rijk/wet/wijzigingswet-mediawet-inzake-invoering-van-een-vernieuwd-concessiestelsel-voor/BWBR0011250/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

7 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wijzigingswet Mediawet inzake invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep BWBR0011250 wet geldend 2000-03-31 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011250 Wijzigingswet Mediawet inzake invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep

Wijzigingswet Mediawet inzake invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep

Artikel I

Wijzigt de Mediawet.

Artikel II

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Artikel III

Wijzigt de wet van 13 november 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep (Stb. 544).

Artikel IIIA

Wijzigt de Wet op de naburige rechten.

Artikel IV

1. Aan de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16 van de Mediawet, wordt de concessie, bedoeld in artikel 30a, van de Mediawet, voor de eerste keer verleend met ingang van 1 september 2000, tenzij in het koninklijk besluit waarbij de concessie wordt verleend een ander tijdstip wordt vastgesteld.

2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde concessieverlening doet de Nederlandse Omroep Stichting een concessiebeleidsplan als bedoeld in artikel 30b van de Mediawet, voor een door Onze Minister te bepalen datum toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen vier weken aan Onze Minister.

Artikel V

1. In afwijking van artikel 32 van de Mediawet wordt aan een omroepvereniging die op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, houder is van een concessie als bedoeld in artikel 31 van de Mediawet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 31 van de Mediawet verleend.

2. In afwijking van artikel 32 van de Mediawet wordt aan een omroepvereniging die op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet houder is van een voorlopige concessie als bedoeld in artikel 37 van de Mediawet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 31 van de Mediawet verleend indien de desbetreffende omroepvereniging tenminste 100 000 leden heeft. Het ledental wordt door het Commissariaat voor de Media vastgesteld op een door Onze Minister te bepalen peildatum.

3. In afwijking van artikel 32 van de Mediawet wordt aan de Stichting EDUCOM door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 31 van de Mediawet verleend.

4. Een erkenning als bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt slechts verleend indien de desbetreffende omroepvereniging en de EDUCOM vooraf schriftelijk hebben verklaard met het oog op de uitvoering van de taak van de landelijke omroep bereid te zijn tot samenwerking als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Mediawet. De omroepvereniging en de EDUCOM tonen dit aan door middel van een bij de verklaring gevoegd overzicht van het voorgenomen programmabeleid en de voorgenomen samenwerking met andere omroepverenigingen, de Stichting en de Programmastichting.

5. De erkenningen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend met ingang van het tijdstip waarop de krachtens artikel IV aan de Nederlandse Omroep Stichting verleende concessie in werking treedt.

6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een omroepvereniging of de Stichting EDUCOM die schriftelijk aan Onze Minister te kennen heeft gegeven niet erkend te willen worden.

7. In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Mediawet, heeft een omroepvereniging als bedoeld in het tweede lid, die minder dan 300 000 leden heeft, gedurende de periode waarvoor op grond van het tweede lid een erkenning is verleend jaarlijks de beschikking over 260 uren zendtijd voor televisie en 1200 uren zendtijd voor radio. In afwijking van artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet, bedraagt het bedrag dat een omroepvereniging als bedoeld in de vorige volzin ontvangt voor de verzorging van haar televisie-, onderscheidenlijk radioprogramma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid van de Mediawet, veertig procent van het bedrag, bedoeld in artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet.

Artikel VI

1. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 37a, tweede lid, van de Mediawet, kunnen voor de eerste keer omroepverenigingen die op dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet geen zendtijd als omroepvereniging hebben verkregen, binnen vier weken na inwerkingtreding van deze wet een aanvraag indienen voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mediawet.

2. Het Commissariaat zendt de aanvraag met zijn opmerkingen binnen vier weken aan Onze Minister. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

3. Alvorens op een aanvraag voor een voorlopige erkenning te beslissen vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur.

4. Een voorlopige erkenning als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van het tijdstip waarop de krachtens artikel IV aan de Nederlandse Omroep Stichting verleende concessie in werking treedt.

Artikel VII

1. De leden van de raad van bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn benoemd, worden na genoemd tijdstip geacht te zijn benoemd door de raad van toezicht, met instemming van Onze Minister.

2. In afwijking van artikel 19, derde lid, tweede volzin, van de Mediawet, is aansluitende herbenoeming van de in het eerste lid bedoelde leden meermalen mogelijk.

Artikel VIII

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin deze niet voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van artikelen of onderdelen daarvan.

2. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel IX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.