40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
12 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit formalisering van enkele maatregelen uit de Overeenkomst arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk | BWBR0008359 | AMvB | geldend | 1996-12-20 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0008359 | Besluit formalisering van enkele maatregelen uit de Overeenkomst arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk |
Besluit formalisering van enkele maatregelen uit de Overeenkomst arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk
Hoofdstuk I. WIJZIGING VAN HET BEZOLDIGINGSBESLUIT BURGERLIJKE RIJKSAMBTENAREN 1984
Paragraaf 1. De algemene salarisverhoging per 1 oktober 1995
Artikel I
Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel II
1. Voor zover de onderdelen B en C van artikel I aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 die ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te geven richtlijn.
2. Voor zover de onderdelen B en C van artikel I aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel III
1. De bij de onderdelen B en C van artikel I aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
2. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen worden vervangen door onderscheidenlijk f 16 961,00 en f 15 903,00.
3. a. a. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden vervangen door onderscheidenlijk f 16 961,00, f 15 903,00 en f 14 911,00; b. b. De bedragen, genoemd in artikel 4, eerste lid, van voornoemde wet van 11 september 1964 worden voor de periode van 1 oktober 1995 tot 1 januari 1996 vervangen door onderscheidenlijk f 15 903,00 en f 13 982,00.
4. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman worden vervangen door onderscheidenlijk f 16 961,00 en f 14 911,00.
Paragraaf 2. De algemene salarisverhoging per 1 oktober 1996
Artikel IV
Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel V
1. Voor zover de onderdelen B en C van artikel IV aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 die ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te geven richtlijn.
2. Voor zover de onderdelen B en C van artikel IV aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel VI
1. De bij de onderdelen B en C van artikel IV aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
2. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 088,00 en f 16 022,00.
3. a. a. De bedragen genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (*Stb. *1993, 218) worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 088,00, f 16 022,00 en f 15 023,00; b. b. De bedragen, genoemd in artikel 4, eerste lid, van voornoemde wet van 11 september 1964 worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 088,00 en f 15 023,00.
4. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 088,00 en f 15 023,00.
Paragraaf 3. De herziening van het beloningsbeleid en de herstructurering van de salarisschalen per 1 januari 1997
Artikel VII
Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel VIII
1. Onverminderd het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt, in voorkomend geval onder aanpassing van het salarisnummer, het salaris van de ambtenaar voor wie op de dag voor de inwerkingtreding van artikel VII, onderdeel F, reeds één der salaris-schalen van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 gold, vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het salaris dat voor hem zou hebben gegolden, indien de in artikel VII, onderdeel F, bedoelde vervanging van de bijlage B niet zou hebben plaatsgevonden.
2. In geval de in het eerste lid bedoelde vaststelling van het salaris niet kan plaatsvinden op een gelijk bedrag, wordt, in voorkomend geval onder aanpassing van het salarisnummer, het salaris van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onverminderd het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vastgesteld op het naasthogere bedrag van het salaris dat voor hem zou hebben gegolden indien de in artikel VII, onderdeel F, bedoelde vervanging van de bijlage B niet zou hebben plaatsgevonden, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
3. Aan de ambtenaar voor wie ingevolge het eerste lid het salaris wordt vastgesteld op een gelijk bedrag dan wel ingevolge het tweede lid op een bedrag dat niet meer dan zeven gulden meer bedraagt dan het salaris dat voor hem zou hebben gegolden, indien de in artikel VII, onderdeel F, bedoelde vervanging van de bijlage B niet zou hebben plaatsgevonden, wordt een eenmalige uitkering toegekend van f 250,00. Voor de ambtenaar die op 1 januari 1997 een deelbetrekking vervult of een nevenbetrekking welke is te herleiden tot een deelbetrekking, wordt de uitkering in dezelfde verhouding lager vastgesteld als de aan de bedoelde betrekking verbonden bezoldiging zich verhoudt tot die, verbonden aan de betrekking met een volledige werktijd. Voor de ambtenaar, die op 1 januari 1997 wegens ziekte, schorsing of verlof anders dan wegens militaire dienst, een deel van zijn bezoldiging of loon geniet, wordt de uitkering naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.
4. Voor de ambtenaar voor wie, indien de in artikel VII, onderdeel F, bedoelde vervanging van de bijlage B niet zou hebben plaatsgevonden, met ingang van 1 januari 1997 een salaris zou hebben gegolden behorende bij salarisnummer 1 van schaal 6 of 7 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt het salaris met ingang van 1 januari 1997, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, vastgesteld op het salaris vermeld achter salarisnummer 1 van schaal 6 of 7.
5. De in het eerste, tweede en vierde lid bedoelde vaststelling van het salaris laat het tijdstip waarop aan de ambtenaar de volgende verhoging in de voor hem geldende schaal kan worden toegekend, behoudens het bepaalde in het zesde en zevende lid, onverlet.
6. Voor de ambtenaar voor wie ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid met ingang van 1 januari 1997 het salaris komt te gelden dat is vermeld achter salarisnummer 1 van schaal 5 of salarisnummer 2 van schaal 6 of 7 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt het tijdstip waarop hem de volgende verhoging in de voor hem geldende schaal kan worden toegekend, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, met zes maanden vervroegd.
7. Voor de ambtenaar voor wie ingevolge het tweede lid met ingang van 1 januari 1997 het salaris komt te gelden dat is vermeld achter salarisnummer 9 van schaal 14, 15 of 16 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt het tijdstip waarop hem de volgende verhoging in de voor hem geldende schaal kan worden toegekend, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, gesteld op 1 juli 1997.
Artikel IX
1. Een toelage toegekend op grond van artikel 12b, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft ook na 31 december 1996 gelden tot het moment waarop krachtens het besluit tot toekenning de toelage vervalt.
2. Een toelage toegekend op grond van artikel 12b, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft ook na 31 december 1996 gelden tot het moment dat het bevoegd gezag met betrekking tot die toelage een nadere beslissing heeft genomen doch uiterlijk tot 1 januari 2000.
Hoofdstuk II. BEPALINGEN INZAKE DE EINDEJAARSUITKERING OVER DE JAREN 1995 EN 1996
Artikel X
In afwijking van artikel 20a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de eindejaarsuitkering in 1995 0,3% van het salaris dat de ambtenaar geniet in de maanden januari tot en met september 1995 vermeerderd met 2,3% van het salaris dat de ambtenaar geniet in de maanden oktober tot en met december 1995 en in 1996 0,8% van het salaris dat de ambtenaar geniet in het jaar 1996.
Artikel XI
Indien de ambtenaar in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 in verband met een ontslag verleend met ingang van een datum gelegen tussen 1 oktober 1995 en 2 januari 1996 aanspraak verkrijgt op een wachtgeld als bedoeld in het Rijkswachtgeldbesluit 1959, een uitkering als bedoeld in de Uitkeringsregeling 1966 of een uitkering als bedoeld in de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, wordt voor de berekening daarvan in afwijking van het bepaalde omtrent de eindejaarsuitkering in respectievelijk artikel 4, eerste lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, artikel 4, eerste lid, van de Uitkeringsregeling 1966 of artikel 2, eerste lid, van de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, rekening gehouden met een eindejaars-uitkering van 0,8%.
Hoofdstuk III. INWERKINGTREDINGSBEPALING
Artikel XII
1.
Met uitzondering van hoofdstuk I, paragraaf 3, treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug
– – voor wat betreft hoofdstuk I, paragraaf 1, en hoofdstuk II tot en met 1 oktober 1995; – – voor wat betreft hoofdstuk I, paragraaf 2, tot en met 1 oktober 1996.
2. Hoofdstuk I, paragraaf 3 van dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Bijlage B
Wijzigt Bijlage B bij het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.