40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
12 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2011 | BWBR0031080 | pbo | geldend | 2012-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0031080 | Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2011 |
Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2011
Artikel 1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE) 2011 (hierna: de Verordening) over en verstaat daarnaast onder:
Paragraaf . Hygiënogram
Artikel 2
1. Het hygiënogram als bedoeld in artikel 3 van de Verordening wordt uitgevoerd door een HOSOWO-instantie overeenkomstig het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2011.
2. Indien de uitslag van het hygiënogram kleiner dan of gelijk aan 1,5 is, dan hoeft de ondernemer geen vervolgmaatregelen in de stal te nemen.
3. Indien de uitslag van het hygiënogram groter dan 1,5 maar kleiner dan of gelijk aan 3,0 is, dan laat de ondernemer tijdens de eerstvolgende leegstandsperiode, nadat hij de stal heeft gereinigd en ontsmet, opnieuw een hygiënogram in de stal uitvoeren.
4. Indien de uitslag van het hygiënogram groter dan 3,0 is, dan dient de ondernemer tijdens de eerstvolgende leegstandsperiode de stal na het reinigen te laten ontsmetten door een ontsmettingsbedrijf. Aansluitend laat de ondernemer opnieuw een hygiënogram in de stal uitvoeren.
Paragraaf . Monsterneming in het kader van
Artikel 3
1.
De ondernemer die een opfokbedrijf uitoefent neemt de monsters als bedoeld in artikel 4 van de Verordening:
a. a. bij de plaatsing van het stalkoppel opfokkalkoenen op het opfokbedrijf, overeenkomstig Bijlage I; én b. b. vier weken na de plaatsing van het stalkoppel opfokkalkoenen op het opfokbedrijf, overeenkomstig Bijlage I; én c. c. twee weken voor de overplaatsing van het stalkoppel naar het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf, overeenkomstig Bijlage I.
2. De ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent neemt de monsters als bedoeld in artikel 4 van de Verordening één maal in de drie weken, vanaf de leeftijd van 30 weken van het stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen, overeenkomstig Bijlage I.
Paragraaf . Detectie en serotypering in het kader van
Artikel 4
1.
De ondernemer zorgt ervoor dat de monsters als bedoeld in artikel 4 van de Verordening binnen 24 uur na de monsterneming zijn verzonden naar een voor detectie van Salmonella erkend laboratorium.
2.
Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium Salmonella in een monster heeft gedetecteerd, dan zorgt de ondernemer ervoor dat dit monster onverwijld na de detectie wordt geserotypeerd door een voor serotypering erkend laboratorium.
Paragraaf . Melding uitslagen detectie en serotypering in het kader van
Artikel 5
1. Indien uit de uitslag van de serotypering blijkt dat in een monster van een stalkoppel opfokkalkoenen, fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow is aangetoond, dan zorgt de ondernemer ervoor dat deze uitslag binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, is gemeld aan de voorzitter en aan GD.
2. Indien uit de uitslag van de detectie blijkt dat in een monster van een stalkoppel opfokkalkoenen, fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen geen Salmonella is aangetoond of indien uit de uitslag van de serotypering blijkt dat in een monster van een stalkoppel een ander serotype Salmonella dan Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow is aangetoond, dan zorgt de ondernemer ervoor dat de negatieve uitslag van de detectie of de uitslag van de serotypering binnen tien werkdagen nadat deze bij hem bekend is, is gemeld aan de voorzitter.
3. De ondernemer die een opfokbedrijf uitoefent meldt slechts de uitslag van de detectie en, in geval van Salmonella, de serotypering van de monsters als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c) schriftelijk aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de kalkoenen afneemt.
4. Indien uit de uitslag van de serotypering blijkt dat in een monster van een stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow is aangetoond, dan zorgt de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent ervoor dat deze uitslag binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, is gemeld aan de kalkoenkuikenbroederij die de broedeieren van het bemonsterde stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen afneemt.
5.
De in het eerste en tweede lid bedoelde melding aan de voorzitter bevat naast de uitslag van het serotype Salmonella of de negatieve uitslag van de detectie de volgende gegevens:
-
-
KIP-nummer,
-
-
-
Activiteit: opfokkalkoenen, fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen,
-
-
-
Geboortedatum stalkoppel,
-
-
-
Stalnummer,
-
-
-
Datum monsterneming,
-
-
-
Type monster (houtwol, inlegvellen, swabs, overschoentjes),
-
-
-
Type onderzoek,
-
-
-
In geval van een negatieve uitslag de datum van de uitslag van de detectie,
-
-
-
In geval van een positieve uitslag de datum van de uitslag van de serotypering.
-
Paragraaf . Monsterneming in het kader van
Artikel 6
1. De voorzitter laat bij ten minste tien procent van de fokbedrijven of vermeerderingsbedrijven één maal per kalenderjaar monsters nemen als bedoeld in artikel 12 van de Verordening nemen.
2. De monsters worden genomen op de fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven waar de voorzitter op grond van de uitslag van de serotypering dan wel de uitslag van het verificatieonderzoek in de voorafgaande twaalf maanden een besmetting met Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium bij een stalkoppel fokkalkoenen en vermeerderingskalkoenen heeft vastgesteld.
3. De monsters worden door GD genomen bij alle stalkoppels fokkalkoenen en vermeerderingskalkoenen die op het betreffende vermeerderingsbedrijf of fokbedrijf aanwezig zijn.
4. Het onderzoek naar Salmonella van de monsters als bedoeld in artikel 12 van de Verordening kan in de plaats treden van het onderzoek naar Salmonella van de monsters als bedoeld in artikel 4 van de Verordening.
5. De voorzitter kan jaarlijks vermeerderingsbedrijven en fokbedrijven aanwijzen voor de monsterneming als bedoeld in artikel 12 van de Verordening, teneinde te verzekeren dat per kalenderjaar bij tien procent van het totale aantal vermeerderingsbedrijven en fokbedrijven deze monsterneming wordt uitgevoerd.
Paragraaf . Verificatieonderzoek
Artikel 7
1. Indien in het kader van artikel 4 dan wel artikel 12 van de Verordening aan de voorzitter is gemeld dat Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow in een monster van een stalkoppel is aangetoond, dan kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren bij het bemonsterde stalkoppel.
2. Indien een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd bij een stalkoppel opfokkalkoenen, dan mag de ondernemer dit stalkoppel niet overplaatsen totdat de uitslag van het verificatieonderzoek bekend is.
3. Indien een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd bij een stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen, dan mag de ondernemer de broedeieren die geproduceerd zijn door het betreffende stalkoppel niet van het bedrijf afvoeren totdat de voorzitter hiervoor toestemming geeft.
4. De ondernemer zorgt ervoor dat de uitslag van het verificatieonderzoek uiterlijk binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, is gemeld aan het bedrijf dat het bemonsterde stalkoppel heeft geleverd (kalkoenkuikenbroederij of opfokbedrijf) en aan het bedrijf dat de broedeieren van het bemonsterde stalkoppel afneemt (fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf respectievelijk kalkoenkuikenbroederij).
Paragraaf . Maatregelen bij een besmetting met Salmonella
Artikel 8
Indien de voorzitter op grond van het onderzoek naar Salmonella als bedoeld in artikel 4 van de Verordening dan wel artikel 12 van de Verordening een besmetting met Salmonella heeft vastgesteld bij een stalkoppel opfokkalkoenen, fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen, dan is de ondernemer verplicht om de maatregelen als bedoeld in artikel 5 van de Verordening uit te voeren dan wel uit te laten voeren (reiniging en ontsmetting, stalonderzoek, ruiming, verwerking of vernietiging van broedeieren).
Paragraaf . Stalonderzoek
Artikel 9
Het stalonderzoek als bedoeld in artikel 5 van de Verordening wordt uitgevoerd door een HOSOWO-instantie overeenkomstig het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2011.
Paragraaf . Bewaarplicht
Artikel 10
De ondernemer bewaart de uitslagen van het hygiënogram, de detectie, de serotypering, het verificatieonderzoek en het stalonderzoek gedurende ten minste twee jaren na ontvangst van de uitslagen.
Paragraaf . Slotbepaling
Artikel 11
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2011.
2. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en het treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Bijlage I. Bemonsteringsprogramma voor opfokbedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven
Dit werkvoorschrift beschrijft de monsterneming van houtwol zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van kalkoenen bij plaatsing op het opfokbedrijf. De monsters worden genomen op het opfokbedrijf door of in opdracht van de ondernemer.
Dit werkvoorschrift beschrijft de monsterneming van mest zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij opfokkalkoenen, fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen. De monsters worden genomen door of in opdracht van de ondernemer. De monsters moeten worden genomen volgens methode 1 of 2.
Benodigdheden
Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters
Bij de verzending van de monsters houdt de ondernemer of degene die de officiële monsterneming uitvoert zich aan het volgende:
Elke inzending van monsters naar het voor detectie erkende laboratorium moet vergezeld gaan van een inzendformulier met ten minste de volgende, duidelijk leesbare, gegevens. Indien deze gegevens of een gedeelte op een andere manier al bij het laboratorium bekend zijn dan hoeft dat niet opnieuw te worden doorgegeven.
Monsters dienen te worden gedetecteerd door een voor detectie erkend laboratorium, en in geval van de aanwezigheid van Salmonella, te worden geserotypeerd op alle typen Salmonella door een voor serotypering erkend laboratorium. De ondernemer zorgt ervoor dat het monster onverwijld na de detectie wordt geserotypeerd. Als het voor detectie erkende laboratorium niet tevens is erkend voor serotypering of het serotype Salmonella niet kan bepalen, dan zal dit laboratorium het monster verzenden naar een voor serotypering erkend laboratorium, zonder actieve tussenkomst van de ondernemer. De ondernemer dient daarom het voor detectie erkende laboratorium duidelijk opdracht te geven dat indien de detectie van een monster Salmonella aantoont, dit monster onverwijld wordt geserotypeerd.
Na ontvangst van de uitslag van het laboratorium meldt de ondernemer deze uitslag aan de voorzitter. Deze melding dient binnen één werkdag te gebeuren indien het Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow betreft. Overige serotypen Salmonella of een negatieve uitslag dient de ondernemer binnen tien werkdagen aan de voorzitter te melden.