40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
81 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 | BWBR0043634 | ministeriele-regeling | geldend | 2022-02-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0043634 | Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 |
Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*producerende BIS-instelling:* voor wat betreft:
1°.
hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°.
de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in:
i.
afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii.
de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii.
artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
1°. 1°.
hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°. 2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in:
i.
afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii.
de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii.
artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
i. i.
afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of iii. iii.
artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
c. c.
*meerjarige fondsinstelling:* voor wat betreft:
1°.
paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft:
i.
Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii.
Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii.
Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv.
Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v.
Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
–
Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi.
Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°.
de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft:
i.
Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii.
Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
–
Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii.
Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv.
Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
–
Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v.
Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
–
Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi.
Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
–
Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
1°. 1°.
paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft:
i.
Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii.
Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii.
Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv.
Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v.
Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
–
Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi.
Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
i. i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020; ii. ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren; iii. iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– –
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– –
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020; v. v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
–
Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– –
Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– –
Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
–
Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– –
Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– –
Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– –
Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°. 2°. de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft:
i.
Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii.
Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
–
Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii.
Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv.
Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
–
Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v.
Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
–
Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi.
Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
–
Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
i. i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024; ii. ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
–
Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– –
Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– –
Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
–
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– –
Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– –
Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
–
Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– –
Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– –
Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
–
Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– –
Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– –
Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde:
–
Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
–
Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– –
Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– –
Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
d. d.
*cruciale regionale instelling:* museum, (pop)podium of filmtheater, niet zijnde een BIS-instelling of meerjarige fondsinstelling, met een:
1°.
dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en
2°.
belangrijke functie in de landelijke keten;
1°. 1°. dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en 2°. 2°. belangrijke functie in de landelijke keten; e. e.
*overige OCW-cultuurinstelling:* voor wat betreft:
1°.
hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die:
i.
gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii.
op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
2°.
de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2:
i.
instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii.
afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
1°. 1°.
hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die:
i.
gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii.
op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en ii. ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; 2°. 2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2:
i.
instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii.
afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of ii. ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; f. f.
*afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling:* instelling waaraan voor de periode 2021–2024 een subsidie op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door de Raad;
g. g.
*afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling:* instelling waaraan een meerjarige subsidie in de periode 2021–2024 op grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub i, ii en vi, is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door een door het betrokken bestuur ingestelde commissie;
h. h.
*negatief subsidieadvies met positieve beoordeling:* advies om geen subsidie te verlenen, dat steunt op het oordeel dat de aanvraag van de instelling ondanks een positieve beoordeling van het daarbij behorende plan, na onderlinge weging van met elkaar concurrerende aanvragen, niet subsidiabel is;
i. i.
*reserves:* vrij besteedbaar vermogen, behorende tot:
1°.
de algemene reserve;
2°.
het stichtingskapitaal; en
3°.
het bestemmingsfonds OCW;
1°. 1°. de algemene reserve; 2°. 2°. het stichtingskapitaal; en 3°. 3°. het bestemmingsfonds OCW; j. j.
*lopende subsidie:* voor wat betreft een:
1°.
producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b;
2°.
fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
3°.
meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c;
4°.
overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°;
1°. 1°. producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b; 2°. 2°. fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; 3°. 3°. meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c; 4°. 4°. overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°; k. k.
*Kamerbrief van 15 april 2020:* brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 april 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 35 441, nr. 7);
l. l.
*Kamerbrief van 16 november 2020:* brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 400);
m. m.
*Kamerbrief van 10 februari 2021:* brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 408);
n. n.
*Kamerbrief van 7 juni 2021:* brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juni 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 418);
o. o.
*museum:* voor wat betreft paragraaf 3a van hoofdstuk 4: instelling waaraan subsidie is verstrekt op grond van de volgende door het bestuur van de Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde regelingen:
1°
Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers;
2°
Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000;
3°
Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers;
1° 1° Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers; 2° 2° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000; 3° 3° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers; p. p.
*Kamerbrief van 31 januari 2022:* brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2022 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2021/22, 32 820, nr. 458).
2.
Onder eigen inkomsten worden in deze regeling de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:
a. a. publieksinkomsten; en b. b. overige inkomsten, zijnde:
1°.
directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;
2°.
indirecte opbrengsten; en
3°.
overige bijdragen.
1°. 1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; 2°. 2°. indirecte opbrengsten; en 3°. 3°. overige bijdragen.
3.
Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:
a. a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; b. b. overige bijdragen uit publieke middelen; c. c. rentebaten; d. d. bijdragen in natura; e. e. kapitalisatie van vrijwilligers; f. f. waardering vrijkaarten; en g. g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.
Artikel 2
1.
Ter aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector, die als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan wordt geconfronteerd met inkomstenderving, verstrekt de minister, met het oog op instandhouding van vitale onderdelen in de Nederlandse culturele infrastructuur, subsidie aan:
a. a. producerende BIS-instellingen; b. b. fondsen, ten behoeve van door hun besturen ter nastreving van de doelstelling van dit artikel te verstrekken subsidies aan:
1°.
meerjarige fondsinstellingen, voor zover die op grond van deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van producerende BIS-instelling in aanmerking komen voor subsidie;
2°.
cruciale regionale instellingen, voor zover die krachtens deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van meerjarige fondsinstelling in aanmerking komen voor subsidie, ter aanvulling van aan die instellingen in het kader van de COVID-19-crisis door gemeenten of provincies verstrekte of te verstrekken additionele financiële bijdragen; en
1°. 1°. meerjarige fondsinstellingen, voor zover die op grond van deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van producerende BIS-instelling in aanmerking komen voor subsidie; 2°. 2°. cruciale regionale instellingen, voor zover die krachtens deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van meerjarige fondsinstelling in aanmerking komen voor subsidie, ter aanvulling van aan die instellingen in het kader van de COVID-19-crisis door gemeenten of provincies verstrekte of te verstrekken additionele financiële bijdragen; en c. c. overige OCW-cultuurinstellingen.
2.
Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, wordt uitsluitend verstrekt aan:
a. a. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed; b. b. Stichting Nederlands Fonds voor de Film; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten.
Artikel 2a
1.
Met het oog op subsidieterugval na 2020 in combinatie met inkomstenderving als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan, verstrekt de minister subsidie aan:
a. a. afgewezen BIS-aanvragers met een positieve beoordeling, voor zover niet tevens vallend onder de begripsbepaling van:
1°.
‘meerjarige fondsinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°; of
2°.
‘overige OCW-cultuurinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°;
1°. 1°. ‘meerjarige fondsinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°; of 2°. 2°. ‘overige OCW-cultuurinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°; b. b. fondsen, ten behoeve van door hun besturen ter nastreving van de doelstelling van dit artikel te verstrekken subsidies aan afgewezen fondsaanvragers met een positieve beoordeling, voor zover niet tevens vallend onder de begripsbepaling van:
1°.
‘producerende BIS-instelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°;
2°.
‘meerjarige fondsinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°; of
3°.
‘overige OCW-cultuurinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°.
1°. 1°. ‘producerende BIS-instelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°; 2°. 2°. ‘meerjarige fondsinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°; of 3°. 3°. ‘overige OCW-cultuurinstelling’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°.
2.
Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt aan:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed; c. c. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
Artikel 3
1.
De minister verstrekt subsidie aan fondsen:
a. a. ter intensivering van door hun besturen vastgestelde regelingen, gericht op:
1°.
werk voor makers;
2°.
high end TV-series;
3°.
kunst- of erfgoedpresentatie;
1°. 1°. werk voor makers; 2°. 2°. high end TV-series; 3°. 3°. kunst- of erfgoedpresentatie; b. b. ten behoeve van door hun besturen vast te stellen regelingen, gericht op:
1°.
musea en kunsthallen met private collecties en collecties van nationaal belang;
2°.
het afdekken van verzekeringsrisico’s bij filmproducties.
1°. 1°. musea en kunsthallen met private collecties en collecties van nationaal belang; 2°. 2°. het afdekken van verzekeringsrisico’s bij filmproducties.
2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, wordt uitsluitend verstrekt aan Stichting Nederlands Fonds voor de Film.
3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, en onderdeel b, onder 1°, wordt uitsluitend verstrekt aan Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Artikel 4
De minister verleent de subsidie zonder voorafgaande aanvraag.
Artikel 5
De artikelen 2.12, 2.13 en 2.17 tot en met 2.21 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie geschiedt in de aanvraag tot vaststelling van de lopende subsidie, zo veel mogelijk onder toepassing van de daarop betrekking hebbende voorschriften.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef en onderdeel a.
3. Het eerste lid is tevens niet van toepassing op subsidieverstrekking aan een fonds, voor zover de subsidie in 2021 of 2022 is verleend.
Artikel 7
Artikel 2.29 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de subsidie, met uitzondering van het tweede lid daarvan, voor zover het subsidie betreft aan een fonds.
Hoofdstuk 3. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; eerste aanvullend steunpakket
Artikel 8
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a en c, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.
Artikel 9
1. De subsidie bedraagt 45 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren, onder aftrek van een bedrag dat gelijk is aan 25 procent van de reserves van de instelling per ultimo 2018.
2.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is 300 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2018; en b. b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt bij de daar bedoelde berekening 20 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling in aanmerking genomen, voor zover het instellingen betreft waarvan de hoofdpublieksactiviteit niet in 2020 zou plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden voor 13 maart 2020.
Artikel 10
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2018, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.
2. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.
3. De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.
Artikel 11
1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 113.000.000 beschikbaar.
2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 9 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
3. Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer andere in deze regeling vastgestelde subsidieplafonds.
Artikel 12
Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het doen van een melding als bedoeld in dat artikel niet vereist is, voor zover het omstandigheden betreft die verband houden met het coronavirus. Alsdan gaat de subsidieontvanger in de verantwoording van de subsidie in op de ontstane situatie.
Artikel 13
1. De minister betaalt het verleende subsidiebedrag in drie gelijke delen als voorschot.
2. De minister betaalt het eerste deel van het voorschot zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie. Het tweede en het derde deel van het voorschot betaalt de minister in juli 2020 onderscheidenlijk oktober 2020.
Artikel 14
Op een in 2020 niet besteed deel van de subsidie is artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3a. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; tweede aanvullend steunpakket
Artikel 14a
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 16 november 2020.
Artikel 14b
1. De subsidie bedraagt 22,3 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
2.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft:
a. a. waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 22,3 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017–2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar; b. b. waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 3.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid: één achtste deel van 22,3 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
3.
De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt:
a. a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2018; en b. b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
Artikel 14c
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2018, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.
2. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.
3. De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.
Artikel 14d
1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 80.880.100 beschikbaar.
2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14b zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
3. Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 2a van hoofdstuk 4.
Artikel 14e
Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14f
De minister betaalt als voorschot in twee gelijke delen 100 procent van het verleende subsidiebedrag. Het eerste deel betaalt de minister zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie en het tweede in de maand april 2021.
Artikel 14g
Op een in 2021 niet besteed deel van de subsidie is artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3a1. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; vierde aanvullend steunpakket
Artikel 14g1
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 7 juni 2021.
Artikel 14g2
1. De subsidie bedraagt 8,2 procent van de gemiddeld over de jaren 2018 en 2019 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
2.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft:
a. a. waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 8,2 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017-2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar; b. b. waaraan in de jaren 2021-2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 3.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid: één achtste deel van 8,2 procent van de gemiddeld over de jaren 2018 en 2019 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
3.
De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt:
a. a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is aan 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2019; en b. b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
Artikel 14g3
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2019, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.
2. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.
3. De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.
Artikel 14g4
1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 31.016.900 beschikbaar.
2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14g2 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
3. Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 2b van hoofdstuk 4.
Artikel 14g5
Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14g6
Zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie betaalt de minister het subsidiebedrag in één keer als voorschot.
Artikel 14g7
Op een in 2021 niet besteed deel van de subsidie is artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3a2. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; vijfde aanvullend steunpakket
Artikel 14g8
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 31 januari 2022.
Artikel 14g9
1. De subsidie bedraagt 15 procent van de gemiddeld over de jaren 2018 en 2019 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
2.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft:
a. a. waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 15 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017–2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar; b. b. waaraan in de jaren 2021-2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 3.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid: één achtste deel van 15 procent van de gemiddeld over de jaren 2018 en 2019 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
3.
De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt:
a. a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is aan 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2019; en b. b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
Artikel 14g10
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2019, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.
2. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.
3. De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.
Artikel 14g11
1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 57.153.900 beschikbaar.
2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14g9 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
3. Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 2b van hoofdstuk 4.
Artikel 14g12
Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14g13
Zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie betaalt de minister het subsidiebedrag in één keer als voorschot.
Artikel 14g14
Op een in 2022 niet besteed deel van de subsidie is artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3b. Specifieke bepalingen over overbruggingssubsidie aan afgewezen BIS-aanvragers met een positieve beoordeling
Artikel 14h
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef en onderdeel a.
Artikel 14i
1. De subsidie bedraagt 50 procent van het jaarlijkse subsidiebedrag dat de instelling voor de periode 2021–2024 heeft aangevraagd op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, onder overeenkomstige toepassing van de indexering, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
2. Voor zover door het bestuur van een fonds aan een afgewezen BIS-aanvrager met een positieve beoordeling met het oog op subsidieterugval na 2020 bij wijze van tegemoetkoming coulancehalve een subsidie wordt verstrekt, wordt het bedrag daarvan in mindering gebracht op de subsidie die de instelling ontvangt op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 14j
1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 3.761.000 beschikbaar.
2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14i zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
3. Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 4e van hoofdstuk 4.
Artikel 14k
Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het derde lid van dat artikel, doet de subsidieontvanger in elk geval onverwijld een melding aan de minister, indien aan hem na subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk tevens een coulancehalve subsidie als bedoeld in artikel 14i, tweede lid, door een fonds wordt verstrekt.
Artikel 14l
De minister betaalt als voorschot in twee gelijke delen 100 procent van het verleende subsidiebedrag. Het eerste deel betaalt de minister zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie en het tweede in de maand april 2021.
Artikel 14m
Op een in 2021 niet besteed deel van de subsidie is artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14n
1. De subsidieontvanger dient binnen 13 weken na 31 december 2021 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
2.
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een:
a. a. beknopt verslag van de activiteiten die met de subsidie zijn uitgevoerd; en b. b. jaarrekening of financieel verslag.
3. Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26, met uitzondering van het vierde lid, en 2.27, eerste en derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
4. Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de besteding van de subsidie door de subsidieontvanger. Artikel 2.27, eerste en derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen over fondsen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 15
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 3.
Artikel 16
1. Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
2. Het onverwijld doen van een melding als bedoeld in artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is niet vereist in het kader van subsidieverstrekking ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020, voor zover het omstandigheden betreft die verband houden met het coronavirus. Alsdan gaat de subsidieontvanger zo snel mogelijk over tot het doen van een melding, zij het uiterlijk in de verantwoording van de subsidie.
Artikel 17
Zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie betaalt de minister het subsidiebedrag in één keer als voorschot.
Artikel 17a
De aanvraag tot vaststelling van subsidie die in 2021 of 2022 is verleend geschiedt in de periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, over 2021 respectievelijk 2022.
Artikel 18
Artikel 4.3 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de vaststelling van subsidie die in 2021 en 2022 is verleend, het besluit, bedoeld in het vierde lid van voornoemd artikel, uitsluitend betrekking heeft op middelen die aan het bestemmingsfonds OCW zijn gedoteerd op grond van deze regeling.
Paragraaf 2. Meerjarige fondsinstellingen; eerste aanvullend steunpakket
Artikel 19
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.
Artikel 20
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.942.400; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 1.926.500; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 5.754.500, waarvan in elk geval € 5.000.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1° sub iii; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 24.059.800; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 1.379.200; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 4.837.900.
Artikel 21
1.
Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:
a. a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4; b. b. de rekenregel, bedoeld in artikel 9; c. c. de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 10; d. d. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 11, tweede lid; en e. e. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.
2. Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.
3. Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1° sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.
Artikel 22
Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.
Paragraaf 2a. Meerjarige fondsinstellingen; tweede aanvullend steunpakket
Artikel 22a
1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 16 november 2020.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden met meerjarige fondsinstellingen gelijkgesteld instellingen waaraan in de jaren 2019–2021, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van de door het bestuur van Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren.
Artikel 22b
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.573.100; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 2.567.800; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 6.427.000, waarvan in elk geval € 6.250.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 12.533.700; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 539.000; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 729.300.
Artikel 22c
1.
Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:
a. a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4; b. b. de rekenregel, bedoeld in artikel 14b; c. c. de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 14c; d. d. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 14d, tweede lid; en e. e. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.
2. Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.
3. Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.
Artikel 22d
Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.
Paragraaf 2b. Meerjarige fondsinstellingen; vierde aanvullend steunpakket
Artikel 22d1
1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 7 juni 2021.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden met meerjarige fondsinstellingen gelijkgesteld instellingen waaraan in de jaren 2019-2021, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van de door het bestuur van Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren.
Artikel 22d2
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 997.800; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 1.520.500; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 5.094.800, waarvan in elk geval € 5.000.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 5.441.700; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 237.300; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 691.000.
Artikel 22d3
1.
Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:
a. a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4; b. b. de rekenregel, bedoeld in artikel 14g2; c. c. de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 14g3; d. d. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 14g4, tweede lid; en e. e. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.
2. Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.
3. Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.
Artikel 22d4
Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.
Paragraaf 2c. Meerjarige fondsinstellingen; vijfde aanvullend steunpakket
Artikel 22d5
1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 31 januari 2022.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden met meerjarige fondsinstellingen gelijkgesteld instellingen waaraan in de jaren 2019–2021, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van de door het bestuur van Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren.
Artikel 22d6
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 1.824.000; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 2.767.000; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 3.111.700, waarvan in elk geval € 3.000.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 9.946.500; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 433.300; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 1.263.600.
Artikel 22d7
1.
Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:
a. a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4; b. b. de rekenregel, bedoeld in artikel 14g9; c. c. de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 14g10; d. d. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 14g11, tweede lid; en e. e. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.
2. Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.
3. Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.
Artikel 22d8
Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.
Paragraaf 3. Cruciale regionale instellingen; eerste aanvullend steunpakket
Artikel 23
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.
Artikel 24
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 16.000.000; b. b. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 3.500.000; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 29.000.000.
Artikel 25
Bij de subsidieverstrekking ten laste van middelen die op grond van deze paragraaf ter beschikking worden gesteld, hanteert het bestuur van een fonds in elk geval de regels, bedoeld in het in de bijlage bij deze regeling opgenomen kader.
Paragraaf 3a. Cruciale regionale instellingen; vijfde aanvullend steunpakket
Artikel 24a
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, aan musea voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 31 januari 2022.
Artikel 24b
De subsidie bedraagt voor de Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 8.600.000.
Paragraaf 4. Makers; eerste aanvullend steunpakket
Artikel 26
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.
Artikel 27
De subsidie bedraagt voor elk van de fondsen € 1.966.700.
Paragraaf 4a. Makers; tweede aanvullend steunpakket
Artikel 27a
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 16 november 2020.
Artikel 27b
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.922.670; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 8.350.360; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 7.828.460; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 5.218.970; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 2.661.670; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 8.767.870.
Paragraaf 4a1. Makers; derde aanvullend steunpakket
Artikel 27b1
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 10 februari 2021.
Artikel 27b2
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 1.100.000; b. b. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 1.100.000; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 2.600.000; d. d. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 700.000.
Paragraaf 4a2. Makers; vierde aanvullend steunpakket
Artikel 27b3
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 7 juni 2021.
Artikel 27b4
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 1.900.000; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 4.900.000; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 4.500.000; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 3.000.000; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 1.150.000; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 800.000.
Paragraaf 4a3. Makers; vijfde aanvullend steunpakket
Artikel 27b5
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 31 januari 2022.
Artikel 27b6
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 1.490.000; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 3.900.000; c. c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 3.400.000; d. d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 2.596.000; e. e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 1.000.000; f. f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 2.601.500.
Paragraaf 4b. High end TV-series
Artikel 27c
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°.
Artikel 27d
De subsidie bedraagt € 6.250.000.
Paragraaf 4b1. Kunst- of erfgoedpresentatie
Artikel 27d1
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°.
Artikel 27d2
De subsidie bedraagt € 3.500.000.
Paragraaf 4c. Musea en kunsthallen met private collecties en collecties van nationaal belang
Artikel 27e
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°.
Artikel 27f
De subsidie bedraagt € 20.000.000.
Paragraaf 4d. Verzekeringsrisico’s bij filmproducties
Artikel 27g
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°.
Artikel 27h
De subsidie bedraagt € 10.000.000.
Paragraaf 4e. Overbruggingssubsidie
Artikel 27i
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Artikel 27j
De subsidie bedraagt voor:
a. a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 222.000; b. b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 557.500; c. c. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 691.600.
Artikel 27k
1.
Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:
a. a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4; b. b. de rekenregel, bedoeld in artikel 14i, met dien verstande dat:
1°.
in het eerste lid in plaats van ‘artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid’ dient te worden gelezen: een regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°;
2°.
In het tweede lid in plaats van ‘afgewezen BIS-aanvrager met een positieve beoordeling’ dient te worden gelezen: afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling; en
3°.
voor zover het negatief subsidieadvies met positieve beoordeling van de instelling een advies over subsidiehoogte bevat, de subsidie 50 procent van het geadviseerde jaarbedrag bedraagt;
1°. 1°. in het eerste lid in plaats van ‘artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid’ dient te worden gelezen: een regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°; 2°. 2°. In het tweede lid in plaats van ‘afgewezen BIS-aanvrager met een positieve beoordeling’ dient te worden gelezen: afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling; en 3°. 3°. voor zover het negatief subsidieadvies met positieve beoordeling van de instelling een advies over subsidiehoogte bevat, de subsidie 50 procent van het geadviseerde jaarbedrag bedraagt; c. c. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 14j, tweede lid; en d. d. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.
2. Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording van de subsidie door onder hem ressorterende afgewezen fondsaanvragers, die zo veel mogelijk aansluit bij zijn gebruikelijke voorschriften daaromtrent.
Artikel 27l
Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende afgewezen fondsaanvrager met een positieve beoordeling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 28
Artikel 6.1 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Artikel 30
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19.
Artikel 31
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt voor wat betreft artikel 29, onderdeel B, terug tot en met 11 april 2017.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024.
3. Voor zover er na 31 december 2023 ter zake van deze regeling nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig deze regeling zoals die luidde op 31 december 2023 plaats.
4. Op 31 december 2023 bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van deze regeling blijven na die datum in stand.
Bijlage
^1 https://vnpf.nl/media/files/vnpf-poppodia-en--festivals-in-cijfers-2018.pdf