40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
16 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010 | BWBR0029988 | pbo | geldend | 2011-05-08 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0029988 | Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010 |
Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Deze verordening neemt de terminologie als omschreven in artikel 1 van het Fokkerijbesluit over, en verstaat voorts onder:
Paragraaf 2. Toepassingsgebied
Artikel 2
Deze verordening regelt de erkenning van in Nederland gevestigde organisaties,
a. a. die één of meer stamboeken of registers bijhouden of instellen voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten of paardachtigen; b. b. die prestatieonderzoek uitvoeren voor runderen en buffels, varkens of voor schapen en geiten, of die verantwoordelijk zijn voor de reglementering en uitvoering van prestatieonderzoek voor runderen en buffels; c. c. die genetische waarden beoordelen van runderen en buffels, varkens of van schapen en geiten en de geschatte waarden publiceren, of die verantwoordelijk zijn voor de reglementering en uitvoering van de beoordeling van genetische waarden en de publicatie van de geschatte genetische waarden van runderen en buffels.
Paragraaf 3. Algemene bepalingen
Artikel 3
1.
Aan een organisatie wordt op aanvraag erkenning verleend voor:
a. a. het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten of paardachtigen, indien wordt voldaan aan de in Bijlage I opgenomen erkenningsvoorwaarden; b. b. de reglementering en de uitvoering van prestatieonderzoek of alleen de uitvoering van prestatieonderzoek voor runderen en buffels, of de uitvoering van prestatieonderzoek voor varkens of schapen en geiten, indien wordt voldaan aan de in Bijlage II opgenomen erkenningsvoorwaarden; c. c. de reglementering en de uitvoering of alleen de uitvoering van de beoordeling van genetische waarden van runderen en buffels of de uitvoering van de beoordeling van genetische waarden van varkens of schapen en geiten, en de publicatie van de geschatte waarden, indien wordt voldaan aan de in Bijlage III opgenomen erkenningsvoorwaarden.
2.
Een erkenning, als bedoeld in het eerste lid, onder a., wordt niet verleend indien:
a. a. niet is gewaarborgd dat de organisatie het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van het Fokkerijbesluit, in acht neemt, of b. b. voor het ras reeds één of meer erkende organisaties bestaan, en:
erkenning van een nieuwe organisatie de instandhouding van het ras in gevaar zou kunnen brengen, of
de uitvoering van het zoötechnische programma van één of meer van de reeds erkende organisaties zou kunnen doorkruisen, of, indien het paardachtigen betreft,
de paardachtigen van het ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die conform Bijlage I zijn vastgesteld door de erkende organisatie die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt.
- erkenning van een nieuwe organisatie de instandhouding van het ras in gevaar zou kunnen brengen, of
- de uitvoering van het zoötechnische programma van één of meer van de reeds erkende organisaties zou kunnen doorkruisen, of, indien het paardachtigen betreft,
- de paardachtigen van het ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die conform Bijlage I zijn vastgesteld door de erkende organisatie die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt.
Paragraaf 4. Aanvraag en verlenen van een erkenning
Artikel 4
1. Een erkenning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt op aanvraag verleend door de voorzitter.
2. Aan een erkenning kunnen nadere voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Een erkenning kan onder beperkingen worden verleend.
3. Een erkenning is geldig voor vijf jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van het besluit waarbij de erkenning is verleend. In bijzondere gevallen kan de voorzitter de erkenning voor een kortere geldigheidsduur verlenen.
4. Alvorens op een aanvraag te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.
5. Op een aanvraag wordt beslist binnen twintig weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan worden verlengd met vier weken.
Artikel 5
1. De aanvraag, ars bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt ingediend bij de voorzitter door indiening van een volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend aanvraagformulier overeenkomstig het bij besluit vastgestelde model.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit, stelt het bestuur tevens vast welke documenten ten minste het aanvraagformulier vergezellen.
3. De voorzitter kan aanvullende informatie en documenten verlangen indien hij dat noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag tot erkenning. De voorzitter stelt een termijn voor het indienen van de verlangde aanvullende informatie en documenten.
4. Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Paragraaf 5. Verlenging van een erkenning
Artikel 6
1. Op aanvraag kan verlenging van een erkenning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar en zo vervolgens telkens voor een periode van vijf jaar. In bijzondere gevallen kan de voorzitter besluiten de verlenging voor een kortere periode te verlenen.
2. De aanvraag tot verlenging wordt ingediend bij de voorzitter door indiening van een volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier aanvraag verlenging overeenkomstig het bij besluit van het bestuur vastgestelde model.
3. Bij het in het tweede lid bedoelde besluit, stelt het bestuur tevens vast welke documenten ten minste het formulier aanvraag verlenging vergezellen.
4. De voorzitter kan aanvullende informatie en documenten verlangen indien hij dat noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag tot verlenging van een erkenning. De voorzitter stelt een termijn voor het indienen van de gevraagde aanvullende informatie en documenten.
5. Alvorens op een aanvraag tot verlenging te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.
6. Het in het tweede lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Artikel 7
1. De aanvraag tot verlenging wordt ten minste drie maanden, maar niet eerder dan zes maanden, voor het verstrijken van de periode waarvoor de erkenning is verleend, ingediend.
2. De voorzitter beslist voor het verstrijken van de periode waarvoor de erkenning is verleend op de aanvraag tot verlenging.
3. Indien de voorzitter niet voor het verstrijken van de periode bedoeld in het tweede lid heeft beslist, wordt de erkenning automatisch verlengd tot de dag waarop de voorzitter op de aanvraag tot verlenging heeft beslist plus één dag.
4.
Het derde lid is alleen van toepassing indien:
a. a. de aanvraag tot verlenging tijdig, vergezeld van de vereiste informatie en documenten en op de in artikel 6, tweede lid, voorgeschreven wijze is ingediend, of b. b. de voorzitter na een indiening, als genoemd onder a., om aanvullende informatie en documenten als bedoeld in artikel 6, vierde lid, heeft verzocht.
Paragraaf 6. Intrekking van een erkenning
Artikel 8
1.
De voorzitter trekt een erkenning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in, indien:
a. a. de erkende organisatie niet meer voldoet aan één of meer van de erkenningsvoorwaarden; b. b. onvoldoende is gewaarborgd dat de erkende organisatie de in artikel 2, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van het Fokkerijbesluit bedoelde voorschriften naleeft; c. c. de erkende organisatie de bij deze verordening gestelde verplichtingen niet naleeft; d. d. de voorzitter vaststelt dat de gegevens of documenten, die in het kader van de aanvraag tot erkenning, de aanvraag tot verlenging van de erkenning, of de jaarlijkse rapportage zijn verstrekt, onjuist of onvolledig zijn, of e. e. de erkende organisatie daarom schriftelijk verzoekt.
2. Het in het eerste lid, onder d., bepaalde is niet van toepassing indien de onjuiste of onvolledige gegevens of documenten niet hebben geleid tot een ander besluit op de aanvraag dan wanneer ten tijde van de beoordeling van de aanvraag wel de juiste en volledige informatie en documenten bekend zouden zijn geweest.
3. Alvorens tot het intrekken, als bedoeld in het eerste lid, onder a. tot en met d., te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.
4. In afwijking van het derde lid, kan de voorzitter, in zeer uitzonderlijke omstandigheden, een erkenning met onmiddellijke ingang intrekken.
Paragraaf 7. Verplichtingen van een erkende organisatie
Artikel 9
1. Een erkende organisatie blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Een erkende organisatie is verplicht elke wijziging of omstandigheid waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat die van invloed kan zijn op de vervulling van de erkenningsvoorwaarden of de verplichtingen uit deze verordening, onmiddellijk schriftelijk aan de voorzitter door te geven, vergezeld van beschikbare documenten.
3. Een erkende organisatie stelt de voorzitter ieder kalenderjaar vóór 1 mei in het bezit van een volledig en naar waarheid ingevulde en ondertekende rapportage overeenkomstig het bij besluit van het bestuur vastgestelde model, vergezeld van de daarin aangeduide informatie en documenten.
4. Ingeval verlenging van een erkenning wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 6, vervalt de in het derde lid bedoelde rapportageplicht met betrekking tot die erkenning.
5. Ingeval verlenging van een erkenning wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 6, vervalt de in het derde lid bedoelde rapportageplicht met betrekking tot die erkenning.
6. Het in het derde lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Paragraaf 8. Commissies van advies
Artikel 10
1.
Er is een:
a. a. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Runder- en buffelfokkerij, hierna genoemd Commissie ETR, voor runderen en buffels; b. b. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Varkensfokkerij, hierna genoemd Commissie ETV, voor varkens; c. c. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Schapen- en geitenfokkerij, hierna genoemd Commissie ETS, voor schapen en geiten; d. d. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Paardenfokkerij, hierna genoemd Commissie ETP, voor paardachtigen.
2. De in het eerste lid genoemde commissies hebben tot taak de voorzitter te adviseren over het verlenen, verlengen en intrekken van erkenningen op de voet van deze verordening.
Artikel 11
1. De commissies, genoemd in artikel 10, eerste lid, bestaan ieder uit een voorzitter en twee leden, en worden bijgestaan door een ambtelijk secretaris. Voorts kunnen een plaatsvervangend voorzitter, plaatsvervangende leden en een plaatsvervangend ambtelijk secretaris worden benoemd. De (plaatsvervangende) voorzitters en de (plaatsvervangende) leden beschikken in ieder geval over deskundigheid op het gebied van fokkerij.
2. De voorzitter benoemt bij besluit voor elk van de commissies de voorzitter, de leden en de ambtelijk secretaris. Plaatsvervangende voorzitters, plaatsvervangende leden en plaatsvervangende ambtelijk secretarissen van de commissies worden eveneens bij besluit van de voorzitter benoemd.
3. De (plaatsvervangende) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de commissies zijn niet verbonden aan het productschap, of een erkende organisatie of anderszins verbonden aan een organisatie waardoor belangenverstrengeling kan optreden.
4. De (plaatsvervangende) voorzitters en de (plaatsvervangende) leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen telkens voor vier jaar worden herbenoemd.
5. De (plaatsvervangend) ambtelijk secretaris is een medewerker in dienst van het productschap, en is geen lid van de commissies.
Artikel 12
1. De commissies, genoemd in artikel 10, eerste lid, stellen een reglement van orde vast waarin zij hun werkwijze regelen.
2. Het in het eerste lid bedoelde reglement van orde behoeft de goedkeuring van het bestuur.
3. De commissies kunnen bij één of meer deskundigen advies of inlichtingen inwinnen.
4. Indien de commissies het noodzakelijk achten voor de advisering, kunnen zij aanvullende gegevens verlangen van de organisatie die de erkenning aanvraagt, onder het stellen van een termijn voor de ontvangst daarvan.
5. De commissies brengen hun advies uit binnen twaalf weken na de ontvangst van het verzoek om advies.
Paragraaf 9. Controle
Artikel 13
De voorzitter verifieert de door de organisatie op de voet van deze verordening aangeleverde gegevens en documenten op juistheid en volledigheid. Deze controle kan ten behoeve van de aanvraag tot erkenning en de aanvraag tot verlenging van erkenning op locatie van de betreffende organisatie plaatsvinden.
Paragraaf 10. Gegevensverwerking
Artikel 14
1. De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens over erkende organisaties of organisaties die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend, worden in handen gesteld van de voorzitter. De gegevens worden, behoudens aan medewerkers van het productschap, de commissies, genoemd in artikel 10 en desgevraagd aan het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, niet verder bekend gemaakt.
2. De in het eerste lid bedoelde personen alsmede de (plaatsvervangend) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de in het eerste lid bedoelde commissies zijn gehouden de uit hoofde van hun taak verkregen gegevens vertrouwelijk te behandelen.
3. De voorzitter kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, besluiten tot bekendmaking van getotaliseerde gegevens omtrent groepen van erkende organisaties of organisaties die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend, doch nimmer op zodanige wijze dat daaruit gegevens omtrent een bepaalde organisatie kunnen worden afgeleid.
4. Uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens over organisaties worden aan anderen dan de in het eerste lid genoemde personen en instanties slechts verstrekt voor zover dat in overeenstemming is met de artikelen 8 en 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Paragraaf 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 15
1. De Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001 wordt ingetrokken. Erkenningen die zijn verleend op grond van de Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001 en die nog geldig zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, zijn geldig tot en met uiterlijk 30 september 2011 en worden beheerst door de bepalingen van de Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001.
2. Aanvragen tot erkenning die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog in behandeling zijn, worden aangemerkt als aanvragen tot erkenning als bedoeld in deze verordening.
Artikel 16
1. De verordening wordt aangehaald als: Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010.
2. De verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na haar bekendmaking in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Bijlage I. Erkenningsvoorwaarden voor organisaties die één of meer stamboeken of registers bijhouden of instellen voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten, of paardachtigen, behorend bij
Bijlage II. Erkenningsvoorwaarden voor het uitvoeren dan wel reglementeren en uitvoeren van prestatieonderzoek, behorend bij
Bijlage III. Erkenningsvoorwaarden voor het uitvoeren dan wel reglementeren en uitvoeren van fokwaardeschatting behorend bij
Deze bepaling geldt niet voor zeldzame rassen.