rijk/ministeriele-regeling/regeling-macrodoelmatigheid-hoger-onderwijs/BWBR0041061/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

223 lines
13 KiB
Markdown

---
titel: Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs
bwb_id: BWBR0041061
type: ministeriele-regeling
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2018-06-26'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0041061
citeertitel: Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs
---
# Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs
### Artikel 1
a. a.
*wet:*
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. b.
*Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
c. c.
*CDHO:* Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs;
d. d.
*NVAO:* Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie;
e. e.
*instellingsbestuur:* het college van bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs;
f. f.
*opleiding:* initiële opleiding van een bekostigde instelling;
g. g.
*nevenvestiging:* een nevenvestiging als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet;
h. h.
*verplaatsing:* een verplaatsing als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet;
i. i.
*bve-instelling:* een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, dan wel een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van die wet.
### Artikel 2
De beleidsregels uit deze regeling en de bij deze regeling behorende bijlage 1 hebben betrekking op de wijze waarop de Minister gebruik maakt van de volgende bevoegdheden:
a. a.
de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het voornemen van een instellingsbestuur voor het verzorgen van een nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onder a, van de wet;
b. b.
de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met een samenvoeging van opleidingen, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onder b, van de wet;
c. c.
de bevoegdheid tot het verlenen van goedkeuring met het verzoek van een instellingsbestuur om een deel van een associate degree-opleiding te laten uitvoeren door een bve-instelling, bedoeld in artikel 7.8a, van de wet;
d. d.
de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming in bijzondere gevallen, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, van de wet;
e. e.
de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het voornemen van een instellingsbestuur voor een verplaatsing van een opleiding of een gedeelte daarvan, bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet;
f. f.
de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het voornemen van een instellingsbestuur voor een nevenvestiging van een opleiding of een gedeelte daarvan, bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet.
### Artikel 3
**1.**
Onder een gedeelte van een opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet wordt begrepen:
a. a.
ten minste de propedeutische fase of de eerste 60 studiepunten van een opleiding;
b. b.
ten minste een afstudeerrichting;
c. c.
het gedeelte van de opleiding dat meer dan een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
d. d.
het praktijkgedeelte dat meer dan de helft van het curriculum omvat, indien het een opleiding betreft die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt gesubsidieerd.
**2.**
De in het eerste lid, onderdelen c en d, genoemde norm heeft geen betrekking op:
a. a.
het beroepsuitoefeningsdeel van een duaal ingerichte opleiding dat door een student op individuele basis in een andere gemeente wordt doorlopen; of
b. b.
de situatie van een student die een deeltijd opleiding volgt en met wie op individuele basis een overeenkomst vergelijkbaar met die bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, van de wet is gesloten.
### Artikel 4
**1.**
De Minister stemt in met een voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding of het starten van een nevenvestiging, indien het instellingsbestuur heeft aangetoond:
a. a.
dat er een behoefte bestaat aan de opleiding, zijnde
1°.
een arbeidsmarktbehoefte,
2°.
overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte, of
3°.
overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en
1°. 1°.
een arbeidsmarktbehoefte,
2°. 2°.
overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte, of
3°. 3°.
overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en
b. b.
dat in de behoefte als bedoeld onder a niet door het bestaande opleidingenaanbod wordt voorzien.
**2.** Indien het voornemen past bij het profiel van de instelling, zoals beschreven in een erkend sectorplan, wordt aangenomen dat is voldaan aan onderdeel b, uit het eerste lid, tenzij naar het oordeel van de Minister ruimschoots voldoende vergelijkbare opleidingen worden aangeboden om in de behoefte te voorzien.
**3.** De Minister stemt in met een voornemen tot een verplaatsing indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de spreiding van het landelijk onderwijsaanbod.
### Artikel 5
**1.** De CDHO adviseert de Minister inzake de bevoegdheden genoemd in artikel 2, onder a, d en e.
**2.** Om in aanmerking te komen voor instemming van de Minister met een voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding, een nevenvestiging of verplaatsing, dient het instellingsbestuur een aanvraag in bij de CDHO.
**3.** De aanvraag wordt gelijktijdig elektronisch en per post ingediend. Voor de datum van indiening van de aanvraag geldt de datum van ontvangst van de aanvraag per post.
**4.** Indien de aanvraag een joint degree-opleiding betreft, wordt deze ingediend door het instellingsbestuur dat, of de instellingbesturen gezamenlijk die, in Nederland zijn gezeteld.
**5.** Indien meerdere aanvragen ter zake vergelijkbare opleidingen gelijktijdig ter beoordeling voorliggen of een instellingsbestuur tegelijkertijd meerdere aanvragen indient, beoordeelt de CDHO de aanvragen in onderling verband.
**6.** De CDHO stelt instellingsbesturen die vergelijkbare opleidingen verzorgen of op grond van een erkend sectorplan zullen gaan verzorgen, in de gelegenheid om, binnen een termijn van twee weken, hun zienswijzen in te dienen naar aanleiding van een aanvraag.
### Artikel 6
**1.** Voor de indiening van de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het toepasselijke aanvraagformulier, zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.
**2.** Het instellingsbestuur vult het aanvraagformulier volledig in en maakt in de aanvraag navolgbaar en met valide gegevens aannemelijk dat het voornemen voldoet aan de criteria voor instemming, als bedoeld in artikel 4.
### Artikel 7
**1.** Indien een instelling in aanmerking komt voor een subsidie, als bedoeld in artikel 3 van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs, voor een opleiding waarvoor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5a.11 of artikel 5a.13 van de wet is aangevraagd, meldt het instellingsbestuur dit bij de Minister.
**2.** De Minister stemt in met het verzorgen van de opleiding, bedoeld in het eerste lid, waarvoor subsidie wordt verstrekt op grond van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs.
**3.** De instemming geldt voor de periode van deelname aan het experiment vraagfinanciering.
**4.** De artikelen 4, 5 en 6 zijn niet van toepassing op een besluit als bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 8
Indien een hogeschool voornemens is een wo-opleiding te verzorgen of een universiteit voornemens is een hbo-opleiding te verzorgen, gelden de volgende aanvullende criteria:
a. a.
de opleiding is complementair aan het bestaande aanbod; en
b. b.
de opleiding sluit aan bij het profiel van de instelling; en
c. c.
er is sprake van een duurzame relatie met een universiteit, indien het een voornemen van een hogeschool betreft of er is sprake van een duurzame relatie met een hogeschool, indien het een voornemen van een universiteit betreft.
### Artikel 9
**1.** Indien een opleiding deel uitmaakt van een erkend sectorplan en de Minister bij de erkenning heeft aangegeven dat de nieuwe opleiding, de nevenvestiging of de verplaatsing, voor vrijstelling van de macrodoelmatigheidstoets in aanmerking komt, zijn de artikelen 4, 5 en 6 niet van toepassing.
**2.** De Minister stemt in met het voornemen tot het verzorgen van de opleiding, het starten van de nevenvestiging of de verplaatsing, bedoeld in het eerste lid, op grond van de vaststelling dat het voornemen in lijn is met de afspraken uit het sectorplan.
**3.** Het instellingbestuur maakt in de aanvraag aannemelijk dat het voornemen in lijn is met de afspraken uit het sectorplan. De aanvraag wordt ingediend bij de Minister.
**4.** De Minister kan voorwaarden stellen bij het besluit bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 10
**1.**
De Minister stemt, zonder een voorafgaande macrodoelmatigheidstoets, in met een voornemen om een of meer bestaande opleidingen samen te voegen tot:
a. a.
een joint degree-opleiding, indien er sprake is van een omvorming van een bestaande opleiding naar een joint degree-opleiding met een of met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en de opleiding een grotere studielast krijgt;
b. b.
een verbrede opleiding, indien dit voornemen naar het oordeel van de NVAO, gelet op de door het instellingsbestuur beschreven programmatische relatie tussen de betreffende opleidingen, niet leidt tot het verzorgen van een nieuwe opleiding.
**2.** Indien het voornemen ertoe strekt dat de samengevoegde opleiding in een voor beide oorspronkelijke opleidingen nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd, zijn op die vestigingsplaats de artikelen 4, 5 en 6 van toepassing.
**3.** Instemming blijft achterwege als een of meer van de samen te voegen opleidingen gericht is op een bepaald beroep waarvoor, als bedoeld in artikel 7.6 van de wet, beroepsvereisten zijn gesteld en de samengevoegde opleiding niet meer voldoet aan deze vereisten.
### Artikel 11
Een aanvraag voor samenvoeging van een of meer bestaande opleidingen tot een joint degree-opleiding of tot een verbrede opleiding, gaat vergezeld van de volgende informatie:
a. a.
het oordeel van de NVAO dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding;
b. b.
de beoogde startdatum van de samengevoegde opleiding en, voor zover noodzakelijk, de redelijke termijn waarbinnen de studenten de oorspronkelijke opleiding kunnen afronden;
c. c.
indien de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.25 en artikel 7.25a van de wet en, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen, bedoeld in artikel 7.26 van de wet, van de samen te voegen opleidingen verschillen, kan het instellingsbestuur een voorstel voor de nieuw te stellen eisen indienen.
d. d.
of het instellingsbestuur gebruik wil maken van de in artikel 6.2, vijfde lid, van de wet genoemde mogelijkheid om de verbrede opleiding zonder instemming van de Minister ten hoogste vijf jaar na de start van de opleiding weer te splitsen in de oorspronkelijke opleidingen.
### Artikel 12
**1.** De Minister stemt in met het voornemen tot het verzorgen van maximaal de helft van de associate degree-opleiding, met uitzondering van de afstudeerfase en het afsluitend examen, door een bve-instelling, als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de wet, indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat hiermee de kwaliteit van het onderwijs wordt geborgd.
**2.** De Minister stemt in met het voornemen tot het verzorgen van meer dan de helft van een associate degree-opleiding, met uitzondering van de afstudeerfase en het afsluitend examen, door een bve-instelling, als bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, van de wet, indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat de betreffende bve-instelling specifieke kennis of een netwerk bezit in een bepaald specialisme, die niet binnen de eigen hogeschool kan worden georganiseerd, waardoor het verzorgen van meer dan de helft van de associate degree-opleiding door de bve-instelling ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs.
**3.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een associate degree-opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 onder aa van de wet.
### Artikel 13
Een hogeschool of rechtspersoon voor hoger onderwijs doet een aanvraag voor het verzorgen van een deel van een associate degree-opleiding door een bve-instelling, middels het aanvraagformulier in bijlage 2.
### Artikel 14
Een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling is ingediend, alsmede een bezwaarschrift tegen een besluit op dat voornemen, wordt overeenkomstig de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014 afgehandeld, tenzij toepassing van deze regeling tot een voor de aanvrager, gunstiger uitkomst leidt.
### Artikel 15
Onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.
### Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs.
## Bijlage 1. behorend bij de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs: beoordeling aanvragen
## Bijlage 2. behorend bij de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs: aanvraagformulieren