40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
87 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling veiligheid zeeschepen | BWBR0017728 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-12-11 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0017728 | Regeling veiligheid zeeschepen |
Regeling veiligheid zeeschepen
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*besluit:*
Schepenbesluit 2004;
– –
*Caribisch-Nederlands schip:* een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
– –
*Caribische handelszone:* de Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als omschreven in de CCSS-Code;
– –
*CCSS-Code:* de in het kader van het op 9 februari 1996 te Barbados tot stand gekomen Memorandum van overeenstemming inzake toezicht op schepen door de havenstaat vastgestelde Code voor de veiligheid van vrachtschepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Caribbean Cargo Ships);
– –
*Code on Alerts and Indicators 2009: * de bij resolutie A.1021(26) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code betreffende de alarmering en indicatoren;
– –
*DSC-Code:* de bij resolutie A.373(X) van de Algemene Vergadering van de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (IMCO) van de Verenigde Naties aangenomen Code voor de veiligheid van dynamisch ondersteunde schepen (Dynamically Supported Craft Code);
– –
*EmS-Gids:* de bij circulaire MSC/Circ.1025 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Noodmaatregelen en -procedures voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd (Emergency response procedures for ships carrying dangerous goods; EmS Guide);
– –
*FTP-Code 2010:* de bij resolutie MSC.307(88) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Code inzake beproevingsprocedures voor brandwerendheid (International Code for Application of Fire Test Procedures, 2010);
– –
*geregelde dienst:* reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens, welke plaatsvinden:
(i)
volgens een gepubliceerde dienstregeling; of
(ii)
met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;
(i) (i) volgens een gepubliceerde dienstregeling; of (ii) (ii) met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen; – –
*Hogesnelheidsoffshoredienstschip:* hogesnelheidsvaartuig als omschreven in voorschrift X/1.3. van het SOLAS-verdrag voor het vervoer van meer dan 12 industrieel personeel als bedoeld in Resolutie MSC.418(97), niet zijnde een passagiersschip.
– –
*Houtvaartcode:* de bij resolutie A.715(17) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor het veilig vervoer van deklast hout (Code of Safe Practice for Ships Carrying Timber Deck Cargoes);
– –
*IMDG-Code:* de bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code inzake gevaarlijke stoffen (International Maritime Dangerous Goods Code);
– –
* IMSBC-Code:* de bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code);
– –
*Industrieel personeel:* personen die met een schip worden getransporteerd of aan boord van het schip worden geaccommodeerd ten behoeve van het verrichten van offshore industriële activiteiten aan boord van andere schepen of offshore installaties als bedoeld in artikel 1 van de annex bij Resolutie MSC.418(97);
– –
* IS-Code:* de bij resolutie A.749(18) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle scheepstypen waarvoor IMO-voorschriften bestaan (Intact Stability Code);
– –
*IS-Code 2008:* de bij resolutie MSC.267(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code betreffende de stabiliteit in onbeschadigde toestand 2008 (Intact Stability Code, 2008);
– –
*LY2-Code:* de bij Circular letter nr. 2950 van 23 maart 2009 bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (Large Commercial Yacht Code);
– –
*LY3-Code:* de bij GISIS Equivalent nr. XQ7989 van 13 april 2016 bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (The Large Commercial Yacht Code);
– –
*minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
– –
*MODU-Code 1979:* de bij resolutie A.414(XI) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1979 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1979);
– –
*MODU-Code 1989:* de bij resolutie A.649(16) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1989 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1989);
– –
*MODU-Code 2009:* de bij resolutie A.1023(26) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 2009 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 2009);
– –
*Offshoredienstschip:* schip voor het vervoer of de accommodatie van meer dan 12 industrieel personeel als bedoeld in Resolutie MSC.418(97), niet zijnde een hogesnelheidsvaartuig;
– –
*Offshore industriële activiteiten:* constructie, onderhoud of bediening van offshore installaties gerelateerd aan onder meer, maar niet beperkt tot exploratie, de energiesector, aquacultuur, mijnbouwwerkzaamheden op zee of soortgelijke activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de annex bij Resolutie MSC.418(97);
– –
*resolutie A.468(XII)-maatregelen:* bij resolutie A.468(XII) van de Algemene Vergadering van de IMO voorgeschreven maatregelen ter beperking van geluidhinder aan boord van schepen (Code on noise levels on board ships);
– –
*resolutie A.1122(30)*: resolutie A.1122(30) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende de Code voor het vervoer en de behandeling van gevaarlijke en schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore ondersteuningsschepen (OSV Chemical Code);
– –
*resolutie MSC.235(82):* de bij resolutie MSC.235(82) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het ontwerp en de bouw van offshore bevoorradingsschepen (2006) (Guidelines for the design and construction of offshore supply vessels, 2006);
– –
*Resolutie MSC.418(97):* de bij resolutie MSC.418(97) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen interim aanbevelingen voor het veilig vervoer van meer dan 12 industrieel personeel met schepen waarmee internationale reizen worden ondernomen (Interim recommendations on the safe carriage of more than 12 industrial personnel board vessels engaged on international voyages, 2016);
– –
*richtlijn 92/29/EEG:* richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113);
– –
*richtlijn 98/41/EG:* richtlijn nr. 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PbEG L 188);
– –
*richtlijn 2003/25/EG:* richtlijn nr. 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (PbEU L 123);
– –
*richtlijn 2009/45/EG:* richtlijn nr. 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PbEU L 163);
– –
*richtlijn 2014/53/EU*: richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU L 153);
– –
*richtlijn 2014/90/EU:* richtlijn nr. 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van richtlijn 96/98/EG van de Raad (PbEU L 257);
– –
*richtlijn (EU) 2017/2110:* richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (PbEU L 315);
– –
*ruimten voor machines:* ruimten als bedoeld in voorschrift II-2/3, onderdeel 30, van het SOLAS-verdrag;
– –
*ruimten voor machines van categorie A:* ruimten als bedoeld in voorschrift II-2/3, onderdeel 31, van het SOLAS-verdrag;
– –
*schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen:* schip dat wordt gebezigd voor het stelselmatig aan boord nemen van drenkelingen, en dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels als pleziervaartuig of vrachtschip de vlag van het Koninkrijk voert;
– –
*SCV-Code:* de in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde en bij circulaire SLS.14/Circ.396, als voor het Koninkrijk der Nederlanden geldende equivalente regeling, aangemelde Code voor de veiligheid van kleine commerciële schepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels);
– –
*SPS-Code:* de bij resolutie A.534(13) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden (Special Purpose Ships Code);
– –
*SPS-Code 2008:* de bij resolutie MSC.266(84) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Code voor de veiligheid van schepen met bijzondere doeleinden 2008 (Special Purpose Ships Code, 2008);
– –
*STCW-Code:* de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden, behorend bij het STCW-Verdrag (Trb. 1996, 249);
– –
*uitvoeringsverordening scheepsuitrusting:* uitvoeringshandeling van de Europese Commissie betreffende de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties van en de beproevingsnormen voor de scheepsuitrusting, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van richtlijn 2014/90/EU;
– –
*verjaardatum:* een met de vervaldatum corresponderende dag en maand van elk jaar dat gelegen is tussen de datum van afgifte en de vervaldatum van een certificaat;
– –
*verordening (EG) 725/2004:* verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129);
– –
*verordening (EG) 336/2006:* verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 64).
2.
Voor de toepassing van deze regeling worden onder industrieel personeel begrepen personen die:
a. a. 16 jaar of ouder zijn, en b. b. in het bezit zijn van een geldig bekwaamheidsbewijs basisveiligheid als bedoeld in artikel 3.5.1 van de Regeling bemanning zeeschepen of het geldig certificaat:
i.
Basic Safety Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Global Wind Organisation (GWO);
ii.
Basic Offshore Safety Introduction and Emergency Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Offshore Petroleum Industry Training Organisation (OPITO); of
iii.
Offshore Safety Introduction and Emergency Response Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA);
i. i. Basic Safety Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Global Wind Organisation (GWO); ii. ii. Basic Offshore Safety Introduction and Emergency Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Offshore Petroleum Industry Training Organisation (OPITO); of iii. iii. Offshore Safety Introduction and Emergency Response Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA); c. c. een familiarisatietraining hebben gevolgd in overeenstemming met artikel 3.5.1 van het Besluit bemanning zeeschepen; d. d. bekend zijn met de relevante werkprocedures aan boord van het schip; e. e. zijn uitgerust met op de reis afgestemde, geschikte persoonlijke veiligheidsmiddelen, en f. f. in het bezit zijn van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart in overeenstemming met artikel 31, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen of een daaraan gelijkwaardige geneeskundige verklaring afgeven volgens de industriestandaarden van:
i.
Oil and Gas UK (OGUK);
ii.
Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA); of
iii.
Norwegian Oil and Gas Association;
i. i. Oil and Gas UK (OGUK); ii. ii. Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA); of iii. iii. Norwegian Oil and Gas Association; g. g. voldoen aan de van toepassing zijnde herhalingsverplichtingen van het Besluit bemanning zeeschepen dan wel die van de industriestandaarden.
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op de artikelen 2, derde lid, 6, eerste lid, en 41, vierde lid, en 46, tweede lid, van het besluit.
Artikel 2
1. Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties of richtlijnen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 2, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.
2. Vanaf de bouwdatum, bedoeld in het eerste lid, wordt een termijn van zes jaren gesteld voor de oplevering van het betreffende schip.
3. Bij overschrijding van de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt als bouwdatum van het betreffende schip aangemerkt de datum zes jaren eerder dan de dag waarop het betreffende schip is opgeleverd.
4. Indien naar het oordeel van de minister sprake is van bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van het derde lid.
5.
Als datum waarop een schip is opgeleverd wordt aangemerkt de datum van eerste afgifte van:
a. a. de certificaten, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6; b. b. het nationaal of het internationaal veiligheidscertificaat, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit; c. c. het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen, bedoeld in artikel 7 van het besluit.
Artikel 3
Deze regeling is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren en op Caribisch-Nederlandse schepen.
Hoofdstuk 2. Certificaten en onderzoeken
Paragraaf 1. Benodigde certificaten
Artikel 3a
1.
Een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd voor de volgende categorieën schepen:
a. a. een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c; b. b. een vrachtschip met een lengte van minder dan 24 meter, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c; c. c. een schip dat niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing is voorzien; d. d. een vrachtschip van 500 GT of meer, uitsluitend bestemd en gebruikt voor nationale reizen; e. e. een passagiersschip waarmee uitsluitend nationale reizen binnen de Caribische handelszone worden ondernomen; f. f. een offshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord; g. g. een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord.
2.
Op het nationaal veiligheidscertificaat is in ieder geval opgenomen:
a. a. categorie waartoe het schip op grond van het eerste lid behoort; b. b. datum van afgifte van het certificaat; c. c. plaats van afgifte van het certificaat; d. d. vervaldatum van het certificaat; e. e. naam van het schip; f. f. hoofdafmetingen en geïnstalleerd motorvermogen van het schip; g. g. verklaring dat onderzoeken aan het schip overeenkomstig artikel 15 van het besluit zijn uitgevoerd en het schip aan de van toepassing zijnde eisen van het besluit en deze regeling voldoet.
3. Het nationaal veiligheidscertificaat gaat vergezeld van een uitrustingsrapport en indien van toepassing, een uitwateringschema.
4. Het eerste lid is tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter.
Artikel 4
1. Voor passagiersschepen waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. a. schepen, gebouwd voor 1 juli 1998, met een lengte van minder dan 24 meter; b. b. schepen, gebouwd op of na juli 1998 en gecertificeerd op of na 21 december 2019, met een lengte van minder dan 24 meter; c. c. overeenkomstig de DSC-Code, de HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000 gecertificeerde schepen; d. d. schepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 2009/45/EG.
3. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5
1.
Voor verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 en de MODU-Code 2009 zijn de volgende certificaten benodigd:
a. a. voor booreenheden, gebouwd voor 1 mei 1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1979; b. b. voor booreenheden, gebouwd op of na 1 mei 1991 maar voor 1 januari 2012: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1989; c. c. voor booreenheden, gebouwd op of na 1 januari 2012: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 2009.
2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5a
1. Voor een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.
2. Voor een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.
3. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5b
1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY2-Code, die als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY2-Code benodigd.
2. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY3-Code, die als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY3-Code benodigd.
3. Voor een schip als bedoeld in artikel 6 van het besluit treedt het certificaat van overeenstemming in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5c
1. Voor vrachtschepen ten aanzien waarvan op grond van artikel 12b voor toepassing van de CCSS-Code is gekozen, is het bij die Code behorende veiligheidscertificaat benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5d
1. Voor een passagiersschip waarmee internationale reizen worden ondernomen en ten aanzien waarvan op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, is tezamen met een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de SCV-Code (notification of equivalency) benodigd.
2. Voor een passagiersschip waarmee nationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, het SCV veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd.
3. Voor een schip als bedoeld in het tweede lid treedt het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5e
1. Voor een vrachtschip van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, is het SCV veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 6
1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12 is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008, is het bij de desbetreffende Code behorende certificaat benodigd. Indien is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, is voor het schip tevens de bij die Code behorende exploitatievergunning benodigd.
2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 6a
1. Voor een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen van minder dan 500 GT is een bijzonder certificaat benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6b
1. Voor een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen van 500 GT of meer is een certificaat benodigd overeenkomstig de SPS-Code 2008.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6c
1. Voor een offshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer is een bijzonder certificaat benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6d
1. Voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip van minder dan 500 GT, met een lengte van 24 meter of meer en met ten hoogste 60 personen aan boord is een bijzonder certificaat benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6e
Voor een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip van 500 GT of meer, is een certificaat benodigd overeenkomstig de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de HSC-Code 1994, of de HSC-Code 2000.
Artikel 6f
1. Voor passagiersschepen kleiner dan 24 meter waarmee nationale reizen als bedoeld in artikel 1 van het Schepenbesluit 2004 worden ondernomen is een bijzonder veiligheidscertificaat voor passagiersschepen benodigd.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1. Voor ro-ro-passagiersschepen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2003/25/EG waarmee in het kader van een geregelde dienst internationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd, waaruit blijkt dat zij aan de specifieke stabiliteitsvereisten van die richtlijn voldoen.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat wordt gecombineerd met het ingevolge artikel 5 van het besluit benodigde internationaal veiligheidscertificaat voor passagiersschepen.
Artikel 7a
1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van verordening (EG) 336/2006, vrachtschepen van 500 GT of meer en verplaatsbare offshore booreenheden van 500 GT of meer voor zover deze schepen gebruikt worden voor nationale reizen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende schepen:
a. a. voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte overheidsschepen; b. b. schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voorstuwing, houten schepen met een primitieve constructie en pleziervaartuigen, tenzij zij een bemanning hebben of zullen hebben en meer dan twaalf passagiers voor handelsdoeleinden vervoeren; c. c. andere passagiersschepen dan ro-ro-passagiersveerboten als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van verordening (EG) 336/2006, varend in de zeegebieden van klasse C en D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.
Artikel 8
1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit is met ingang van 1 juli 2005 van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen, behorende tot klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG, waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing en op houten of primitief gebouwde schepen.
Artikel 9
De in de artikelen 3a tot en met 7 bedoelde certificaten gaan vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende Codes, resoluties of richtlijnen voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking tot schip of lading.
Paragraaf 2. Onderzoeken
Artikel 9a
1.
Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, c, e, f of g, wordt ter verkrijging van het nationaal veiligheidscertificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de volgende onderzoeken:
a. a. een eerste onderzoek; b. b. een tussentijds of periodiek onderzoek; c. c. een hernieuwd onderzoek in verband met vernieuwing van het certificaat; d. d. een onderzoek van de romp aan de buitenzijde; e. e. een onderzoek in verband met herstellingen en vernieuwingen aan het schip.
2.
De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, omvatten het volgende:
a. a. het in onderdeel a, b of c bedoelde onderzoek is een volledig onderzoek van de constructie van de romp, de waterdichte afsluiting, de werktuigen inclusief de stuurinrichting, de elektrische installatie, de navigatie- en radio-uitrusting, de redding-, brandblus- en veiligheidsmiddelen, de lichten en overige middelen ter voorkoming van aanvaringen; b. b. het in onderdeel e bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd nadat een ongeval heeft plaatsgehad of een onvolkomenheid is ontdekt waardoor twijfel is ontstaan of het schip nog geschikt is voor een veilige vaart en in verband hiermee herstellingen zijn uitgevoerd.
Artikel 9b
Een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82), onderscheidenlijk een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) wordt ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan onderzoeken ter vaststelling dat is voldaan aan de in de resoluties opgenomen richtlijnen.
Artikel 9c
Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen wordt ter verkrijging van het certificaat, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, of artikel 6b, eerste lid, en gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat onderworpen aan de in de SPS-Code 2008 voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 9d
Een offshoredienstschip waarvoor een bijzonder certificaat als bedoeld in artikel 6c benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 12, eerste lid, onderdelen b of c, en tweede lid, voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 9e
Een hogesnelheidsoffshoredienstschip waarvoor een bijzonder certificaat als bedoeld in artikel 6d benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 16 van het besluit voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 9f
Een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 6e benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in:
a. a.
artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, en tweede lid, voorgeschreven onderzoeken indien het certificaat wordt afgegeven op grond van de SPS-Code of de SPS-Code 2008; of
b. b.
artikel 16 van het besluit voorgeschreven onderzoeken indien het certificaat wordt afgegeven op grond van de HSC-Code 1994, of de HSC-Code 2000.
Artikel 9g
Een passagiersschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen wordt ter verkrijging van het certificaat als bedoeld in artikel 6f, eerste lid, en gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat onderworpen aan de in bijlage 3d bij deze regeling voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 10
Passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, worden ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 12 van richtlijn 2009/45/EG voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 11
Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009 worden ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 12
1.
De eigenaar van een schip, behorend tot een van de navolgende categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
a. a. voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de DSC-Code, gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de DSC-Code; b. b. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code en de SPS-Code 2008, gebouwd voor 2 juli 2009: de voorschriften van de SPS-Code of de SPS-Code 2008; c. c. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code 2008, gebouwd op of na 2 juli 2009: de voorschriften van de SPS-Code 2008.
2. Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing van een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 of 15 van het besluit bedoelde onderzoeken.
Artikel 12a
1. De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan ervoor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY3-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.8, 21, 22 en 26 van deze Code.
2. De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip van minder dan 3.000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat gebouwd is vóór 1 januari 2018 en dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan er tevens voor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY2-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.2.7, 21, 22 en 26 van deze Code.
3. Bij toepassing van de LY2-Code dan wel de LY3-Code strekken de in de artikelen 13 tot en met 15 van het besluit bedoelde onderzoeken er mede toe om na te gaan of aan de eisen van die Codes is voldaan.
Artikel 12b
1. De eigenaar van een vrachtschip, van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer, waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de CCSS-Code.
2. Indien ten aanzien van een vrachtschip is gekozen voor toepassing van de CCSS-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 15, eerste lid, van het besluit voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 12c
1. De eigenaar van een passagiersschip met een lengte van minder dan 24 meter, waarmee uitsluitend reizen in de Caribische handelszone worden ondernomen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de SCV-Code.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen, gebruikt voor het vervoer van meer dan 150 passagiers, en schepen met nachtaccommodatie voor meer dan 50 passagiers.
3. Indien ten aanzien van een passagiersschip is gekozen voor toepassing van de SCV-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14, eerste lid, of 15, eerste lid, van het besluit bedoelde onderzoeken.
Artikel 12d
Een vrachtschip waarvoor het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 13
1. Ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn (EU) 2017/2110, waarmee een geregelde dienst wordt onderhouden tussen een haven van een lidstaat waarvan zij de vlag voeren en een haven in een derde land, worden onderworpen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn (EU) 2017/2110 voorgeschreven inspecties en onderzoeken.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen waarmee in het kader van een geregelde dienst nationale reizen in zeegebieden van klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG worden ondernomen.
3. Voor schepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, strekken de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken er tevens toe om vast te stellen of aan de specifieke stabiliteitsvereisten van richtlijn 2003/25/EG is voldaan.
4. Toepassing van richtlijn (EU) 2017/2110 geschiedt met inachtneming van de artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van die richtlijn.
Artikel 14
1.
De in artikel 9a bedoelde onderzoeken vinden plaats op de volgende tijdstippen:
a. a. een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld; b. b. een tussentijds of periodiek onderzoek in de periode van drie maanden voor tot drie maanden na ofwel de tweede ofwel de derde verjaardatum; c. c. een hernieuwd onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van het certificaat wordt onderworpen in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat; d. d. een onderzoek van de romp aan de buitenzijde twee maal in een periode van vijf jaar, mits de periode tussen twee romponderzoeken niet meer bedraagt dan 36 maanden; e. e. een onderzoek nadat herstellingen en vernieuwingen aan een schip hebben plaatsgevonden.
2. Voor Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in artikel 41b, eerste lid, vindt het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, plaats tussen de tweede en derde verjaardatum.
3. De in de artikelen 9b tot en met 13 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende Codes, resoluties en richtlijnen voorgeschreven tijdstippen, mits het hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.
Artikel 15
1. De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18, 19 en 19a van het besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie naar keuze van de eigenaar.
2. De onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 13, 14, 16 en 17 van het besluit of de artikelen 11, 12, 12a en 12c van deze regeling wordt onderworpen, worden voor schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluit benodigd is, uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
3. De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als bedoeld in het tweede lid, ingevolge de artikelen 13, 14, 15 of 17 van het besluit of de artikelen 9a tot en met 12d van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd of, indien het schip niet is geklasseerd, door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
4. Indien krachtens artikel 23 van het besluit voor bepaalde onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze andere organisaties worden uitgevoerd.
Artikel 16
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 9a tot en met 12d en 13, derde lid, tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening geplaatst op het certificaat.
Paragraaf 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Artikel 17
1. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, heeft een geldigheidsduur van een jaar. Het certificaat mag, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in artikel 13 van de richtlijn is bepaald, met ten hoogste een maand worden verlengd.
2. De artikelen 29, tweede lid, en 30, aanhef en onderdeel a, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17a
1. De in de artikelen 5, 5a tot en met 5e en 6 tot en met 6e bedoelde certificaten hebben, indien zij zijn afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een jaar. Indien zij zijn afgegeven voor een vrachtschip, hebben zij een geldigheidsduur van vijf jaren.
2. De geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in artikel 7 is gelijk aan de geldigheidsduur van het internationale veiligheidscertificaat voor passagiersschepen waarmee het wordt gecombineerd.
3. De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17b
1. Artikel 17a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in artikel 6a respectievelijk artikel 6b.
2. Artikel 29, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17c
1. Het bijzonder veiligheidscertificaat voor passagiersschepen kleiner dan 24 meter heeft een geldigheidsduur van een jaar.
2. De artikelen 29, tweede lid, en 30, aanhef en onderdeel a, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
Paragraaf 1. Eisen aan schepen
Artikel 18a
1.
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c,
a. a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten voor 1 januari 2018; of b. b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, voor 1 juli 2018 ligt, of c. c. waarvan de opleverdatum voor 1 januari 2021 ligt.
2.
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3a, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c:
a. a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2018, of b. b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 1 juli 2018 ligt; of c. c. waarvan de opleverdatum op of na 1 januari 2021 ligt.
Artikel 18b
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 van bijlage 3c, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f:
a. a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 15 december 2019; b. b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 15 december 2019 ligt; of c. c. waarvan de opleverdatum op of na 15 december 2019 ligt.
Artikel 18c
De eisen, bedoeld in paragraaf 2 van bijlage 3c, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g:
a. a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of 15 december 2019; b. b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 15 december 2019 ligt; of c. c. waarvan de opleverdatum op of na 15 december 2019 ligt.
Artikel 19
1. Een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, voldoet aan de ingevolge de artikelen 6, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, en 7 van die richtlijn op dat schip toepasselijke eisen.
2. Als zeegebieden van de klassen A, B, C en D als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 2009/45/EG worden aangewezen de in bijlage 4 bij deze regeling aangegeven zeegebieden. De binnengrens van het zeegebied dat het dichtst bij de kustlijn ligt wordt aangewezen volgens de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.
3. Aan boord van schepen als bedoeld in het eerste lid, gebouwd op of na 1 oktober 2004, worden met inachtneming van de in bijlage III van richtlijn 2009/45/EG opgenomen richtsnoeren passende maatregelen getroffen voor de veiligheid van en de toegankelijkheid voor personen met verminderde mobiliteit.
4. Het derde lid is, voorzover dat in economisch opzicht redelijk en uitvoerbaar is, van overeenkomstige toepassing op schepen, gebouwd voor 1 oktober 2004, die na die datum een verbouwing ondergaan.
Artikel 20
1. Een schip waarvoor op grond van de artikelen 5 of 5e het certificaat, behorende bij de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009 of de SCV-Code benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van de artikelen 5b, 5c, 5d of 6 voor toepassing van de LY2-Code, de LY3-Code, de CCSS-Code, de SCV-Code, de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008 is gekozen, voldoet aan de eisen van de desbetreffende Code.
2. Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat verdrag toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.
3. In afwijking van het eerste lid zijn op een Caribisch-Nederlands schip, gebouwd voor 1 juli 2014, de eisen van de CCSS-Code en de SCV-Code, voor zover het schip daaraan niet reeds voldoet, slechts van toepassing voorzover dat praktisch uitvoerbaar en redelijk is.
4. Voor Caribisch-Nederlandse schepen is artikel 37 van het besluit slechts van toepassing voorzover dat praktisch uitvoerbaar en redelijk is.
Artikel 20a
1. Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage 3b en aan de eisen opgenomen in de ISM-Code.
2. Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van 24 meter of meer voldoet aan de eisen opgenomen in de SPS-Code 2008 en aan de eisen opgenomen in de ISM-code.
Artikel 20b
Een passagiersschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage 3d.
Artikel 21
1. Een offshore bevoorradingsschip voldoet aan de eisen van resolutie MSC.235(82).
2. Een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) voldoet aan de eisen van voornoemde resolutie.
Artikel 21a
Een offshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer voldoet aan de eisen van de SPS-Code of de SPS-Code 2008.
Artikel 21b
Een hogesnelheidsoffshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord, voldoet aan de eisen van de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 en aan de eisen bedoeld in paragraaf 3 van bijlage 3c.
Artikel 21c
Een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip van 500 GT of meer voldoet aan de eisen van de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de HSC-Code 1994, of de HSC-Code 2000.
Artikel 22
1. Op een schip, gebouwd voor 1 juli 2010, zijn de op dat schip toepasselijke stabiliteitseisen in onbeschadigde toestand van de IS-Code van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, en op vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter waarvoor geen certificaat benodigd is.
3. Ro-ro-passagiersschepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, voldoen tevens aan de ingevolge de artikelen 6 en 9, vierde lid, van die richtlijn toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand.
4. Op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c, gebouwd op of na 1 juli 2010, zijn de op die schepen toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van de IS-Code 2008 van overeenkomstige toepassing.
5. Dit artikel is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de SCV-Code of de CCSS-Code zijn gecertificeerd.
Artikel 23
1. De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen aan de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau.
2.
De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische personenliften voldoen aan:
a. a. de regels van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau, of: b. b. de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN 28 383.
3. In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk II-1/43.2, van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip aanwezige elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten minste 36 uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste 18 uur, indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.
4. Op een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, is voorschrift II-1/43.2 van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige toepassing en is de aan boord aanwezige elektrische noodkrachtbron in staat om gedurende ten minste 6 uur stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.
5.
De resolutie A.468(XII)-maatregelen zijn aanwezig aan boord van:
a. a. schepen gebouwd voor 1 juli 2014; b. b. schepen van minder dan 1600 GT en gebouwd op of na 1 juli 2014 en c. c.
–
baggermaterieel met voortstuwing, en
–
hogesnelheidsschepen, van 1600 GT en meer, gebouwd op of na 1 juli 2014.
– – baggermaterieel met voortstuwing, en – – hogesnelheidsschepen, van 1600 GT en meer, gebouwd op of na 1 juli 2014.
6. Indien een acetyleen las- en snij-installatie, bestaande uit acetyleen- en zuurstofflessen met inbegrip van de ruimte voor opslag, distributieleidingen, slangen en appandages aan boord van een schip is, is deze installatie periodiek gekeurd, goed onderhouden, zodanig opgesteld en ingericht dat het risico van brand of explosie bij zowel een in gebruik zijnde als buiten gebruik zijnde installatie tot een minimum is teruggebracht.
7. Indien een elektrisch lastoestel met bijbehorende apparatuur aan boord van een schip is, is dit toestel periodiek gekeurd, goed onderhouden en zodanig ingericht dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving kan opleveren met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan boord.
8. Aan boord van een schip worden de werkzaamheden met acetyleen las- en snij-installaties en elektrische lastoestellen zodanig uitgevoerd dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving kunnen opleveren met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan boord.
9. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
Artikel 24
1. Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT, met uitzondering van passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is.
2. Indien een vrachtschip met een lengte van 24 meter of meer of een passagiersschip op of na 1 juli 2009 maar voor 1 juli 2011 is uitgerust met een wachtalarminstallatie op de brug, voldoet deze aan de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)).
3. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
Artikel 25
1. Aan boord van een schip is de in bijlage 5 bij deze regeling voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleidingen en controlelijsten aanwezig. De eigenaar van een schip draagt voor eigen rekening zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting.
2. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.
3. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats van een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in het tweede lid bedoelde Gids aanwezig.
4. Het eerste lid is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen.
5. In afwijking van het eerste lid is aan boord van schepen als bedoeld in de artikelen 5d, eerste en tweede lid, of 5e, eerste lid, waarmee wordt gevaren in kustwateren of beschutte wateren (coastal of protected waters), als bedoeld in voorschrift I/2.7 onderscheidenlijk I.2.42 van de SCV-Code, de in bijlage 8 bij die Code voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleiding aanwezig.
Artikel 26
1. Een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat, een nationaal veiligheidscertificaat of een certificaat als bedoeld in artikel 5, 5a tot en met 5e of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat tevens aan de ingevolge de artikelen 21, 22, eerste lid, 23, 24 en 25 toepasselijke eisen.
2. Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5, 5a tot en met 5e of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat bovendien aan de ingevolge artikel 40, derde lid, van het besluit toepasselijke eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Artikel 27
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Europese richtlijnen, Codes, resoluties en circulaires is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 18a tot en met 24 bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geëiste voorziening.
Artikel 28
1. Dit artikel is van toepassing op schepen die vanuit een scheepsregister in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn overgeschreven naar een register in het Europese deel van Nederland.
2. Met de in de artikelen 20, 21, 22, eerste lid, 23 en 24 bedoelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Paragraaf 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
Artikel 29
1. De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een bemanning van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee bevaren schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren als de scheepsgezellen vertegenwoordigd.
2. Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris benoemd.
3. De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een bemanning van minder dan vijf personen.
Artikel 30
Vervallen
Artikel 31
1. De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1 van het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is, voor zover het het Europese deel van Nederland betreft, het Kustwachtcentrum bedoeld in artikel 3 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland, en voor zover het het Caribische deel van Nederland betreft, de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch Gebied.
2. Toepassing van de ISPS-Code geschiedt met inachtneming van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, van verordening (EG) 725/2004 verplichte bepalingen van deel B van die Code.
3. Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15 van het SOLAS-verdrag worden minimaal 3 maanden bewaard, of zoveel langer als nodig is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen. De minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.
4. Het tweede lid is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
Artikel 31a
1. Indien een eigenaar die het gehele jaar door een geregelde dienst onderhoudt, voor een kortere periode een extra ro-ro-passagiersschip voor die dienst wil inzetten, wordt daarvan door hem ten minste een maand voordat het schip wordt ingezet een kennisgeving gedaan aan de Scheepvaartinspectie overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2003/25/EG of wordt door hem in voorkomende gevallen voldaan aan het tweede lid van dat artikel.
2. Indien een eigenaar op seizoensbasis een geregelde dienst wenst te onderhouden voor een kortere periode van maximaal zes maanden per jaar, wordt daarvan ten minste drie maanden voor aanvang van de dienst door hem een kennisgeving gedaan aan de Scheepvaartinspectie overeenkomstig artikel 9, derde lid, van richtlijn 2003/25/EG.
Paragraaf 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
Artikel 32
1. Deze paragraaf is van toepassing op scheepsuitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.
2. Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist, wordt mede verstaan scheepsuitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.
3. Deze paragraaf is met uitzondering van artikel 34a niet van toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen.
Artikel 33
1.
Scheepsuitrusting als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 mag slechts aan boord worden geplaatst, indien de scheepsuitrusting:
a. a. is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, of b. b. vergezeld gaat van:
1°.
een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016;
2°.
een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of
3°.
een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
1°. 1°. een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016; 2°. 2°. een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of 3°. 3°. een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
2. Gebruik van scheepsuitrusting waarvoor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. In het geval van beproeving blijft de oorspronkelijke stuurwielgemarkeerde scheepsuitrusting aan boord en zal die uitrusting te allen tijde gereed zijn voor onmiddellijk gebruik.
3. Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van termijnen en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU een EG-typegoedkeuring is verleend, kan in afwijking van het eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden vervangende scheepsuitrusting aan boord worden geplaatst die niet overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU is goedgekeurd, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, eerste tot en met vierde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.
4. Indien is aangetoond dat scheepsuitrusting waarop een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 is aangebracht niet in de handel verkrijgbaar is, kan in afwijking van het eerste lid, de minister toestemming verlenen om vervangende scheepsuitrusting aan boord te plaatsen, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn 2014/90/EU genoemde voorwaarden.
Artikel 34
1. Scheepsuitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in artikel 3 van de Wet scheepsuitrusting 2016, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in afwijking van artikel 33 toestaan dat aan boord van bepaalde categorieën schepen, niet zijnde schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5 van het besluit benodigd is, scheepsuitrusting wordt geplaatst die niet aan de vereisten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016 voldoet, en voor die uitrusting een typegoedkeuring verlenen, mits zulks zonder gevaar voor die schepen en hun opvarenden mogelijk is.
3. Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.
Artikel 34a
1. Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een Caribisch-Nederlands schip, gelet op de op dat schip toepasselijk eisen, een typegoedkeuring vereist is, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
2. Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring vereist is, wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.
3.
Met uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type wordt gelijkgesteld uitrusting:
a. a. die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016; b. b. met betrekking waartoe een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten of van Canada, met inachtneming van de voor die goedkeuring opgestelde richtlijnen en standaarden van de IMO.
4. Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.
Artikel 35
In afwijking van de artikelen 33 en 34, eerste lid, mag aan boord van vrachtschepen van minder dan 150 GT waarmee internationale reizen worden ondernomen, en vrachtschepen van minder dan 300 GT waarmee nationale reizen worden ondernomen, tevens apparatuur worden geplaatst die is voorzien van de in de artikelen 19 en 20 van richtlijn 2014/53/EU bedoelde CE-markering voor radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur, mits die apparatuur zodanig is ontworpen dat haar correcte werking in een maritieme omgeving is gegarandeerd.
Artikel 36
Met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 37
Indien ten aanzien van scheepsuitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Indien nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.
Paragraaf 4. Vrijstellingen
Artikel 37a
1. Op schepen van minder dan 150 GT die nationale of internationale reizen maken en schepen van minder dan 500 GT die nationale reizen maken, zijn het standaard magnetisch kompas en het kompaspeiltoestel of hun alternatieve voorziening vrijgesteld van de eis onafhankelijk te zijn van elke elektrische krachtbron opgenomen in voorschrift 19.2.1.1, onderscheidenlijk 19.2.1.2 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits deze voorzieningen ten minste onafhankelijk zijn van de elektrische hoofdkrachtbron.
2. Schepen van 150 GT of meer, doch minder dan 500 GT, die nationale reizen maken, zijn vrijgesteld van de eis voorzien te zijn van een reserve magnetisch kompas opgenomen in voorschrift 19.2.2.1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits een tweede kompas vast is opgesteld.
Artikel 37b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, zijn vrijgesteld van de eisen van de volgende voorschriften van het SOLAS-verdrag:
a. a. met betrekking tot Hoofdstuk II-1:
1°.
voorschrift 3-2;
2°.
het hebben van de machinekamertelegraaf opgenomen in voorschrift 37;
3°.
de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften 43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden voorzien;
4°.
voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2;
5°.
voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3;
6°.
voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4;
1°. 1°. voorschrift 3-2; 2°. 2°. het hebben van de machinekamertelegraaf opgenomen in voorschrift 37; 3°. 3°. de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften 43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden voorzien; 4°. 4°. voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2; 5°. 5°. voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3; 6°. 6°. voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4; b. b. met betrekking tot Hoofdstuk II-2:
1°.
voorschrift 10.2.2.3.3;
2°.
voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van één slanglengte;
3°.
voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl aanwezig is;
4°.
voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3;
1°. 1°. voorschrift 10.2.2.3.3; 2°. 2°. voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van één slanglengte; 3°. 3°. voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl aanwezig is; 4°. 4°. voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3; c. c. met betrekking tot Hoofdstuk III:
1°.
voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen;
2°.
voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.
1°. 1°. voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen; 2°. 2°. voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.
Artikel 38
1.
Dit artikel is van toepassing op baggermaterieel als bedoeld in:
a. a. IMO-Circulaire nr. 2285: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van baggermaterieel met verminderd vrijboord, DR-67, indien het schip is gebouwd voor 1 januari 2010, dan wel b. b. IMO-Circulaire nr. 236: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van baggermaterieel met verminderd vrijboord, DR-68, zoals laatstelijk gewijzigd, indien het schip is gebouwd na 1 januari 2010.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan op verzoek van de eigenaar van een schip gebouwd voor 1 januari 2010 IMO-Circulaire nr. 236 worden toegepast.
3. Aan baggermaterieel van 500 GT of meer, gebouwd op of na 5 augustus 2000, dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde richtlijnen, kan door de vaststelling van een baggerlastlijn een verminderd vrijboord worden toegekend voor het laden, lossen en vervoeren van bagger.
4. Aan de toekenning van het verminderde vrijboord kunnen beperkingen met betrekking tot vaargebieden en vaarcondities worden verbonden. Deze beperkingen worden vermeld op het internationaal certificaat van vrijstelling betreffende de uitwatering of, indien voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, in een aanhangsel bij dat certificaat.
Artikel 39
Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, van het besluit benodigd is, zijn vrijgesteld van:
a. a. indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009 of de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het SOLAS-verdrag opgenomen eisen; b. b. indien zij voldoen aan de SPS-Code of de SPS-Code 2008: de in de SPS-Code onderscheidenlijk de SPS-Code 2008 aangegeven eisen van het SOLAS-verdrag; c. c. indien zij voldoen aan de LY2-Code of de SCV-Code: de in het SOLAS-verdrag opgenomen eisen.
Artikel 39a
Vervallen
Artikel 40
1.
Schepen die bedrijfsmatig worden gebruikt voor recreatieve visserij met meer dan 12 passagiers, zijn, indien zij op 17 augustus 2000 waren voorzien van een op grond van het Schepenbesluit 1965 afgegeven geldig certificaat van deugdelijkheid, bij het ondernemen van nationale reizen vrijgesteld van:
a. a. de stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand, opgenomen in hoofdstuk II-1, deel B, van de bijlage bij richtlijn 2009/45/EG, mits ten minste wordt voldaan aan de stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand, opgenomen in de IS-Code; b. b. de eisen inzake constructieve brandbescherming, opgenomen in hoofdstuk II-2 van de bijlage bij richtlijn 2009/45/EG, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in elk geval de verblijven voor passagiers voldoen aan de eisen inzake constructieve brandbescherming voor vrachtschepen uit bijlage IV van het Schepenbesluit 1965, zoals die luidden op 31 december 2004, of aan de voorwaarde dat de vluchtwegen uit die verblijven naar het open dek voldoende breed zijn en korter dan vijf meter.
2.
Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling zijn de navolgende beperkingen verbonden:
a. a. de vrijstelling geldt uitsluitend voor reizen in een vaargebied van maximaal 35 mijl uit de Nederlandse kust; b. b. met het schip mogen slechts reizen worden ondernomen bij daglicht, bij een windkracht van ten hoogste 6 Beaufort en een significante golfhoogte van ten hoogste 2 meter.
3. De vrijstelling geldt niet voor schepen met nachtaccommodatie voor passagiers.
Artikel 41
Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn vrijgesteld van:
a. a. de eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, met uitzondering van voorschrift V/19.2.1.7; b. b. de eisen van artikel 24, en c. c. indien van toepassing: artikel 41, eerste lid, van het besluit.
Artikel 41a
Wachtalarminstallaties op de brug, die voor 1 juli 2009 zijn geplaatst, zijn vrijgesteld van de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)) of daaraan gelijkwaardige uitvoeringsnormen.
Artikel 41b
1. Caribisch-Nederlandse schepen die niet buiten de gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het tweede lid, worden gebracht zijn vrijgesteld van de bepalingen van de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het besluit en hoofdstuk 3 van deze regeling, mits voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in bijlage 6.
2.
De gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het eerste lid zijn:
a. a. voor Bonaire: het gebied, begrensd door de lijnen gaande van de meest oostelijke punt van Bonaire (68-12'W) in de richting zuid tot de parallel van 12-00' noorderbreedte, vandaar in de richting west tot de meridiaan van 68-17' westerlengte, vandaar in de richting 327 naar een punt op 12-15' noorderbreedte en 68-27' westerlengte, vandaar in de richting 022 naar een punt op 12-20' noorderbreedte en 68-25' westerlengte en vandaar in de richting van de vuurtoren Seroe Ventana. b. b. voor Sint Eustatius: het gebied, begrensd door de parallellen 17-27' en 17-33' noorderbreedte en de meridianen van 62-55' en 63-02' westerlengte; c. c. voor Saba: het gebied, begrensd door de parallellen van 17-35' en 17-41' noorderbreedte en de meridiaan van 63-11' en 63-17' westerlengte.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Artikel 42
1. Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een lengte van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code, opgenomen voorschriften.
2.
Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is uitsluitend toegestaan, indien:
a. a. voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven van de onderste laag van de deklast te voorkomen; b. b. de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
3. De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de luiken worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.
4. De beproeving, markering en certificering van kettingen, gebruikt bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1 van de Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN 818-2.
Artikel 43
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van de hoofdstukken VI, deel Aen VII, deel A-1, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMSBC-code, zijn:
a. a. met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen in vaste vorm in bulk, behorende tot klasse 7 van de IMSBC-Code: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; b. b. met betrekking tot het vervoer van overige stoffen als bedoeld in de IMSBC-Code: de minister.
Artikel 44
1. De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de voorschriften VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de bij circulaire MSC.1/Circ. 1353/Rev.2 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Herziene richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding vastzetten lading (Revised guidelines for the preparation of the Cargo Securing Manual).
2. Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de Handleiding vastzetten lading.
Artikel 44a
1. De bepaling van de geverifieerde brutomassa van een beladen container door berekening, bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag, geschiedt door de som te nemen van de massa’s bepaald volgens de leden twee tot en met vijf.
2. De massa van de lading van de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de afzonderlijke daarin geladen producten of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden. Voor bulkproducten is het toegestaan de massa van de lading te bepalen aan de hand van meetmomenten gedurende het productieproces van die bulkproducten zoals debietbepaling door gekalibreerde vulinstallaties of door te wegen.
3. De massa van de verpakking van in de container geladen producten wordt bepaald door de som te nemen van de massa’s van de productverpakkingen zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van die verpakkingen of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
4. De massa van pallets of van stuwmateriaal in de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de pallets of van het stuwmateriaal in de container zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van de pallets of van het stuwmateriaal of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
5. De massa van de ongeladen container, zoals verstrekt door degene die de container aan de verscheper ter beschikking stelt.
6. Bij de bepaling van de massa van een beladen container door berekening worden de bij circulaire MSC.1/Circ. 1475 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde ‘Guidelines regarding the verified gross mass of a container carrying cargo’ in acht genomen.
Artikel 44b
De geverifieerde brutomassa van een beladen container bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag wijkt niet meer af van de werkelijke massa dan:
a. a. ten hoogste 500 kilogram indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container minder dan 10 ton bedraagt; b. b. ten hoogste 5 massaprocent indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container 10 ton of meer bedraagt.
Artikel 45
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code, zijn:
a. a. voor radioactieve stoffen in verpakte vorm, behorende tot klasse 7 van de IMDG-Code: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; b. b. voor overige stoffen als bedoeld in de IMDG-Code: de minister.
Artikel 46
1. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
2. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in afwijking van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 47
De kapitein van een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen behorend bij richtlijn 2009/45/EG benodigd is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in richtlijn 2009/45/EG opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
Artikel 48
De kapitein van een schip waarvoor op grond van de artikelen 5e, 6, 6c, 6d of 6e het certificaat, behorende bij de SCV-Code, de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, of de MODU-Code 2009 benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van artikel 12, 12a, 12b of 12c gekozen is voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de LY2-Code, de LY3-Code, de CCSS-Code of de SCV-Code, draagt ervoor zorg dat aan boord van het schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
Artikel 48a
De kapitein van een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen, draagt ervoor zorg dat aan boord van het schip de in artikel 20a genoemde voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
Artikel 49
1. De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige medische uitrusting in goede staat verkeert en zo spoedig mogelijk wordt aangevuld of vernieuwd, in ieder geval met voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures.
2. Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota niet aan boord zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.
3. De kapitein inspecteert jaarlijks, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in bijlage 5 bij deze regeling is bepaald, de aan boord van het schip aanwezige medische uitrusting.
4. Dit artikel is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen, met dien verstande dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verplichtingen in dat geval op de schipper van het vaartuig rusten.
Artikel 49a
Deze regeling berust mede op de artikelen 6.5, 6.11 en 6.12 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002.
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51
1. De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt er bij een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids opgenomen procedures worden gevolgd.
2. Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke, schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine pollutants).
Artikel 52
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes en richtlijnen is bepaald.
Paragraaf 2. Vrijstellingen
Artikel 53
1. Baggerschepen waaraan krachtens artikel 38 een verminderd vrijboord is toegekend, zijn tijdens het laden, lossen en vervoeren van bagger vrijgesteld van de in het Uitwateringsverdrag opgenomen verplichting om bij de uitwatering de toepasselijke seizoenslastlijnen in acht te nemen, met dien verstande dat het schip geen geringer vrijboord mag hebben dan volgens de voor dat schip vastgestelde baggerlastlijn is toegestaan.
2. De kapitein van een schip als bedoeld in het eerste lid draagt er zorg voor dat de in IMO-circulaire nr. 2285, bedoeld in artikel 38, opgenomen voorschriften en de in voorkomend geval aan de toekenning van het verminderde vrijboord verbonden beperkingen worden nageleefd.
Artikel 54
Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt beproefd.
Artikel 55
1. Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26 tot en met V/28 van het SOLAS-verdrag.
2. De artikelen 64 van het besluit en 52 van deze regeling zijn niet van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Buitenlandse schepen in Nederlandse wateren
Artikel 56
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op buitenlandse schepen als bedoeld in de Wet buitenlandse schepen.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‘buitenlandse schepen’ mede verstaan: daarmee op grond van de Wet buitenlandse schepen gelijkgestelde schepen.
Artikel 57
1. Artikel 9, aanhef en eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit en de artikelen 4, eerste en tweede lid, 7, eerste lid, 7a, 9, 13, 19, 22, derde lid, 31a en 47 zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse schepen, voor zover met die schepen reizen worden ondernomen van of naar een haven in het Europese deel van Nederland.
2. Voorts zijn op buitenlandse schepen de artikelen 40, eerste en derde lid, en 61, eerste lid, van het besluit van overeenkomstige toepassing, voorzover die artikelen betrekking hebben op de voorschriften V/19.2.4 en V/20 van het SOLAS-verdrag.
Artikel 58
Een op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet buitenlandse schepen aangewezen toezichthouder is bevoegd een buitenlands schip aan te houden, indien:
a. a. het schip niet is voorzien van een ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit, artikel 4, eerste lid, 7, eerste lid of 7a benodigd certificaat; b. b. het schip of de bedrijfsvoering over het schip niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 19, 22, derde lid, 30 en 57, tweede lid; c. c. aan boord van het schip de voorschriften of verplichtingen, bedoeld in artikel 47, niet worden nageleefd.
Artikel 59
Overtreding van de voorschriften, bedoeld in artikel 57, is een strafbaar feit.
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 59a
Vervallen
Artikel 59b
Vervallen
Artikel 59c
Vervallen
Artikel 59d
Vervallen
Artikel 59e
Vervallen
Artikel 59f
Vervallen
Artikel 59g
Vervallen
Artikel 59h
Vervallen
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 60
Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 61
1. Artikel 71, eerste tot en met derde lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires.
2. Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 62
1. Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type, waarop als gevolg van de inwerkingtreding van een uitvoeringsverordening scheepsuitrusting de voorschriften van richtlijn 2014/90/EU van toepassing zijn geworden, mag in afwijking van artikel 33 nog gedurende een termijn van drie jaar, gerekend vanaf die dag van inwerkingtreding aan boord van schepen worden geplaatst, mits zij voor die dag werd vervaardigd en ook de typegoedkeuring voor die dag werd verleend.
Artikel 62a
1. In afwijking van artikel 3a worden op een Caribisch-Nederlands schip waarvoor op grond van hoofdstuk 6a een certificaat van deugdelijkheid is afgegeven, de bepalingen van hoofdstuk 6a, zoals dat luidde tot 1 juli 2014, toegepast tot de geldigheidsduur van het certificaat op grond van artikel 59e afloopt.
2. Een Caribisch-Nederlands schip dat niet buiten de in artikel 41b, tweede lid, bedoelde gebiedsbegrenzingen wordt gebracht, is tot 1 september 2016 vrijgesteld van de in artikel 3a bedoelde verplichting alsmede de in bijlage 6 opgenomen eisen.
Artikel 63
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van de artikelen 4, derde lid, 5, tweede lid, en 6, tweede lid, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt.
Artikel 64
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid zeeschepen.
Bijlage 1
Vervallen
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 3. behorende bij
Bijlage 3a. behorende bij
Bijlage 3b. behorend bij
Eisen aan schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter
Bijlage 3c. Eisen aan offshoredienstschepen en hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 gt
Bijlage 3d. behorende bij
Bijlage 4. behorende bij
[afbeelding]