rijk/ministeriele-regeling/regeling-gefluoreerde-broeikasgassen-brandbeveiligingssystemen/BWBR0026507/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

26 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen BWBR0026507 ministeriele-regeling geldend 2010-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026507 Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen

Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • deelnemer: deelnemer aan het examen;
  • EG-verordening brandbeveiligingssystemen: verordening (EG) nr. 304/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 92);
  • examen: examen als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
  • exameninstelling: door de minister aangewezen instelling als bedoeld in artikel 10, eerste lid;
  • houder: houder als bedoeld in artikel 2, onder 12, van de f-gassenverordening;
  • installeren: het voor het eerst, op de plaats waar zij zullen worden toegepast, aansluiten van één of meer blusmiddelen met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, met bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;
  • keuringinstantie: door de minister aangewezeninstantie als bedoeld in artikel 25;
  • lekcontrole: controle op lekkage als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de f-gassenverordening;
  • minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;
  • onderhouden: alle werkzaamheden waarbij wordt gewerkt aan de blusmiddelen met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, of aan de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;
  • terugwinnen: verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen tijdens onderhoud of voorafgaand aan de verwijdering van stationaire brandbeveiligingssystemen, brandblusapparaten of houders.

Hoofdstuk 2. Diplomas

Paragraaf 2.1. Werkzaamheden waarvoor een diploma verplicht is

Artikel 2

1.

Personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichten, beschikken over een diploma:

a. a. het verrichten van lekcontroles van stationaire brandbeveiligingssystemen die drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten; b. b. het terugwinnen bij stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten; c. c. het installeren van stationaire brandbeveiligingssystemen; d. d. het onderhouden van stationaire brandbeveiligingssystemen.

2. Voor personen die voldoen aan artikel 4, tweede lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen is het eerste lid voor een periode van maximaal een jaar niet van toepassing, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de opleiding.

Paragraaf 2.2. Het examen

Artikel 3

1. Een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt verkregen door het met gunstig gevolg afleggen van het examen bij de exameninstelling.

2. Een persoon meldt zich voor het afleggen van het examen vooraf aan bij de betreffende exameninstelling.

3. Tijdens het examen wordt getoetst of een deelnemer voldoet aan de exameneisen, die zijn neergelegd in de bijlage bij de EG-verordening brandbeveiligingssystemen.

4. Onverminderd de artikelen 8, vijfde lid, onder c, en 17 is de geldigheidsduur van het diploma onbeperkt.

5. Onder het examen wordt in deze regeling mede verstaan het herexamen, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 4

1. De minister stelt de inhoud van het examen vast waarmee getoetst wordt of een deelnemer voldoet aan de exameneisen, bedoeld in artikel 3, derde lid. Voorafgaande aan de vaststelling adviseert de exameninstelling de minister over de inhoud van het examen.

2. Het examen bestaat uit een theorie- en een praktijkgedeelte.

Artikel 5

De minister stelt de uitslag van het examen met inachtneming van het advies van de exameninstelling inzake de resultaten van het door een deelnemer afgelegde examen vast en draagt er zorg voor dat de uitslag binnen drie weken na ontvangst van dat advies aan een deelnemer wordt verzonden.

Artikel 6

1. Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het examen niet met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hij in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen.

2. Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat een deelnemer van de resultaten van het examen op de hoogte is gesteld.

3. Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het herexamen niet met goed gevolg heeft afgelegd, is hij niet gerechtigd opnieuw herexamen te doen.

Artikel 7

1. Een deelnemer is voor het afleggen van het examen voorafgaand een vergoeding verschuldigd aan de exameninstelling.

2. Indien de verschuldigde vergoeding niet voor de dag waarop het examen zal worden afgenomen is ontvangen wordt de deelnemer uitgesloten van deelname aan het examen.

3. De exameninstelling doet de minister jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de verschuldigde vergoeding voor het afleggen van het examen voor het volgende kalenderjaar. De minister stelt de hoogte van de vergoeding vast.

4.

De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor een examen of herexamen dat wordt afgelegd:

a. a. voor een examen of een herexamen op alle onderdelen: € 405, exclusief BTW; b. b. voor een herexamen van het theoriegedeelte: € 120, exclusief BTW; c. c. voor een herexamen van het praktijkgedeelte: € 285, exclusief BTW.

5. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is niet hoger dan de noodzakelijke kosten van de exameninstelling voor het afnemen van het examen.

Artikel 8

1. Indien onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de minister beslissen dat het examen geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt afgenomen.

2. Indien een deelnemer in strijd heeft gehandeld met deze regeling of het examenreglement, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, of zich ten aanzien van het examen aan enig bedrog heeft schuldig gemaakt, bericht de exameninstelling de minister hieromtrent.

3.

In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt door een examinator binnen een week na constatering van de onregelmatigheid een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit verslag bevat in ieder geval:

a. a. het examen waarop het voorval betrekking heeft; b. b. het tijdstip waarop het voorval heeft plaatsgevonden; c. c. de naam van de betrokken deelnemer; d. d. een omschrijving van het voorval; e. e. de datum en het tijdstip waarop het verslag is gemaakt; f. f. de zienswijze van de betrokken deelnemer; g. g. de zienswijze van een eventuele getuige, met diens naam; h. h. de naam en de handtekening van degene die het verslag heeft gemaakt; i. i. zo mogelijk originele bewijsstukken die de bevindingen onderbouwen.

4. Het verslag wordt aan de betrokken deelnemer toegezonden. Voorts wordt onverwijld een afschrift aan de minister gezonden.

5.

Indien een deelnemer zich aan een handeling als bedoeld in het tweede lid heeft schuldig gemaakt kan de minister besluiten:

a. a. dat een deelnemer voor een periode van ten hoogste zes maanden wordt uitgesloten van deelname aan het examen; b. b. tot ongeldigverklaring van het examen; c. c. tot intrekking van een reeds verleend diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Paragraaf 2.3. Aanwijzing, taken en verplichtingen exameninstelling

Artikel 9

De exameninstelling is belast met de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het organiseren en afnemen van het examen, waaronder:

a. a. het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 4, eerste lid; b. b. het geven van voorlichting over en bekendheid aan het examen; c. c. het vaststellen van de examendatum, het tijdstip en de plaats; d. d. het toezenden van de uitnodiging voor de deelname aan het examen; e. e. het afnemen van het examen door examinatoren; f. f. het factureren van de vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aan een deelnemer; g. g. het binnen drie weken na afloop van het examen uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 5, en h. h. het registeren van individuele en algemene resultaten van de examens.

Artikel 10

1.

Een instelling kan door de minister worden aangewezen als exameninstelling indien zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a. a. de instelling voldoet aan artikel 11, eerste lid, tweede alinea, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen; b. b. zij beschikt over een examenreglement dat ten minste bevat:

        1°.
        de procedure- en gedragsregels die gelden voorafgaand, gedurende en na afloop van het examen;
      
      
        2°.
        de criteria op basis waarvan het examen wordt beoordeeld ten behoeve van het advies over de examenresultaten, bedoeld in artikel 5;
      
      
        3°.
        onverminderd het derde lid, de termijn waarbinnen individuele en algemene resultaten van de examens bewaard blijven, en
      
      
        4°
        de procedures voor externe afstemming en klachten in verband met de uitvoering van deze regeling;

1°. 1°. de procedure- en gedragsregels die gelden voorafgaand, gedurende en na afloop van het examen; 2°. 2°. de criteria op basis waarvan het examen wordt beoordeeld ten behoeve van het advies over de examenresultaten, bedoeld in artikel 5; 3°. 3°. onverminderd het derde lid, de termijn waarbinnen individuele en algemene resultaten van de examens bewaard blijven, en 4° 4° de procedures voor externe afstemming en klachten in verband met de uitvoering van deze regeling; c. c. zij beschikt over een huishoudelijk reglement dat ten minste bevat:

        1°.
        de criteria ter uitvoering van artikel 11, vierde lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen;
      
      
        2°.
        de procedures voor interne controles en evaluaties van de uitvoering van deze regeling.

1°. 1°. de criteria ter uitvoering van artikel 11, vierde lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen; 2°. 2°. de procedures voor interne controles en evaluaties van de uitvoering van deze regeling.

2. Wijzigingen van het examenreglement en het huishoudelijk reglement behoeven de goedkeuring van de minister.

3.

De exameninstelling is gehouden de inschrijving van een deelnemer, de resultaten van het door hem afgelegde examen evenals het advies aan de minister, bedoeld in artikel 5, te bewaren tot:

a. a. ten minste dertien weken na de dag van het examen; b. b. ten minste dertien weken na de dag waarop de beslissing op het bezwaarschrift bekend is gemaakt, indien tegen de uitslag van het examen bezwaar is gemaakt, of c. c. ten minste dertien weken na de dag waarop het beroep onherroepelijk is, indien tegen de beslissing op een bezwaar beroep is ingesteld.

4. De exameninstelling neemt bij de uitvoering van de werkzaamheden het examenreglement en het huishoudelijke reglement in acht en voldoet bij voortduring aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a.

5. De exameninstelling neemt afdoende maatregelen om fraude voor, tijdens en na het examen te voorkomen.

6. Indien de exameninstelling niet meer voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

7. De minister overlegt periodiek met alle exameninstellingen. De exameninstellingen zijn verplicht aan dit overleg deel te nemen.

Artikel 11

1. Een instelling kan een aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, indienen bij de minister.

2. Bij de aanvraag toont de instelling aan dat zij voldoet aan de eisen genoemd in artikel 10, eerste lid, door overlegging van de daarvoor noodzakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 12

1. De exameninstelling verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2. De exameninstelling zendt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiend uit deze regeling.

3. Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, bedoeld in bijlage I bij deze regeling.

Paragraaf 2.4. Schorsing en intrekking aanwijzing exameninstelling

Artikel 13

1. De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling schorsen, indien de instelling naar het oordeel van de minister een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 12, niet of onvoldoende uitvoert respectievelijk nakomt.

2. In geval van schorsing geeft de minister de exameninstelling gedurende een door hem te bepalen periode de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

3. Indien de tekortkoming door de exameninstelling binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt wordt de schorsing van de aanwijzing opgeheven.

Artikel 14

De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling intrekken indien:

a. a. de instelling hierom verzoekt; b. b. de instelling naar het oordeel van de minister ernstig tekortschiet bij de uitvoering of nakoming van een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 12; c. c. de instelling niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling; d. d. de aanwijzing ingevolge artikel 13, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming binnen de door de minister gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of e. e. de exameninstelling surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

Paragraaf 2.5. Afgifte en intrekken van diplomas

Artikel 15

1. De minister verstrekt het diploma aan een deelnemer die met gunstig gevolg het examen heeft afgelegd.

2. De minister registreert aan wie een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is uitgereikt. Deze gegevens worden bewaard totdat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt doch ten minste vijf jaar.

Artikel 16

Het diploma vermeldt ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen.

Artikel 17

Indien degene die een diploma bezit bij voortduring in strijd handelt met deze regeling of artikel 3 van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer kan de minister tot intrekking van het diploma besluiten. In dat geval levert de betrokkene zijn diploma in bij de minister.

Paragraaf 2.6. Vergoeding aan de minister

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk 3. Bedrijfscertificaten

Paragraaf 3.1. Aanvraag, verkrijgen, schorsen en intrekken bedrijfscertificaten

Artikel 19

Een bedrijf dat stationaire brandbeveiligingssystemen installeert of onderhoudt mag deze werkzaamheden uitsluitend verrichten indien het beschikt over een geldig bedrijfscertificaat dat is afgegeven door een keuringsinstantie.

Artikel 20

1.

Een bedrijf kan een bedrijfscertificaat als bedoeld in artikel 19 verkrijgen indien het beschikt over:

a. a. personeel dat in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid; b. b. voldoende adequaat gediplomeerd personeel als bedoeld onder a in relatie tot het ter zake te verwachten werkaanbod, en c. c. voldoende en adequate instrumenten voor en noodzakelijke procedures ten behoeve van het personeel dat zich bezig houdt met de betreffende werkzaamheden.

2.

Bij de aanvraag van een bedrijfscertificaat wordt ten minste overgelegd:

a. a. een overzicht van de beschikbaarheid van het personeel, bedoeld in het eerste lid, onder a, in relatie tot het te verwachten werkaanbod evenals kopieën van de diplomas, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het personeel; b. b. een document waarin de voor het personeel noodzakelijke instrumenten en procedures zijn beschreven, en c. c. het registratienummer uit het handelsregister.

3. Een bedrijf als bedoeld in artikel 19 kan een aanvraag voor een bedrijfscertificaat indienen bij een keuringinstantie.

4. Een bedrijf voldoet na afgifte van het bedrijfscertificaat bij voortduring aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

5. Indien het bedrijf niet meer voldoet aan de eisen op basis waarvan het bedrijfscertificaat is verleend, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de keuringsinstantie.

Artikel 21

Het bedrijfscertificaat vermeldt ten minste:

a. a. de naam van het bedrijf; b. b. een registratienummer afgegeven door de keuringsinstantie; c. c. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 19, die degene die in het bezit is van het bedrijfscertificaat bevoegd is te verrichten; d. d. de datum van afgifte en de ondertekening door een vertegenwoordiger van de keuringinstantie.

Artikel 22

1. De keuringinstantie voert vierentwintig maanden na afgifte van het bedrijfscertificaat een tussentijdse beoordeling uit waarbij wordt bezien of een bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 20, eerste lid. De tussentijdse beoordeling wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.

2. De keuringsinstantie voert achtenveertig maanden na afgifte van het bedrijfscertificaat een herkeuring uit waarbij wordt beoordeeld of het bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 20, eerste lid. De herkeuring wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.

Artikel 23

1.

De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat tijdelijk of definitief intrekken:

a. a. indien een bedrijf hierom verzoekt; b. b. indien een bedrijf naar het oordeel van de keuringinstantie niet meer voldoet aan een of meer eisen als genoemd in artikel 20, eerste lid, of in strijd handelt met artikel 20, vierde of vijfde lid; c. c. indien een bedrijf niet of onvoldoende meewerkt aan een tussentijdse beoordeling of herkeuring door de keuringinstantie of de keuringsinstantie anderszins niet in staat is het bedrijf te beoordelen; d. d. het bedrijf surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

2. Bij een tijdelijke intrekking stelt de keuringinstantie een bedrijf gedurende een door de keuringinstantie te bepalen periode in de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

3. Indien de tekortkoming door een bedrijf binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn naar het oordeel van de keuringinstantie ongedaan is gemaakt, wordt de tijdelijke intrekking van het bedrijfscertificaat opgeheven.

4. De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat in ieder geval definitief intrekken, indien het bedrijfscertificaat tijdelijk is ingetrokken en de tekortkoming binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt.

5. Indien de aanwijzing van de keuringsinstantie ingevolge artikel 30, eerste lid, wordt ingetrokken, vervalt het oorspronkelijke bedrijfscertificaat van rechtswege na vierentwintig maanden te rekenen vanaf de dag van de intrekking van de aanwijzing, of zoveel eerder als dat een nieuw bedrijfscertificaat door een andere keuringsinstantie is verleend.

Artikel 24

De keuringsinstantie neemt bij de certificering, tussentijdse beoordeling en herkeuring van bedrijven, bedoeld in de artikelen 20 en 22 en de tijdelijke en definitieve intrekking van bedrijfscertificaten, bedoeld in artikel 23, de bepalingen die zijn neergelegd in bijlage II bij deze regeling in acht.

Paragraaf 3.2. Aanwijzing, taken en verplichtingen keuringinstantie

Artikel 25

De keuringinstantie is belast met het beoordelen van bedrijven in het kader van deze regeling, het afgeven van bedrijfscertificaten en het in voorkomende gevallen tijdelijk of definitief intrekken hiervan.

Artikel 26

1.

Een instantie kan door de minister worden aangewezen als keuringinstantie indien de instantie voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. a. zij is onafhankelijk en onpartijdig bij de uitvoering van de werkzaamheden ingevolge paragraaf 3.1 van deze regeling; b. b. zij houdt in een register bij welke bedrijven over een bedrijfscertificaat beschikken en houdt deze gegevens actueel; c. c. zij beschikt over een reglement waarin ten minste de te volgen procedures zijn neergelegd voor het verstrekken en het tijdelijk en definitief intrekken van het bedrijfscertificaat en het beoordelen en herkeuren van bedrijven, en d. d. zij beschikt over personeel dat voor het uitvoeren van de beoordelingen van de bedrijven voldoet aan de eisen, die zijn neergelegd in bijlage III bij de regeling.

2. De keuringinstantie bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, ten minste vijf jaar.

3. De keuringinstantie neemt bij de uitvoering van de werkzaamheden ingevolge paragraaf 3.1 van deze regeling het reglement, bedoeld in het eerste lid, onder c, in acht en voldoet bij voortduring aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

4. Indien de keuringsinstantie niet meer voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

5. De minister overlegt periodiek met alle keuringinstanties. De keuringinstanties zijn verplicht aan dit overleg deel te nemen.

Artikel 27

1. Een instantie kan een aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 26, eerste lid, indienen bij de minister.

2. Bij de aanvraag toont de instantie aan dat zij voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 26, eerste lid, door overlegging van de daarvoor noodzakelijke gegevens en bescheiden die direct of indirect van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 28

1. De keuringinstantie verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2. De keuringinstantie stuurt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiende uit deze regeling.

3. Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, die zijn neergelegd in bijlage IV bij deze regeling.

Paragraaf 3.3. Schorsing en intrekking van aanwijzing keuringinstantie

Artikel 29

1.

De minister kan de aanwijzing van een keuringinstantie schorsen, indien de instantie naar het oordeel van de minister:

a. a. niet meer voldoet aan een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 26 of 28; b. b. niet geacht wordt in staat te zijn een of meer van de werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.1, naar behoren uit te voeren.

2. Bij schorsing geeft de minister de keuringinstantie gedurende een door hem te bepalen periode gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

3. Indien de tekortkoming door de keuringinstantie binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt wordt de schorsing opgeheven.

Artikel 30

1.

De minister kan de aanwijzing van de keuringinstantie intrekken, indien:

a. a. de instantie hierom verzoekt; b. b. de instantie ernstig tekort is geschoten bij de uitvoering van artikel 25 of de naleving van een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 26 en 28; c. c. de instantie misbruik maakt van haar bevoegdheden; d. d. de instantie niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling; e. e. de aanwijzing ingevolge artikel 29, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming naar het oordeel van de minister binnen de door de hem gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of f. f. de instantie surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

2. De keuringsinstantie overlegt bij intrekking van de aanwijzing aan de minister alle relevante inlichtingen en bescheiden, waaronder het register, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b.

3. De keuringsinstantie stelt de betrokken bedrijven onverwijld op de hoogte van het besluit van de minister tot intrekking van de aanwijzing.

Hoofdstuk 4. Overgangsregeling

Artikel 31

1. Een diploma voor het verrichten van lekcontroles van brandbeveiligingssystemen die drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor het terugwinnen bij en het, installeren en onderhouden van brandbeveiligingssystemen en voor het terugwinnen bij brandblusapparaten dat na 14 oktober 2009 en voor 1 januari 2010 door de minister is verstrekt, wordt aangemerkt als een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2. Een bedrijf dat beschikt over een geldig bedrijfscertificaat blusgasinstallatiebedrijf dat door LPCB Nederland B.V. is afgegeven wordt geacht tot 1 juli 2010 in het bezit te zijn van een tussentijds bedrijfscertificaat ten behoeve van het kunnen verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 19.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 32

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 33

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen.

Bijlage I. , behorende bij

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

Bijlage II. , behorend bij

Bijlage III. , behorend bij

Degene als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, die beoordelingen van bedrijven uitvoert, voldoet aan de volgende eisen:

Bijlage IV. , behorend bij

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen: