40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
7.2 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit uitkering Europese programma's Twente 1993 | BWBR0005920 | AMvB | geldend | 1993-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0005920 | Besluit uitkering Europese programma's Twente 1993 |
Besluit uitkering Europese programma's Twente 1993
Artikel 1
Onze Minister verstrekt in 1993 op aanvraag een uitkering aan de provincie Overijssel als bijdrage in de kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 7.
Artikel 2
De uitkering is een door Onze Minister vast te stellen bedrag.
Artikel 3
De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij Onze Minister.
Artikel 4
Onze Minister kan afwijzend beslissen op de aanvraag, indien gegronde vrees bestaat dat de provincie zal handelen in strijd met in gevolge dit besluit geldende verplichtingen.
Artikel 5
Een beschikking op de aanvraag, inhoudende een toezegging van een uitkering, bevat een vermelding van:
a. a. het maximale bedrag van de uitkering; b. b. het tijdstip en de wijze waarop het verzoek om vaststelling van het definitieve bedrag van de uitkering moet worden ingediend.
Artikel 6
1. Aan de toezegging van een uitkering zijn de in de artikelen 7, 8 en 9 opgenomen verplichtingen verbonden.
2. Onze Minister kan aan de toezegging van een uitkering voorschriften verbinden.
Artikel 7
1. De provincie gebruikt de uitkering voor het op voor 1 januari 1994 ingediende aanvragen verstrekken van financiële middelen aan degenen die in Twente een project uitvoeren, dat past in een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd operationeel programma als bedoeld in artikel 5 van de verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PbEG L 185), niet zijnde een operationeel programma als bedoeld in de mededeling C(90) 1562/3 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan de Lid-Staten in het kader van een initiatief van de Gemeenschap betreffende grensgebieden (Interreg) (PbEG C 215).
2.
Financiële middelen als bedoeld in het eerste lid worden slechts verstrekt aan:
a. a. een gemeente, b. b. een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of c. c. een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
3. De provincie neemt bij het verstrekken van financiële middelen de ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen voor de staat geldende verplichtingen in acht.
4. De provincie kan de uitkering ook gebruiken ten behoeve van door haarzelf uit te voeren projecten als bedoeld in het eerste lid, mits Onze Minister hiervoor voorafgaand schriftelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 8
De provincie dient een aanvraag om vaststelling van het definitieve bedrag van de uitkering in overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de beschikking, bedoeld in artikel 5, is vermeld.
Artikel 9
1. De provincie voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door de provincie aangegane verplichtingen en de door haar verrichte betalingen kunnen worden afgelezen.
2.
De provincie voldoet aan hetgeen door door Onze Minister aangewezen personen wordt verzocht, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van dit besluit, omtrent:
a. a. het verlenen van toegang tot door haar gebruikte plaatsen, b. b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden, c. c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden en d. d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door derden.
Artikel 10
1. Op een uitkering ter zake waarvan een beschikking als bedoeld in artikel 5 geldt, kan op aanvraag van de provincie eenmaal per kalenderjaar door Onze Minister een voorschot worden verstrekt.
2.
Het voorschot bedraagt een gedeelte van het in artikel 5, eerste lid, onder a, bedoelde bedrag, ter grootte van:
a. a. 10 procent in het jaar waarin de toezegging is gedaan; b. b. 20 procent in elk van de twee op het onder a bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren; c. c. 25 procent in elk van de twee op het laatste onder b bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren, met dien verstande dat in 1997 geen of een kleiner voorschot kan worden verstrekt, voorzover dat noodzakelijk is om te voorkomen dat aan de provincie een groter bedrag aan voorschotten wordt verstrekt dan het bedrag van de in totaal door de provincie gemaakte kosten.
Artikel 11
1. Indien de provincie niet op het in artikel 5, onder b, bedoelde tijdstip een aanvraag om vaststelling van het definitieve bedrag van de uitkering heeft ingediend, stelt Onze Minister haar in de gelegenheid binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog een zodanige aanvraag in te dienen.
2. Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, stelt Onze Minister het definitieve bedrag van de uitkering ambtshalve vast.
Artikel 12
Onze Minister geeft een beschikking tot vaststelling van het definitieve bedrag van de uitkering binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de in artikel 11 bedoelde termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de provincie daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 13
1. Onze Minister stelt het definitieve bedrag van de uitkering vast overeenkomstig de beschikking, bedoeld in artikel 5.
2.
Het definitieve bedrag van de uitkering kan op nihil dan wel op een lager bedrag dan het toegezegde bedrag worden gesteld:
a. a. voor zover de provincie geen kosten heeft gemaakt of betaald voor activiteiten als bedoeld in artikel 7; b. b. indien de provincie niet heeft voldaan aan de verplichtingen welke ingevolge dit besluit voor haar gelden; c. c. indien de beschikking, bedoeld in artikel 5, ten gevolge van aan de provincie te wijten onjuistheid of onvolledigheid van verstrekte gegevens anders luidt dan het geval zou zijn geweest, indien deze gegevens juist en volledig zouden zijn verstrekt.
Artikel 14
Onze Minister kan een beschikking, inhoudende de vaststelling van het definitieve bedrag van de uitkering, intrekken, indien de beschikking ten gevolge van aan de provincie te wijten onjuistheid of onvolledigheid van verstrekte gegevens anders luidt dan het geval zou zijn geweest, indien de gegevens juist en volledig zouden zijn verstrekt.
Artikel 15
Indien toepassing is gegeven aan de artikelen 13 of 14, zijn ter beschikking gestelde uitkeringen terstond opeisbaar voor zover zij het bedrag waarop de provincie alsdan recht heeft te boven gaan.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1993 en vervalt met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitkeringen Europese programma's Twente 1993.