40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
182 lines
7.1 KiB
Markdown
182 lines
7.1 KiB
Markdown
---
|
|
titel: Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1996-1997
|
|
bwb_id: BWBR0007446
|
|
type: ministeriele-regeling
|
|
status: geldend
|
|
datum_inwerkingtreding: '1996-08-01'
|
|
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0007446
|
|
citeertitel: Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1996-1997
|
|
---
|
|
|
|
# Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1996-1997
|
|
|
|
### Artikel 1
|
|
|
|
De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen v.w.o. in het schooljaar 1996/1997 zijn:
|
|
|
|
A. A.
|
|
(sociale geografie van het Koninkrijk der Nederlanden)
|
|
A1. A1.
|
|
Het Nederlandse landschap - Duinlandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)
|
|
A2. A2.
|
|
Het Nederlandse landschap - Krijt-lösslandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)
|
|
A3. A3.
|
|
Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987)
|
|
A4. A4.
|
|
Milieugeografie van Nederland: Nederland en de internationale milieuproblemen ( bijlage 1 bij regeling VO/BOB 94024743 van 7 juni 1994, Uitleg OenW-Regelingen 1994, 17a)
|
|
A5. A5.
|
|
De Nederlander en de milieugebruiksruimte ( bijlage 2 bij regeling VO/BOB 94024743 van 7 juni 1994, Uitleg OenW-Regelingen 1994, 17a)
|
|
B. B.
|
|
(de overige onderwerpen)
|
|
B1. B1.
|
|
Marokko (bijlage III bij regeling VO/AV/BE 894375 van 16 april 1989, Uitleg OenW-Regelingen 1989, 11).
|
|
B2. B2.
|
|
De voormalige USSR ( bijlage 1 bij regeling VO/BOB 92078336 van 6 januari 1993, Uitleg OenW-Regelingen 1993, 2).
|
|
|
|
### Artikel 2
|
|
|
|
De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen h.a.v.o. in het schooljaar 1996/1997 zijn:
|
|
|
|
A. A.
|
|
(sociale geografie van het Koninkrijk der Nederlanden):
|
|
A1. A1.
|
|
Het Nederlandse landschap - Duinlandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)
|
|
A2. A2.
|
|
Het Nederlandse landschap - Krijt-lösslandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)
|
|
A3. A3.
|
|
Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987)
|
|
A4. A4.
|
|
Nederland Distributieland: Mainports ( bijlage 3 bij bij regeling VO/BOB 94024743 van 7 juni 1994, Uitleg OenW-Regelingen 1994, 17a)
|
|
B. B.
|
|
(overig onderwerp): I. Frankrijk ( Regeling VO/AVV/OB/VOII-90029415 van 14 mei 1990, Uitleg OenW-Regelingen 1990, 15).
|
|
|
|
### Artikel 3
|
|
|
|
De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen aardrijkskunde m.a.v.o. en v.b.o.-C/D in het schooljaar 1996/1997 zijn:
|
|
|
|
I. I.
|
|
Spanje, ( bijlage bij regeling VO/BOB 93016313 van 7 mei 1993, Uitleg OenW-Regelingen 1993, 14).
|
|
II. II.
|
|
De Nederlanders en hun vakantiebestemmingen (bijlage 1 bij deze regeling).
|
|
|
|
### Artikel 4
|
|
|
|
Deze regeling met bijlagen zal in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
|
|
|
|
### Artikel 5
|
|
|
|
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996.
|
|
|
|
### Artikel 6
|
|
|
|
Deze regeling wordt aangehaald als: Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1996-1997.
|
|
|
|
## Bijlage . Examenstructuur
|
|
|
|
"De Nederlanders en hun vakantiebestemmingen"
|
|
|
|
A. Omschrijving van de examenstof
|
|
|
|
Het betreft hier:
|
|
|
|
1. De begrippen toerisme en toeristische voorzieningen.
|
|
|
|
2. Geografische factoren die complementariteit van gebieden veroorzaken: het klimaat, het landschap en de cultuur.
|
|
|
|
3. Toerisme als een vorm van interactie tussen complementaire gebieden.
|
|
|
|
4. De relaties tussen toerisme en economie, tussen toerisme en milieu en tussen toerisme en cultuur.
|
|
|
|
5. De schaalvergroting in het toerisme door de kleiner wordende relatieve afstand: meer mensen, vaker en verder weg.
|
|
|
|
B. Nadere uitwerking van de examenstof
|
|
|
|
Van de kandidaten wordt verwacht dat zij:
|
|
|
|
1. Toerisme kunnen onderscheiden in:
|
|
|
|
· inkomend en uitgaand
|
|
|
|
· georganiseerd en niet-georganiseerd
|
|
|
|
· aktief en passief
|
|
|
|
· massatoerisme en elite-toerisme.
|
|
|
|
2. Kennis hebben van de verschillende eisen die deze vormen van toerisme stellen aan toeristische voorzieningen.
|
|
|
|
3. Complementariteit van gebieden kunnen verklaren met behulp van de geografische factoren klimaat, landschap en cultuur.
|
|
|
|
4. In algemene termen de schaalvergroting van het toerisme in verband kunnen brengen met economische gevolgen, met toenemende milieubelasting en sociaal-culturele gevolgen voor de bestemmingsgebieden.
|
|
|
|
C. Benaderingswijze
|
|
|
|
Er is gekozen voor een regionale benaderingswijze. De kennis en vaardigheden bij dit onderwerp worden getoetst aan de hand van een zestal regio's die veel Nederlanders als vakantiebestemming kiezen.
|
|
|
|
Deze regio's zijn:
|
|
|
|
1. Zeeland
|
|
|
|
2. Turkije
|
|
|
|
3. Caraïbisch gebied
|
|
|
|
4. Waddengebied
|
|
|
|
5. Alpengebied
|
|
|
|
6. Indonesië
|
|
|
|
I. Voor alle regio's 1 t/m 6 geldt dat van de kandidaten verwacht wordt dat zij de complementariteit van deze regio's voor de (Nederlandse) toerist kunnen beschrijven en verklaren met eerdergenoemde geografische factoren.
|
|
|
|
II. Voor de regio's 1, 2 en 3 geldt dat de kandidaten de economische betekenis van het toerisme kunnen aangeven (toeristenbalans, de verandering in werkgelegenheid, niveau van toeristische voorzieningen, bijdrage aan BRP en BNP, belang van politieke rust).
|
|
|
|
Voor de regio's 4 en 5 geldt dat de kandidaten de milieugevolgen van het toerisme kunnen aangeven (problemen met drinkwatervoorziening en afval, belasting milieu door verkeer en infrastruktuur, gebieden met een hoge milieu- of natuurwaarde trekken toeristen aan en worden door toerisme bedreigd).
|
|
|
|
Voor regio's 6 geldt dat de kandidaten de confrontatie tussen culturen en de invloed op normen en waarden kunnen aangeven.
|
|
|
|
D. Stappenplan
|
|
|
|
De kandidaten moeten in staat zijn de hierboven beschreven ontwikkelingen te beoordelen. Ze doen dat m.b.v. de stappen: beschrijven, analyseren, evalueren.
|
|
|
|
E. Centrale begrippen
|
|
|
|
Relevante termen en begrippen die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basis-kennis behoren, worden bekend verondersteld. Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld:
|
|
|
|
toeristenbalans, inkomend en uitgaand toerisme, absolute en relatieve afstand, seizoensverlenging, vakantiespreiding, complementariteit.
|
|
|
|
F. Topografie
|
|
|
|
1. Zeeland
|
|
|
|
Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, Schouwen-Duiveland, Zuid- en Noord-Beveland, Westerschelde, Oosterschelde, Grevelingen, Renesse, Domburg, Westkapelle, Middelburg, Vlissingen, Breskens.
|
|
|
|
2. Turkije
|
|
|
|
Istanbul, Ankara, Izmir, Antalya, Cappadocië, Pamukkale, Egeïsche Zee, Middellandse Zee, Golf van Antalya.
|
|
|
|
3. Caraïbisch gebied
|
|
|
|
Cuba, Jamaica, Aruba, Bonaire, Cura$ao, Sint-Maarten, Barbados, Bahama's, Dominicaanse Republiek, Isla Margarita.
|
|
|
|
4. Waddengebied
|
|
|
|
Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog, Den Helder, Den Burg, De Koog, West-Terschelling, Harlingen, Holwerd, Lauwersoog.
|
|
|
|
5. Alpengebied
|
|
|
|
Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Oostenrijk, Slovenië, L'AIpe d'Huez, Chamonix, Val d'lsere, Davos, Sankt Moritz, Innsbruck.
|
|
|
|
6. Indonesië
|
|
|
|
Jawa, Sumatera, Kalimantan, Sulawesi, Bali, Maluku, Kleine Sunda-Eilanden, Irian Jaya, Jakarta, Surabaya, Yogyakarta, Medan, Denpasar.
|
|
|
|
N.B.
|
|
|
|
Voor dit onderwerp moeten kandidaten een aantal vaardigheden geoefend hebben die ook op het C.E. getoetst kunnen worden.
|
|
|
|
De belangrijkste zijn:
|
|
|
|
1. De kandidaten moeten verbanden kunnen leggen tussen ontwikkelingen op verschillende ruimtelijke schaal: Nederland, Europa en de wereld.
|
|
|
|
2. De kandidaten moeten informatie uit velerlei bron kunnen verwerken, waarbij kaarten centraal staan.
|