40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
14 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Organisatiewet Kadaster | BWBR0006463 | wet | geldend | 1994-05-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006463 | Organisatiewet Kadaster |
Organisatiewet Kadaster
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- bestuur: bestuur als bedoeld in artikel 3;
-
- Dienst:* Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2;
- kamer: rechtszekerheidskamer of geoinformatiekamer als bedoeld in artikel 16, tweede lid;
- Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
- raad van toezicht: raad van toezicht als bedoeld in artikel 3.
Artikel 2
1. Er is een Dienst voor het kadaster en de openbare registers. De Dienst is werkzaam in het Europese deel van Nederland en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Apeldoorn.
2. De Dienst is belast met de hem bij of krachtens de Kadasterwet, de Kadasterwet BES of andere wetten opgedragen taken.
3.
De Dienst kan andere werkzaamheden verrichten dan die, voortvloeiend uit de in het tweede lid bedoelde taken, indien die werkzaamheden:
a. a. bijdragen aan de doelmatigheid van de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken; b. b. bijdragen aan een betere benutting van de ten behoeve van de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken bij de Dienst aanwezige bedrijfsmiddelen; of c. c. worden verricht namens een of meer van Onze Ministers en naar hun aard en strekking aansluiten bij de in het tweede lid bedoelde taken, zolang deze werkzaamheden een goede uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken niet belemmeren.
4. Het bestuur kan in het kader van internationale samenwerking of op verzoek van een of meer van Onze ministers of een ander bestuursorgaan de bij de Dienst in het kader van de uitoefening van zijn taken als bedoeld in het tweede lid aanwezige specifieke deskundigheid in beperkte mate en voor een beperkte tijdsduur ter beschikking stellen aan een internationale organisatie of instelling, een regering of instelling van een andere staat of aan een bestuursorgaan. Het bestuur kan aan die terbeschikkingstelling voorwaarden verbinden.
Artikel 2a
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Dienst, met uitzondering van artikel 15 van die wet.
Hoofdstuk 2. Het bestuur en het toezicht op het bestuur
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 3
De Dienst heeft een bestuur en een raad van toezicht.
Paragraaf 2. Het bestuur
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Het bestuur is belast met het besturen van de Dienst. De voorzitter en overige leden van het bestuur worden benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaren en zijn terstond herbenoembaar.
Artikel 8
Het bestuur vertegenwoordigt de Dienst in en buiten rechte. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede toe aan ieder bestuurslid.
Artikel 9
Het bestuur stelt een bestuursreglement vast.
Paragraaf 3. De raad van toezicht
Artikel 10
1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
2. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
Artikel 11
1. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht.
2. Onze Minister stelt de raad van toezicht in de gelegenheid voor iedere te vervullen plaats in de raad een voordracht te doen van één persoon. Onze Minister wijkt niet af van de voordracht dan na overleg met de raad.
3. De ondernemingsraad en het bestuur kunnen aan de raad van toezicht personen voor plaatsing op de voordracht aanbevelen. De raad van toezicht deelt hun daartoe tijdig mee wanneer en ten gevolge waarvan in zijn midden een plaats moet worden vervuld.
4. De raad van toezicht geeft aan de ondernemingsraad kennis van een voorgenomen voordracht. Binnen vier weken na verzending van deze kennisgeving kan de ondernemingsraad bedenkingen uiten tegen benoeming van de voor te dragen persoon op grond van de verwachting dat die persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van lid van de raad van toezicht, of dat de raad bij benoeming van die persoon niet naar behoren zal zijn samengesteld.
5. Indien de ondernemingsraad binnen de in het vijfde lid genoemde termijn geen bedenkingen uit, draagt de raad van toezicht de betrokken persoon voor. De raad draagt een persoon, tegen de benoeming waarvan de ondernemingsraad bedenkingen heeft geuit, niet voor dan nadat hij daarover overleg heeft gevoerd met de ondernemingsraad. Bij een zodanige voordracht stelt de raad Onze Minister op de hoogte van de bedenkingen en doet hij Onze Minister verslag van het overleg met de ondernemingsraad.
6. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.
7. Zolang niet is voorzien in een vacature in de raad van toezicht, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht. Indien alle leden ontbreken, benoemt Onze Minister onverwijld een of meer personen die tijdelijk de taken van de raad van toezicht vervullen.
Artikel 12
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de organisatie van de Dienst. Hij staat het bestuur met raad ter zijde.
2. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad zich naar het belang van de Dienst, daaronder begrepen het belang van de behoorlijke vervulling van de bij of krachtens de wet aan de Dienst opgedragen taken.
3. Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens. Het ziet erop toe dat aan de leden van de raad desgevraagd toegang wordt verleend tot de lokaliteiten van de Dienst en inzage wordt verleend van boeken en bescheiden van de Dienst.
Artikel 13
1. Onze Minister kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat het bestuur, ingeval hij een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
2.
Het bestuur heeft in ieder geval de voorafgaande instemming nodig van de raad van toezicht met betrekking tot:
a. a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 9, 16 en 17; b. b. belangrijke reorganisaties.
3. Het bestuur heeft de voorafgaande instemming nodig van Onze Minister voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b. Het bestuur legt die beslissing voor aan Onze Minister nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
Artikel 14
1. De raad van toezicht kan geen beslissingen nemen indien niet ten minste de helft van het aantal leden ter vergadering aanwezig is.
2. De raad van toezicht regelt bij reglement zijn werkwijze, waaronder in ieder geval de openbaarheid van zijn vergaderingen. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 15
1. Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht een bezoldiging toekennen ten laste van de Dienst.
2. De leden van de raad hebben aanspraak op vergoeding door de Dienst van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.
3. Het bestuur stelt aan de raad van toezicht een secretaris ter beschikking. De secretaris is wat betreft de werkzaamheden ten behoeve van de raad van toezicht uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de raad.
Hoofdstuk 3. Overleg met gebruikers
Artikel 16
1. Er is een gebruikersraad.
2. Het bestuur kan bij reglement bepalen dat de gebruikersraad bestaat uit een rechtszekerheidskamer voor de taken van de Dienst op het gebied van rechtszekerheid en een geoinformatiekamer voor de taken van de Dienst op het gebied van geoinformatie.
3. Ingeval bij wettelijk voorschrift aan de Dienst een andere taak wordt opgedragen, dan bedoeld in het tweede lid, kan het bestuur bij reglement de werkzaamheden van een kamer uitbreiden met die andere taak.
4.
Tot de personen die zitting hebben in de gebruikersraad behoren in elk geval een vertegenwoordiger van:
a. a. notarissen; b. b. tussenpersonen in onroerende zaken; c. c. Onze Minister en Onze Minister van Defensie; d. d. provincies; e. e. gemeenten; f. f. waterschappen; g. g. grondroerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken; h. h. beheerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en i. i. eigenaren van registergoederen.
5. Het bestuur stelt aan de gebruikersraad een secretaris ter beschikking. De secretaris is wat betreft de werkzaamheden ten behoeve van de gebruikersraad uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de gebruikersraad.
6.
Het bestuur regelt nader bij reglement:
a. a. de samenstelling van de gebruikersraad; b. b. de wijze waarop de organisaties van gebruikers van door de Dienst geleverde diensten gerechtigd zijn een vertegenwoordiger en een plaatsvervangend vertegenwoordiger aan te wijzen in de gebruikersraad of, indien het bestuur gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, in één of beide kamers, en c. c. de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de gebruikersraad of, indien het bestuur gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, een kamer een commissie kan instellen.
Artikel 16a
1. Het bestuur voert met de gebruikersraad of, indien het bestuur gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 16, tweede lid, met de kamers overleg over de kwaliteit en de doelmatigheid van de dienstverlening door de Dienst, over de tarieven die daarvoor in rekening worden gebracht, over het meerjarenbeleidsplan en over andere zaken van gemeenschappelijk belang.
2. De gebruikersraad of een kamer kan het bestuur op diens verzoek of uit eigen beweging in kennis stellen van de binnen de gebruikersraad of de kamer levende standpunten over een onderwerp als bedoeld in het eerste lid.
3. Een commissie als bedoeld in artikel 16, zesde lid, onderdeel c, kan het bestuur op diens verzoek of uit eigen beweging in kennis stellen van de binnen die commissie levende standpunten over een onderwerp, waarvoor zij is ingesteld.
4. Onder de dienstverlening, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan het beheer van een landelijke voorziening.
Hoofdstuk 4. Organisatie en personeel
Paragraaf 1. De organisatie
Artikel 17
Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting van de organisatie van de Dienst.
Paragraaf 2. Het personeel
Artikel 18
Vervallen
Artikel 18a
Vervallen
Hoofdstuk 5. Begroting en jaarrekening
Artikel 19
1. Het bestuur stelt de begroting vast als onderdeel van het door hem vast te stellen meerjarenbeleidsplan.
2. Het besluit tot vaststelling van het meerjarenbeleidsplan behoeft de voorafgaande instemming van de raad van toezicht.
3. Het meerjarenbeleidsplan geeft een overzicht van de door de Dienst te verrichten werkzaamheden en een zo getrouw mogelijke doorkijk van het geschetste beeld in de begroting over de volgende vier jaren na het begrotingsjaar.
Artikel 20
Artikel 29 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het meerjarenbeleidsplan.
Artikel 21
Het bestuur stelt de jaarrekening vast nadat de raad van toezicht daarmee heeft ingestemd.
Artikel 22
Vervallen
Artikel 23
Vervallen
Artikel 24
Vervallen
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Vervallen
Artikel 28
Vervallen
Artikel 29
Vervallen
Artikel 30
Vervallen
Hoofdstuk 6. Sturing en toezicht
Artikel 31
De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut.
Artikel 31a
Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de Dienst door Onze Minister en de raad van toezicht.
Hoofdstuk 7. Evaluatie
Artikel 32
Vervallen
Hoofdstuk 8. Wijziging van de
Artikel 33
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 34
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Hoofdstuk 9. Wijziging van andere wetten
Artikel 35
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 36
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 37
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 38
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 39
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 40
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 41
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 42
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 43
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 44
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 45
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 46
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 47
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 48
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel 49
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51
Vervallen
Artikel 52
Vervallen
Artikel 53
Vervallen
Artikel 54
Het bepaalde in de artikelen 11, zevende lid, tweede zin, 84, vierde lid, en 117 van de Kadasterwet en 30, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet, blijft van toepassing met betrekking tot aansprakelijkheid en schadevergoeding ter zake van in die artikelen bedoelde feiten die zich hebben voorgedaan vóór dat tijdstip.
Artikel 55
Vervallen
Artikel 56
Vervallen
Artikel 57
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 mei 1994 of op een bij koninklijk besluit te bepalen ander tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 58
Deze wet wordt aangehaald als: Organisatiewet Kadaster.