rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-stiller-schoner-en-zuiniger-2002/BWBR0013388/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

17 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002 BWBR0013388 ministeriele-regeling geldend 2002-02-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013388 Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002

Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. De minister stelt een programma vast, waarin het beleidsvoornemen ten aanzien van de ondersteuning van stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer in het stedelijk gebied is neergelegd voor de periode van een aantal kalenderjaren.

2. De minister stelt voor ieder kalenderjaar een actieplan vast waarin de doelstellingen van het programma, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar concreet worden uitgewerkt.

3. Het programma, bedoeld in het eerste lid, en het actieplan, bedoeld in het tweede lid, worden direct na vaststelling door terinzagelegging in de bibliotheek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bekend gemaakt. De minister doet daarvan mededeling in de Staatscourant.

4.

De minister maakt voor aanvang van ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend:

a. a. de termijn waarbinnen in het kader van de onderscheiden programma's aanvragen kunnen worden ingediend; b. b. het voor dat kalenderjaar vastgesteld subsidieplafond waarbij voor de verdeling wordt verwezen naar artikel 8, tweede lid; c. c. de programmabeheerder van ieder programma.

Artikel 3

Op een overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag wordt slechts subsidie verstrekt indien het project:

a. a. betrekking heeft op verkeer- of vervoertechnieken, die geheel of op enig wezenlijk onderdeel nieuw zijn voor Nederland en waarvan de toepassing tot een vermindering van de belasting van het milieu in het stedelijk gebied leidt; b. b. past binnen het actieplan, dan wel in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen daarvan, en c. c. binnen vier jaar, te rekenen vanaf het moment van verlening van de subsidie, in Nederland wordt uitgevoerd en afgerond.

Artikel 4

1.

De hoogte van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van:

a. a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van het project, en b. b. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het actieplan.

2.

De subsidie bedraagt ten hoogste:

a. a. in geval van een haalbaarheidsproject: 90 procent van de projectkosten, tot een bedrag van € 90.756,-; b. b. in geval van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject: 50 procent van de projectkosten, tot een bedrag van € 680.670,-; c. c. in geval van een praktijkexperiment: 25 procent van de projectkosten, tot een bedrag van € 680.670,-; d. d. in geval van een demonstratieproject: 25 procent van de projectkosten, tot een bedrag van € 680.670,-; e. e. in geval van een kennisoverdrachtproject: 90 procent van de projectkosten, tot een bedrag van € 90.756,-.

3. In een actieplan als bedoeld in artikel 2, tweede lid, kan een lager maximumpercentage of een lager maximumbedrag per project worden vastgesteld.

Artikel 5

1.

De in artikel 4, tweede lid, gestelde maximumpercentages voor onderzoeks- of ontwikkelingsproject, praktijkexperiment of demonstratieproject kunnen worden verhoogd met:

a. a. ten hoogste 10 procentpunten, indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1996 (PbEG C 213); b. b. ten hoogste 15 procentpunten, indien het project aansluit bij de specifieke doelstellingen, taken en technische oogmerken van de werkprogramma's 'vervoer', 'THERMIE', 'industrie- en materiaaltechnologie', 'informatietechnologie', 'telematicatechnologie', en 'geavanceerde communicatietechnologie en- diensten' van het vierde kaderprogramma en volgende voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling of het SAVE-programma, met dien verstande dat het project gericht is op het uitvoeren van onderzoek dat in verschillende sectoren kan worden toegepast en blijk geeft van een multidisciplinaire aanpak; c. c. ten hoogste 10 procentpunten, indien het project wordt uitgevoerd op basis van een daadwerkelijke samenwerking tussen ondernemingen en openbare onderzoekinstellingen, in het bijzonder in het kader van de coördinatie van het nationale beleid inzake een Communautair meerjarig kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling.

2. De subsidie op grond van het eerste lid, juncto artikel 4, tweede lid, bedraagt in geval van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject ten hoogste 75 procent van de projectkosten, en in geval van een praktijkexperiment of een demonstratieproject ten hoogste 50 procent van de projectkosten.

3. Een wijziging van de kaderregeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.

Artikel 6

1. Indien aan een aanvrager subsidie wordt verleend voor een combinatie van projecten die betrekking hebben op dezelfde verkeer- en vervoertechniek bedraagt die subsidie ten hoogste het gewogen gemiddelde van de voor de desbetreffende projecten geldende maximumpercentages, bedoeld in artikel 4 en 5.

2. Indien door een aanvrager afzonderlijke aanvragen zijn ingediend voor projecten die betrekking hebben op dezelfde verkeer- en vervoertechniek is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds uit andere hoofde vanwege de overheid of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een subsidie is verleend dan wel anderszins een financiële tegemoetkoming is gegeven, wordt slechts een zodanige subsidie verleend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan de ingevolge artikel 4, tweede en derde lid, artikel 5, eerste en tweede lid, en artikel 6, eerste en tweede lid, maximaal geldende percentages voor de desbetreffende projectsoorten.

4. In een programma of een actieplan kan worden bepaald dat een aanvrager niet voor een subsidie in het kader van dat programma of actieplan in aanmerking komt indien aan die aanvrager reeds een subsidie is verleend in het kader van deze regeling of van een andere met name te noemen regeling vanwege de overheid.

5. Voor de projecten, bedoeld in artikel 1, onder f, g, h, i, en d wordt geen subsidie verleend indien de projectkosten minder dan € 11.344,50 bedragen.

Artikel 7

1.

Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

a. a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager gemaakte en betaalde kosten:

        1º.
        loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;
      
      
        2º.
        kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
      
      
        3º.
        kosten van aanschaf van machines en apparatuur, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
      
      
        4º.
        aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende diensten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
      
      
        5º.
        reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten;

1º. 1º. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar; 2º. 2º. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; 3º. 3º. kosten van aanschaf van machines en apparatuur, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; 4º. 4º. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende diensten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; 5º. 5º. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten; b. b. een opslag voor algemene kosten tot ten hoogste 40% van de loonkosten, bedoeld in onderdeel a, onder 1°.

2. Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, is het vereiste dat de projectkosten zijn betaald niet van toepassing en wordt als kosten van aanschaf in aanmerking genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde leasetermijnen, verdisconteerd op jaarbasis tegen een door de minister vast te stellen percentage.

3. Indien de kosten van de aanschaf van machines en apparatuur slechts gedeeltelijk aan het project zijn toe te rekenen, wordt als projectkosten in aanmerking genomen een evenredig deel van de kosten van afschrijving van de machines en apparatuur, berekend op basis van historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur behorende bij de aard van de apparatuur.

4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, kan de programmabeheerder een redelijk bedrag voor de kosten van de arbeid vaststellen.

5. In afwijking van het eerste lid, kan de programmabeheerder toestaan dat het uurloon en de opslag voor algemene kosten worden vastgesteld overeenkomstig een in de gehele organisatie van de aanvrager gebruikelijke, controleerbare methodiek. De methodiek en de berekening worden bij de aanvraag aan de programmabeheerder overgelegd en bevatten uitsluitend kostensoorten als genoemd in het eerste lid.

6. De projectkosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting en zonder omzetbelasting indien en voor zover de aanvrager de in rekening gebrachte omzetbelasting kan verrekenen.

Paragraaf 2. Aanvraag en subsidieverlening

Artikel 8

1. Een aanvraag wordt ingediend bij de programmabeheerder met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier, en gaat vergezeld van de in dit formulier aangegeven bewijsstukken.

2. Op de aanvragen die voldoen aan het eerste lid wordt door de programmabeheerder in volgorde van ontvangst beslist.

Artikel 9

1.

De aanvrager is verplicht de programmabeheerder, of door hem aangewezen personen,

a. a. toegang te verlenen tot door de aanvrager gebruikte plaatsen; b. b. inzage te verlenen in alle boeken en bescheiden en de gelegenheid te bieden daarvan afschrift te nemen; c. c. medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens door derden.

2. De programmabeheerder kan, alvorens op een aanvraag te beslissen advies van derden inwinnen.

Artikel 10

De programmabeheerder beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

a. a. indien uitvoering van het project zich niet verdraagt met andere doelstellingen van overheidsbeleid, het veiligheidsbeleid daaronder begrepen; b. b. indien de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem met inbegrip van de subsidie voldoende financiële middelen ter beschikking staan om het project uit te voeren.

Artikel 11

1. De beschikking tot subsidieverlening bevat het tijdvak waarin het project wordt uitgevoerd.

2. De programmabeheerder kan de subsidieontvanger bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

3. Artikel 9, eerste lid, is van toepassing.

Artikel 12

1.

De subsidieontvanger is verplicht:

a. a. het project uit te voeren overeenkomstig het bepaalde in de beschikking, bedoeld in artikel 11, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de programmabeheerder voor het essentieel wijzigen, vertragen of stopzetten van het project. b. b. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor benodigde vergunningen en ontheffingen.

2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk bij de programmabeheerder ingediend.

3. De programmabeheerder kan bij de toestemming als bedoeld in het eerste lid, verplichtingen opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 13

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister of de programmabeheerder van:

a. a. de indiening van een verzoek tot surséance van betaling of faillissement; b. b. alle overige omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de subsidie en een doelmatige aanwending daarvan.

Artikel 14

De subsidieontvanger is verplicht:

a. a. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door of vanwege de minister ter zake van de toepassing en de effecten van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek; b. b. medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project indien daartoe door of vanwege de minister wordt verzocht.

Artikel 15

Rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de subsidieverlening kunnen door de aanvrager uitsluitend na toestemming van de minister worden overgedragen.

Artikel 16

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de programmabeheerder de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien de subsidieontvanger failliet is verklaard.

Paragraaf 3. Voorschotten

Artikel 17

1. Op verzoek van de subsidieontvanger verleent de programmabeheerder ten hoogste eenmaal per maand een voorschot op basis van de bij het verzoek gevoegde declaraties.

2. Een verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de programmabeheerder met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier moeten worden meegezonden.

3. Een voorschot betreft de door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde projectkosten. In totaal is het bedrag aan verleende voorschotten niet groter dan 80 procent van de subsidieverlening.

Artikel 18

De programmabeheerder weigert een voorschot indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Paragraaf 4. Subsidievaststelling

Artikel 19

1.

De aanvrager dient binnen dertien weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder e, bij de minister een verzoek tot vaststelling van de subsidie in dat vergezeld gaat van:

a. a. een schriftelijke verantwoording omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het project, met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier, en gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier moeten worden meegezonden; b. b. een financieel eindverslag dat vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel eindverslag en de accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig het bij de programmabeheerder verkrijgbare controleprotocol.

2. Indien het bedrag van de subsidieverlening minder dan € 45.378,- bedraagt, wordt in afwijking van het eerste lid, onder b, volstaan met een financieel eindverslag.

3. Op verzoek kan de minister de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen met ten hoogste dertien weken.

4. Indien de aanvrager niet binnen de termijnen, bedoeld in het eerste en het derde lid, een verzoek tot vaststelling van de subsidie indient, stelt de programmabeheerder de subsidie ambtshalve vast.

Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Programma's die zijn vastgesteld op grond van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger, worden geacht te zijn vastgesteld op grond van deze regeling.

Artikel 21

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002.