de volgende verplichtingen:
a. a. het gebruiken van passende technieken, het hebben van de nodige uitrusting aan boord en het nemen van redelijke maatregelen, bedoeld in artikel 21, derde lid, van verordening 2022/2343; b. b. het verstrekken van de gegevens, bedoeld in artikel 21, vijfde en zesde lid, van verordening 2022/2343, aan RVO; c. c. het markeren van het vissersvaartuig in overeenstemming met artikel 23, vierde lid, van verordening 2022/2343; d. d. geen IOO-antecedenten hebben met een gemachtigd vissersvaartuig of als nieuwe eigenaar van dit vissersvaartuig aantonen dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in de subonderdelen van artikel 27, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2022/2343; e. e. waarnemers als bedoeld in artikel 30 van verordening 2022/2343 hun taken adequaat en veilig laten uitvoeren en hen te voorzien van geschikte voeding en huisvesting als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van die verordening; f. f. indien het vaartuig overeenkomstig artikel 35 van verordening 2022/2343 met instemming van RVO is gecharterd, het binnen de termijn bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef, verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen a tot en met f, en vierde lid, en gegevens over de dekking van waarnemers als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, aan RVO; g. g. het in voorkomend geval verstrekken van de gegevens aan RVO die Nederland op grond van artikel 37 meldt aan de Europese Commissie.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van verordening 2022/2343 te vissen in het gebied, bedoeld in artikel 3, punt 2, van verordening 2022/2343, voordat aan RVO de gegevens, bedoeld in artikel 24, derde lid, aanhef, onderdelen a en c tot en met p, van die verordening, zijn verstrekt.
4. Het is verboden met een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel e, van verordening 2022/2343 activiteiten als bedoeld in dat onderdeel te verrichten of betrokken te zijn bij die activiteiten.
5. Vangsten van soorten als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van verordening 2022/2343 door een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, van die verordening gaan bij de invoer op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij of samenwerkende niet-overeenkomstsluitende partij als bedoeld in artikel 3, punt 5, van verordening 2022/2343 vergezeld van de statistische documenten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van die verordening.
6. Het is verboden in strijd te handelen met de op grond van artikel 54, eerste lid, van verordening 2022/2343 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 140n
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste zin, 5, tweede lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste en tweede lid en derde lid, eerste zin, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 15, eerste lid, 16 en 17 van verordening 2023/675.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, en artikel 12, tweede lid, van verordening 2023/675 is de NVWA.
3. Als havens als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening 2023/675 worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2B met uitzondering van Den Helder.
4. Als contactpunt als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening 2023/675, wordt aangewezen de meldkamer van de NVWA te Echt.
5. Het is verboden in strijd te handelen met de op grond van artikel 25, eerste lid, van verordening 2023/675 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 140o
1. De gegevens over vangsten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden met een vissersvaartuig als bedoeld in dat lid worden verstrekt aan RVO uiterlijk de dinsdag in de week volgend op de week waarin de vangst is gedaan, ongeacht het deel van de vangstbeperking dat gebruikt is.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 51 en 52 van de verordening vangstmogelijkheden.
Hoofdstuk 7c. Recreatievisserij
Artikel 140p
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 10, vijfde lid, 11, vierde lid, 12, eerste lid, 13, tweede lid, 14, zevende lid, van de verordening vangstmogelijkheden, de artikelen 4, zesde lid, 6, vierde en vijfde lid, en 19, tweede en vijfde lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, en de artikelen 10 en 11, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden Oostzee.
2.
Het is verboden op zee, in het zeegebied, in de kustwateren, in de visserijvrije zone of in de onmiddellijke nabijheid van wateren:
a. a. in de artikel 10, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden; b. b. in de in artikel 10, vijfde lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode meer dan het in dat artikellid en onderdeel bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden; c. c. meer dan het in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden; d. d. meer dan het in artikel 12, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden; e. e. meer dan het in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden; f. f. in de artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden; g. g. meer dan 25 stuks dan wel meer dan 20 kilogram kabeljauw voorhanden te hebben.
3. Het is verboden kabeljauw of overeenkomstig de artikelen 10, vijfde lid, onderdeel b, of 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen zeebaars of overeenkomstig de artikelen 12, eerste lid, of 13, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen witte koolvis aan te landen die is gefileerd of is ontdaan van de kop.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeebaars, witte koolvis en kabeljauw die aantoonbaar afkomstig is van een vissersvaartuig.
5. Het tweede en derde lid zijn tevens van toepassing op of in de onmiddellijke nabijheid van met de wateren, genoemd in het tweede lid, in open verbinding staand binnenwater, tot ten hoogste 30 kilometer landinwaarts.
Artikel 140q
De afmeting, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Visserijwet 1963, bedraagt:
a. a. voor blauwe marlijn een vorklengte van de onderkaak van 251 centimeter; b. b. voor witte marlijn een vorklengte van de onderkaak van 168 centimeter.
Artikel 140r
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 7, 10, 11 en 12 van verordening 2019/1241, voor zover de handelingen worden verricht in het kader van recreatievisserij.
Artikel 140s
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 55, tweede lid, van de controleverordening.
Artikel 140t
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 29, vierde lid, van verordening 2017/2107.
2. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 17, derde lid, eerste en tweede zin, van verordening 2022/2343.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 141
Degene die ingevolge deze regeling en de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen gegevens moet vermelden of anderszins moet bijhouden of moet verstrekken, doet dit volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijnen.
Artikel 142
Wijzigt deze regeling.
Artikel 143
Wijzigt de Regeling LNV-subsidies en de Uitvoeringsregeling visserij.
Artikel 144
1. Bescheiden die ingevolge de regelingen, bedoeld in artikel 145, zijn verzameld, ingevuld, bewaard en bijgehouden, worden aangemerkt als bescheiden op grond van deze regeling en op grond van de in artikel 1, tweede lid, bedoelde verordeningen.
2. Voor zover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regelingen, bedoeld in artikel 145, plaats.
3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regelingen, bedoeld in artikel 145, blijven in stand.
4. Een ondernemer die op het tijdstip voor inwerkingtreding van deze regeling recht had op een contingent voor een vissoort op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, heeft voor 2011 een recht op dat contingent als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van deze regeling.
5. Een toekenning voor het kalenderjaar van een groepscontingent op grond van artikel 13, eerste lid, van artikel 16, eerste lid, van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, geldt als een toekenning van een groepscontingent als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van deze regeling.
6. Een besluit tot aanhouding van een contingent, op grond van artikel 23 van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, geldt als een besluit tot aanhouding als bedoeld in artikel 44 van deze regeling.
7. Een document, uitgereikt voor 2011 op grond van artikel 12, eerste lid, van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, wordt voor dat jaar beschouwd als een document als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van deze regeling.
8. Een registratie van het Productschap Vis op grond van artikel 142, tweede lid, zoals dat lid luidde op 31 december 2013, wordt met ingang van 1 januari 2014 aangemerkt als een door de minister genomen registratie op grond van artikel 123, derde lid.
Artikel 145
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. a. de Regeling eisen, administratie en registratie inzake uitoefening visserij; b. b. de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij; c. c. de Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988; d. d. de Regeling technische maatregelen 2000; en e. e. de Regeling visvergunning.
Artikel 146
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling zeevisserij.
Bijlage a1. behorende bij de
Bijlage b1. behorende bij de
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4. Vangstverboden voor het kalenderjaar 2015 op de vissoorten, bedoeld in
Vervallen
Bijlage 5. Nederlands quotum (x1000 kg in levend gewicht) in het kalenderjaar 2015 (x1000 kg in levend gewicht) als bedoeld in
Vervallen
Bijlage 6. Europees quotum (x1000 kg in levend gewicht) in het kalenderjaar 2015 als bedoeld in
Vervallen
Bijlage 7. Totale toegestane visserij-inspanning, uitgedrukt in kW dagen per categorie vistuig en per (gedeelte van de) beheerperiode als bedoeld in
Vervallen
Bijlage 8. behorende bij de
De vissoorten, bedoeld in artikel 21, eerste lid, de vangstgebieden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, en de percentages, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, voor het kalenderjaar 2026.
^1 Voorlopige vangstmogelijkheid voor de eerste zes maanden van 2026.
Bijlage 8a. Vistuigen met de codes, in voorkomend geval de maaswijdte en bijbehorende vissoorten, behorende bij
- Codes genoemd in bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening.
Bijlage 9. behorende bij
De hoeveelheden, bedoeld in artikel 24 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, voor het kalenderjaar 2026
^1 Voorlopige vangstmogelijkheid voor de eerste zes maanden van 2026.
Bijlage 10
Bijlage 11. behorende bij
Bijlage 12a. behorend bij de
Naar aanleiding van elke vermogensmeting wordt een meetrapport opgemaakt met het motorvermogen en toerental in stomende en vissende conditie. De volgende parameters worden, indien van toepassing, opgenomen in het meetrapport:
Bij het meetrapport wordt een verklaring van kennisname van het meetrapport gevoegd, ondertekend door de kapitein of de eigenaar van het vissersvaartuig, dan wel diens gemachtigde.
Indien een erkend meetbureau tijdens een vermogensmeting geconfronteerd wordt met niet verklaarbare afwijkingen van het motorvermogen, meldt het meetbureau dit terstond aan de minister. Het meetbureau maakt hier tevens een rapport van op.
Bijlage 12b. behorend bij de
Naar aanleiding van elke verzegeling wordt een (aanvullend) zegelplan opgemaakt. Zegels worden zodanig aangebracht dat ongeautoriseerde wijziging van de verzegeling wordt voorkomen. Het zegelplan wordt opgemaakt overeenkomstig de door de minister beschikbaar gestelde modellen en de richtlijnen van het motortype. Het zegelplan bevat te minste de volgende gegevens:
Bij het zegelplan worden gevoegd:
Aan de hand van de onderstaande criteria besluit het zegelbureau of er met het verzegelen een vermogensmeting dient plaats te vinden. De analyse die wordt gemaakt op basis van de hieronder genoemde criteria, wordt doorgegeven aan de kapitein of eigenaar van het vissersvaartuig, dan wel diens gemachtigde, en aan de minister.