rijk/ministeriele-regeling/regeling-natuurbescherming/BWBR0038668/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

111 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling natuurbescherming BWBR0038668 ministeriele-regeling geldend 2020-06-26 https://wetten.overheid.nl/BWBR0038668 Regeling natuurbescherming

Regeling natuurbescherming

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *AERIUS Calculator:* rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied, beschikbaar op www.aerius.nl;

    *AERIUS Monitor:* applicatie, beschikbaar op www.aerius.nl, voor het tonen van gegevens over de gevoeligheid voor stikstof van habitats, de omvang van stikstofdepositie op die habitats in Natura 2000-gebieden en de relatie daartussen;

    *AERIUS Register:* registratiesysteem als bedoeld in artikel 2.3 voor het registreren van depositieruimte die kan worden gebruikt bij het nemen van een besluit waarbij een project wordt toegestaan, beschikbaar op www.aerius.nl;

    *CITES-basisverordening:*
    verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);

    *CITES-uitvoeringsverordening:*
    verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);

    *depositieruimte:* in AERIUS Register opgenomen ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied;

    *gemeld PAS-project:* project dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.8b;

    *gesloten pootring:* individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;

    *kavelbesluit:* kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;

    *minister:* Minister voor Natuur en Stikstof;

    *Natura 2000-vergunning:* vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet;

    *omgevingsvergunning:* omgevingsvergunning voor het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet;

    *tracébesluit:* tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet;

    *Verordening invasieve uitheemse soorten:* verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);

    *voor stikstof gevoelige habitat:* voor stikstof gevoelig leefgebied voor vogelsoorten, natuurlijke habitat en habitat van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;

    *wet:*
    Wet natuurbescherming;

    *woningbouwcluster:* cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten.

Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden

Paragraaf 2.1.1. Stikstofberekening

Artikel 2.1

1. Voor de vaststelling of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, afzonderlijk of in combinatie met plannen of andere projecten significante gevolgen kan hebben voor dat gebied door het veroorzaken van stikstofdepositie in het gebied op een voor stikstof gevoelige habitat, wordt de stikstofdepositie berekend met AERIUS Calculator versie 2023.

2. AERIUS Calculator wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Natuur en Stikstof.

Paragraaf 2.1.2. AERIUS Register

Artikel 2.2

Deze paragraaf is van toepassing op:

a. a. woningbouwprojecten, inclusief noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; b. b. voor zover het betreft wegen in beheer bij het Rijk: renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen; c. c. gemelde PAS-projecten; d. d. rijksvastgoedprojecten; e. e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; f. f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; g. g. projecten van de Minister van Defensie; en h. h. projecten waarvoor gedeputeerde staten van de provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Artikel 2.3

1. Een besluit waarbij een project wordt toegestaan, kan worden genomen met gebruikmaking van in AERIUS Register opgenomen depositieruimte. Daarbij wordt gebruikgemaakt van AERIUS Register versie 2023.

2. AERIUS Register wordt beheerd door de Minister voor Natuur en Stikstof.

3. In AERIUS Register kan ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van een maatregel als bedoeld in artikel 2.4 als depositieruimte worden opgenomen. De beperking tot ten hoogste 70% geldt niet voor depositieruimte die het gevolg is van een maatregel waarbij al eerder aan deze beperking toepassing is gegeven.

4. In AERIUS Register wordt onderscheid gemaakt tussen depositieruimte die beschikbaar is voor de categorieën van projecten, bedoeld in artikel 2.2, onderdelen a tot en met h, waarbij voor de categorieën van projecten, bedoeld in artikel 2.2, onderdelen a, b en c, gezamenlijk depositieruimte beschikbaar is als bepaald in artikel 2.4b. Binnen elke categorie van projecten kan in AERIUS Register een nader onderscheid worden gemaakt.

Artikel 2.4

1.

Een maatregel als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, is in ieder geval:

a. a. de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen; b. b. de blijvende vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 december 2022; c. c. de blijvende vermindering van stikstofemissie door een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders; d. d. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; e. e. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; f. f. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister voor Klimaat en Energie; g. g. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Defensie; en h. h. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van provinciale staten of gedeputeerde staten.

2. Op verzoek van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten kan een door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, het waterschap of de provincie getroffen maatregel, door de minister die het aangaat of gedeputeerde staten, worden aangemerkt als een getroffen maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h.

3.

Onder een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h, wordt in ieder geval begrepen:

a. a. de intrekking of wijziging van een toestemming voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt waardoor de stikstofdepositie door die activiteit vermindert; en b. b. een wettelijk voorschrift of ander besluit dat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie door een toegestane activiteit.

4.

Voor de toepassing van het derde lid, onder a, wordt verstaan onder toestemming:

a. a. een Natura 2000-vergunning of een omgevingsvergunning; b. b. een ander op deze specifieke activiteit betrekking hebbend besluit voor het nemen waarvan de gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld; c. c. als een vergunning of besluit als bedoeld onder a of b ontbreekt en als de activiteit rechtmatig werd uitgevoerd op de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en sindsdien onafgebroken is uitgevoerd: de meest beperkende toestemming volgend uit:

        1°.
        een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
      
      
        2°.
        een melding van een activiteit als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; of
      
      
        3°.
        een ander op deze activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift.

1°. 1°. een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. 2°. een melding van een activiteit als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; of 3°. 3°. een ander op deze activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift.

5.

De ministers en gedeputeerde staten nemen depositieruimte alleen in AERIUS Register op:

a. a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden; b. b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en c. c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd.

6.

De minister die het aangaat of gedeputeerde staten geven elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze kennis van:

a. a. hun voornemen om een wettelijk voorschrift of beleidsregel vast te stellen als een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h; b. b. het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register.

Artikel 2.4a

1.

De minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor het registreren in AERIUS

Register van depositieruimte die ontstaat door:

a. a. een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c; b. b. een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, voor zover deze niet door een ander bestuursorgaan is aangemerkt als maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen d tot en met h.

2. De minister die het aangaat draagt zorg voor het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen d tot en met g.

3. Gedeputeerde staten dragen zorg voor het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel h.

4. De ministers en gedeputeerde staten kunnen depositieruimte in AERIUS Register opnemen als depositieruimte waarvan ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar kan worden gebruikt in een besluit waarbij een project wordt toegestaan als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, als de depositieruimte ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4 die hen aangaat.

Artikel 2.4b

1. Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en b, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten, woningbouwprojecten en projecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.

2. Depositieruimte als bedoeld in het eerste lid is gedurende de eerste 17 weken na de datum waarop zij in AERIUS Register is opgenomen, alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

3.

In afwijking van het tweede lid kan de Minister voor Natuur en Stikstof, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, depositieruimte als bedoeld in het eerste lid ook beschikbaar stellen voor een woningbouwproject als:

a. a. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hem uiterlijk drie weken voor het opnemen van de depositieruimte in AERIUS Register heeft geïnformeerd dat voor het project een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning:

        1°.
        is aangevraagd; of
      
      
        2°.
        naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en

1°. 1°. is aangevraagd; of 2°. 2°. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en b. b. hij daarbij een berekening op hexagoonniveau van de benodigde depositieruimte voor het project heeft overgelegd.

Artikel 2.4c

Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

Artikel 2.4d

1.

Depositieruimte die is verkregen door een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de volgende ministers is alleen beschikbaar voor de volgende projecten:

a. a. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: rijksvastgoedprojecten en woningbouwprojecten; b. b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: projecten van die minister; c. c. de Minister voor Klimaat en Energie: projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; d. d. de Minister van Defensie: projecten van die minister.

2. De minister die het aangaat kan de depositieruimte op verzoek van een andere minister of gedeputeerde staten ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 2.4e

1. Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel h, is alleen beschikbaar voor projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten van de betrokken provincie hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

2. Gedeputeerde staten kunnen depositie als bedoeld in het eerste lid op verzoek van een minister of gedeputeerde staten van een andere provincie ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 2.4f

In afwijking van de artikelen 2.4b tot en met 2.4e is depositieruimte ten aanzien waarvan artikel 2.4a, vierde lid, is toegepast, beschikbaar voor alle in artikel 2.2 bedoelde projecten.

Artikel 2.5

1.

Depositieruimte kan, behalve in een Natura 2000-vergunning, ook worden toegedeeld in:

a. a. een omgevingsvergunning; b. b. een tracébesluit; c. c. een kavelbesluit.

2. Depositieruimte kan alleen worden toegedeeld in een besluit als bedoeld in het eerste lid.

3. Depositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd.

4. Depositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan alleen nogmaals worden gereserveerd of toegedeeld nadat zij weer beschikbaar is gekomen met toepassing van artikel 2.10.

Artikel 2.6

1. Reservering of toedeling van depositieruimte is mogelijk voor zover daarvoor depositieruimte beschikbaar is.

2. De beschikbare depositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied is de door de minister of gedeputeerde staten in AERIUS Register opgenomen depositieruimte voor die hectare, verminderd met de depositieruimte die met toepassing van artikel 2.10 is afgeschreven of met toepassing van de artikelen 2.7 tot en met 2.8d is gereserveerd, en vermeerderd met de depositieruimte die met toepassing van artikel 2.10 is bijgeschreven.

3. De depositieruimte die ten behoeve van een of meer projecten wordt gereserveerd of toegedeeld in verband met de toename van stikstofdepositie is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied die die projecten in een jaar kunnen veroorzaken.

Artikel 2.7

1.

Stikstofdepositieruimte kan worden gereserveerd door:

a. a. het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunning voor projecten als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a tot en met g; b. b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor tracébesluiten; c. c. de Minister voor Klimaat en Energie voor kavelbesluiten; d. d. gedeputeerde staten voor andere projecten dan bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, waarvoor zij het bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

2. Stikstofdepositieruimte voor projecten als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, ten aanzien waarvan artikel 2.8d is toegepast, kan worden gereserveerd nadat 17 weken zijn verstreken na de datum waarop de depositieruimte in AERIUS Register is opgenomen.

3. De in het tweede lid bedoelde reservering geschiedt in de volgorde waarin de aanvragen om de Natura 2000-vergunning zijn ontvangen.

4. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

5.

Een reservering als bedoeld in het eerste lid:

a. a. onderdelen a en d: vervalt als het bevoegd gezag een besluit heeft genomen op de aanvraag om de vergunning; b. b. onderdeel b: vervalt als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het tracébesluit heeft vastgesteld; c. c. onderdeel c: vervalt als de Minister voor Klimaat en Energie het kavelbesluit heeft genomen.

Artikel 2.8

Vervallen

Artikel 2.8a

1. Op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor een woningbouwcluster in een gemeente.

2. Bij de aanvraag wordt een berekening verstrekt waaruit blijkt dat in AERIUS Register binnen de depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, voldoende depositieruimte beschikbaar is voor het cluster.

3. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering van depositieruimte voor woningbouwclusters in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen.

4. Gedeputeerde staten reserveren alleen depositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

5. Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt als en voor zover gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in elk geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken.

6. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

Artikel 2.8b

1.

Het bevoegd gezag reserveert alleen depositieruimte voor een gemeld PAS-project als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. a. voor het project gold een meldingsplicht op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019; b. b. voor het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding gedaan; c. c. het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019:

        1°.
        volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht;
      
      
        2°.
        nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of oprichting van installaties, gebouwen en infrastructuur; of
      
      
        3°.
        nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan;

1°. 1°. volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht; 2°. 2°. nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of oprichting van installaties, gebouwen en infrastructuur; of 3°. 3°. nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan; d. d. voor de activiteit waarop de melding betrekking heeft, is geen toereikende en onherroepelijke Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning verleend; e. e. als de melding betrekking heeft op een wijziging van een project dat geheel of gedeeltelijk was gerealiseerd voor 1 februari 2009 maar na de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied, dan is de totale stikstofdepositie die door het gewijzigde project wordt veroorzaakt op een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied niet groter dan de op het moment van de melding geldende grenswaarde, bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019; f. f. als het project substantieel afwijkt van het gemelde project, veroorzaakt het gewijzigde project niet meer stikstofdepositie op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden dan het gemelde project; en g. g. de activiteit waarop het project betrekking heeft, wordt nog verricht.

2. Het eerste lid, onderdeel g, geldt niet als het project voldoet aan onderdeel c, onder 3°, van dat lid.

Artikel 2.8c

Het bevoegd gezag geeft bij het reserveren van depositieruimte voor gemelde PAS-projecten voorrang aan projecten ten aanzien waarvan het voor 13 januari 2022 een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van artikel 2.7, tweede lid, van de wet. Als het na toepassing van de eerste zin noodzakelijk is om een keuze te maken tussen projecten, kiest het bevoegd gezag die combinatie van projecten die gezamenlijk voor een optimale benutting van de beschikbare depositieruimte zorgt.

Artikel 2.8d

1. Het bevoegd gezag kan voor gemelde PAS-projecten alleen depositieruimte reserveren als deze zijn geselecteerd met toepassing van artikel 2.8c.

2. Het bevoegd gezag kan de ruimte reserveren na ontvangst van een aanvraag om een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning voor dat project.

Artikel 2.9

Vervallen

Artikel 2.10

1.

Het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunning draagt zorg voor:

a. a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die aan dat project is toegedeeld; b. b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een besluit is genomen op de betrokken aanvraag; c. c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als de vergunning is vernietigd.

2.

Voor tracébesluiten draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorg voor:

a. a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die hij heeft toegedeeld; b. b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als hij het betrokken tracébesluit heeft vastgesteld; c. c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als het tracébesluit is vernietigd.

3.

Voor kavelbesluiten draagt de Minister voor Klimaat en Energie zorg voor:

a. a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die hij heeft toegedeeld; b. b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als hij het betrokken kavelbesluit heeft genomen; c. c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als het kavelbesluit is vernietigd.

4.

De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen kunnen zorg dragen voor de bijschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die is vrijgevallen wanneer:

a. a. het besluit waarin depositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is aangevangen; of b. b. de bouw- en aanlegfase waarvoor depositieruimte is toegedeeld, is afgerond.

5. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen dragen zorg voor de bijschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die weer beschikbaar komt omdat het besluit waarin depositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken of gewijzigd.

Paragraaf 2.1.3. Monitoring omgevingswaarde stikstofdepositie 2030

Artikel 2.11

1. Dit artikel is van toepassing op de monitoring voor de omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2030, bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid, van de wet.

2. De monitoring vindt plaats met behulp van AERIUS Monitor versie 2023.

Hoofdstuk 3. Soorten

Titel 3.1. Vrijstelling bestrijding soorten die in het gehele land schade veroorzaken

Artikel 3.1

1. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien.

2. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van konijnen en vossen.

3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de handelingen, bedoeld in artikel 3.15, vijfde lid, van de wet.

4. De categorieën van schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, onderdeel c, van de wet, zijn de categorieën van schade als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, onderdeel b, en 3.15, zesde lid, onderdeel b, van de wet.

5. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.

Artikel 3.2

De handelingen waarvoor vrijstelling wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.

Artikel 3.3

1.

Als middelen als bedoeld in de artikelen 3.3, vijfde lid, onderdeel a, en 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:

a. a. geweren; b. b. honden, niet zijnde lange honden, en c. c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds.

2.

Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:

a. a. het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels; b. b. het vangen of doden met gebruikmaking van een akoestisch middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en c. c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is.

3.

Als middelen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden aangewezen:

a. a. geweren; b. b. honden, niet zijnde lange honden; c. c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds; d. d. fretten; e. e. kastvallen; f. f. vangkooien, en g. g. buidels.

Artikel 3.4

1.

Ter uitvoering van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, worden:

a. a. geen andere vangmiddelen of dodingsmiddelen gebruikt dan de in artikel 3.3, eerste, onderscheidenlijk derde lid, genoemde middelen; b. b. aardhonden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus; c. c. de in artikel 3.3, eerste en derde lid, aangewezen middelen, met uitzondering van fretten, kastvallen, vangkooien en buidels, niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de tweede pinksterdag, de eerste en tweede kerstdag, en de hemelvaartsdag.

2. Ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden geen andere methoden gebruikt dan de in artikel 3.3, tweede lid, genoemde methoden.

Titel 3.2. Jacht

Paragraaf 3.2.1. Regels over de uitoefening van de jacht

Artikel 3.5

De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:

a. a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari; b. b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december; c. c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland; d. d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari; e. e. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.

Artikel 3.6

Als organisaties als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage 2.

Titel 3.3. Middelen

Paragraaf 3.3.1. Erkenning examens

Artikel 3.7

Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, derde lid, van de wet worden erkend het jachtexamen, het examen voor het gebruik van jachtvogels en het examen voor het gebruik van eendenkooien die worden afgenomen door de Stichting Jachtexamens.

Artikel 3.8

Als gelijkwaardig aan erkende examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, en 3.30, derde lid, van de wet worden aangemerkt:

a. a. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen; b. b. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen; c. c. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest; d. d. met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; e. e. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning; f. f. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.

Paragraaf 3.3.2. Inhoud examens

Artikel 3.9

1.

De kennis, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

a. a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

        1°.
        vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        2°.
        tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        3°.
        tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        4°.
        tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 9° en 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        5°.
        vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, van het Besluit natuurbescherming; 2°. 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, van het Besluit natuurbescherming; 3°. 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming; 4°. 4°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 9° en 10°, van het Besluit natuurbescherming, en 5°. 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming; b. b. ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

        1°.
        vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        2°.
        tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en 2°. 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

2.

De schietvaardigheid en vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, worden getoetst door middel van:

a. a. het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel; b. b. het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste vijftig meter, en c. c. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.

3.

Een jachtexamen is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd, indien degene die het examen aflegt:

a. a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; b. b. bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt; c. c. bij het doen van schoten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ten minste drie treffers heeft die zijn gelegen binnen een cirkel van vijftien centimeter, en d. d. weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt, heeft getoond.

Artikel 3.10

1.

De kennis, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

a. a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

        1°.
        vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        2°.
        vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        3°.
        tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        4°.
        vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        5°.
        vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

1°. 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming; 2°. 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming; 3°. 3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming; 4°. 4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en 5°. 5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming; b. b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

        1°.
        tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        2°.
        tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

1°. 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en 2°. 2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

2. De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.

3.

Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:

a. a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; b. b. voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.

Artikel 3.11

1.

De kennis, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

a. a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:

        1°.
        vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        2°.
        vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
      
      
        3°.
        vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        4°.
        vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

1°. 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming; 2°. 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming; 3°. 3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en 4°. 4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming; b. b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

        1°.
        tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
      
      
        2°.
        vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

1°. 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en 2°. 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

2. Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.

Paragraaf 3.3.3. Wijze van aanvragen en model jachtakte en valkeniersakte

Artikel 3.12

1. Een jachtakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de korpschef verkrijgbaar is.

2. Een valkeniersakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verkrijgbaar is.

3. Een jachtakte of valkeniersakte kan in het geval, bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de wet namens de persoon voor wie de akte bestemd is, worden aangevraagd door een jachthouder die hem voor de jacht heeft uitgenodigd.

4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat vergezeld van twee goed gelijkende pasfoto's van degene voor wie de akte bestemd is.

Artikel 3.13

1. Het model van de jachtakte, bedoeld in artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier, dat door de korpschef wordt gewaarmerkt door middel van een stempelafdruk en een handtekening voor de periode waarvoor de jachtakte wordt verleend.

2. Als modelformulier als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld het modelformulier, opgenomen in bijlage 3.

3. De jachtakte wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de akte is bestemd. Deze foto wordt door de korpschef door middel van een stempelafdruk gewaarmerkt.

4. Als model van de valkeniersakte, bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de wet, in samenhang met artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt vastgesteld het model, opgenomen in bijlage 4.

5. In afwijking van het tweede lid wordt voor de periode van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 vastgesteld het modelformulier, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling modellen en aanvraagformulieren jacht-, valkeniers- en kooikersakten, zoals deze gold op 31 december 2016, voorzien van een zegel als bedoeld in artikel 2 van die regeling.

Titel 3.4. Onder zich hebben of verhandelen van dieren of planten

Paragraaf 3.4.1. Uitvoering EU-verordeningen en EU-richtlijnen

Artikel 3.14

Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

a. a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening; b. b. artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286), en c. c. artikel 3, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).

Artikel 3.15

1. Het is verboden in strijd te handelen met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening.

2. Ten aanzien van een plant van een in bijlage 5 genoemde soort kan degene die de plant uitvoert een fytosanitair certificaat aanvragen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het fytosanitaire certificaat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening.

3. In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de CITES-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is verleend overeenkomstig het tweede lid of dat is afgegeven door een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie.

4. De etiketten, bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, worden aangevraagd bij de minister. Een aanvraag wordt gedaan voor een minimum van 100 etiketten. De aanvrager zendt ongebruikte etiketten onverwijld terug naar de minister.

5. Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.

6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Eskimobevolking.

Paragraaf 3.4.2. Vrijstellingen soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

Artikel 3.16

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van een dode vogel of een ander dood dier, of producten daarvan.

2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien de vogel of het andere dier aantoonbaar is verkregen overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, 3.16, tweede of vierde lid, 3.17, eerste lid, of 3.18, eerste lid, van de wet.

Artikel 3.17

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier met een dierenambulance.

2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn, met het oog op het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance.

3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.

Artikel 3.18

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben en vervoeren van een dode vogel met het oog op preparatie daarvan.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

a. a. de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, en b. b. degene die de vogel onder zich heeft:

        1°.
        de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
      
      
        2°.
        de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.

1°. 1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of 2°. 2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.

3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben van een geprepareerde vogel.

4. De vrijstelling, bedoeld in het derde lid, geldt uitsluitend, indien de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23, vierde en vijfde lid.

5. Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

Artikel 3.18a

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste en zesde lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of ten verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.

2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.6, eerste en tweede lid, van de wet, voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.

3.

De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien:

a. a. de vogel, het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, en b. b. ingeval de vogel, het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

4. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris).

Paragraaf 3.4.3. Vrijstellingen gefokte vogels en soorten op bijlagen CITES

Artikel 3.19

1.

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor onderscheidenlijk:

a. a. het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan; b. b. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, en c. c. het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

2.

Ingeval de vogel behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend, indien:

a. a. de vogel is voorzien van:

        1°.
        een gesloten pootring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.28 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.25;
      
      
        2°.
        een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, of
      
      
        3°.
        ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;

1°. 1°. een gesloten pootring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.28 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.25; 2°. 2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, of 3°. 3°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht; b. b. ingeval het een levende vogel betreft die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en c. c. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

3.

Ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, niet zijnde een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. a. ingeval het een levende gefokte vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening:

        1°.
        ten aanzien van de vogel is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
      
      
        2°.
        is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en
      
      
        3°.
        de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;

1°. 1°. ten aanzien van de vogel is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; 2°. 2°. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en 3°. 3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen; b. b. ingeval het een dode vogel, een product of een ei van een vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of c. c. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D, bij de CITES-basisverordening:

        1°.
        de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, en
      
      
        2°.
        ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.

1°. 1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, en 2°. 2°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.

4.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een in artikel 1 van de Vogelrichtlijn bedoelde soort:

a. a. van het geslacht Cygnus, of b. b. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft, overeenkomstig artikel 3.30, eerste lid, van de wet gerechtigd is de vogel te gebruiken als jachtvogel.

5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben van een levende havik. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste of tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op het onder zich hebben, onderscheidenlijk verhandelen van een gefokte havik, wordt slechts verleend indien de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de havik in gevangenschap is gefokt.

Artikel 3.20

1.

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van:

a. a. een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan; b. b. een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan, of c. c. een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

a. a. het dier of de plant:

        1°.
        aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of
      
      
        2°.
        als het een ongewerveld dier of een plant betreft, aantoonbaar in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, betreft, is voorzien van een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en

1°. 1°. aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of 2°. 2°. als het een ongewerveld dier of een plant betreft, aantoonbaar in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, betreft, is voorzien van een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en b. b. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24; c. c. als het een levend uit het wild afkomstig dier betreft van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-verordening, ten aanzien van het dier een administratie wordt bijgehouden. Artikel 3.27, derde lid, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.24 zijn van toepassing op de administratie, bedoeld in de vorige volzin.

3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).

4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).

5.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing ten aanzien van levende dieren van de soorten:

a. a. Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis); b. b. Canadese lynx (Lynx canadensis); c. c. caracal (Caracal caracal); d. d. poema (Puma concolor); e. e. roestkat (Prionailurus rubiginosus); f. f. rode lynx (Lynx rufus); g. g. jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi); h. h. leeuw (Panthera leo); i. i. fretkat (Cryptoprocta ferox), en j. j. behorende tot de orde van de primaten (Primates).

6. Onverminderd het tweede lid, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten aanzien van de aal (Anguilla anguilla) uitsluitend indien aantoonbaar is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde.

Artikel 3.21

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het verhandelen van een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien het dier of de plant aantoonbaar:

a. a. in Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening, of b. b. in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt.

Artikel 3.21a

Onverminderd artikel 3.2, eerste en zesde lid, van de wet, wordt aan een ieder vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben of verhandelen van een uit het wild afkomstige vogel, behorende tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Paragraaf 3.4.4. Vrijstelling soorten genoemd in de

Artikel 3.22

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier.

2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van een levend dier.

3.

De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien het dier:

a. a. aantoonbaar is verkregen:

        1°.
        in Nederland overeenkomstig een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, of 3.16, tweede of vierde lid, van de wet, een ontheffing als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de wet, een opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van de wet of op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de wet, of
      
      
        2°.
        buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, of

1°. 1°. in Nederland overeenkomstig een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, of 3.16, tweede of vierde lid, van de wet, een ontheffing als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de wet, een opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van de wet of op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de wet, of 2°. 2°. buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, of b. b. indien het een dood dier betreft, aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.

Artikel 3.22a

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier met een dierenambulance.

2. Aan personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vijfde lid, wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier, met een dierenambulance of anders dan met een dierenambulance.

3.

De in het tweede lid bedoelde personen zijn werkzaam binnen het werkgebied van de in het vijfde lid bedoelde organisatie, weergegeven op de kaart in bijlage 5a bij deze regeling, en beschikken aantoonbaar over:

a. a. kennis van:

        1°.
        gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
      
      
        2°.
        het beheer van de gewone en grijze zeehond;
      
      
        3°.
        de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn;
      
      
        4°.
        het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en

1°. 1°. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving; 2°. 2°. het beheer van de gewone en grijze zeehond; 3°. 3°. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; 4°. 4°. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en b. b. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.

4.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

a. a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben en te verzorgen, en b. b. indien het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.

5.

De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend, indien het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan één van de volgende organisaties, indien zij bij de beslissing over het vangen, met het oog op het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage 5b, volgen, en indien zij krachtens de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen:

a. a. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam; b. b. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel; c. c. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen; d. d. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; e. e. Stichting Zeehondenopvang Terschelling op West-Terschelling.

Paragraaf 3.4.5. Administratie en merktekens

Artikel 3.23

1.

De gegevens, bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, zijn:

a. a. de soort waartoe de ter preparatie aangeboden vogel behoort; b. b. het aantal ter preparatie aangeboden vogels; c. c. de datum van ontvangst en aflevering van de ter preparatie aangeboden vogel; d. d. de kennelijke doodsoorzaak van de ter preparatie aangeboden vogel; e. e. de naam en het adres van degenen van wie de ter preparatie aangeboden vogel is ontvangen; f. f. de naam en het adres van degenen aan wie de ter preparatie aangeboden vogel is afgeleverd, en g. g. het nummer van het op de ter preparatie aangeboden vogel overeenkomstig artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, aangebrachte merkteken.

2. Degene die de vogel prepareert, verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de minister door middel van een elektronische melding in een door de minister aangeboden systeem.

3. Degene die de vogel prepareert geeft een wijziging in gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door aan de minister. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het doorgeven van een wijziging.

4. Een merkteken als bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming wordt door de minister verstrekt en is voorzien van de letters NL, gevolgd door de letters LNV en een uniek nummer.

5. Een merkteken als bedoeld in het vierde lid wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de minister verkrijgbaar is.

Artikel 3.24

1.

De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, bevat de volgende gegevens over de aldaar bedoelde dieren en planten:

a. a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort; b. b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant; c. c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen; d. d. het land van herkomst van het dier of de plant, indien dit afwijkt van onderdeel c; e. e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende CITES-document; f. f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant; g. g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant; h. h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende CITES-document; i. i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier; j. j. gegevens over de soort en de code van de merktekens; k. k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant; l. l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant.

2.

De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming:

a. a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering; b. b. wordt gevoerd op een wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken, en c. c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren op planten als bedoeld in het eerste lid.

3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de documenten, bedoeld in het tweede lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaren na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.

Artikel 3.25

1. Voor de soorten, genoemd in bijlage 6, heeft een pootring als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming een maximale diameter als in de bijlage bij die soort genoemd.

2. In afwijking van het eerste lid kan de pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage 6 vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag noodzakelijk is.

3.

Een pootring als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende eisen:

a. a. ringen met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt; b. b. ringen met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt.

4. In afwijking van het derde lid kunnen ringen voor papegaaiachtigen en roofvogels vervaardigd zijn van roestvrij staal.

5. Een pootring als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een kleurlaag, die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht, verschillend is.

6. De aanvrager brengt een pootring als bedoeld in het eerste lid uitsluitend aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de ring heeft aangevraagd.

7. Een aanvrager is niet gerechtigd een pootring als bedoeld in het eerste lid aan derden te verschaffen.

Artikel 3.26

1. Als rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van het Besluit natuurbescherming die zijn belast met de uitgifte van gesloten pootringen zijn aangewezen de in bijlage 7 genoemde organisaties.

2.

De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken uitsluitend gesloten pootringen:

a. a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 3.25, en b. b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de ring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.

3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.

4. Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door één van de organisaties, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.

5.

De organisaties, bedoeld in het eerste lid, geven geen pootring uit, indien:

a. a. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een pootring aanvraagt, fokt, of b. b. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 3.25, zesde of zevende lid.

6. De aanvrager vermeldt in zijn aanvraag per soort hoeveel ringen hij aanvraagt. De hoeveelheid ringen staat in verhouding tot de te verwachten nakweek.

7.

De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld automatiseringssysteem. In de administratie worden de volgende gegevens opgenomen:

a. a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd; b. b. bij gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening, het aantal verstrekte gesloten pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4 per soort en het aantal ouderparen; c. c. bij gefokte vogels behorende tot andere soorten dan bedoeld in onderdeel b, het aantal verstrekte pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid; d. d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen, en e. e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.

8. De administratie, bedoeld in het zevende lid, wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaren.

9. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister desgevraagd, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie met betrekking tot de afgifte van gesloten pootringen.

Paragraaf 3.4.6. Aanwijzing douanekantoren

Artikel 3.27

1.

Als douanekantoren als bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen:

a. a. voor levende dieren:

        1°.
         Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
      
      
        2°.
        Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Luchthaven Schiphol;
      
      
        3°.
        Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
      
      
        4°.
        Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte);
      
      
        5°.
        Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam, en

1°. 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol; 2°. 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Luchthaven Schiphol; 3°. 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht; 4°. 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); 5°. 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam, en b. b. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.

2. Indien voor dieren dan wel producten, nesten of eieren van dieren, behorende tot soorten als bedoeld in het eerste lid, veterinaire voorschriften gelden, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die voor de betrokken dieren of producten, nesten of eieren daarvan als inspectiepost aan de grens zijn erkend ingevolge richtlijn 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268) of richtlijn 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24).

Titel 3.5. Overig

Artikel 3.28

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 8 aangewezen diersoorten voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden.

2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten tezamen met de in het eerste lid bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.

3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten, met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.

Artikel 3.29

Als voorschrift als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet wordt aangewezen artikel 7, eerste lid, aanhef in samenhang met de onderdelen a, b, c, d, e, f, g of h, van de Verordening uitheemse invasieve soorten.

Artikel 3.30

1.

Van het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.29 van deze regeling, wordt, voor zover het betreft de handelingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, d, e en f, van de Verordening uitheemse invasieve soorten, vrijstelling verleend als beheersmaatregel als bedoeld in artikel 19 van de Verordening uitheemse invasieve soorten voor handelingen met dieren van de volgende soorten:

a. a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis); b. b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus); c. c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis); d. d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus); e. e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia), en f. f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).

2.

De vrijstelling wordt slechts verleend voor:

a. a. bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen, en b. b. handelingen als bedoeld in onderdeel a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig de in die lidstaten geldende wetgeving.

3.

Aan de vrijstelling zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

a. a. degene die de in het tweede lid, onder a, bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat:

        1°.
        alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;
      
      
        2°.
        alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;
      
      
        3°.
        het schoonmaken, het beheren van afval en het onderhoud van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd;
      
      
        4°.
        voorkomen wordt dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen, en

1°. 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden; 2°. 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd; 3°. 3°. het schoonmaken, het beheren van afval en het onderhoud van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; 4°. 4°. voorkomen wordt dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen, en b. b. degene die de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften.

4. Als passende maatregel als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderdelen 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.

Artikel 3.30a

1. Als invasieve uitheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen de soorten, genoemd in bijlage 10.

2. Gedeputeerde staten brengen uiterlijk op 1 juni 2019, en daarna telkens na zes jaar aan de Minister een rapportage uit over de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, ten aanzien van de in bijlage 10 genoemde soorten.

3.

Deze rapportage bevat informatie voor het gehele provinciale grondgebied over:

a. a. de aard en de doeltreffendheid van de op grond van artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming genomen maatregelen, alsmede de gevolgen van deze maatregelen voor niet-doelsoorten; b. b. de maatregelen die zijn genomen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en over andere acties die burgers verzocht worden te ondernemen, en c. c. indien beschikbaar, de kostprijs van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen die zijn genomen om aan de Verordening invasieve uitheemse soorten te voldoen.

Artikel 3.30b

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het onder zich hebben, het voorhanden hebben of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, voor niet-commerciële doeleinden.

2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, indien deze handelingen plaatsvinden in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort.

3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen en in bezit hebben van een dode plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of dode delen of dode producten van een plant van die soort.

4.

Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

a. a. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu; b. b. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan het in onderdeel a bedoelde voorschrift.

5. Als passende maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.

Artikel 3.31

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, ten aanzien dieren en planten van de in bijlage 11 aangewezen soorten, indien het betreft handelingen in het kader van:

a. a. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw; c. c. bestendig gebruik, of d. d. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, voor zover de in de onderdelen a tot en met d genoemde handelingen onderdeel zijn van een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van handelingen.

Artikel 3.32

1. De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de gebieden, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming.

2.

De faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, stelt voor de in dat lid bedoelde gebieden een faunabeheerplan op, dat ten minste de volgende gegevens bevat:

a. a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; b. b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; c. c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; d. d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan; e. e. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen zijn geschaad in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan; f. f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten; g. g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken; h. h. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; i. i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; j. j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; k. k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; l. l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

3. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren.

4. De jachthouder van de gebieden, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, is uitgezonderd van artikel 3.14, eerste lid, van de wet.

Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten

Artikel 4.1

1.

Als voorschriften als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

a. a. artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347); b. b. de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), wordt de aldaar bedoelde vergunning ingediend ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.

Artikel 4.2

1. De melding, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, vindt voor de categorieën van handelingen en projecten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, plaats door het zenden aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een door hem beschikbaar gesteld formulier.

2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezonden ten minste één maand doch niet langer dan één jaar voor het moment van de voorgenomen velling van de houtopstand.

3.

Indien een houtopstand wordt geveld in het kader van een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, kan de minister een ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet verlenen indien:

a. a. de grond die de eigenaar wil beplanten gelegen is in hetzelfde gebied als dat waar zich de gevelde houtopstand bevond; b. b. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; c. c. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; d. d. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; e. e. de belangen in verband met de bodemproductie niet worden geschaad.

4.

De gebieden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:

a. a. gebied 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe; b. b. gebied 2: de provincie Overijssel met uitzondering van de Noordoostpolder en de provincies Gelderland en Utrecht; c. c. gebied 3: de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en de IJsselmeerpolders; d. d. gebied 4: de provincies Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 4.3

1. Aan een ieder die een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming uitvoert, wordt vrijstelling verleend van de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend indien:

a. a. de houtopstand niet ter voldoening aan artikel 4.3, eerste lid, van de wet is aangelegd; b. b. voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier zijn gemeld bij de minister en de minister de ontvangst van de melding heeft bevestigd; c. c. het bos binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel wordt geveld.

3. De minister stelt het modelformulier voor de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vast. Het modelformulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.

Hoofdstuk 5. Retributies

Artikel 5.1

1.

Voor de behandeling van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

a. a. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 800,; b. b. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900,; c. c. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500,.

2.

Voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:

a. a. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 600,; b. b. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600,; c. c. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000,.

3. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,.

4.

Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:

a. a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600,; b. b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,.

5. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,.

6. In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het bepaalde in artikel 3.24, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit natuurbescherming ten aanzien van levende dieren door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,.

7. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,, onderscheidenlijk € 600,.

8. Voor de goedkeuring van een gedragscode als bedoeld in de artikelen 3.31, eerste lid, of 4.4, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 3.000,.

9.

In afwijking van het eerste en tweede lid, worden voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in het eerste lid of van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

a. a. indien de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: geen; b. b. indien de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25 procent van de vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, en het tweede lid, onderdelen a, b of c, voor zover het een aldaar bedoeld vergunning of ontheffing betreft.

10. In afwijking van het eerste en achtste lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, van de wet van de verboden als bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid, onderscheidenlijk 3.6, tweede lid, van de wet, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 60,.

Artikel 5.2

1.

De vergoeding die de minister in rekening brengt aan de aanvrager voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een valkeniersakte, bedraagt voor:

a. a. de uitgifte van een akte: € 65,; b. b. een duplicaat van een akte: € 30,.

2. De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte valkeniersakten, worden niet gerestitueerd.

3.

Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten worden door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

a. a. een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de CITES-basisverordening: € 60,; b. b. een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,; c. c. een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,; d. d. een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60,; e. e. een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de CITES-basisverordening: € 40,; f. f. een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de CITES-basisverordening: € 15,; g. g. een certificaat van persoonlijke eigendom als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,; h. h. een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,; i. i. een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,; j. j. een certificaat voor reizende tentoonstellingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,; k. k. een etiket als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 0,25; l. l. een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,.

4. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van merktekens als bedoeld in artikel 3.23, vierde lid, wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 1, per merkteken.

5. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in de artikelen 8, zesde lid, en 9, zesde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten wordt door de Minister, indien de aanvraag niet gelijktijdig geschiedt met de aanvraag tot afgifte van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet, de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,.

Artikel 5.3

1. De aan erkende organisaties door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend.

2. De erkende organisaties kunnen de in het eerste lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1, per ring.

3. Gesloten pootringen worden niet uitgereikt dan na voldoening van de som van in het eerste en tweede lid bepaalde bedragen.

Artikel 5.4

1.

De vergoeding van kosten voor het verstrekken van een jachtakte bedraagt voor:

a. a. de uitgifte van een jachtakte: € 192,65 als het onderzoek, bedoeld in artikel 48a van de Regeling wapens en munitie, deel uitmaakt van de aanvraag; in andere gevallen € 138,20; b. b. de uitgifte van een jachtakte voor de periode aansluitend op de periode waarvoor een jachtakte was uitgegeven: € 68,20; c. c. het wijzigen van een jachtakte: € 30,; d. d. het vervangen als gevolg van verlies van een jachtakte: € 30,; e. e. een duplicaat van een jachtakte: € 30,.

2. De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte akten, worden niet gerestitueerd.

3. De vergoeding van kosten voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn voor dat deel van de combinatie waarvoor de hoogste vergoeding geldt.

Artikel 5.5

1. Een ontheffing, vergunning, akte, document of merkteken als bedoeld in de artikelen 5.1 of 5.2 wordt niet afgegeven dan na voldoening van de in bedoelde artikelonderdelen genoemde vergoedingen van kosten of nadat zekerheid tot betaling is gesteld.

2. Indien ter uitvoering van een door de minister op grond van artikel 7.4 van de wet genomen besluit een ontheffing of document benodigd is, kan de minister in afwijking van de artikelen 5.1 en 5.2 van deze regeling bepalen dat geen vergoeding van kosten in rekening wordt gebracht.

Hoofdstuk 6. Handhaving

Artikel 6.1

Als ambtenaren als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

a. a. de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en b. b. de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met uitzondering van de ambtenaren, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Titel 7.1. Wijziging andere regelingen

Artikel 7.1

Wijzigt de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.

Artikel 7.2

Wijzigt de Regeling groenprojecten 2010.

Artikel 7.3

Wijzigt de Regeling herverkaveling.

Artikel 7.4

Wijzigt de Regeling houders van dieren.

Artikel 7.5

Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.

Artikel 7.6

Wijzigt de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten.

Artikel 7.7

Wijzigt de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit.

Artikel 7.8

Wijzigt de Toekenning opsporingsbevoegdheid Flora- en Faunawet aan buitengewoon opsporingsambtenaren.

Artikel 7.9

Wijzigt de Regeling wapens en munitie.

Artikel 7.10

Wijzigt de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.

Artikel 7.11

Wijzigt de Uitvoeringsregeling visserij.

Artikel 7.12

Wijzigt de Vrijstellingsregeling plantenresten.

Titel 7.2. Overgangsrecht

Artikel 7.13

Vervallen

Artikel 7.14

1. Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk 3.30, derde lid, van de wet worden erkend de krachtens artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de Flora- en faunawet en artikel 13a, eerste lid, van de Jachtwet erkende jachtexamens voor de jacht met het geweer, de jacht met jachtvogels, onderscheidenlijk de jacht met de eendenkooi.

2. Als het met goed gevolg hebben afgelegd van het jachtexamen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, het examen voor het gebruik van jachtvogels, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, en het examen voor het gebruik van eendenkooien, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt erkend het bezit in enig jaar in de periode van 1 januari 1977 tot 1 april 2002 van een geldige jachtakte als bedoeld in de Jachtwet of een geldige vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936 inzake haviken of slechtvalken.

Artikel 7.14a

Als personen als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming zijn aangewezen de personen die op 31 december 2016 waren aangewezen in artikel 1a van de Regeling erkenning jachtexamen en preparateursexamen Flora- en faunawet.

Artikel 7.15

Het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet geldt niet ten aanzien van het voorschrift, bedoeld in artikel 3.29 van deze regeling, voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas eekhoorn (Callosciurus erythraeus), indien de houder op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aantoonbaar voldeed aan het bepaalde in artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Artikel 7.16

Een ring die of een ander merkteken dat rechtmatig is aangebracht vóór de inwerkingtreding van deze regeling en, voorzover van toepassing, in overeenstemming is met de basisverordening en de uitvoeringsverordening wordt beschouwd als een ring of merkteken als bedoeld in deze regeling.

Artikel 7.17

Archiefbescheiden van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende een bevoegdheid tot het nemen van een besluit met betrekking tot projecten of handelingen die op grond van de wet wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project of de handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Titel 7.3. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 7.18

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 7.19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling natuurbescherming.

Bijlage 1. behorende bij

Vervallen

Bijlage 2. behorende bij

Bijlage 3. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 4. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 5. behorende bij

Bijlage 5a. behorende bij

[afbeelding]

Bijlage 5b. behorende bij

Bijlage 6. behorende bij

Bijlage 7. behorende bij

Bijlage 8. behorende bij

Bijlage 9. behorende bij

Bijlage 10. behorende bij

Bijlage 11. behorende bij