rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-sterktes-in-de-regio/BWBR0024884/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

27 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling sterktes in de regio BWBR0024884 ministeriele-regeling geldend 2010-06-25 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024884 Subsidieregeling sterktes in de regio

Subsidieregeling sterktes in de regio

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder

  • minister: de Minister van Economische Zaken.

Artikel 1.2

1. Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld op basis van het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling.

2. Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (20072013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.3

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

Artikel 1.4

1. Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 60.

2. Het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 60.

Artikel 1.5

Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L214).

Artikel 1.6

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Pieken in de delta

Artikel 2.1

Vervallen

Artikel 2.2

Vervallen

Artikel 2.3

Vervallen

Artikel 2.4

Vervallen

Artikel 2.5

Vervallen

Artikel 2.6

Vervallen

Artikel 2.7

Vervallen

Artikel 2.8

Vervallen

Artikel 2.9

Vervallen

Artikel 2.10

Vervallen

Artikel 2.11

Vervallen

Artikel 2.12

Vervallen

Artikel 2.13

Vervallen

Artikel 2.14

Vervallen

Artikel 2.15

Vervallen

Hoofdstuk 3. Regionale investeringsprojecten

Artikel 3.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *concern:* een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden:
  
    
      1°.
      een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:
      
        
          
          de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
        
        
          
          volledig aansprakelijk vennoot is van of
        
        
          
          overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en
        
      
    
    
      2°.
      laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

1°. 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:

          
          de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
        
        
          
          volledig aansprakelijk vennoot is van of
        
        
          
          overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en

de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan, volledig aansprakelijk vennoot is van of overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en 2°. 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

    *fundamenteel wijzigingsproject:* een fundamentele wijziging in het productieproces van een industrieel bedrijf;

    *hoofdkantoor:* een kantoor van een concern waarin de centrale leiding of een zelfstandig onderdeel daarvan is gehuisvest;

    *
      laboratorium:
    * een bedrijf of bedrijfsonderdeel op het gebied van technisch of fysisch onderzoek, dat een belangrijke functie vervult voor de ontwikkeling van voor het bedrijf nieuwe producten;

    *project:* een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie met grond of bedrijfsgebouwen;

    regio:
  
  
    
      a.
      het gebied van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe tezamen,
    
    
      b.
      het gebied van de provincie Limburg;

a. a. het gebied van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe tezamen, b. b. het gebied van de provincie Limburg;

    *S.B.I.-bedrijfsgroep:* een bedrijfsgroep op vier-cijferniveau van de Standaardbedrijfsindeling 2008 van het Centraal Bureau voor de Statistiek;

    *strategisch uitbreidingsproject:* een uitbreidingsproject waarbij sprake is van concurrentie binnen de Europese Unie ten aanzien van de plaats waar het project wordt gerealiseerd;

    *stuwend dienstverlenend bedrijf:* een dienstverlenend bedrijf, niet zijnde een toeristisch bedrijf of een bedrijf waarvan de activiteiten grotendeels bestaan uit het bieden van accommodatie aan congresgangers, dat naar zijn aard niet aan enige plaats gebonden is, dat de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert en waarvan de afnemers in overwegende mate gevestigd zijn buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd;

    *stuwend toeristisch bedrijf:* een bedrijf op het gebied van de toeristische dagrecreatie, dat de economische ontwikkeling in de regio van vestiging stimuleert en dat in overwegende mate bezoekers trekt van buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd;

    *uitbreidingsproject:* een project inhoudende de uitbreiding van de capaciteit van een industrieel bedrijf, stuwend dienstverlenend bedrijf, stuwend toeristisch bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium in dezelfde gemeente als waarin reeds een bedrijf van de ondernemer of een bedrijf van een tot hetzelfde concern behorende ondernemer is gevestigd;

    *vestigingsproject:* een project, niet zijnde een uitbreidingsproject, inhoudende het stichten van:
  
    
      a.
      een industrieel bedrijf,
    
    
      b.
      een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium,
    
    
      c.
      een stuwend toeristisch bedrijf.

a. a. een industrieel bedrijf, b. b. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium, c. c. een stuwend toeristisch bedrijf.

Artikel 3.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die in een in bijlage 3.1 genoemde gemeente of deel van een gemeente een van de volgende soorten projecten tot stand brengt:

a. a. een vestigingsproject; b. b. een fundamenteel wijzigingsproject waarvan de subsidiabele kosten € 45 000 000 of meer bedragen; c. c. een strategisch uitbreidingsproject waarvan de subsidiabele kosten € 13 500 000 of meer bedragen.

2.

De minister verstrekt voorts op aanvraag subsidie aan de ondernemer die in een in bijlage 3.2 genoemde gemeente of deel van een gemeente een van de volgende projecten tot stand brengt:

a. a. een vestigingsproject waarvan de subsidiabele kosten € 13 500 000 of meer bedragen; b. b. een strategisch uitbreidingsproject waarvan de subsidiabele kosten € 13 500 000 of meer bedragen.

3.

Ondernemingen die van de toepassing van dit hoofdstuk zijn uitgesloten zijn ondernemingen die behoren tot:

a. a. sectoren van de productie van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 van het EU-verdrag; b. b. sectoren van de productie en het in de handel brengen van producten bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren en te vervangen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1898/87; c. c. de visserij; d. d. de scheepsbouwsector; e. e. de kolenindustrie; f. f. de ijzer- en staalindustrie; g. g. de synthetische-vezelindustrie.

Artikel 3.3

1.

De subsidie bedraagt:

a. a. voor een project dat tot stand wordt gebracht in een gemeente of deel van een gemeente waar de in bijlage 3.1 aangegeven maximale steunintensiteit 15 procent bedraagt, het in de bij deze regeling behorende bijlage 3.3 in tabel 2 aangegeven percentage van de subsidiabele kosten dat correspondeert met de puntenscore die resulteert uit de scorelijst van tabel 1; b. b. voor een project, niet zijnde een project als bedoeld in het eerste lid, onder a, het in de bij deze regeling behorende bijlage 3.3 in tabel 3 aangegeven percentage van de subsidiabele kosten dat correspondeert met de puntenscore die resulteert uit de scorelijst van tabel 1.

2. Voor zover subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer, niet zijnde een ondernemer die een onderneming in stand houdt die behoort tot de vervoersector, bedraagt de subsidie, in afwijking van het eerste lid, onder b, het percentage van de subsidiabele kosten bedoeld in het eerste lid, onder a, tenzij de subsidiabele kosten van het project meer dan € 50 000 000 bedragen.

3.

Bij de toepassing van artikel 6 van het Kaderbesluit EZ-subsidies blijven subsidies uit hoofde van

a. a. het Besluit stimulering duurzame energieproductie en b. b. de paragrafen 2.3, 3.4 en 3.5 van de Subsidieregeling energie en innovatie buiten beschouwing, voor zover het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat ingevolge de door de Europese Commissie bij beschikking van 27 juni 2007 goedgekeurde regionale steunkaart voor Nederland voor de periode 2007-2013 (PbEU C 176) kan worden verstrekt.

Artikel 3.4

Het in artikel 5, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag is € 11.250.000 voor projecten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder a, en € 7 500 000 voor projecten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder b.

Artikel 3.5

1.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen voor subsidie in aanmerking de door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten van verkrijging van grond, nieuwe bedrijfsgebouwen en nieuwe duurzame bedrijfsuitrusting, met uitzondering van:

a. a. grond, bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die de subsidie-ontvanger heeft verkregen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tot hetzelfde concern behoort; b. b. niet permanent in het bedrijf aanwezige duurzame bedrijfsuitrusting; c. c. immateriële vaste activa zoals omschreven in artikel 365 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, daaronder niet begrepen legeskosten van bouw- en milieuvergunningen.

2. Voor zover subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer worden, in afwijking van het eerste lid, tevens in aanmerking genomen de kosten van verkrijging van gebruikte bedrijfsgebouwen en gebruikte duurzame bedrijfsuitrusting.

3. In geval van overname van een bedrijfsvestiging die langer dan één jaar vóór het indienen van de aanvraag is gesloten worden, in afwijking van het eerste lid, tevens in aanmerking genomen de kosten van verkrijging van gebruikte bedrijfsgebouwen en gebruikte duurzame bedrijfsuitrusting.

4. Het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald is niet van toepassing op kosten als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, 2°, onder b, 3° en onder c, 3°, en in artikel 3.6, tweede lid, onder c.

Artikel 3.6

1.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen voor subsidie in aanmerking de volgende kosten, voor zover zij geactiveerd zijn op de fiscale balans, de taxatiewaarde niet te boven gaan en, tenzij het betreft duurzame bedrijfsuitrusting die door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met toepassing van artikel 3.31, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 is aangewezen, niet binnen twee jaar worden afgeschreven:

a. a. wat betreft grond:

        1°.
        de koopsom en overdrachtskosten exclusief de overdrachtsbelasting, of
      
      
        2°.
        de gekapitaliseerde erfpachtcanon inclusief de kosten van vestiging van de erfpacht, indien de grond van een gemeente of enig ander van overheidswege opgericht lichaam in erfpacht is verkregen;

1°. 1°. de koopsom en overdrachtskosten exclusief de overdrachtsbelasting, of 2°. 2°. de gekapitaliseerde erfpachtcanon inclusief de kosten van vestiging van de erfpacht, indien de grond van een gemeente of enig ander van overheidswege opgericht lichaam in erfpacht is verkregen; b. b. wat betreft bedrijfsgebouwen en de daartoe te rekenen centrale voorzieningen:

        1°.
        de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten, exclusief de financieringskosten en de overdrachtsbelasting;
      
      
        2°.
        de voortbrengingskosten;
      
      
        3°.
        in geval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen het door de Europese Commissie vastgestelde percentage dat geldt op het moment van subsidieverlening;

1°. 1°. de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten, exclusief de financieringskosten en de overdrachtsbelasting; 2°. 2°. de voortbrengingskosten; 3°. 3°. in geval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen het door de Europese Commissie vastgestelde percentage dat geldt op het moment van subsidieverlening; c. c. wat betreft duurzame bedrijfsuitrusting:

        1°.
        de koopsom;
      
      
        2°.
        de voortbrengingskosten;
      
      
        3°.
        in geval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen het door de Europese Commissie vastgestelde percentage dat geldt op het moment van subsidieverlening.

1°. 1°. de koopsom; 2°. 2°. de voortbrengingskosten; 3°. 3°. in geval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen het door de Europese Commissie vastgestelde percentage dat geldt op het moment van subsidieverlening.

2.

Onder voortbrengingskosten als bedoeld in het eerste lid, onder b, 2°, en c, 2°, worden de volgende kosten verstaan:

a. a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1650 productieve uren per jaar; b. b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen en c. c. een opslag voor algemene kosten, groot 20 procent van de onder a bedoelde loonkosten.

3. Artikel 10, derde en zevende lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 3.7

1. De in de artikelen 3.5 en 3.6 bedoelde subsidiabele kosten worden verminderd overeenkomstig de volgende leden van dit artikel.

2.

Een vermindering wordt toegepast indien:

a. a. de door realisering van het project verworven grond, verworven of tot stand gebrachte bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting op het tijdstip waarop het project is uitgevoerd zijn afgestoten of buiten gebruik gesteld; b. b. de realisering van het project geschiedt in een bedrijfsgebouw of door aanschaf van vaste installaties in de open lucht, waarin of waarmee grotendeels activiteiten worden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep als minder dan één jaar voor de indiening van de aanvraag reeds geschiedde; c. c. de realisering van het project geschiedt door de verzelfstandiging van een in Nederland gevestigd bedrijf en de daarin verrichte activiteiten blijven behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep.

3. Een vermindering wordt voorts toegepast indien binnen een periode van één jaar vóór het indienen van de aanvraag tot en met de datum waarop het project is uitgevoerd aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als de subsidie-ontvanger behorende grond, bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting, welke zich in een in de provincies Groningen, Friesland of Drenthe gelegen gemeente of een in bijlage 3.2 genoemde gemeente of deel van een gemeente bevinden en waarin of waarmee activiteiten werden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep als de activiteiten welke in of met de tot het project behorende bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting worden verricht, worden afgestoten of buiten gebruik gesteld. Deze vermindering geldt niet voor afstoot of buitengebruikstelling als onderdeel van een fundamenteel wijzigingproject.

4. De in het tweede lid, onder a, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de kosten dat kan worden toegerekend aan de grond, de bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die zijn afgestoten of buiten gebruik gesteld.

5. De in het tweede lid, onder b, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de kosten dat kan worden toegerekend aan het desbetreffende bedrijfsgebouw of de vaste installaties.

6. De in het tweede lid, onder c, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de kosten dat kan worden toegerekend aan de verkrijging van het desbetreffende bedrijf.

7.

De in het derde lid bedoelde vermindering bedraagt:

a. a. het gedeelte van de kosten van verkrijging van grond, dat overeenkomt met het gedeelte dat de oppervlakte die wordt afgestoten of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale oppervlakte van de door het project verworven grond; b. b. het gedeelte van de kosten van verkrijging van bedrijfsgebouwen, dat overeenkomt met het gedeelte dat de inhoud die wordt afgestoten of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale inhoud van de door het project verworven of tot stand gebrachte bedrijfsgebouwen; c. c. het gedeelte van de kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting, dat overeenkomt met het gedeelte dat de capaciteit die wordt afgestoten of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale capaciteit van de door het project verworven of tot stand gebrachte duurzame bedrijfsuitrusting.

Onder capaciteit wordt verstaan het door de duurzame bedrijfsuitrusting bepaalde, technisch maximale vermogen tot produceren per tijdseenheid. Indien de capaciteit vanwege het onderscheid tussen de producten niet vergelijkbaar is, wordt de vermindering berekend aan de hand van de verhouding tussen de kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting en de ten hoogste twee jaar voor de aanvraag om subsidie bepaalde taxatiewaarde welke ten grondslag ligt aan de verzekerde waarde van de op het tijdstip van het indienen van de aanvraag bij het bedrijf of het hoofdkantoor in gebruik zijnde duurzame bedrijfsuitrusting.

Artikel 3.8

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.9

De in artikel 23, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde termijn bedraagt drie jaar.

Artikel 3.10

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

a. a. indien de subsidiabele kosten van het project minder dan € 4 500 000 bedragen; b. b. in geval van een project als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder b of c, of tweede lid, a of b, indien de subsidiabele kosten minder dan € 13 500 000, € 45 000 000 onderscheidenlijk € 13 500 000 bedragen; c. c. indien ter zake van het project waarop de aanvraag betrekking heeft reeds subsidie is verstrekt vanwege een provincie met gebruikmaking van een door het Rijk verstrekte uitkering in het kader van het regionaal beleid, bestemd voor stimulering van investeringen door ondernemers; d. d. indien de aanvrager niet heeft aangetoond dat de gevraagde subsidie een stimulerend effect heeft in de zin van artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. indien de subsidiabele kosten voor minder dan 25 procent met eigen middelen worden gefinancierd; f. f. indien de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, gezien de rentabiliteit en de aard van het bedrijf, naar verwachting niet aanvaardbaar zal zijn nadat na uitvoering van het project de bedrijfsactiviteiten een aanvang hebben genomen; g. g. indien de gewenste structuur van de betrokken sector van het bedrijfsleven zich tegen het project verzet; h. h. indien het project het vestigen van een elektriciteitsproductie-installatie met een vermogen van meer dan 100 MW (input thermisch) behelst; i. i. in geval van een project als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder c, of tweede lid, onder b, indien de aanvrager niet heeft aangetoond dat hij met betrekking tot de uitvoering van het project binnen concernverband een bestaande of op te richten zusteronderneming heeft die met betrekking tot de uitvoering van een soortgelijk project op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie een beroep kan doen op een gepubliceerde regionale steunmaatregel van de desbetreffende overheid en dat de besluitvorming ten aanzien van het project is voorbehouden aan de leiding van het concern. Onder regionale steunmaatregel wordt verstaan een regionale steunmaatregel die voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of die is gebaseerd op een door Europese Commissie goedgekeurde regionale steunkaart en die blijkens een besluit van de Commissie als verenigbaar met de interne markt wordt beschouwd.

Artikel 3.11

De subsidie-ontvanger verwerft de tot het project behorende bedrijfsgebouwen en de duurzame bedrijfsuitrusting en stelt deze in bedrijf binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde termijn.

Artikel 3.12

1. De subsidie-ontvanger houdt het project in bedrijf in de gemeente of in het deel van de gemeente waar het tot stand is gebracht.

2. De subsidie-ontvanger stelt de minister onverwijld in kennis van elk voornemen om van het project deel uitmakende grond, bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting af te stoten of buiten gebruik te stellen.

3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden tot vijf jaar na het tijdstip waarop het project is voltooid.

Artikel 3.13

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 3.4; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.5.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 4.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sterktes in de regio.

Bijlage 1.1. behorende bij

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

^1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

^1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

^2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

^3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

^4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 2.1

Vervallen

Bijlage 2.2

Vervallen

Bijlage 2.3

Vervallen

Bijlage 2.4

Vervallen

Bijlage 2.5

Vervallen

Bijlage 2.6

Vervallen

Bijlage 2.7

Vervallen

Bijlage 2.8

Vervallen

Bijlage 2.9

Vervallen

Bijlage 2.10

Vervallen

Bijlage 2.11

Vervallen

Bijlage 2.12. , behorende bij

Vervallen

Bijlage 2.13

Vervallen

Bijlage 3.1

Bijlage 3.2

Gemeenten en delen van gemeenten en steunintensiteiten volgens de regionale steunkaart

Bijlage 3.3

Bijlage 3.4

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3.5

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]