rijk/ministeriele-regeling/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande-ouders-1999/BWBR0010129/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

14 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 BWBR0010129 ministeriele-regeling geldend 1999-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010129 Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999

Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen.

Artikel 2

1.

De minister verstrekt op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door de gemeenten in het kalenderjaar 1999 te maken kosten voor kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:

a. a. algemene bijstand ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet en:

        1º.
        betaalde arbeid verrichten, of 
      
      
        2º.
        ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid;

1º. 1º. betaalde arbeid verrichten, of 2º. 2º. ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid; b. b. geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het direct daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden, de Regeling in- en doorstroom-banen voor langdurig werklozen of de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten; c. c. een uitkering ontvangen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.

2. Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstands-uitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 3

1. De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.

2.

In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:

a. a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan; b. b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a; c. c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten; d. d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan; e. e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt; f. f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.

3.

Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:

a. a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan 6 weken, en b. b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan 2 weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt.

4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.

5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinder-opvangplaats aanspraak bestaat op een andere subsidie.

Artikel 4

1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt f 92.200.000,-.

2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag genoemd in het eerste lid bepaald naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders, dat volgens de facetten-code CBS per ultimo 1996 in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling het equivalent is van één volledige kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

3. Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister herzien en bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 5

1. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 19.515,-.

2. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van halve-dagopvang of buitenschoolse opvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 12.880,-.

3. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 7.810,-.

4.

De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:

a. a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, voor minder dan vijf werk- of studiedagen van de week wordt overeengekomen of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, of b. b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het derde lid, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt overeengekomen.

5. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel.

Artikel 6

1. Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag om in aanmerking te komen voor de subsidie bij de minister in vóór 1 april 1999.

2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1999 door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.

3. Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.

4. Indien burgemeester en wethouders vóór 1 april 1999 geen aanvraag indienen kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugvorderen.

5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

6. Burgemeester en wethouders van gemeenten die de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend ontvangen vóór 1 juni 1999 van de minister een beschikking tot subsidie-verlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 1999 is opgenomen.

Artikel 7

1. De minister betaalt op of omstreeks 15 januari 1999 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.

2. Gemeenten die over het jaar 1997 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997 en over het jaar 1998 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 hebben ingediend, ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 februari 1999 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of om-streeks 15 februari 1999.

3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 1999 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd.

Artikel 8

1. Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 2000 aan de minister opgave van de in het kalenderjaar 1999 voor subsidie in aanmerking komende kosten voor kinderopvang, bedoeld in deze regeling. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op een bedrag van meer dan f 20.000,-, voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.

2. De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3 respectievelijk bijlage 4.

3. De verklaring van de deskundige, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.

Artikel 9

1.

Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van de directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen, die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie terzake van belang zijnde bescheiden.

Artikel 10

Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in artikel 3, eerste lid, bedoelde overeen-komsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente een overeenkomst sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.

Artikel 11

1. Met inachtneming van de artikelen 2, 3 en 5 stelt de minister de subsidie vast binnen 12 maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 8, eerste lid.

2. Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen.

Artikel 12

1. Burgemeester en wethouders van een gemeente die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 in het jaar 1999 oordelen over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, nemen daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verleent.

2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van artikel 10 juncto artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1994 tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.

3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999.

Bijlage 1

Bijlage 2

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3

[afbeelding]

[afbeelding]