40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
497 lines
35 KiB
Markdown
497 lines
35 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
|
||
bwb_id: BWBR0042461
|
||
type: ministeriele-regeling
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2019-07-29'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0042461
|
||
citeertitel: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
|
||
---
|
||
|
||
# Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
|
||
|
||
## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||
|
||
a. *aspirant-opleidingsschool:* partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden, waarvoor:
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
|
||
|
||
|
||
c.
|
||
op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
|
||
|
||
|
||
d.
|
||
in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
|
||
|
||
|
||
e.
|
||
subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
|
||
a. a.
|
||
niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
|
||
b. b.
|
||
gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
|
||
c. c.
|
||
op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
|
||
d. d.
|
||
in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
|
||
e. e.
|
||
subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
|
||
- *beoordelingsgerichte peer review:* peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsschool aan de hand van de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
|
||
- *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1.1.1, onderdelen a en b, van de begripsbepaling van bevoegd gezag van de Wet educatie en beroepsonderwijs of het instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder y, van de WHW;
|
||
- *bve:* beroepsonderwijs en volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
|
||
- *commissie beoordelingsgerichte peer review:* commissie beoordelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 20a;
|
||
- *DUO:* Dienst Uitvoering Onderwijs;
|
||
- *DUS-I:* Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
|
||
- *hoger onderwijs:* wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder b en d van de WHW;
|
||
- *lerarenopleiding:* op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding tot leraar po, leraar vo, of leraar bve;
|
||
- *Minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||
- *NVAO:* Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie als bedoeld in artikel 5.2 van de WHW;
|
||
- *ontwikkelingsgerichte peer review:* peer review georganiseerd door een opleidingsschool die is gericht op kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsborging met gebruikmaking van het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie dat op de website van DUS-I is gepubliceerd;
|
||
- *opleidingsschool:* partnerschap, niet zijnde een aspirant-opleidingsschool, tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;
|
||
- *po:* primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;
|
||
- *school:* uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dan wel instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
|
||
- *schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend;
|
||
a. *student:*
|
||
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
c.
|
||
degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
d.
|
||
degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
e.
|
||
degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
f.
|
||
degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
|
||
|
||
g.
|
||
degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
|
||
|
||
|
||
h.
|
||
degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
|
||
a. a.
|
||
degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
b. b.
|
||
degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
c. c.
|
||
degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
d. d.
|
||
degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
e. e.
|
||
degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
f. f.
|
||
degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
|
||
g. g.
|
||
degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
|
||
h. h.
|
||
degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
|
||
- *studiepunt:* studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid, van de WHW;
|
||
- *vo:* voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
|
||
- *WHW:*
|
||
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
|
||
|
||
## Hoofdstuk 2. Subsidie voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen
|
||
|
||
### Paragraaf 2.1. Algemeen
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
De Minister kan subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
**1.** Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één bevoegd gezag op als penvoerder.
|
||
|
||
**2.** De penvoerder is de subsidieontvanger.
|
||
|
||
**3.** Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.
|
||
|
||
**4.** Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 mei gemeld bij DUO, indien het een opleidingsschool betreft of een aspirant-opleidingsschool die subsidie ontvangt voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid. De wijziging treedt in werking met ingang van 1 augustus volgend op de datum waarop de wijziging aan de Minister is doorgeven.
|
||
|
||
**5.** Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 oktober gemeld bij DUS-I, indien het een aspirant-opleidingsschool betreft die subsidie ontvangt voor de eerste twee schooljaren als bedoeld in artikel 14.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In het schooljaar 2021–2022 is een bedrag van € 35.772.000 beschikbaar voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en
|
||
b. b.
|
||
subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
|
||
|
||
**1a.**
|
||
|
||
In het schooljaar 2022–2023 is een bedrag van € 44.389.000 beschikbaar voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en
|
||
b. b.
|
||
subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Voor de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 is een bedrag van € 19.536.800,00 beschikbaar voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en
|
||
b. b.
|
||
subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
|
||
|
||
**3.** In het schooljaar 2022–2023 is een bedrag van € 6,5 miljoen beschikbaar voor subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren, bedoeld in artikel 15, eerste lid.
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
**1.** De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.
|
||
|
||
**2.** De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.2. Bijzondere bepalingen subsidie opleidingsscholen
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
**1.** De subsidie aan een opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt.
|
||
|
||
**2.** Een subsidieaanvraag voor een opleidingsschool wordt ingediend uiterlijk op 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Aanvragen die later worden ingediend, worden afgewezen.
|
||
|
||
**3.** De aanvraag wordt ingediend met behulp van het formulier ‘Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen’ dat daarvoor op de website van DUO beschikbaar is gesteld.
|
||
|
||
**4.** In het jaar waarin de opleidingsschool de ontwikkelingsgerichte peer review, bedoeld in artikel 10, eerste lid, organiseert, gaat de aanvraag in aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vergezeld van het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
**5.** In afwijking van het eerste lid heeft de subsidieaanvraag en subsidieverstrekking voor het schooljaar 2023-2024, uitsluitend betrekking op de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023.
|
||
|
||
**6.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan voor het schooljaar 2024-2025 of voor de daaropvolgende schooljaren op grond van deze regeling voor opleidingsscholen geen subsidie worden aangevraagd of verstrekt.
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
**1.** De opleidingsscholen en de aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde schooljaar waarin subsidie wordt verleend krijgen een vast subsidiebedrag voor de ontwikkeling en instandhouding van de basisinfrastructuur. De vaste voet bedraagt, conform bijlage 2, € 100.000.
|
||
|
||
**2.** Naast de vaste voet krijgen de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde schooljaar waarin subsidie wordt verleend een subsidie per student, bedoeld in artikel 8, derde lid. De hoogte van de subsidie bedraagt, conform bijlage 2, € 955 per student.
|
||
|
||
**3.** De bedragen die de opleidingsscholen krijgen op grond van het eerste en tweede lid van dit artikel worden verrekend met het bedrag op grond van de overgangsregeling, bedoeld in artikel 21a. De overgangsregeling geldt voor opleidingsscholen en aspirant opleidingsscholen in het derde en vierde jaar die voor het schooljaar 2019–2020 zijn gestart.
|
||
|
||
**3a.** In afwijking van het eerste lid bedraagt de vaste voet die opleidingsscholen en de aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde jaar ontvangen voor de periode 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023, € 42.000.
|
||
|
||
**3b.** In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie per student die opleidingsscholen en de aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde jaar ontvangen voor de periode 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023, € 400 per student.
|
||
|
||
**4.** Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022 wordt overschreden, ontvangen opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen de vaste voet, bedoeld in het eerste lid. Daarnaast ontvangen de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen een verrekening op grond van de overgangsbepaling, bedoeld in artikel 21a. Vervolgens verdeelt de Minister het resterende bedrag voor de subsidie per student, bedoeld in het tweede lid, evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger, conform bijlage 2, een gelijk bedrag per student ontvangt.
|
||
|
||
**5.** Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag in het schooljaar 2022-2023 zou worden overschreden, ontvangen opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen de vaste voet, zoals bedoeld in het eerste lid. Vervolgens verdeelt de Minister het resterende bedrag voor de subsidie per student, zoals bedoeld in het tweede lid, evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger, conform bijlage 2, een gelijk bedrag per student ontvangt.
|
||
|
||
**6.** Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 zou worden overschreden, ontvangen opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen de vaste voet, zoals bedoeld in lid 3b. Vervolgens verdeelt de Minister het resterende bedrag voor de subsidie per student, zoals bedoeld in lid 3a, evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger, een gelijk bedrag per student ontvangt.
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
**1.** Een opleidingsschool organiseert ten minste iedere zes jaar een ontwikkelingsgerichte peer review, met dien verstande dat de eerste ontwikkelingsgerichte peer review wordt georganiseerd binnen vier jaar na de beoordelingsgerichte peer review waarmee de basiskwaliteit is vastgesteld. De ontwikkelingsgerichte peer review vindt plaats door een onafhankelijk panel bestaand uit in ieder geval vertegenwoordigers van ten minste twee andere opleidingsscholen.
|
||
|
||
**2.** De opleidingsschool maakt een rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS houdt de subsidieontvanger een administratie bij:
|
||
|
||
a. a.
|
||
waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal opgeleide studenten in een schooljaar wordt geregistreerd;
|
||
b. b.
|
||
die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en
|
||
c. c.
|
||
die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
**1.** De Minister stelt de subsidie direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
|
||
|
||
**2.** Het subsidiebedrag wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte bedraagt 53,95% van het totaalbedrag en wordt betaald in november van het schooljaar. Het tweede gedeelte bedraagt 46,05% van het totaalbedrag en wordt betaald in februari van hetzelfde schooljaar.
|
||
|
||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt het subsidiebedrag voor de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 in één keer betaald in november 2023.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverstrekking worden geweigerd, indien:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de opleidingsschool het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 10, eerste lid, niet of niet tijdig aanlevert;
|
||
b. b.
|
||
het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt lager is dan 60 per schooljaar;
|
||
c. c.
|
||
niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen;
|
||
d. d.
|
||
niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO; of
|
||
e. e.
|
||
de aspirant-opleidingsschool aan het einde van de aspirant fase niet voldoet aan de vereiste basiskwaliteit.
|
||
|
||
**2.** De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, advies aan DUO.
|
||
|
||
**3.** De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, advies aan de commissie beoordelingsgerichte peer review. Het advies van de commissie beoordelingsgerichte peer review wordt gebaseerd op de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.3. Bijzondere bepalingen subsidie aspirant-opleidingsscholen
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
Een aspirant-opleidingsschool komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool:
|
||
|
||
a. a.
|
||
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het po;
|
||
b. b.
|
||
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het vo; of
|
||
c. c.
|
||
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het bve.
|
||
|
||
### Artikel 14
|
||
|
||
Aan een aspirant-opleidingsschool wordt voor de eerste twee schooljaren eenmaal een vast subsidiebedrag verstrekt van € 500.000.
|
||
|
||
### Artikel 15
|
||
|
||
**1.** Een subsidieaanvraag voor de eerste twee schooljaren van een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 oktober 2022.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
De aanvraag gaat vergezeld van:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een samenwerkingsovereenkomst, die de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool bevat, en waarin in ieder geval:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
een beschrijving is opgenomen van de gezamenlijke visie van de deelnemende partijen op het opleiden van aanstaande leraren en een daarbij passende leeromgeving;
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
de inzet van middelen is vastgesteld die de deelnemende partijen hierbij inbrengen; en
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
is vastgelegd welke partij als penvoerder optreedt.
|
||
1°. 1°.
|
||
een beschrijving is opgenomen van de gezamenlijke visie van de deelnemende partijen op het opleiden van aanstaande leraren en een daarbij passende leeromgeving;
|
||
2°. 2°.
|
||
de inzet van middelen is vastgesteld die de deelnemende partijen hierbij inbrengen; en
|
||
3°. 3°.
|
||
is vastgelegd welke partij als penvoerder optreedt.
|
||
b. b.
|
||
een ontwikkelplan dat voldoet aan de criteria, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
|
||
|
||
**3.** Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier ‘Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen’ dat daarvoor beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.
|
||
|
||
### Artikel 16
|
||
|
||
**1.** De Minister beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan de hand van de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen criteria.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Vervolgens rangschikt de Minister de aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. In het schooljaar 2022–2023 komen voor subsidie in aanmerking:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de zeven hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a;
|
||
b. b.
|
||
de drie hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b; en
|
||
c. c.
|
||
de drie hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel c.
|
||
|
||
**3.** Indien op basis van de rangschikking twee of meerdere aanvragen van gelijke geschiktheid worden geacht, geeft de Minister voorrang aan de eerst-ontvangen aanvraag.
|
||
|
||
**4.** Indien binnen een categorie aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het tweede lid, minder aanvragen dan het maximum voor subsidie in aanmerking komen, wordt het resterende bedrag aangewend voor toewijzing van de eerstvolgende hoogst gerangschikte aanvraag uit de andere categorieën.
|
||
|
||
### Artikel 17
|
||
|
||
**1.** De Minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 14, direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 15, eerste lid.
|
||
|
||
**2.** Het subsidiebedrag voor de eerste twee schooljaren voor aspirant-opleidingsscholen wordt in twee gelijke delen betaald, uiterlijk in de maand december van de eerste twee schooljaren.
|
||
|
||
### Artikel 17a
|
||
|
||
In het schooljaar 2023-2024 of in de daaropvolgende schooljaren kan op grond van deze regeling geen subsidie worden aangevraagd of verstrekt voor aspirant-opleidingsscholen in het eerste of tweede schooljaar. De artikelen 15, 16 en 17, eerste lid, zijn niet van toepassing op het schooljaar 2023-2024 of daaropvolgende schooljaren.
|
||
|
||
### Artikel 18
|
||
|
||
**1.** De subsidie voor het derde en vierde schooljaar van een aspirant-opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt. Daarbij zijn de artikelen 9, eerste en tweede lid, 10 en 12 van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**2.** Bij toepassing van artikel 9, tweede lid, worden de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie hebben aangevraagd, op gelijke voet in de evenredige verdeling betrokken.
|
||
|
||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid, heeft de subsidieaanvraag die aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar indienen in 2023, uitsluitend betrekking op de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023. Daarbij zijn, in afwijking van het eerste lid en tweede lid, de artikelen 9, lid 3a, 3b en het zesde lid, 10, 11 en 12 van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van artikel 9, zesde lid, worden de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie hebben aangevraagd, op gelijke voet in de evenredige verdeling betrokken.
|
||
|
||
### Artikel 18a
|
||
|
||
**1.** De Minister beoordeelt de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool in het vierde jaar van de aspirantfase, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
|
||
|
||
**2.** De Minister vraagt hierover advies aan de commissie beoordelingsgerichte peer review. De commissie beoordelingsgerichte review brengt binnen acht weken advies uit aan de Minister, in de vorm van een rapport van de beoordelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
**3.** Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als voldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool als bedoeld in paragraaf 2.2.
|
||
|
||
### Artikel 18b
|
||
|
||
**1.** Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool op grond van artikel 18a als onvoldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool niet in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool op grond van paragraaf 2.2. In plaats daarvan kan aan de desbetreffende aspirant-opleidingsschool, onder overeenkomstige toepassing van artikel 18, voor een vijfde en zesde schooljaar als aspirant-opleidingsschool subsidie worden verstrekt.
|
||
|
||
**2.** De Minister beoordeelt de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als bedoeld in het eerste lid, opnieuw in het zesde jaar van de verlengde aspirantfase. Artikel 18a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**3.** Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool na toepassing van het tweede lid als voldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool als bedoeld in paragraaf 2.2.
|
||
|
||
**4.** Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool na toepassing van het tweede lid als onvoldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar niet voor subsidie in aanmerking.
|
||
|
||
### Artikel 19
|
||
|
||
**1.** Een aspirant-opleidingsschool die vanaf het schooljaar 2019–2020 of vanaf een later schooljaar op grond van deze regeling subsidie ontvangt, neemt in het vierde jaar van de aspirantfase deel aan een beoordelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
**2.** Artikel 10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor een derde of een vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.
|
||
|
||
### Artikel 20
|
||
|
||
**1.** De weigeringsgronden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing bij subsidieverstrekking aan een aspirant-opleidingsschool.
|
||
|
||
**2.** De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor het derde en vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.
|
||
|
||
### Paragraaf 2.4. Commissie beoordelingsgerichte peer review
|
||
|
||
### Artikel 20a
|
||
|
||
**1.** Er is een commissie beoordelingsgerichte peer review, die bestaat uit vijfentwintig deskundigen op het gebied van Samen Opleiden en een voorzitter. De leden van de commissie worden benoemd door de Minister.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
De commissie heeft tot taak:
|
||
|
||
a. a.
|
||
te adviseren over subsidieaanvragen van aspirant-opleidingsscholen;
|
||
b. b.
|
||
het begeleiden van aspirant-opleidingsscholen;
|
||
c. c.
|
||
het uitvoeren van beoordelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
### Artikel 20b
|
||
|
||
DUS-I voert het secretariaat van de commissie beoordelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
### Artikel 20c
|
||
|
||
**1.** De werkwijze van de commissie wordt gepubliceerd op de website van DUS-I.
|
||
|
||
**2.** De commissie functioneert bij de uitvoering van haar taken in een wisselende samenstelling van ten minste twee commissieleden bij het adviseren over subsidieaanvragen en het uitvoeren van de beoordelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
## Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 21
|
||
|
||
De Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt ingetrokken.
|
||
|
||
### Artikel 21a
|
||
|
||
**1.** In het schooljaar 2020–2021 wordt de hoogte van het subsidiebedrag berekend aan de hand van het absolute verschil in het subsidiebedrag op grond van het financieringsmodel dat van toepassing was in het schooljaar 2019–2020 en het financieringsmodel, bedoeld in artikel 9 eerste en tweede lid. Dit absolute verschil wordt berekend aan de hand van de opgave van studentenaantallen op 1 oktober 2019. Indien het oude subsidiebedrag hoger ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 85% toegevoegd op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9. Indien het oude subsidiebedrag lager ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 85% in mindering gebracht op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9.
|
||
|
||
**2.** In het schooljaar 2021–2022 wordt de hoogte van het subsidiebedrag berekend aan de hand van het absolute verschil in het subsidiebedrag op grond van het financieringsmodel dat van toepassing was in het schooljaar 2019–2020 en het huidige financieringsmodel, bedoeld in artikel 9 eerste en tweede lid. Dit absolute verschil wordt berekend aan de hand van de opgave van studentenaantallen op 1 oktober 2019. Indien het oude subsidiebedrag hoger ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 60% toegevoegd op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9. Indien het oude subsidiebedrag lager ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 60% in mindering gebracht op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9.
|
||
|
||
### Artikel 21b
|
||
|
||
Elke opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde leerjaar die in schooljaar 2021–2022 in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 9, ontvangt in aanvulling op die subsidie een bedrag van € 30.000,-. Dit aanvullende bedrag is bestemd voor het stimuleren van de groei van de studentaantallen binnen de opleidingsschool, onderscheidenlijk de aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde schooljaar.
|
||
|
||
### Artikel 21c
|
||
|
||
Opleidingsscholen die vóór het schooljaar 2019–2020 reeds subsidie ontvingen op grond van de Subsidieregeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, organiseren vóór 31 december 2025 een eerste ontwikkelingsgerichte peer review.
|
||
|
||
### Artikel 22
|
||
|
||
Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 juli 2019 en vervalt met ingang van 29 juli 2024.
|
||
|
||
### Artikel 23
|
||
|
||
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019.
|
||
|
||
## Bijlage 1. behorende bij
|
||
|
||
Hieronder zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan een opleidingsschool aan het eind van de aspirantfase beoordeeld wordt. Onder een opleidingsschool wordt verstaan, conform de omschrijving in het kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie en in navolging van de eerdere omschrijving van NVAO (2009), een partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden’. De criteria zijn gebaseerd op de vier waarborgen uit het Kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie van december 2021:
|
||
|
||
https://www.platformsamenopleiden.nl/wp-content/uploads/2022/01/Kwaliteitskader-Samen-Opleiden-en-Inductie-en-werkwijze-peer-review-2.pdf
|
||
|
||
Een aspirant opleidingsschool heeft gedurende vier jaar toegewerkt naar de in het kwaliteitskader geformuleerde basiskwaliteit voor *Samen Opleiden*. Bij de beoordelingsgerichte peer review wordt aan de hand van een kritische reflectie beoordeeld of deze basiskwaliteit gerealiseerd en geborgd is bij de vier waarborgen:
|
||
|
||
Voor de beoordeling van basiskwaliteit kijkt de commissie naar:
|
||
|
||
Weging:
|
||
|
||
De commissie adviseert over de basiskwaliteit bij alle waarborgen aan de hand van de bovengenoemde vier criteria. De beoordeling van elk waarborg dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van de wijze waarop de basiskwaliteit per waarborg wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.
|
||
|
||
## Bijlage 2. behorende bij de
|
||
|
||
Rekenregel financieringsmodel 2020
|
||
|
||
*Qt* = totaalbedrag van de subsidie naar opleidingsscholen in het schooljaar (t/ t+1), berekend volgens artikel 9 eerste en tweede lid, en artikel 21A. Dit is de som van alle x_2,t (voor 2020 en 2021), x_1,t (na 2021 en als het subsidieplafond niet wordt overschreden) of XB_1,t (na 2021 en als het subsidieplafond wordt overschreden).
|
||
|
||
*ORt*: totaalbedrag overgangsregeling. Dit is de som van de individuele bedragen op basis van de overgangsregeling. Voor 2020 is dit de som van de volgende formule: (x_0,2020- x_1,2020)*0,85. Voor 2021 is dit de som van de volgende formule: (x_0,2020- x_1,2020)*0,60.
|
||
|
||
*STt* = totaal aantal studenten op de opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal totaal in schooljaar t-1/t).
|
||
|
||
*st* = studentaantal van de opleidingsschool in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal in schooljaar t-1/t).
|
||
|
||
*Nt* = aantal opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (aantal opleidingsscholen in schooljaar t-1/t).
|
||
|
||
*x0,2020* = bedrag per opleidingsschool op basis van de staffelsystematiek (oude financieringssystematiek) in schooljaar 2020/2021.
|
||
|
||
*XB1,t* = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) indien het subsidieplafond wordt overschreden.
|
||
|
||
*x1,t* = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1).
|
||
|
||
*x2,t* = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) + overgangsregeling.
|
||
|
||
Als *Qt≤ Bt*
|
||
|
||
*x1* is afhankelijk van:
|
||
|
||
Als *Qt> Bt*
|
||
|
||
*XB1* is afhankelijk van:
|
||
|
||
Oude financieringsmodel
|
||
|
||
## Bijlage 3. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 4. behorende bij
|
||
|
||
Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:
|
||
|
||
Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:
|
||
|
||
Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.
|
||
|
||
Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot
|
||
|
||
* De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.
|
||
|
||
De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.
|