rijk/zbo/beleidsregel-beschikbaarheidbijdrage-academische-zorg-2026/BWBR0051350/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

395 lines
28 KiB
Markdown
Raw Blame History

This file contains invisible Unicode characters

This file contains invisible Unicode characters that are indistinguishable to humans but may be processed differently by a computer. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

This file contains Unicode characters that might be confused with other characters. If you think that this is intentional, you can safely ignore this warning. Use the Escape button to reveal them.

---
titel: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026
bwb_id: BWBR0051350
type: zbo
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2026-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0051350
citeertitel: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026
---
# Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026
### Artikel 1
In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:
- *Academische zorg:*
Het uitvoeren van topreferente zorg, innovatieve zorg en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in onderdeel B van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (Stb. 2012, 396).
- *Academische zorgomzet:*
De zorgomzet, inclusief het opleidingsfonds en de beschikbaarheidbijdragen, maar exclusief de beschikbaarheidbijdrage academische zorg, in de enkelvoudige jaarrekening. De werkplaatsfunctie wordt in de academische zorgomzet niet meegenomen.
- *Beschikbaarheidbijdrage:*
Bijdrage als genoemd in artikel 56a Wmg.
- *BBAZ:*
Beschikbaarheidbijdrage academische zorg.
- *Besluit:*
Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van 24 augustus 2012.
- *Bijlage:*
Bijlage B bij artikel 2 van het Besluit.
- *DIS (dbc-Informatiesysteem):*
Digitale databank zoals omschreven in de Regeling verplichte aanlevering minimale dataset medisch specialistische zorg (MDS).
- *Gedeelde dbc-zorgproducten:*
Deze zorgproducten worden geleverd door zowel de ontvangers van de BBAZ als de overige instellingen voor medisch specialistische zorg. De tarieven van deze dbc-zorgproducten zijn gebaseerd op kostengegevens van zowel ontvangers als niet ontvangers van de BBAZ. Het gaat om alle dbc-zorgproducten die niet als unieke dbc-zorgproducten zijn gedefinieerd. De unieke dbc-zorgproducten zijn opgenomen in bijlage 2 van deze beleidsregel.
- *Minister:*
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
- *NWO-lijst:*
Een lijst van kennisinstellingen die door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zijn opgenomen in de NWO Subsidieregeling 2024 als instelling, waarvan onderzoekers subsidie kunnen aanvragen.
- *Labelscore:*
Het aantal of het percentage topreferente patiënten voor een bepaald label.
- *Labelsystematiek:*
De labelsystematiek bestaat uit zeven te onderscheiden patiëntgebonden labels. Per label zijn variabelen bepaald die van toepassing kunnen zijn op een patiënt; valt een patiënt onder een van deze labels, dan is sprake van een topreferente patiënt.
- *Ontvangers:*
De ontvangers van de bbaz die op basis van de toegangscriteria zoals opgenomen in artikel 5 van de beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025 recht hebben op een beschikbaarheidbijdrage.
- *Poortspecialisme:*
Het medisch specialisme waarnaar een patiënt wordt verwezen voor medisch-specialistische zorg. Als poortspecialismen worden de volgende specialismen onderscheiden: oogheelkunde (0301), KNO (0302), heelkunde/chirurgie (0303), plastische chirurgie (0304), orthopedie (0305), urologie (0306), gynaecologie (0307), neurochirurgie (0308), dermatologie (0310), inwendige geneeskunde (0313), kindergeneeskunde/neonatologie (0316), gastro-enterologie/mdl (0318), cardiologie (0320), longgeneeskunde (0322), reumatologie (0324), allergologie (0326), revalidatie (0327), cardio-pulmonale chirurgie (0328), consultatieve psychiatrie (0329), neurologie (0330), klinische geriatrie (0335), radiotherapie (0361) en sportgeneeskunde (8416).
- *Referentie kostprijs:*
De landelijk gemiddelde kostprijzen berekend over 2024 van de dbc-zorgproducten die gekoppeld zijn aan deze subtrajecten ge(de)ïndexeerd naar het niveau van het jaar waar de ontvangers zich over dienen te verantwoorden. In de referentie kostprijs zijn de kostprijzen van de huidige ontvangers van de bbaz meegewogen.
*Topreferente zorg:*
Zeer specialistische patiëntenzorg die:
gepaard gaat met bijzondere diagnostiek en behandeling waarvoor geen doorverwijzing meer mogelijk is;
een infrastructuur vereist waarbinnen vele disciplines op het hoogste deskundigheidsniveau samenwerken; en
is gekoppeld aan fundamenteel patiëntgericht onderzoek.
De definitie van topreferente zorg is vastgelegd in de positioneringsnotas umcs, alsmede in de Kamerbrief van 12 juli 2019 over de positie en rol van umcs.
• •
gepaard gaat met bijzondere diagnostiek en behandeling waarvoor geen doorverwijzing meer mogelijk is;
• •
een infrastructuur vereist waarbinnen vele disciplines op het hoogste deskundigheidsniveau samenwerken; en
• •
is gekoppeld aan fundamenteel patiëntgericht onderzoek.
- *Topreferente patiënt:*
Patiënt die topreferente zorg ontvangt.
- *Ontwikkeling en Innovatie (O&I):* Ontwikkeling en Innovatie hebben betrekking op het bedenken, uitproberen, systematisch uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en vormen van diagnostiek. Het betreft uitsluitend die vormen van ontwikkeling en innovatie die steunen op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.
(1) *Unieke dbc-zorgproducten:*
Zorgproducten die vrijwel uitsluitend geleverd worden door de huidige ontvangers van de BBAZ. Zorgproducten worden als uniek beschouwd op grond van een van de volgende 5 redenen:
(1)
als producten voor 95% of meer door BBAZ ontvangers worden uitgevoerd in de periode van 2022 tot en met 2024.
(2)
producten die geen aantallen kennen maar wel wbmv-vergunningen. In dit geval wordt een product als uniek beschouwd als de BBAZ ontvangers alleen een wbmv-vergunning hebben en andere instellingen niet.
(3)
Producten die minder dan 30 keer voorkomen in 2023 en bij de voorgaande bepaling van de unieke zorgproducten als uniek beschouwd zijn.
(4)
Producten die voor tussen de 90% en 95% door BBAZ ontvangers worden uitgevoerd en bij de voorgaande bepaling van de unieke zorgproducten als uniek werden beschouwd op basis van criterium (1).
(5)
Op inhoudelijke argumenten kunnen de unieke zorgproducten aangepast worden op basis van expert opinie. De producten die we als uniek definiëren voor de bbaz 2025 zijn in bijlage 2 opgenomen.
(1) (1)
als producten voor 95% of meer door BBAZ ontvangers worden uitgevoerd in de periode van 2022 tot en met 2024.
(2) (2)
producten die geen aantallen kennen maar wel wbmv-vergunningen. In dit geval wordt een product als uniek beschouwd als de BBAZ ontvangers alleen een wbmv-vergunning hebben en andere instellingen niet.
(3) (3)
Producten die minder dan 30 keer voorkomen in 2023 en bij de voorgaande bepaling van de unieke zorgproducten als uniek beschouwd zijn.
(4) (4)
Producten die voor tussen de 90% en 95% door BBAZ ontvangers worden uitgevoerd en bij de voorgaande bepaling van de unieke zorgproducten als uniek werden beschouwd op basis van criterium (1).
(5) (5)
Op inhoudelijke argumenten kunnen de unieke zorgproducten aangepast worden op basis van expert opinie. De producten die we als uniek definiëren voor de bbaz 2025 zijn in bijlage 2 opgenomen.
- *Variabel deel BBAZ:*
Deel van de beschikbaarheidbijdrage dat de meerkosten van de behandelde topreferente patiënten dekt indien de behandelende instelling voldoet aan de toegangscriteria van de bbaz.
- *Vast deel BBAZ:*
Deel van de beschikbaarheidbijdrage dat de kosten dekt voor het in stand houden van de kennis en infrastructuur voor het continu kunnen leveren van topreferente zorg.
### Artikel 2
Voor een aantal zorgactiviteiten en voorzieningen van zorgaanbieders is het niet mogelijk of wenselijk om deze rechtstreeks aan zorgproducten voor individuele consumenten toe te rekenen. Het gaat om specifieke functies of kenmerken van de zorgverlening, zoals beschikbaarheid, specifieke deskundigheid of specifieke voorzieningen. Dit heeft ook betrekking op onderdelen van de academische zorg.
Het doel van deze beleidsregel betreft het vergoeden van de kosten voor die voor bepaalde zorgaanbieders ontstaan omdat zij permanent voorzieningen (in mensen en infrastructuur) aanhouden die hen in staat stellen op elk moment, in wisselwerking met de laatste stand van de wetenschap, zorg te bieden aan topreferente patiënten en welke vallen onder academische zorg.
### Artikel 3
Deze beleidsregel is van toepassing op medisch specialistische zorg in de vorm van academische zorg.
### Artikel 4
Bij het Besluit heeft de Minister de in artikel 3 van het Besluit genoemde vorm van zorg aangewezen waarvoor de NZa een beschikbaarheidbijdrage kan vaststellen. Mede op basis van dit Besluit heeft de NZa onderhavig beleid ten aanzien van de verstrekking van de BBAZ aan zorgaanbieders vastgesteld.
Het Uniform kader BR/REG-26136 omschrijft de procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verlening en de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage door de NZa.
In artikel 9 van het Uniform Kader wordt een afbouwperiode beschreven in geval van beëindiging van een beschikbaarheidbijdrage. In het geval dat tot een dergelijke afbouwperiode wordt overgegaan zal dit bekostigd worden uit het financiële kader van de beschikbaarheidbijdrage zoals beschreven is in artikel 5 lid 3 sub b.
In enkele gevallen is een uitzondering op de uniforme procedure nodig. Deze uitzondering staat in dat geval omschreven in deze beleidsregel.
Indien een aanvraag voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 5 en aan de zorgfunctie-specifieke bepalingen zoals opgenomen in deze beleidsregel zal de NZa op grond van artikel 56a, zevende lid, van de Wmg de zorgaanbieder belasten met een dienst van algemeen economisch belang of dienst van algemeen belang.
De bedragen die worden verleend en vastgesteld op basis van deze beleidsregel zijn op het voorlopige prijspeil 2026. Dat houdt in dat bij de verlening van de beschikbaarheidbijdrage rekening wordt gehouden met de voorlopige indexen 2026. Bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage wordt rekening gehouden met de definitieve indexen 2026.
Voor de indexering wordt de verhouding personeel/materieel aangehouden op dezelfde voet als de periode tot 2020. Naast een index voor personeel en materieel wordt ook geïndexeerd voor de demografische groei. De index voor demografische groei wordt berekend over het totale bedrag van de subsidie.
### Artikel 5
Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria:
a. a.
Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN-traject; én
b. b.
er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit. Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie zijn ondergebracht; én
c. c.
zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk element is.
In aanvulling op het bovenstaande geldt:
Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium halen. Hierbij gaat het om de jaren 2019, 2022 en 2023. Als gevolg van de impact van COVID-19 op de jaren 2020 en 2021 blijven deze jaren buiten beschouwing in de beoordeling. Voor het toelatingscriterium worden zowel unieke als gedeelde zorgproducten meegeteld om het percentage topreferente patiënten te berekenen.
Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft belang en omvang.
Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en in stand houden van een op kennisoverdracht gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg. Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling).
Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten opzichte van het aantal medische specialisten.
De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen;
De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen.
De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening. Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch beoordelen.
Binnen de BBAZ worden twee compartimenten onderscheiden:
a. a.
Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd wordt via prestaties en tarieven;
b. b.
Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd via prestaties en tarieven.
a. a.
De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken, uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling & innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten.
b. b.
De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 1 € 1.046.574.319 dit bedrag is exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC.
c. c.
De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 2 € 15.034.510
d. d.
Binnen het bedrag genoemd in lid b) is € 619.738 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek.
e. e.
Naar aanleiding van de fusie tussen het Amsterdam Medisch Centrum en het Vrij Universiteit Medisch Centrum per 1 januari 2024 is de volgende gefaseerde overgang van toepassing1De bedragen in deze tabel zijn opgenomen op basis van prijspeil 2024.:
Overgangsbedrag
6.509.034
2024 (75% van totaal)
4.881.776
2025 (50% van totaal)
3.254.517
2026 (25% van totaal)
1.627.259
De bedragen zijn afgerond op hele euros.
Voor het jaar 2026 is 65% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg en 35% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel.
a. a.
Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over het jaar 2023 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek exclusief patiënten die uitsluitend unieke zorgproducten ontvangen.
Hiervoor maken we gebruik van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2025.
De labels van de labelsystematiek:
1.
Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2.
Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3.
Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4.
Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5.
Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6.
Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7.
Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld. De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in de bijlage 1 bij deze beleidsregel.
1. 1.
Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. 2.
Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3. 3.
Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. 4.
Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. 5.
Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. 6.
Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. 7.
Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
b. b.
Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Indien de academische zorgomzet niet direct uit de jaarrekeningen volgt vragen we deze informatie aanvullend op bij de aanbieder en behoudt de NZa zich het recht voor om deze aanvullende informatie te onderzoeken en toetsen.
c. c.
In afwijking op het uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober van jaar t-1 worden ingediend.
d. d.
In het geval van een juridische fusie tussen BBAZ ontvangers is er ten aanzien van de hoogte van het subsidiebedrag een gefaseerde overgang om schokeffecten te voorkomen. Dit is alleen het geval indien als gevolg van de fusie de totale BBAZ-subsidie van de fuserende BBAZ-ontvangers meer dan 1% daalt. Om die daling te berekenen wordt daartoe het subsidiebedrag voor 2026 van de nieuwe gefuseerde instelling vergeleken met het de opgetelde subsidiebedragen van de afzonderlijke fusiepartners voor 2026 (berekend op basis van deze beleidsregel) als er geen fusie zou zijn, dit gebaseerd op de DIS-cijfers die gehanteerd worden voor de verlening, en volgens de berekeningswijze van deze beleidsregel.
Het verschil tussen deze twee berekeningen, als het een daling is, noemen we het overgangsbedrag en wordt bij de verlening in het eerste jaar waarin de fusie een feit is berekend en later niet meer herrekend als gevolg van recentere DIS-gegevens. Het overgangsbedrag wordt wel aangepast door indexatie op dezelfde wijze als dat gebeurt met de andere BBAZ-subsidiebedragen.
Op het totaal beschikbare variabele deel wordt in het eerste subsidiejaar waarin de fusie een feit is 75 procent van het overgangsbedrag in mindering gebracht, in het daarop volgende jaar 50 procent en in het daar weer op volgende jaar 25 procent. Het restant van het beschikbare variabele deel wordt verdeeld volgens deze beleidsregel. Het op het variabele deel gekorte deel van het overgangsbedrag wordt elk jaar, ná de verdeling van het restant van het beschikbare variabele budget, toegekend aan de nieuwe gefuseerde instelling in aanvulling op het bedrag waar de nieuwe gefuseerde instelling in dat jaar volgens de verdeling op basis van deze beleidsregel recht op heeft.
De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van negen kostencategorieën op basis van het jaar 2026:
1. 1.
innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. 2.
ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. 3.
(nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. 4.
randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. 5.
beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. 6.
kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. 7.
ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. 8.
databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. 9.
overkoepelende kosten.
De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord aan de hand van de meerkosten voor de topreferente patiënten op basis van de labelsystematiek. Deze worden berekend door de kosten voor de academische patiënten af te zetten tegen de referentiekostprijs voor de door de topreferente patiënten ontvangen zorg.
Een instelling waarvoor als gevolg van een fusie artikel 5 lid 5 sub d van toepassing is, dient ook de daar berekende additionele subsidie te verantwoorden.
De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van de nadere regel en het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies is afgeweken wordt dit gemotiveerd.
In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds. Dit bedrag wordt vervolgens beschikbaar gesteld voor de BBAZ-ontvangers die meer verantwoord hebben dan het bedrag dat zij op basis van de oorspronkelijke verdeling voor de vaststelling zouden ontvangen, maar nooit meer dan de oververantwoording. Het vastgestelde accountantsprotocol is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische zorg.
Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek.
a. a.
In de vaststelling worden patiënten die uitsluitend unieke dbc-zorgproducten ontvangen niet meegeteld.
b. b.
Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2024 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2027 gebruikt.
c. c.
Bij de vaststelling wordt bij de verdeling bij een fusie de methodiek als beschreven in artikel 5 lid 5 sub d toegepast.
d. d.
Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling.
e. e.
Het vaste deel wordt vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2025.
f. f.
Tussentijdse berekening
De NZa zal uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 aan de ontvangers uit het 1e compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over het jaar 2024. De NZa zal zodra dit beschikbaar is tevens inzicht geven in de verdeling op basis van de academische zorgomzet 2025.
g. g.
Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2024 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2027 gebruikt.
### Artikel 6
De Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025, met kenmerk BR/REG-25144, die een geldigheidsduur had tot en met 31 december 2024 moet zijn 31 december 2025, is met ingang van de dag na de laatstgenoemde datum van rechtswege komen te vervallen.
### Artikel 7
De Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025, met kenmerk BR/REG 25144, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold.
### Artikel 8
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de Bekendmakingswet, zal deze beleidsregel in de Staatscourant worden geplaatst.
De beleidsregel ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op www.nza.nl.
### Artikel 9
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026.
Bijlage 1 Functionele omschrijving labelsystematiek
Bijlage 2 Lijst unieke dbc-zorgproducten
Bijlage 3 DRG tabel
Bijlage 2 en 3 liggen ter inzage bij de NZa en zijn te raadplegen op www.nza.nl
## Bijlage 1
## Bijlage 2
Ligt ter inzage bij de NZa en is gepubliceerd op www.nza.nl.
## Bijlage 3
Ligt ter inzage bij de NZa en is gepubliceerd op www.nza.nl.