rijk/verdrag/overeenkomst-tussen-de-benelux-staten-het-koninkrijk-belgië-het-groothertogdom-l/BWBV0007093/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

29 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst) (met Uitvoeringsprotocol met bijlagen) BWBV0007093 verdrag geldend null https://wetten.overheid.nl/BWBV0007093 Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst) (met Uitvoeringsprotocol met bijlagen)

Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst) (met Uitvoeringsprotocol met bijlagen)

Hoofdstuk I. DEFINITIES EN WERKINGSSFEER

Artikel 1

Tenzij uit de context anderszins blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder:

    1. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden;
    1. „Partij”: de Republiek Suriname of de drie Benelux-Staten die gezamenlijk handelen;
    1. „Staat”: de Republiek Suriname of een van de Benelux-Staten;
    1. „grondgebied”:

      
      voor de Republiek Suriname: het grondgebied van de Republiek Suriname;
      
      
      
      voor de Benelux-Staten: het gezamenlijke grondgebied in Europa van de Benelux-Staten;
      

voor de Republiek Suriname: het grondgebied van de Republiek Suriname; voor de Benelux-Staten: het gezamenlijke grondgebied in Europa van de Benelux-Staten; 5. 5. „onregelmatig verblijvende persoon”: eenieder die niet of niet meer voldoet aan de geldende voorwaarden voor verblijf; 6. 6. „terug- en overname”: de verwijdering door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat en de toelating door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat van een eigen onderdaan van de aangezochte Staat, respectievelijk van een onderdaan van een derde Staat, die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd; 7. 7. „eigen onderdaan”: eenieder die de nationaliteit heeft van één der Benelux-Staten of van de Republiek Suriname; 8. 8. „derde Staat”: elke Staat die geen Benelux-Staat en niet de Republiek Suriname is; 9. 9. „onderdaan van een derde Staat”: eenieder die niet de nationaliteit heeft van één van de Benelux-Staten of van de Republiek Suriname; 10. 10. „verzoekende Staat”: de Staat op wiens grondgebied zich een onregelmatig verblijvende persoon bevindt en die om de terug- of overname van deze persoon dan wel zijn doorgeleiding verzoekt, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd; 11. 11. „aangezochte Staat”: de Staat die wordt verzocht een onregelmatig verblijvende persoon op zijn grondgebied terug of over te nemen dan wel zijn doorgeleiding over zijn grondgebied toe te staan, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd; 12. 12. „diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Staat”: de bij de verzoekende Staat geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Staat; 13. 13. „verblijfstitel”: een door de Staat afgegeven vergunning, ongeacht van welke aard, die een persoon recht geeft om op zijn grondgebied te verblijven. Hieronder valt niet de tijdelijke toelating tot verblijf met het oog op de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of van een verzoek om een verblijfstitel.

Hoofdstuk II. TERUG- EN OVERNAMEVERPLICHTINGEN

Artikel 2

1. Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat, wanneer kan worden aangetoond of op basis van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat de persoon de nationaliteit van de aangezochte Staat heeft.

2. De terugnameplicht uit het eerste lid geldt ook voor de persoon die na inreis op het grondgebied van de verzoekende Staat de nationaliteit van de aangezochte Staat heeft verloren dan wel hiervan afstand heeft gedaan, tenzij die persoon ten minste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Staat heeft ontvangen.

3.

Iedere Staat neemt ook de volgende personen terug:

    1. minderjarige kinderen van de in het eerste lid vermelde personen die deel uitmaken van het gezin, ongeacht hun geboorteplaats of nationaliteit tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht op het grondgebied van de verzoekende Staat hebben;
    1. echtgenoten of partners met wie de betrokkene een duurzame relatie onderhoudt van de personen vermeld in het eerste lid die een andere nationaliteit bezitten, mits zij het recht hebben of krijgen om op het grondgebied van de aangezochte Staat te verblijven, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht op het grondgebied van de verzoekende Staat hebben.

4. Op verzoek van de verzoekende Staat, en conform de bepalingen van artikel 7, vijfde lid, verstrekt de aangezochte Staat onverwijld de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.

Artikel 3

1.

Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, elke onderdaan van een derde Staat over op haar grondgebied die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat, wanneer kan worden aangetoond, of op basis van prima facie bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat deze:

    1. in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Staat, of
    1. bij inreis op het grondgebied van de verzoekende Staat in het bezit was van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Staat.

2. De in het eerste lid bedoelde overnameplicht is niet van toepassing wanneer de verzoekende Staat aan de onderdaan van een derde Staat, vóór of na inreis op het grondgebied van de verzoekende Staat een verblijfstitel heeft afgegeven met een langere geldigheidsduur dan de verblijfstitel die door de aangezochte Staat is afgegeven.

Hoofdstuk III. TERUG- EN OVERNAMEPROCEDURE

Artikel 4

1. Een verzoek om terug- of overname op grond van artikel 2 of 3 wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat.

2.

Elk verzoek om terug- of overname bevat de volgende inlichtingen:

    1. de personalia van de betrokkene, waaronder naam, voornamen, eventueel vroegere namen, bijnamen en pseudoniemen, aliassen, geslacht, geboortedatum, en, indien beschikbaar, burgerlijke staat, geboorteplaats en laatste verblijfplaats op het grondgebied van de aangezochte Staat;
    1. een kopie van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 5 of 6.

3. Er is geen terug- of overnameverzoek vereist wanneer de terug of over te nemen persoon in het bezit is van een geldig reisdocument of een geldige identiteitskaart en, indien het een onderdaan van een derde Staat betreft, tevens in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning van de aangezochte Staat.

4. Indien de terug of over te nemen persoon zich in de internationale zone van een luchthaven van één der Staten bevindt, kunnen de bevoegde luchthavenautoriteiten een vereenvoudigde procedure overeenkomen.

Artikel 5

1. Het bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de documenten vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Wanneer dergelijke documenten worden overgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit na uitdrukkelijke vaststelling door de bevoegde autoriteiten.

2. Prima facie bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de documenten of elementen vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Wanneer dergelijke documenten of elementen worden overgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Staat het tegendeel kan bewijzen.

3. Indien geen van de in het eerste of tweede lid genoemde documenten of elementen kan worden overgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Staat een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat de vereiste maatregelen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. Indien dit door de verzoekende Staat noodzakelijk wordt geacht, vindt er een interview met de betrokkene plaats teneinde onder meer op basis van de taal waarin de persoon zich uitdrukt vast te stellen of het een eigen onderdaan betreft.

4. Het in het derde lid vermelde interview wordt persoonlijk of op afstand (bijvoorbeeld via videoconferentie) afgenomen door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Staat of een door de verzoekende Staat uitgenodigde delegatie van de aangezochte Staat, dan wel een in onderling overleg aangestelde deskundige.

Artikel 6

1. Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de bewijsmiddelen vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Deze bewijsmiddelen worden door de Partijen zonder verdere formaliteiten erkend.

2. Prima facie bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de bewijsmiddelen vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Wanneer dit prima facie bewijs is geleverd, nemen de Partijen aan dat aan de voorwaarden is voldaan, tenzij de aangezochte Staat het tegendeel kan bewijzen.

Artikel 7

1. Het verzoek aan de aangezochte Staat om terugname van een eigen onderdaan kan op ieder ogenblik door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat worden ingediend wanneer is vastgesteld dat de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat.

2. Het verzoek om overname van een onderdaan van een derde Staat met een geldige verblijfstitel van de aangezochte Staat wordt door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat ingediend binnen een termijn van ten hoogste één (1) jaar nadat de verzoekende Staat kennis heeft gekregen van het feit dat deze persoon niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat. Indien er juridische of feitelijke belemmeringen zijn waardoor het verzoek niet tijdig kan worden ingediend, wordt de termijn, op verzoek, verlengd doch uiterlijk totdat de belemmeringen zijn opgeheven.

3. Een verzoek om terug- of overname wordt binnen een termijn van twintig (20) werkdagen beantwoord en elke afwijzing wordt gemotiveerd. De antwoordtermijn begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om terug- of overname. Wanneer niet binnen deze termijn wordt geantwoord, wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd.

4. Na de goedkeuring van de terug- of overname door de aangezochte Staat, of nadat de antwoordtermijn is verstreken, draagt de verzoekende Staat de persoon met wiens terug- of overname is ingestemd, onmiddellijk en in elk geval uiterlijk binnen zes (6) maanden over. Deze periode kan op verzoek worden verlengd met de tijd die nodig is om juridische of praktische hindernissen weg te nemen. De aangezochte Staat neemt de persoon met wiens terug- of overname is ingestemd zonder verdere formaliteiten terug of over.

5. Op verzoek van de verzoekende Staat verstrekt de aangezochte Staat op naam van de terug of over te nemen persoon onverwijld, en in elk geval uiterlijk binnen drie (3) werkdagen, het voor zijn terugkeer noodzakelijke reisdocument, voorzien van de naam van de persoon, met een geldigheidsduur van tenminste zes (6) maanden. Kan de aangezochte Staat het gevraagde reisdocument niet binnen drie (3) werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekken, dan wordt aangenomen dat zij instemt met het gebruik van een door de verzoekende Staat verstrekt reisdocument. Indien betrokkene om juridische of feitelijke redenen niet binnen de geldigheidstermijn van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen dan verstrekt de aangezochte Staat binnen drie (3) werkdagen een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur.

Artikel 8

1. Voordat een persoon wordt overgedragen, stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat schriftelijk de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat in kennis van de datum en de modaliteiten van de overdracht, de aangewezen grensovergang, het eventuele gebruik van begeleiders en andere relevante informatie inzake de overdracht.

2.

De in kennisstelling inzake de overdracht bevat in voorkomend geval ook de volgende inlichtingen:

    1. assistentie die de over te dragen persoon nodig kan hebben;
    1. alle andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen die voor deze overdracht nodig kunnen zijn.

3. De overdracht vindt in de regel door de lucht plaats, maar kan in voorkomend geval ook over land of over zee worden gerealiseerd. Een overdracht per vliegtuig kan zowel met een lijn- als met een overheidsvlucht worden uitgevoerd.

Artikel 9

1. De verzoekende Staat neemt een persoon die door de aangezochte Staat is terug- of overgenomen terug, indien uit een onderzoek dat binnen een termijn van twintig (20) werkdagen vanaf de overdracht wordt verricht, blijkt dat niet voldaan is aan de voorwaarden van de artikelen 2 en 3.

2. In de in het eerste lid genoemde gevallen zijn mutatis mutandis de procedurevoorschriften van deze terug- en overnameovereenkomst van toepassing en worden tevens alle beschikbare gegevens met betrekking tot de werkelijke identiteit en nationaliteit van de terug te nemen persoon meegedeeld.

Hoofdstuk IV. DOORGELEIDING

Artikel 10

1. De Partijen staan de doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat over hun grondgebied toe indien een andere Partij daarom verzoekt, wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn.

2. De Partijen doen het nodige om doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat te beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen.

3.

Doorgeleiding kan door de Partijen worden geweigerd:

    1. indien de onderdaan van een derde Staat in de Staat van bestemming of een andere Staat van doorreis een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de doodstraf of te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging;
    1. indien de onderdaan van een derde Staat op het grondgebied van de aangezochte Staat, strafrechtelijk vervolgd zal worden of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis zal ondergaan.

4. De Partijen kunnen elke verleende toestemming intrekken indien zich later omstandigheden als bedoeld in het derde lid voordoen die de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele Staten van doorreis of de overname door de Staat van bestemming niet meer verzekerd is. In die gevallen neemt de verzoekende Staat de betrokkene onverwijld op zijn grondgebied terug.

Artikel 11

1.

Een doorgeleidingsverzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteiten en bevat de volgende inlichtingen:

    1. type van doorgeleiding (door de lucht, over land of zee); de eventuele andere Staten van doorreis en de Staat van bestemming;
    1. personalia van de betrokkene (naam, voornamen, geboortedatum en, indien beschikbaar, geboorteplaats, nationaliteit, type en nummer van het reisdocument);
    1. voorgenomen plaats van overgang, tijdstip van doorgeleiding en eventueel gebruik van begeleiders;
    1. een verklaring waarin wordt gesteld dat volgens de verzoekende Staat is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 10, eerste en tweede lid, en dat er geen redenen bekend zijn voor een weigering op grond van artikel 10, derde lid.

2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat brengt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat onverwijld schriftelijk op de hoogte van de toelating, met bevestiging van de plaats van overgang en het geplande tijdstip van toelating, of van de weigering van de toelating en de redenen daarvoor.

3. Indien de doorgeleiding door de lucht plaatsvindt, worden aan de door te geleiden persoon en eventuele begeleiders de noodzakelijke faciliteiten met het oog op toegang tot de nationale of internationale zone van de luchthaven van de aangezochte Staat verleend.

4. De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat steunen, mits in onderling overleg, de doorgeleiding, met name door toezicht op de door te geleiden persoon, en stellen daartoe geschikte voorzieningen beschikbaar.

Hoofdstuk V. KOSTEN

Artikel 12

Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om de aan de terug- of overname verbonden kosten van de terug of over te nemen persoon of van derden terug te vorderen, komen alle kosten in verband met terug- of overname en doorgeleiding of terugkeer van ten onrechte terug- of overgenomen personen uit hoofde van deze Overeenkomst tot aan de grens van de Staat van eindbestemming ten laste van de verzoekende Staat.

Hoofdstuk VI. GEGEVENSBESCHERMING EN ONVERMINDERDE TOEPASSELIJKHEID

Artikel 13

Persoonsgegevens worden alleen verstrekt wanneer dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst. De verwerking en behandeling van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten van de Partijen in een bepaald geval zijn onderworpen aan de wetgeving van de Republiek Suriname en, wanneer de data behandeld en gebruikt worden door een bevoegde autoriteit van een Benelux-Staat wordt uitgevoerd, aan de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), en de uit hoofde van deze Verordening vastgestelde nationale wetgeving van de desbetreffende Benelux-Staten. De volgende beginselen zijn van toepassing:

    1. Persoonsgegevens moeten rechtmatig, behoorlijk en transparant worden verwerkt („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);
    1. Persoonsgegevens moeten voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding”);
    1. Persoonsgegevens moeten toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”); de verstrekte persoonsgegevens mogen met name uitsluitend betrekking hebben op:

      1)
      de personalia van de terug of over te nemen persoon (bijvoorbeeld namen, voornamen, eventuele vroegere namen, andere namen die de betrokkene gebruikt of onder welke hij bekendstaat of aliassen, geslacht, burgerlijke staat, geboortedatum en -plaats, huidige en vorige nationaliteit),
      
      
      2)
      paspoort, identiteitsbewijs of rijbewijs (serienummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte),
      
      
      3)
      verblijfplaatsen en reisroutes,
      
      
      4)
      andere voor identificatie van de terug of over te nemen persoon of voor het onderzoek van de terug- of overnamevereisten uit hoofde van deze Overeenkomst dienstige gegevens, met inbegrip van biometrische gegevens zoals een foto (gezichtsopname) of vingerafdrukken (dactyloscopische gegevens),
      
      
      5)
      bijzondere omstandigheden met betrekking tot de over te dragen persoon, met inbegrip van informatie over de assistentie die de over te dragen persoon nodig kan hebben en over andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen die voor de overdracht nodig kunnen zijn;
      
    1. de personalia van de terug of over te nemen persoon (bijvoorbeeld namen, voornamen, eventuele vroegere namen, andere namen die de betrokkene gebruikt of onder welke hij bekendstaat of aliassen, geslacht, burgerlijke staat, geboortedatum en -plaats, huidige en vorige nationaliteit),
      
    1. paspoort, identiteitsbewijs of rijbewijs (serienummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte),
      
    1. verblijfplaatsen en reisroutes,
      
    1. andere voor identificatie van de terug of over te nemen persoon of voor het onderzoek van de terug- of overnamevereisten uit hoofde van deze Overeenkomst dienstige gegevens, met inbegrip van biometrische gegevens zoals een foto (gezichtsopname) of vingerafdrukken (dactyloscopische gegevens),
      
    1. bijzondere omstandigheden met betrekking tot de over te dragen persoon, met inbegrip van informatie over de assistentie die de over te dragen persoon nodig kan hebben en over andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen die voor de overdracht nodig kunnen zijn;
      
    1. Persoonsgegevens moeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid”);
    1. Persoonsgegevens moeten worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt, mits de vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking”);
    1. Persoonsgegevens moeten door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid”);
    1. De mededelende en de ontvangende autoriteit treffen alle passende maatregelen om waar nodig te zorgen voor rectificatie, verwijdering of afscherming van persoonsgegevens wanneer de verwerking niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel, met name omdat de gegevens niet passend, relevant, nauwkeurig of bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke rectificatie, verwijdering of afscherming aan de andere Partij;
    1. Op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de mededelende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de verstrekte gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;
    1. Persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de verdere verstrekking aan andere instanties is de voorafgaande goedkeuring van de mededelende autoriteit vereist;
    De mededelende en ontvangende autoriteiten zijn verplicht de verstrekking en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.

Artikel 14

Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de Partijen die voortvloeien uit het internationale recht.

Hoofdstuk VII. TENUITVOERLEGGING EN TOEPASSING

Artikel 15

1.

De Partijen verlenen elkaar onderling hulp bij de toepassing en uitlegging van deze Overeenkomst. Daartoe stellen zij een Comité van deskundigen in dat met name:

    1. de toepassing van deze Overeenkomst volgt;
    1. voorstellen doet om vraagstukken in verband met de toepassing van deze Overeenkomst op te lossen;
    1. wijzigingen van en aanvullingen op deze Overeenkomst voorstelt;
    1. passende maatregelen ter bestrijding van onregelmatige migratie uitwerkt en aanbeveelt.

2. De Partijen behouden zich het recht voor om de door het Comité van deskundigen voorgestelde maatregelen al dan niet goed te keuren.

3. Het Comité van deskundigen bestaat uit één vertegenwoordiger van het Koninkrijk België, één vertegenwoordiger van het Groothertogdom Luxemburg, één vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden en twee vertegenwoordigers van de Republiek Suriname. De Partijen wijzen daarin de voorzitter en de plaatsvervanger van de voorzitter aan. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd. Indien nodig kunnen andere deskundigen bij de werkzaamheden van het Comité worden betrokken.

4. Het Comité komt bijeen op verzoek van één van de Partijen.

Artikel 16

Alle nodige praktische bepalingen voor de uitvoering van deze Overeenkomst worden in het Uitvoeringsprotocol vastgelegd. In het Uitvoeringsprotocol wordt onder andere geregeld:

    1. de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten van de Partijen;
    1. de aanwijzing van de plaatsen voor de grensovergang;
    1. de vastlegging van de bewijsmiddelen;
    1. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop begeleiding plaatsvindt van terug of over te nemen of door te geleiden personen.

Het Uitvoeringsprotocol vormt een integrerend onderdeel van deze Overeenkomst.

Hoofdstuk VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepassing van deze Overeenkomst tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten en het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) uitbreiden door kennisgeving hiervan aan de depositaris. De depositaris stelt de Partijen in kennis van deze uitbreiding.

Artikel 18

Geschillen tussen de Partijen die voortvloeien uit de toepassing of de interpretatie van deze Overeenkomst worden in der minne geschikt door middel van overleg of onderhandelingen tussen de Partijen.

Artikel 19

Het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie treedt op als depositaris van deze Overeenkomst. De depositaris voorziet iedere Staat van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het origineel van deze Overeenkomst en het Uitvoeringsprotocol daarbij.

Artikel 20

Deze Overeenkomst en het bijbehorende Uitvoeringsprotocol kunnen met wederzijdse schriftelijke instemming van de Partijen worden gewijzigd. Deze wijzigingen treden in werking volgens de procedure van artikel 22 van deze Overeenkomst.

Artikel 21

Alvorens deze Overeenkomst in werking treedt, kunnen de bevoegde autoriteiten van de ondertekenende Staten met elkaar overleggen over de praktische uitvoering van de Overeenkomst.

Artikel 22

1. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de depositaris de kennisgeving van alle Staten, van de voltooiing van hun interne procedures heeft ontvangen, die vereist zijn voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

2. De depositaris stelt alle Staten in kennis van de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgevingen en van de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

3. Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

Artikel 23

1. Iedere Partij kan de toepassing van deze Overeenkomst om ernstige redenen, met name in verband met de bescherming van de staatsveiligheid, de openbare orde of de volksgezondheid, opschorten door hiervan schriftelijk kennis te geven aan de depositaris, die alle Staten hiervan in kennis stelt. Dezelfde procedure geldt voor het ongedaan maken van de opschorting.

2. De opschorting van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de eerste maand volgend op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in het eerste lid door de depositaris is ontvangen.

Artikel 24

1. Iedere Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door hiervan schriftelijk kennis te geven aan de depositaris, die alle Staten hiervan in kennis stelt.

2. De opzegging van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in het eerste lid door de depositaris is ontvangen.