40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
9.6 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo | BWBR0026615 | ministeriele-regeling | geldend | 2010-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0026615 | Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo |
Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;
- wet: Wet educatie en beroepsonderwijs;
- instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8, of een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet;
- armoedeprobleemcumulatiegebied: een cumulatiegebied zoals gehanteerd in de Armoedemonitor 2005 van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek, zoals geactualiseerd op basis van het Regionaal Inkomensonderzoek;
- deelnemer: een deelnemer die op 1 oktober van een kalenderjaar is ingeschreven aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de wet, die daadwerkelijk de opleiding volgt en op grond van artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB voor bekostiging wordt meegeteld;
- apc-deelnemer: een deelnemer die woonachtig is in een postcodegebied dat valt in een armoedeprobleemcumulatiegebied;
- taal: de Nederlandse taal;
- DUO: uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- steunpunt: het tijdelijke Steunpunt taal en rekenen mbo verbonden aan de Stichting Innovatie Beroepsonderwijs.
Artikel 2
1. De minister verstrekt in de jaren 2010 tot en met 2014 aan het bevoegd gezag van instellingen aanvullende bekostiging ten behoeve van de intensivering van het taal- en rekenonderwijs in de instellingen, dat erop gericht is om structureel een verhoging te realiseren van de taal- en rekenvaardigheden van deelnemers.
2.
De aanvullende bekostiging wordt besteed aan één of meer van de volgende activiteiten:
a. a. aanpassingen in de didactiek en pedagogiek van de beroepsopleidingen met het oog op de intensivering van het taal- en rekenonderwijs; b. b. toetsing van deelnemers; c. c. extra onderwijstijd; d. d. nieuwe of aangepaste faciliteiten; e. e. professionalisering van docenten en overige functionarissen op het gebied van taal- en rekenonderwijs; f. f. andere activiteiten die gericht zijn op intensivering van taal- en rekenonderwijs.
Artikel 3
1. Voor het kalenderjaar 2010 is € 58.099.000 beschikbaar. De bedragen voor de kalenderjaren 2011 tot en met 2013 worden voorafgaand aan het kalenderjaar bekend gemaakt. Voor het kalenderjaar 2014 is € 52.600.000,– beschikbaar.
2.
De aanvullende bekostiging voor een instelling in een kalenderjaar bestaat uit:
a. a. een bedrag per apc-deelnemer, berekend volgens artikel 4; b. b. een bedrag naar rato van het aantal deelnemers, berekend volgens artikel 5; c. c. in voorkomend geval een compensatiebedrag, berekend volgens artikel 6.
3. In 2010 is voor de compensatiebedragen bedoeld in artikel 6 een bedrag van € 6.448.900 beschikbaar, in 2011 een bedrag van € 4.299.267 en in 2012 een bedrag van € 2.149.633
4. Voor de berekening van de bedragen naar rato van het aantal deelnemers op grond van artikel 5 wordt uitgegaan van het bedrag dat voor het betreffende kalenderjaar voor het verstrekken van aanvullende bekostiging resteert nadat het bedrag genoemd in het derde lid alsmede het totaalbedrag voor de apc-deelnemers voor het betreffende kalenderjaar, berekend op grond van artikel 4, in mindering is gebracht op het bedrag, genoemd in het eerste lid.
5. Voor de berekening bedoeld in de artikelen 4 en 5 maakt de minister gebruik van de gegevens bedoeld in artikel 4b.2.3, eerste lid, onderdeel e, van het Uitvoeringsbesluit WEB.
6. Bij de berekening bedoeld in de artikelen 4 en 5 wordt het aantal deelnemers in een deeltijdse opleiding in de beroepsopleidende leerweg vermenigvuldigd met 0,35.
Artikel 4
Het bedrag per apc-deelnemer voor een instelling is afhankelijk van het percentage apc-deelnemers binnen de instelling ten opzichte van het totale aantal deelnemers van het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar van de instelling en bedraagt:
a. a. € 10 bij 10% of minder apc-deelnemers; b. b. € 30 bij meer dan 10% maar maximaal 20% apc-deelnemers; c. c. € 40 bij meer dan 20% maar maximaal 30% apc-deelnemers; d. d. € 80 bij meer dan 30% maar maximaal 35% apc-deelnemers; e. e. € 100 bij meer dan 35% maar maximaal 40% apc-deelnemers; f. f. € 120 bij meer dan 40% apc-deelnemers.
Artikel 5
Het voor een instelling beschikbare bedrag naar rato van het aantal deelnemers is een voor de instelling evenredig gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en wordt berekend naar rato van het aandeel van de instelling in het landelijke totaal van deelnemers die op 1 oktober van het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar zijn ingeschreven.
Artikel 6
1.
Om te bepalen of voor een instelling aanspraak bestaat op een compensatiebedrag en in voorkomend geval, voor het berekenen van de hoogte daarvan, wordt gebruik gemaakt van de formules opgenomen in het tweede en derde lid, waarbij steeds geldt dat:
EDUins is: de hoogte van het bedrag dat blijkens de jaarrekening over het kalenderjaar 2008 met de overeenkomst of overeenkomsten educatie van de desbetreffende instelling in dat kalenderjaar is gemoeid;
EDUlan is: de hoogte van het bedrag dat blijkens de jaarrekeningen over het kalenderjaar 2008 met de overeenkomsten educatie van de instellingen in dat kalenderjaar is gemoeid;
T2010 is: de aanvullende vergoeding die de desbetreffende instelling in 2010 ontvangt op grond van de artikelen 4 en 5.
2.
Er is aanspraak op aanvullende bekostiging, indien geldt:
(EDUins/EDUlan x € 50.000.000) – T2010 is groter dan 2% van EDUins.
3.
Het bedrag van de aanvullende bekostiging is de uitkomst van:
(EDUins/EDUlan x € 50.000.000) – T2010 – 2% van EDUins, met dien verstande dat de uitkomst wordt vermenigvuldigd met 0,75 in 2010, met 0,50 in 2011 en met 0,25 in 2012.
Artikel 7
1. De aanvullende bekostiging ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Ingeval van het niet vervullen van de voorwaarde wordt de op grond van deze regeling verleende aanvullende bekostiging verlaagd tot het bedrag dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter beschikking staat.
Artikel 8
1. Een instelling stelt een implementatieplan Nederlandse taal en rekenen op voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 en stuurt dit vóór 1 april 2010 naar DUO.
2.
Het implementatieplan bevat in ieder geval:
a. a. de wijze waarop de instelling taal- en rekenbeleid ontwikkelt; b. b. een overzicht van de in artikel 2 genoemde activiteiten ten behoeve van de intensivering van het taal- en rekenonderwijs, die de instelling wil aanbieden; c. c. de wijze waarop de instelling effecten van de onderwijsinspanningen op taal- en rekenvaardigheden van deelnemers meet.
3. Het steunpunt analyseert het implementatieplan en geeft hierover een reactie aan de instelling.
4. Indien de instelling niet tijdig een implementatieplan heeft ingezonden dat voldoet aan de eisen gesteld in het tweede lid, kan de minister op grond van artikel 11.1 van de wet de aanvullende bekostiging geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten.
Artikel 9
De aanvullende bekostiging wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen na afloop van de looptijd van de aanvullende bekostiging zullen worden teruggevorderd. De aanvullende bekostiging wordt uiterlijk in het jaar 2014 besteed.
Artikel 10
1. De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, behorende bij de richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de aanvullende bekostiging.
2. In aanvulling op de financiële verantwoording van de aanvullende bekostiging in de jaarverslaggeving stelt het bevoegd gezag dat in een kalenderjaar meer dan € 25.000 aan aanvullende bekostiging op grond van deze regeling heeft ontvangen, een inhoudelijk verslag op. Het verslag wordt ingericht volgens het format dat als bijlage bij deze regeling is opgenomen en wordt opgenomen in het jaarverslag. Het inhoudelijk verslag bevat een reflectie op de behaalde resultaten mede in relatie tot het implementatieplan bedoeld in artikel 8.
Artikel 11
De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks in vier termijnen betaald.
Artikel 12
Het steunpunt betrekt de bevindingen over de implementatieplannen en de jaarlijkse inhoudelijke verantwoording van de onderwijsinstellingen in de jaarverslagen bij zijn jaarlijkse voortgangsrapportage.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en vervalt met ingang van 1 januari 2017.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo.