rijk/wet/invoerings-en-aanpassingswet-politiewet-2012/BWBR0031794/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

17 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012 BWBR0031794 wet geldend 2013-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0031794 Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012

Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012

Hoofdstuk 1. Invoering van de

Artikel 1

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de korpsbeheerders van de regios, bedoeld in artikel 21 van de Politiewet 1993, eervol uit hun ambt ontslagen.

Artikel 2

1. Het personeel van de regios, van het Korps landelijke politiediensten en van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland gaat op de datum van inwerkingtreding van deze wet over in dienst van de politie op dezelfde voet en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als waarin het op de dag, voorafgaand aan die datum, werkzaam was.

2. Op de datum van inwerkingtreding van artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 blijft voor de vervulling van en benoeming in de functies, genoemd in bijlage A van deze wet, hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie buiten toepassing. Artikel 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 is hierop niet van toepassing.

Artikel 3

1. De vermogensbestanddelen van de regios, van de Staat die aan het Korps landelijke politiediensten kunnen worden toegerekend, en van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de politie zonder dat daarvoor een akte of betekening wordt gevorderd.

2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bepaalde vermogensbestanddelen van de Staat die aan het Korps landelijke politiediensten kunnen worden toegerekend, uitzonderen van de in het eerste lid bedoelde overgang.

3. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen die in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van de regios en Onze Minister van Veiligheid en Justitie, voor zover het betreft de voorziening tot samenwerking Politie Nederland en het Korps landelijke politiediensten, aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

4. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 4

1. Archiefbescheiden van de regios, het Korps landelijke politiediensten en de voorziening tot samenwerking Politie Nederland betreffende zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan alsmede zaken die op dat tijdstip zijn afgedaan, worden overgedragen aan de politie, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

2. Archiefbescheiden van Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover betrekking hebbend op de rijksrecherche betreffende zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het College van procureurs-generaal, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel 5

1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij een regio, het Korps landelijke politiediensten of de voorziening tot samenwerking Politie Nederland is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet de politie, dan wel de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, in de plaats van de regio, de Staat of de voorziening tot samenwerking Politie Nederland, dan wel de korpsbeheerder van de regio, Onze Minister van Veiligheid en Justitie of de voorzitter van het algemeen bestuur van voorziening tot samenwerking Politie Nederland.

2. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij de rijksrecherche is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet het College van procureurs-generaal in de plaats van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikel 6

1. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan een bestuursorgaan van een regio, van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland of Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor wat betreft het Korps landelijke politiediensten, treedt de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van dat bestuursorgaan.

2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor wat betreft de rijksrecherche, treedt het College van procureurs-generaal op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikel 7

1. Na inwerkingtreding van deze wet berusten de algemene maatregelen van bestuur, genoemd in bijlage B van deze wet, voor zover deze berustten op de Politiewet 1993, op de in deze bijlage genoemde artikelen van de Politiewet 2012.

2. Na inwerkingtreding van deze wet berusten de ministeriële regelingen, genoemd in bijlage C van deze wet, voor zover deze berustten op de Politiewet 1993, op de in deze bijlage genoemde artikelen van de Politiewet 2012.

3. Na inwerkingtreding van deze wet berusten de krachtens artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 genomen besluiten van Onze Minister van Veiligheid en Justitie op artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012.

4. Na inwerkingtreding van deze wet berust de Beschikking van de Minister van Justitie van 25 september 2003, houdende aanwijzing van functionarissen en ambtenaren in het arrondissement Amsterdam voor de uitvoering van de dienst bij de gerechten en het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd (Stcrt. 189), voor zover deze berustte op de Politiewet 1993, op artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 2012.

5. Na inwerkingtreding van deze wet berusten de bij of krachtens de artikelen 25, eerste en derde lid, en 42, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 52 van de Politiewet 1993 genomen koninklijke besluiten op artikel 28, derde lid, onderscheidenlijk 45, tweede lid, van de Politiewet 2012.

6. Na inwerkingtreding van deze wet wordt een aanwijzing als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 van de korpsbeheerder van een regionaal politiekorps of Onze Minister van Veiligheid en Justitie wat betreft het Korps landelijke politiediensten, aangemerkt als een aanwijzing van de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, ten aanzien van de in de aanwijzing genoemde persoon bij de regionale eenheid in het gebied waar hij op de dag voor inwerkingtreding van deze wet werkzaam was onderscheidenlijk bij een landelijke eenheid. Na inwerkingtreding van deze wet wordt de aan de aanwijzing gegeven instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangemerkt als een instemming ten aanzien van de in de aanwijzing genoemde persoon bij de in de eerste volzin bedoelde regionale eenheid of landelijke eenheid. Een aan de instemming verbonden bepaling dat bij wijziging van de functieaanduiding, dan wel bij inhoudelijke wijziging van de functie, de aanwijzing vervalt, blijft buiten toepassing.

Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 1. Ministerie van Algemene Zaken

Artikel 8

Wijzigt de Noodwet rechtspleging.

Artikel 9

Wijzigt de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

Artikel 10

Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Artikel 11

Wijzigt het Wetboek van Koophandel.

Paragraaf 2. Ministerie van Veiligheid en Justitie

Artikel 12

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 13

Wijzigt de Faillissementswet.

Artikel 14

Wijzigt de Overleveringswet.

Artikel 15

Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.

Artikel 16

Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming.

Artikel 17

Wijzigt de Uitvoeringswet Speciaal Tribunaal voor Libanon.

Artikel 18

Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering.

Artikel 19

Wijzigt de Veiligheidswet BES.

Artikel 20

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 21

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 22

Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 23

Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 23a

Wijzigt de Wet controle op rechtspersonen.

Artikel 24

Wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Artikel 25

Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 26

Wijzigt de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

Artikel 27

Wijzigt de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 28

Wijzigt de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

Artikel 29

Wijzigt de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Artikel 30

Wijzigt de Wet politiegegevens.

Artikel 31

Wijzigt de Wet tijdelijk huisverbod.

Artikel 32

Wijzigt de Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991.

Artikel 33

Wijzigt de Wet veiligheidsregios.

Artikel 34

Wijzigt de Wet wapens en munitie.

Artikel 35

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wet aanpassing bestuursprocesrecht.

Artikel 36

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wijzigingswet Algemene wet bestuursrecht, enz. (vastlegging uitzonderingen toepasselijkheid positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen Dienstenwet).

Artikel 37

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering, enz. (introductie DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en regeling enige andere onderwerpen).

Artikel 38

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken).

Artikel 39

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet politiegegevens, enz. (implementatie kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie 2008/977/JBZ).

Artikel 40

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet veiligheidsregios (oprichting Instituut Fysieke Veiligheid en in verband met de volledige regionalisering brandweer).

Artikel 41

Wijzigt de Politiewet 2012.

Artikel 42

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob.

Artikel 42a

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 9 september 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en diverse andere wetten in verband met de vermindering van het aantal arrondissementen en ressorten (Wet herziening gerechtelijke kaart) (32 891) tot wet is verheven, en artikel I van die wet later in werking treedt dan artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012, is er, in afwijking van artikel 25, tweede lid, van de Politiewet 2012, tot het tijdstip waarop artikel I van de Wet herziening gerechtelijke kaart in werking treedt, een regionale eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, van de Politiewet 2012 in elk van de gebieden, genoemd in de artikelen 4 tot en met 13 van de Wet op de rechterlijke indeling, zoals die luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart.

2. Degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 is benoemd in het ambt van hoofdofficier en voor wie op diezelfde dag is vastgesteld dat hij het ambt van hoofdofficier vervult bij het arrondissementsparket te Amsterdam, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te s-Gravenhage, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Maastricht, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Utrecht, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Haarlem, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Groningen, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te s-Hertogenbosch, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Arnhem, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Rotterdam, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Breda, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden opgedragen bij de Politiewet 2012 op als hoofdofficier van justitie in het gebied, genoemd in artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 onderscheidenlijk 13 van de Wet op de rechtelijke indeling, zoals dat luidt na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart.

3. Wijzigt de Wet veiligheidsregios.

4. Omtrent de uitoefening van de taken of bevoegdheden van de hoofdofficier van justitie, bedoeld in de artikelen 38, tweede lid, 39, eerste, tweede en derde lid, 41 en 71, zesde lid, van de Politiewet 2012 en de artikelen 12, eerste lid, 15, vierde lid, 19, eerste lid, 39, tweede lid, en 46, eerste lid, van de Wet veiligheidsregios, overlegt de hoofdofficier van justitie, bedoeld in het tweede lid, met de andere hoofdofficieren van justitie of fungerend hoofdofficieren van justitie in dat gebied.

Paragraaf 3. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel 43

Wijzigt de Gemeentewet.

Artikel 44

Wijzigt de Kieswet.

Artikel 45

Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 46

Wijzigt de Wet privatisering ABP.

Artikel 47

Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 48

Wijzigt de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel.

Artikel 49

1. Wijzigt deze wet.

2. Wijzigt de Wet modern migratiebeleid.

Artikel 50

Wijzigt de Politiewet 2012.

Artikel 51

Vervallen

Paragraaf 4. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 52

Wijzigt de Leerplichtwet 1969.

Paragraaf 5. Ministerie van Financiën

Artikel 53

Wijzigt de Algemene douanewet.

Artikel 54

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 55

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Paragraaf 6. Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Artikel 56

Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet.

Artikel 57

Wijzigt de Spoorwegwet.

Artikel 58

Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 59

Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 60

Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Paragraaf 7. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Artikel 61

Wijzigt de Flora- en faunawet.

Artikel 61a

Wijzigt de Visserijwet 1963.

Paragraaf 8. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel 62

Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

Artikel 63

Vervallen

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 64

1.

Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:

a. a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd, b. b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven, of c. c. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere minister dan Onze Minister van Veiligheid en Justitie,

geldt dat voorschrift niet ten aanzien van het Aanpassingsbesluit Politiewet 2012.

2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

Artikel 65

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 66

Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012.

Artikel 67

Voor het tijdstip van plaatsing in het Staatsblad vervangt Onze Minister van Veiligheid en Justitie de in deze wet voorkomende aanduiding «201X» door het jaartal van het Staatsblad, waarin het bij koninklijke boodschap van 21 november 2006 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet 2012) (30 880), na tot wet te zijn verheven, is geplaatst.

Bijlage A. als bedoeld in

Bijlage B. als bedoeld in

Bijlage C. als bedoeld in